Kubussen en kistjes

De ontmoeting liep synchroon en beide gingen met elkaar en met mij in gesprek in de week rond Allerzielen.
Om te beginnen had ik voor een klein interview in Kerk in Mokum contact gezocht met Bart Niek van de Zedde, geestelijk verzorger van De Die (Amsterdam-Noord) en Torendael (Amsterdam-Zuid), en vervolgens wees een kennis van mij op haar inzending voor het project Art Rocks 2020, muziek geïnspireerd op een kunstwerk van in dit geval Louise Nevelson (zie foto).

1.
De eerste keer dat ik Bart Niek van de Zedde ontmoette, was enkele jaren geleden in De Die. Hier liet hij me het stiltecentrum zien, waar hij iets over vertelde om me daarna alleen te laten. Het is een ruimte voor bezinning, herdenking en contact.
Er hangen – om me daartoe te beperken – onder meer zestien kubussen. Hierin liggen voorwerpen die bewoners of nabestaanden achterlieten. Memorabilia. Ook wanneer een bewoner is overleden, rest er altijd een tastbare herinnering aan hem of haar die kan worden gedeeld en waarbij je even stil kunt staan. Dat kan een foto zijn, maar ook een flesje parfum.

2.
Raye Milford maakte een mooi liedje bij Sky Cathedral III in het Kröller-Müller museum. Het zijn ook allemaal kubussen, samengebracht en tot een geheel gesmeed door de kunstenares Louise Nevelson (1899-1988).
Ook hier gaat het om een wandsculptuur, een assemblage, van verschillende kratten en kistjes waarin allerlei afval is samengebracht dat de kunstenares in Manhattan op straat vond. Of misschien kun je hier ook zeggen: memorabilia die mensen op straat achterlieten, zoals ze dat minder achteloos in De Die deden. In beide gevallen wordt het nieuw leven ingeblazen, krijgt het een tweede leven.
Dit kunstwerk ademt net als Het groeiende geheugen in De Die een sfeer die je spiritueel of religieus zou kunnen noemen, in alle ruimte en openheid die dit biedt.

Beide, zowel Het groeiende geheugen in De Die als Sky Cathedral van Louise Nevelson en het liedje daarop van Rae Milford maken indruk. Zeker als je ze bekijkt en beluistert rond Allerzielen, wanneer de overledenen van afgelopen jaar worden herdacht in de hoop dat hun nalatenschap in ons doorleeft en doorwerkt.

Overigens: op het liedje van Rae Milford kan tot 22 november a.s. worden gestemd (zie link hieronder). Doen!

https://vgvz.nl/wp-content/uploads/2018/05/6-73-Het-groeiende-geheugen.pdf

https://artrocks.nl/competitie/inzendingen/sky-cathedral-rae-milford

Stemmen kan via deze link: https://edu.nl/gg4hf

‘Het failliet van de moderne tijd’

Deze tijd van crisis is ook een tijd om dingen in te halen, die door de situatie opeens een andere lading krijgen. Neem de cabaretvoorstelling Het failliet van de moderne tijd van filosoof/ cabaretier Tim Fransen (1988). Een opname van deze debuutvoorstelling, die in de dop aanwezig was bij een optreden waarmee hij in 2014 het Leids Cabaret Festival won, is momenteel On Demand te zien bij Ziggo.

Het is tot een volwaardige voorstelling uitgegroeid, met een pauze en een prachtige opbouw. Voor de pauze wordt veel in de grondverf gezet wat erna mooi wordt uitgewerkt en ingevuld tot een ontroerend slot.
Het begint met de kernvraag van Albert Camus (‘Er is maar één ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie’). Over Camus zong Fransen onlangs nog in De Wereld Draait Door (19 maart jl.) de lofzang. Hij is een van zijn helden, net als Friedrich Nietzsche, wiens portret, in een kleine en later ook grotere uitvoering op het podium van de Kleine Comedie in Amsterdam staat.

De kwestie die Fransen op wilde werpen, is: is het leven de moeite waard? Is er een basis op grond waarvan we kunnen zeggen dat het leven zin heeft? Ja, verwacht geen avondje ‘cabaretteketet’, waarschuwt hij het publiek. Nee, maar wel een avond in een mooi evenwicht waar ook echt veel te lachen viel. Evenwicht tussen filosofie waarover je na kunt denken, grappen waarom je al dan niet kunt lachen (zoals de trits piemelgrappen), een enkel liedje en zelfs een uitvoering van de tiende Prélude van Chopin, waar Nietzsche zo van hield.

Camus en Nietzsche, ze liggen op de stapeltjes boeken waarvan Fransen er af en toe een pakt in zijn snelkookpancollege over filosofie, om daarna weer snel te schakelen naar een soms gelaagde grap. Te snel soms om voor een televisie zittend alles te kunnen verstaan. Dat ligt misschien een heel beetje aan mijn oren, maar vooral aan de soms wat binnensmonds pratende cabaretier, die het overigens best aandurft stiltes te laten vallen. En dat mag hij van mij best wat meer doen. Het werkt goed.

Aan het eind van de voorstelling komt Fransen er achter, dat het antwoord op zijn kwestie (queeste zou je in de filosofie zeggen) niet in de boeken valt te vinden, die dan ook op één grote stapel terecht komen, maar in de gelijkzwevende stemming waarmee hij al pianospelend begon. Zijn pianostemmer had hem uitgelegd wat dit betekent: de tonen op een piano staan in relatie tot elkaar. Fransen vertaalt dit naar de relatie tussen mensen onderling. En het feit dat het enige wat daarnaast misschien nog rest, muziek is.

Wat ik voor mijn geestesoog zie verschijnen, zijn de zwevende mensen (vaak in tweevoud) op de schilderijen van Marc Chagall en de uitleg die Jeroen Krabbé er onlangs in televisieprogramma over de kunstenaar aan gaf: het boven jezelf uitgetild worden, zweven op de geest. Is het toeval dat enkele van die figuren soms viool spelen? Ik denk het niet. Want die twee dingen raken aan elkaar. Nu misschien meer dan ooit.

Liefde voor elkaar en de natuur

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen een schitterende film van de Bulgaarse regisseur Milko Lazarov: Ága. Schitterend vanwege de beelden van Jakoetië in noordoost Siberië, maar het had net zo goed helemaal in het noorden van Scandinavië kunnen zijn. Schitterend vanwege het klein gehouden verhaal van twee bejaarde Inuit: Nanook (Mikhail Aprosimov) en Sedna (Feodosia Ivanova). Een klein gehouden verhaal binnen en rondom hun joert op de toendra.

Klein gehouden, maar met een grote draagkracht. Ze proberen te overleven, het echtpaar in hun joert, maar rendieren zijn er niet meer – al ziet Nanook er af een toe één aan de kim verschijnen, maar dat kan ook verbeelding zijn. Hoewel – tijdens zijn vertrek aan het eind van de film rijdt de auto waarin hij zit een rendier aan, dat – hoe symbolisch – boven op de boomstammen in de laadruimte meegaat. Klein gehouden, terwijl de klimaatverandering zich laat gelden, die in de film niet overheerst terwijl toch wel duidelijk wordt wat dit zal betekenen: geen rendieren meer, steeds hardere stormen, ijs dat smelt en als water zachtjes neer druppelt. Nog wel.

Nanook en Sedna proberen te overleven met hun tweeën en een sledehond, terwijl hun dochter (Ága) is weggetrokken naar een diamantmijn. Een enkele keer komt een neef op bezoek. Dat is naast een wereldontvanger hun enige band met de buitenwereld, die langskomt als de vliegtuigstrepen in de lucht. Ze zingen liedjes voor elkaar en vertellen elkaar hun dromen. Zoals die ene over een gat dat in de grond werd geslagen en waarin alle sterren zijn verdwenen.
Het shot op het eind van de film toont zo’n gat, groter dan Nanook en Sedna zelf ooit in het ijs hebben kunnen diggen. Uit de wereldontvanger klinkt het Adagietto uit Mahlers Vijfde symfonie, in de filmwereld bekend geworden door Visconti’s Death in Venice, waarbij echter niet vergeten mag worden, dat Mahler dit als een liefdeslied componeerde.

Want liefde, daar gaat het in de film denk ik primair om. Tussen Nanook en Sedna, van Nanook en Sedna voor Ága en voor de schitterend in beeld gebrachte natuur. Nanook wordt vergeetachtig en dat zou wel eens symbool kunnen staan voor het verdwijnen van de natuurlijke habitat van de Inuit. Of voor onze veelal korte termijnvisie aangaande de klimaatcrisis, als het al de naam ‘visie’ mag hebben. Een dreiging die de hele wereld aangaat en waar iedereen de gevolgen van zal ondervinden. Het enige dat blijft zijn de drie rotsen waarin Sedna de figuren ontwaart van een vader, een moeder en een kind. Want de liefde, die overwint.

Zing van het Licht!

Tegen het donker heet een verzamelbundel met liederen van Sytze de Vries, Zing van het Licht! heet een bundeling met liedjes en mini-musical bij de Bijbel van mijn nicht Lida van den Broek-Mater. De insteek – donker en licht – en de doelgroep – volwassenen en kinderen – is anders, maar allebei bieden ze een aanvulling op wat het Liedboek biedt. En gelukkig worden de kinderen bij Van den Broek niet als mini-volwassenen beschouwt, maar zitten er ook lekker dwarse teksten in. Lida schreef ze zelf, net als de muziek erbij.

Neem De gelijkenis van de verontschuldigingen naar Lucas 14:1 of 12:24. Als toelichting schrijft ze erbij: ‘De leidende tekst is “gaat heen in de heggen en steggen en dwingt ze om in te gaan”. Dat is een wat beladen tekst, veel misbruikt. In de NBG staat dan ook: “nodig iedereen met klem uit”. Maar in de grondtekst wordt het woord dwingen gebruikt”. In de liedjes komt het dwingende karakter naar voren. Een beetje wild misschien. Met een beetje fantasie kunnen de kinderen van de kindernevendienst zich uitleven op de gemeenteleden!’

Ik zie het helemaal voor me, met de tekst die ook nog eens voor volwassenen een diepere laag heeft met een kritische ondertoon over mensen die niet hoeven te betalen en daarom geen nee zullen zeggen én een Bijbelse over dat ze geen dure vent willen in een sjieke tent, maar lammen en de blinden. Kinderen voelen zoiets ongetwijfeld feilloos aan. En is het niet direct, omdat het nog boven hun petje gaat, dan valt het kwartje later wel. Op de flaptekst staat dat het ideaal van de maakster is dat ‘groten en kleinen in de kerk hier samen mee aan de gang gaan!’

Lida Mater (1933) kreeg de opvoeding die bij haar past: de Montessorischool en de Volksmuziekschool. Later, na als onderwijzeres en maatschappelijk werkster te hebben gewerkt, volgde ze Conservatorium A en gaf muziekles op de basisschool, de muziekschool en bij het Speciaal Onderwijs. Ze leidde een kinderkoor, een jongerenkoor en, kerkelijk betrokken als ze is, diverse cantorijen. Op oudere leeftijd volgde ze HBO-theologie A.
In het kader van de laatste opleiding schreef ze Leven aan het Licht (Kok Kampen, 1994).

Het onlangs uitgegeven boekje wens ik in handen van veel kindercantorijen, in de kindernevendienst en op basisscholen.

Lida van den Broek-Mater – Zing van het Licht! Lecturium Uitgeverij, 2017.