Uit het leven gegrepen

Er wordt gezegd dat het helpt om ritme in je leven aan te brengen of te houden, in het algemeen, maar vooral nu, in coronatijd. Dat kan kloppen. Tijdens de eerste golf verheugde ik me bijvoorbeeld elke dag op het moment dat er ’s avonds op de website van het Internationaal Toneel Amsterdam (ITA) door jonge, aankomende en gerenommeerde toneelspelers een verhaal werd voorgelezen uit de Decamerone van Boccaccio.
Nu, tijdens de tweede golf, werd ik op twitter geattendeerd op de tragikomische verhalen onder de titel ‘Toen we de tijd hadden’, die elke donderdag om 16.00 uur verschijnen op de website van en onder de titel De vandalen. Ook hier gaat het om verhalen, bekende en minder bekende toneelspelers. Het is vreemd dat ik nog niet eerder dit spoor had gevolgd, omdat de site goede recensies had in zowel een dag- als een weekblad dat ik lees. Maar goed, nu werd mij gevraagd om te zeggen wat ik ervan vind.

Eerst: wie zijn die vandalen eigenlijk? Volgens de website is het ‘een productiegezelschap gevestigd in Rotterdam’. Zij willen een divers publiek verbinden door middel van verhalen die uitdagen en de blik verruimen. ‘Toen wij de tijd hadden’ – lees ik verder ‘is een webserie over leven in crisis. Volledig in videoberichten, Skype- en FaceTimegesprekken en Instastories. Hoe gaan al die verschillende mensen om met een crisis? En hoe verandert het leven als de crisis niet zo snel voorbij gaat als gehoopt? Wie past zich aan die nieuwe situatie aan en wie gaat eraan onderdoor?’
Ik heb de eerste drie aflevering van het tweede seizoen bekeken, dat uiteindelijk veertien items zal omvatten. Elke aflevering duurt bijna een kwartiertje.

In de eerste aflevering (scenario Elène Zuidmeer) gaat het bijvoorbeeld over huisarts Milas Demir (gespeeld door Sadettin Kırmızıyüz) en zijn assistente (een rol van Anna Schoen). Zij hebben een ‘Digital first’ huisartsenpraktijk opgezet, compleet met een driekwart zichtbare banner op de achtergrond en een cactus voor de huiselijkheid op het bureau van de dokter. De patiënten bellen in en leggen hun probleem voor. Tenminste: als de techniek – en de assistente die het consult probeert over te nemen – mee willen werken …

De tweede aflevering (scenario Elène Zuidmeer, Fenna van der Goot en Joep Vermolen) laat ons onder meer een Zoom-vergadering meebeleven tussen de rector van een basisschool, conciërge John, een meester en een juf. Niet alleen voor wie zoomt herkenbaar, maar ook voor bedrijfssituaties in het algemeen. Conciërge John (een rol van Mads Wittermans), een oud-militair die nadrukkelijk aanwezig is, hamert op protocollen, dan komt alles goed. Meester Bram (Joep Vermolen) is van het inlevende soort en probeert zich te verplaatsen in de leefwereld van de kinderen, die maar één keer zes of zeven worden. Rector Romana (gespeeld door Tirza de Boer) weet het op het laatst allemaal niet meer, en besluit – heel herkenbaar – met de vraag of meester Bram niet ‘iets op de mail kan zetten’.

In de derde aflevering (zelfde scenarioschrijvers als aflevering twee) gaat het onder meer verder over meester Bram en rector Romana. Bram heeft niet zozeer iets op papier gezet, maar een demo gemaakt van een digitale schoolkrant. Romana weet er niet goed raad mee, en verschuilt zich achter algemeenheden als ‘bijzonder’ en het zeer herkenbare ‘Heb je nog even tijd?’ Zij behoort dus tot de mensen die zich niet kunnen aanpassen en er onderdoor lijken te gaan. Maar dat had was in pre-coronatijd wellicht ook gebeurd.
Nu hebben we tijd, maar er werd vroeger al net zo gezemeld als soms in deze serie verhalen? Er is wat dat betreft niets veranderd. Zelfs het voorbeeld, een digitale krant, herken ik. Alleen werd dit niet ‘bijzonder’ gevonden, maar werd ik rechtstreeks in mijn gezicht uitgelachen. Het kan altijd nog erger. ‘Moven’ zou een vriendin van mij zeggen.

Alles wat we te zien krijgen is – om ook een algemeenheid te bezigen – ‘uit het leven gegrepen’: geestig, soms ontroerend maar in alles door en door herkenbaar. De spelers in deze allemaal thuis opgenomen gesprekjes lijken er plezier in te hebben. Allemaal redenen om uit te zien naar de vierde en volgende afleveringen die net als deze drie wellicht ook iets van troost zullen bieden in deze tijd; humor maakt immers (over)leven makkelijker. Dat is een ding dat zeker is. #tip: ga dus kijken!

http://www.devandalen.nl 

Een bol

Ik omschreef het programma van een fraai orgelconcert van hem eens als een bol, als een toverbal, die telkens anders kleurde. We schrijven 10 augustus 1983 en het speelde zich af in de Grote Kerk van Leeuwarden, en ik schreef erover in de Leeuwarder Courant van een dag later.
Op het programma stond, naast werken van Nicolas de Grigny, Joh. Seb. Bach, Ernst Pepping en Max Reger ook de Pinksterhymne Veni creator op. 4 (1930) van Maurice Duruflé (foto rechts). Volgens Goethe de mooiste hymne die ooit is geschreven. Over creativiteit, over liefde.

Het toeval wil, dat Tjeerd van der Ploeg (want over hem heb ik het) vanmorgen datzelfde stuk, Choral varié sur le thème du ‘Veni creator’ speelde tijdens wat een Orgeldienst werd genoemd. Op zondag Rogate (Bidt) in de Bethelkerk in Amsterdam Tuindorp-Oostzaan (zie foto links, EvS). Het zou een onderdeel worden van wat ds. Kees G. Zwart in zijn inleiding een preek in drie delen noemde: eerst de gesproken tekst, daarna de ‘wervelende compositie’ van Duruflé en tenslotte een gedicht vertolkt door een doventolk (Annet van den Berge). Alleen: dat laatste, ik neem aan Lied 697 uit het Liedboek, viel samen met het stuk van Duruflé. Jammer maar waar wat mij betreft. Een al dan niet derde onderdeel had dan ook best stilte mogen zijn. Om te reflecteren op die preek in twee delen.

Eigenlijk bestond de opbouw van de hele dienst min of meer uit twee delen. Ga maar na: voor de verkondigingen in taal en klank klonk aan het begin het koraalvoorspel Nun bitten wir den heiligen Geist BuxWV 209 van Dietrich Buxtehude, Lied 360 Kom Schepper, Geest op een melodie uit de negende eeuw en enkele verzen uit Psalm 19 op een Geneefse melodie (1542). Allemaal oude melodieën, waarbij je je overigens kunt afvragen waarom het inleidende koraalvoorspel niet binnen de orde van de dienst viel, dus ná het klokgelui. En na de verkondiging de wat nieuwere melodieën, van Frits Mehrtens (Lied 763) en een korte, mooie en krachtige improvisatie daarover tot slot.

Wat de verkondiging in gesproken taal betreft: deze viel ook uit in twee gedeelten. Eerst ging het over Exodus 20:1-21, de uittocht naar het leven vanuit de bevrijding. De vraag is hoe je dat kunt bewaren. Het antwoord ligt volgens dominee Zwart in de Tien woorden, de tien invalshoeken, de tien bakens in de zee van het leven. Liefde is de grote drijfkracht.
Het tweede gedeelte was naar aanleiding van Johannes 14:15-21. Jezus haalt de geboden aan. Weer is liefde de drijvende kracht om in vrijheid te kunnen leven. Dat wil zeggen: krachtig en geestig.

Ten aanzien van Van der Ploegs uitvoering van Duruflé’s koraalvariaties, kan ik haast letterlijk overnemen wat ik in de Leeuwarder Courant van 11 augustus 1983 schreef naar aanleiding van zijn uitvoering van hetzelfde stuk op het Müllerorgel: ‘Het is opvallend dat [nu] het Flentroporgel onder de handen van Tjeerd van der Ploeg (…) heel ver tegemoet komt aan de verschillende klankkleuren. Variërend bijvoorbeeld van tongwerken (…) tot de grondstemmen’ en – vul ik hier aan – de fluiten.

Het was niet zozeer een toverbal die na dit koraal nog weer anders kleurde, maar een bol zoals ik het ook in de Leeuwarder Courant noemde: een bol waarin licht valt, telkens anders gedurende de dag. Een bol als op de achterwand van het Arnolfini portret (1434) van Jan Van Eyck. En wat daar dan het centrale thema van is? U raadt het al: liefde. Het kan niet missen.

Mooi dat in deze tijd wordt gezocht naar een wat experimentele invulling van een dienst die via kerkdienstgemist kan worden gevolgd. In verbondenheid met anderen thuis en met hen die ons voorgingen, in woord en muziek.