Wetenschap of ideologie?

Stan Verdult vraagt zich in een blog op zijn website https://bdespinoza.blogspot.com (16 juli jl.) af, of er niet een gevaar in zit dat de Spinozageleerde Yitzhak Melamed een keppeltje draagt. Niet zozeer voor zijn veiligheid (hij overleefde onlangs een aanslag, waar Verdult ook over berichtte), maar in dit verband vanwege de vraag ‘wat het voor het Spinozisme kan betekenen’. Immers: Spinoza moest niets ‘hebben van ceremonieën, rituelen en uiterlijkheden’. Verdult verbaast zich over het feit dat Melameds identiteit nog steeds gevormd lijkt door ‘de ultra-orthodoxe gemeenschap Bney Brak in Israël’ en concludeert: ‘Is er niet het risico dat hij Spinoza met een kippah op leest?’

Dat is een legitieme vraag, die mij sympathieker overkomt dan de stelligheid waarmee de Amsterdamse Spinozakring de studiegroep ‘Spinoza-vreemdeling’, komend najaar, aankondigt: ‘Spinoza vervreemde van de gemeenschap waarin hij opgroeide door de contacten die hij onder meer op de beurs met mensen buiten de gemeenschap onderhield’ (www.amsterdamsespinozakring.nl).

Misschien ligt de waarheid in het midden: het denken van Melamed én Spinoza is, gewild of niet, geworteld in hun joodse opvoeding. Deze schut je, al dan niet bewust, niet zomaar van je af. Wél kan die ervaring in de loop van je leven worden omgebogen of verrijkt, naar gelang, door contacten buiten die gemeenschap. Zoals bij beiden is gebeurd en zoals verschillende sprekers tijdens ‘Het filosofisch kwintet’ onder leiding van Clairy Polak vanmorgen (NPO 1) stelden bewust op social media mensen buiten hun eigen gezichtskring te volgen, om hun blik te verbreden. Immers: dit ‘dwingt je om na te denken over je eigen keuzes’, zoals Bernhard Reitsma – auteur van Kwetsbare liefde – zei in een ander televisieprogramma van vandaag, ‘Het Vermoeden’ van Marleen Stelling (NPO2).

Zolang een geleerde er voor uitkomt met welke bril of pet op hij wetenschap bedrijft, is dat duidelijk: Melamed vanuit zijn joodse, de Amsterdamse Spinozakring vanuit een tegenwicht daartegen en ook, heel duidelijk, tegen het christelijke denken. Zolang Spinoza zélf maar recht worden gedaan en niet voor wiens karretje dan ook wordt gespannen. Dan is het geen wetenschap meer maar ideologie.

Revolutionaire denkers

revolutionaire-denkersRevolutionaire denkers uit de oudheid / presented by Bettany Hughes ; series produced and directed by Rob
Cowling. – Amsterdam : B-motion, [2015]. – 2 dvd-video’s 177 min.) : kleur, geluid, breedbeeld (16:9)
; 12 cm. – Engels gesproken, Nederlands ondertiteld. – Oorspronkelijke titel: Genius of the ancient world. – Videoversie van het televisieprogramma: Groot-Brittannië : BBC Religion & Ethics Production, © 2015.

Presentator Bettany Hughes, als historicus gespecialiseerd in de geschiedenis van de Oudheid, leidt de kijker op de plaatsen van ontstaan (India, Griekenland en China) in in het denken van Boeddha, Socrates en Confucius. De bedoeling is de actualiteit van en de overeenkomsten tussen deze drie denkers voor geïnteresseerden over het voetlicht te brengen. Hierbij wordt enige milde humor niet geschuwd. Er worden wel vragen bij dit denken gesteld, maar de ideeën – en bij Confucius ook primair rituelen – blijven zonder commentaar staan. Er wordt geen aandacht geschonken aan afgeleide zaken als mindfulness e.d., maar wel aan de Socratische methode. Een kritische noot wordt gekraakt ten aanzien van het feit dat de drie denkers vrouwen min of meer over het hoofd zagen. Maar daar is een andere BBC-reeks voor: Goddelijke vrouwen, ook met Bettany Hughes. Actuele serie, omdat deze revolutionaire denkers uit tijden vol verandering ook in het huidige roerige tijdsbestek nog steeds veel hebben te zeggen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Van voor naar achter en van links naar rechts

Maarten LutherRabbijn Raphael Evers, rabbijn Menno ten Brink en Guy Muller van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi) roepen de kerken op ter gelegenheid van de vijfhonderdste verjaardag van de Reformatie (in 2017) excuses te maken voor Luthers jodenhaat.

De reactie hierop vanuit zowel de PKN als Refo500 zijn tekenend. Maar naar mijn idee moet er (ook) iets heel anders gebeuren. Eerst de reacties. En dan wat er zou kunnen gebeuren.

 

Een woordvoerster van de PKN, Marloes Nouwens-Keller, vindt het (als weergegeven in Trouw van vandaag) een punt om excuses te maken voor iets wat je zelf niet hebt gedaan. Herman Selderhuis van Refo500 wil ook aandacht schenken aan het feit dat de kerken vijfhonderd jaar geleden verdeeld raakten.

Het zijn kenmerkende uitspraken die iets zeggen over de beweging die de protestantse kerken maken: van voor naar achter en van links naar rechts (of van rechts naar links?). Of dat de goede kant op is, is maar de vraag. Daarom is het misschien goed als de kerken zich, ongedeeld, jawel, afvragen in welke al dan niet anti-joodse traditie zij nog steeds staan en wat dit met hun belijdenis doet.

Een voorbeeld. Een paar weken geleden werd Sacraments(zon)dag gevierd, een feestdag die oude papieren heeft (Luik, 1246) en gepaard gaat met plechtige processies. In de kerk waar ik ter kerke ga werd ter intocht stil gestaan bij de kooromgang, met zicht op de plaats waar eens het sacramentshuisje stond opgesteld. Het is een haast symbolisch moment in een kerk die zich beroept op de voor-reformatorische liturgie: ‘de rijkdom van de liturgie, het belang van rituelen, de wekelijkse viering van de Maaltijd van de Heer (Avondmaal of Eucharistie), de eeuwenoude traditie van muziek en theologie.’
Regelmatig klinkt er bijvoorbeeld gregoriaans, maar dan gezongen op een manier waarin niets hoorbaar is van de joodse wortels die er op één of andere manier in door zóuden kunnen klinken.

Een gezamenlijke optocht i.p.v. alleen door ambtsdragers – oké. Maar wordt ‘zo zichtbaar en voelbaar, dat wij te gast zijn in het huis van de Heer, en Hij degene is die ons uitnodigt?’ En: ‘doorbreken we (zo) ook de vaste gewoonte, die de indruk kan wekken dat wij bepalen wat er in Gods huis gebeurt?’  Daarvoor moet toch iets anders gebeuren.
De kans is groot dat mij, zoals me een keer in een kerkenraadsvergadering overkwam, ongetwijfeld worden verweten dat ik weer een hobby aan het botvieren ben. Een gevoeligheid voor joodse wortels is voor alles weet hebben van de boodschap die erachter zit.

In het leerhuis van dezelfde kerk is het hoe langer hoe meer bon ton om de Naam van God, het tetragram JHWH voluit uit te spreken. Al lang niet meer weersproken, want er lijkt geen beginnen meer aan. Of, zoals Ruard Ganzevoort mij eens twitterde toen ik er hem op wees dit gebruik ongepast te vinden: Mag ik. Het is in mijn traditie gebruikelijk. Een traditie die een steeds grotere stem krijgt. ‘En we zijn er inmiddels al niet meer bang voor’, hoorde ik een predikant laatst zeggen. O nee?

Met het gebruik de voor-reformatorische liturgie te omhelzen en joodse gebruiken die even goede papieren hebben in één moeite door de nek om te draaien, lijkt het steeds minder ongepast om in leren en vieren, in preken en voorbeden de joodse God van de wrake (u bedoelt?) van stal te halen en de aandacht voor het joodse erfgoed te vervangen door het Palestijnse leed. Dat zijn eenzijdige én gevaarlijke ontwikkelingen.
Misschien is het goed daar bij de herdenking van 500 jaar Reformatie óók bij stil te staan. En ons leven te verbeteren in plaats van terug te vallen in wat ik had gehoopt dat het verleden tijd zou zijn.

De Bazel en het jodendom

Synagoge Enschede_Enschede in ansichtenK.P.C. (Karel) de Bazel werd in 1869 in Den Helder geboren in een rooms-katholiek gezin. Rond 1890 brak hij met de kerk. In 1894 sloot hij zich aan bij de Theosophische Vereeniging. De theosofie gaat ervan uit dat alle godsdiensten voortkomen uit één bron. In dit verband worden andere, ook oosterse culturen onderzocht. Vanaf dat moment komt de nadruk op frontaliteit in het werk van De Bazel naar voren. A.W. Reinink noemt in zijn biografie van De Bazel als voorbeeld daarvan een vroeg, niet uitgevoerd ontwerp voor een ‘Algemeen Bibliotheekgebouw’ (1895).

Een ander, laat voorbeeld is de villa die De Bazel in 1923 – het jaar van zijn overlijden – ontwierp voor de Enschedese textielfabrikant M. I. (Miljan) Menko, jongere broer van S.N. (Sig) Menko, voor wie De Bazel al eerder, in 1914 een stadsvilla had ontworpen. De horizontale lijn van het platte dak van de asymmetrisch opgezette villa uit 1923 – de enige woning van De Bazel met een plat dak – wordt versterkt door in natuursteen uitgevoerde banden.

Miljan Menko was voorzitter van de joodse gemeente in Enschede en degene die contact legde met Karel de Bazel. Dit contact moet al in 1917 zijn ontstaan, want in de collectie Meijer (Jaap Meijer, 1912-1933) in het Stadsarchief Amsterdam berust een niet gecatalogiseerde (kopie van een) brief die Karel de Bazel op 27 september 1917 schreef aan – zoals er met pen bij is geschreven – Hillesum. Dit is ongetwijfeld Jaap Hillesum, een buurman van Jaap Meijer. Hierin verzoekt De Bazel om ‘kort begrip van symbolen, ritueel, en ceremonieel der Joodschen kerk (…) dat ik kan gebruiken als uitgangspunt voor het bouwen van een synagoge.’ De Bazel had de naam van Hillesum gekregen van opperrabbijn S.J.S. Hirsch (Zwolle), die de synagoge in Enschede (zie afb.) later zal inwijden. In het archief van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam is geen antwoord van Hillesum teruggevonde evenmin als in de ‘vier stukken’ in het Stadsarchief Amsterdam (1914-1929) van Hillesum.

Belangrijk in dit verband is de constatering van Piet Cohen, ontwerper, oud-docent aan de Gerrit Rietveld Academie en betrokken bij de restauratie van verschillende synagogen, dat De Bazel zich als niet-jood bij het ontwerpen van een synagoge voorzichtiger toonde, en zich meer aan de gebruiken gebonden voelde dan een joodse architect als H. Elte Phzn. (1880-1944).

Dit neemt niet weg dat De Bazel op met name het meubilair, het verlichtingsarmatuur en de eiken lambrisering die hij voor de kerkenraadskamer van de synagoge in Enschede ontwierp zijn stempel heeft gedrukt. In de kerkenraadskamer van de synagoge in Enschede ligt een tapijt, met een mandalapatroon dat is ontleend aan de Borobudur op Java. Dit patroon valt ook op andere plaatsen in de synagoge terug te vinden, zoals in muurdecoraties. Het is een rustig, geometrisch patroon dat raadsleden gelegenheid geeft hun aandacht bij het gebed te houden. Sober als de Art Deco-stijl uit die tijd, maar evenzeer uitdrukking gevend aan de overtuiging dat een sobere, maar fraaie vormgeving gepast was voor een gebouw dat zowel ter ere van God als ter bevordering van een betere samenleving was neergezet.

Dit laatste krijgt de nadruk in de kunst-fenomenologische beschouwing die de beeldhouwer, psycholoog en publicist F. de Miranda aan het werk van De Bazel wijdde. De Miranda beschrijft de frontaliteit als gericht op de mens, ‘als een weg voor de van buiten aankomende en binnentredende gelovige, die mede door de frontaliteit van de bouwkundige ordening ook zelf tot frontaliteit, dat wil zeggen tot presentie-in-de-ontmoeting werd geleid.’

Dat kan ook worden gezegd van de twee vóór de hoofdingang van de synagoge in Enschede symmetrisch uitstekende delen: de dagsjoel (rechts) en de kerkenraadskamer (links). Men kan er van binnen naar buiten kijken, en van buiten naar binnen. Dat is ook de bedoeling, zeker nu in de dagsjoel voor de glas-in-loodramen onlangs een chanoekia (een achtarmige kandelaar) is neergezet (niet origineel uit ca. 1928). Hiervan moet volgens de traditie het licht namelijk naar buiten schijnen.

De Miranda concludeert, dat De Bazel ‘tussen oost en west’ ondanks het feit dat hij geen jood was, voldoende verwantschap voelde om de opdracht voor het bouwen van de synagoge in Enschede te kunnen aannemen.

Gedeelte uit een werkstuk dat ik voor de Open Universiteit Nederland schreef over de synagoge in Enschede, en dat ik hier herplaats met het oog op de tentoonstelling over ‘De Bazel in de Bazel’ (overzicht van het vernieuwende glaswerk van Karel de Bazel) en een gesprek daarover op 22 maart 2015 om 15.00 uur in het Stadsarchief Amsterdam (Vijzelstraat 32) tussen Marty Th. Bax en Job Meihuizen, samensteller van de tentoonstelling.

Hallelujah

HallelujahBij een grote stadskerk die zich wil ontplooien als City Kerk, past mijns inziens ook, dat bestaande rituelen tegen het licht worden gehouden. Daar valt onder meer het uitdijen van de liturgie met voor-reformatorische teksten en muziek onder. En dat licht is dan de gevoeligheid voor de ‘sensus israeliticus’ (Th. C. Frederikse) ervan.

Een voorbeeld slechts: het Hallelujah (zie afb.), dat de gemeente tussen de lezing van Epistel en Evangelie zingt. Zonder dat het Evangelie omhoog wordt geheven, laat staan gekust. ‘Half dus’, concludeerde iemand onlangs. En dat was niet positief bedoeld …

Voor mij is dit een onderdeel dat kritisch mag worden bekeken. We heffen Tenach toch ook niet, laat staan dat we het kussen als was het een mezoeza?

Ik werd op mijn wenken bediend, als een proef (op de som) zullen we maar zeggen. Want tijdens een feestelijke herdenkingsdienst in een andere dan de City Kerk i.o. kwam geen Hallelujah op de orde van dienst voor.

Wel een ‘vertelling’ door Geert Mak. Hij had het over het dubbele en het open karakter van de gastkerk, waarvan de toren 400 jaar bestaat. Gebouwd op de fundamenten van de middeleeuwse stadsmuur, op de grens ook tussen de oude en de moderne tijd, vasthoudend aan klassieke, Griekse vormen aan de ene kant en vol van revolutionaire ideeën aan de andere kant. Zoekend nog, maar toch.

Het gaat om vasthouden en loslaten, klonk het in de voorbeden. Wat betekent dit voor het Hallelujah? Die zoektocht moeten we samen gaan, met gevoel voor de ‘sensus israeliticus’ die eraan ten grondslag ligt. Als de klank van de klokken die op 31 december om 12 uur de stad zegenen, om ter vergelijking een opmerking van Mak aan te halen.