Een wachter voor de mond

Dit jaar was het Fête de la musique in Ermelo door mijn neus geboord; wegens werkzaamheden zouden de treinpassagiers tussen Amersfoort en Zwolle in de hitte worden vervoerd met bussen. Dus geen blog dit keer over dit jaarlijkse muziekfestijn dat ik graag bezoek.
Toch verlangde ik ernaar weer een dagje naar Ermelo te gaan, mijn standaardroute te volgen die ik jaarlijks loop en waar – nog zoiets – corona even de klad in had gebracht: een kopje koffie bij Proeverij De Ontmoeting, een boek kopen bij Riemer en Walinga, langs korenmolen De Koe, naar het kerkhof achter de Zendingskerk waar mijn ouders begraven liggen, een hapje eten bij wat nu De Boterlap heet en weer terug door de Stationsstraat, aan het begin waarvan mijn ouders hebben gewoond. Meestal een ijsje etend halverwege. Dat de sprinters tussen Amersfoort en Zwolle maar eens in het uur gingen, mocht de pret niet drukken. En voor de stroomstoring ’s avonds was ik alweer, moe maar geheel voldaan, thuis.

StEK en Inspiration
Alsof Ermelo (of Ermeloo, zoals Riemer en Walinga het noemt) wat goed te maken had, kreeg ik dit keer zomaar twee fraaie vervangers van de gemiste concerten in het kader van het Fête de la musique: Dé Kunststek van Ermelo en een foto-expositie in de Zendingskerk. En vooral twee leuke ontmoetingen op beide plekken.
StEK, gevestigd in een ruim pand aan de Stationsstraat, is een collectief van ruim dertig kunstenaars. En in de kerkzaal van de Zendingskerk (zie tekening links) exposeerden leden van de fotoclub Inspiration eigen werk (nog t/m 20 augustus a.s. op zaterdagmiddag van 13.00-16.30 uur). Ik beperk mij tot het laatste evenement, georganiseerd door de Open Kerk Commissie.

Mystieke foto van Jan Mondria
Er hingen prachtige foto’s tussen. Bijvoorbeeld van de bossen en de hei, van oude boerderijen en een moderne vuurtoren die is omgetoverd tot appartementencomplex. Eén foto sprong eruit en werd afgedrukt bij de aankondiging op de site van de Zendingskerk en bij een artikel in Ermelo’s Weekblad (12 juli 2022). Deze foto neem ik bij deze blog over (hierboven).

Ik raakte erover aan de praat met de maker ervan, Jan Mondria, die op 23 juli toevallig aanwezig was. Hij vertelde dat fotograferen in de genen van zijn familie zit. Behalve hijzelf doet ook een broer het (ook lid van de fotoclub) en een neef. Bovendien rijdt hij op de buurtbus en gaf mij een gratis lesje fotografie. Hij bekende overigens ook de geëxposeerde foto op de computer wat te hebben bewerkt. Er wat mistigs aan toe te hebben gevoegd, aan dit bos dat bekend staat als het ‘bos van de dansende bomen’, bomen die in allerlei krommingen en bochten zijn gegroeid.

Voorzichtig probeerde ik te pulken aan de titel ervan: Mystieke foto Speulderbos, Sprielderweg tussen Drie en Speld. Ik realiseerde me later pas dat ik op die manier poogde het onderscheid erbij te betrekken tussen mythe (natuur), mysterie (genade) en mystiek (glorie) zoals ik dat had geleerd uit het werk van Henk Vreekamp en in mijn gelijknamige boekje (op de plank bij Riemer en Walinga!) over hem verwoordde. Het kwam niet helemaal uit de verf, en Mondria werd door iemand anders aangesproken die zijn aandacht vroeg en terecht ook kreeg. Daarom doe ik hier een poging helder te krijgen wat ik bedoelde.

Mythe, mysterie, mystiek
Deze drieslag ontleende Vreekamp aan het denken van Gershom Scholem (1897-1982), die drie fasen onderscheidde in de ontwikkeling van een godsdienst: de mythe, ‘waarin het goddelijke en het menselijke spontaan door elkaar wandelen’ (niet: mét elkaar wandelen!), het mysterie ‘waarin hemel en aarde scherp van elkaar worden onderscheiden’ en ‘God en mens ieder hun onderscheiden rol spelen’ en tenslotte die van de mystiek, waarin ‘hemel en aarde (…) in een nieuwe eenheid samen komen’ en ‘God en mens elkaar ontmoeten’.

Met betrekking tot het Speulderbos valt bijvoorbeeld te denken aan de mythe van het Solse Gat: een gat waarin volgens de overlevering een klooster zou zijn verdwenen en waarvan je op z’n tijd de klokken nog zou kunnen horen luiden.
In de literatuur wordt het Speulderbos wel ‘mysterieus’ genoemd, maar dat is volgens bovenstaand onderscheid dus niet mogelijk.
En dan tenslotte de mystiek, de mystieke foto. Daar raken we aan de vraag of je God in de natuur kunt ontmoeten. Ik moet daarbij denken aan Augustinus (zie afb. links), die daar niet helemaal duidelijk over was. Er is zelfs een blog van Peter van Geest waarin wordt gezegd dat Augustinus dit wel degelijk vond. En wat staat daar als afbeelding bij? Het bos van de dansende bomen … Maar er is ook dat schitterende antwoord op de vraag wat je lief hebt als je God zegt lief te hebben. God is niet in de natuur, maar het is wel zoiets. Zoiets als de geur van – parafraseer ik – de bomen na een verfrissende regenbui. Maar dan gaat het om ‘een geur die niet op de wind verwaait’, maar waar Hij het licht dat tussen de boomstroken speelt Zelf is.

Toch is het goed dat ik daar allemaal niet mee kwam, toen ik Jan Mondria ontmoette. Soms is het beter boekenwijsheid niet meteen paraat te hebben, maar wel een wachter voor je mond (Ps. 141) te plaatsen. Om dingen niet kapot te maken, maar gewoon samen stil te kijken naar wat voor hém zó betoverend was, dat hij er nog een schepje bovenop deed om ook ons ervan te kunnen laten genieten en in mee te nemen.

www.kunststek.com
https://www.hervormd-ermelo.nl/zendingskerk/activiteiten/expositie-op-zaterdagmiddag

Kunst en kerk

Ik heb wat met de verhouding tussen ‘Kunst en kerk’, om de titel van het themanummer van het tijdschrift In de Waagschaal (3 juli 2021, jrg. 50 nr. 7) aan te halen. Zo ben ik enkele jaren lid geweest van de kunstcommissie van de Oude Kerk in Amsterdam en heb als curator a.i. enkele tentoonstellingen samengesteld voor de Amsterdamse Thomaskerk (nu: De Thomas). Op dit moment denk ik nu af en toe mee aangaande kerk en kunst in de breedste zin van het woord (beeldende kunst, gedichten, muziek) met mijn wijkpredikant, ds. Paula de Jong van de Nieuwendammerkerk en schrijf af en toe een recensie over een boek of tentoonstelling op dit terrein. Reden te meer om het genoemde extra dikke zomernummer (48 pagina’s) met buitengewone interesse te lezen en erop in te gaan in deze al even extra lange blog.

Kunst en kerk
Om te beginnen het artikel van Jessa van der Vaart, vanaf 2016 verbonden aan diezelfde Oude Kerk (zie historische foto). Zij begint met te memoreren dat haar vader, de in 2000 overleden keramist Jan van der Vaart, zichzelf liever pottenbakker noemde, maker van gebruiksvoorwerpen. Het lijkt een statement, zo aan het begin van haar artikel dat de vraag oproept: is kunst in de kerk dan óók een gebruiksvoorwerp in plaats van een autonoom kunstwerk? Staat het dan ten dienste van de kerk? Denk bijvoorbeeld aan een Avondmaalsstel of een kruiswegstatie. Maar die weg bewandelt ze niet, zodat dat begin, afgezien van de schets van een persoonlijke context, mij inhoudelijk niet helemaal duidelijk is.

Van der Vaart memoreert dat de Oude Kerk zich ontwikkelde tot tentoonstellingsruimte van hedendaagse kunst die kunstwerken toont die specifiek voor de kerk zijn gemaakt. Ze heeft tot nu toe vier exposities meegemaakt – alle vier nadat ik uit de kunstcommissie was gestapt, zodat ik mijn handen vrij had die tentoonstellingen soms te recenseren voor de website 8WEEKLY.

Van der Vaart noemt met name ‘NA’ van de onlangs overleden kunstenaar Chr. Boltanski (2017-2018, zie link naar mijn recensie hieronder). Ze heeft het over een dienst, die niet werd voorbereid met de al dan niet toen nog bestaande kunstcommissie, maar met de toenmalige cantor Christiaan Winter en Marcel Barnard (zie hieronder). Tijdens de dienst werd er een dialoogpreek aangegaan met een niet met name genoemd gemeentelid.
Ze eindigt haar artikel met de constatering, dat kunst staat voor ‘condition humaine’ en de kerk daar iets aan toevoegt: ‘een ander, verrassend perspectief dat nu juist niet uit die “condition humaine” opkomt, maar uit een andere hoek, van een andere kant, met een andere stem’. Maar zou de kerk niet juist meer aandacht moeten hebben voor de ‘condition humaine’? Het is analytisch ongetwijfeld verhelderend, maar ook een beetje valse tegenstelling die wordt gecreëerd.

Kunst en geloof
Het volgende, wat omvangrijker artikel is van de hand van Marcel Barnard. Ook hij komt aan het eind van zijn stuk met de installatie van Boltanski en genoemde dienst, maar zijn insteek is een andere. Ook hij begint net als Van der Vaart met de persoonlijke context waarin zijn liefde voor kunst ontwaakte: zijn vader, die hem meenam naar een tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Hier kreeg de jonge Barnard een numineuze ervaring bij het zien van werk van Peter Struycken. Hij schreef erover in Meditaties van de ziel (Amsterdam, 2020, p. 21 e.v.), waarover ik eerder blogde.

Eenzelfde soort sensatie overkwam hem bij het beleven van de liturgie in de Amsterdamse Oude Kerk. Hier dus geen al dan niet valse tegenstelling, maar een en dezelfde soort ervaring. Als wetenschapper heeft hij ook weet van een ‘keurige boedelscheiding’, maar ‘op de via directa, in de geloofservaring wentelen geloof en kunst, het esthetische en het religieuze (…) onlosmakelijk om elkaar heen’, aldus Barnard. Ik kan die bevinding (in de dubbele betekenis van het woord) alleen maar beamen. Ook ik kan evenzeer geraakt worden door een kunstwerk, om het even in welke vorm (beeldende kunst, gedichten, muziek) als door een preek of een lied waarin gevoel en ratio op eenzelfde manier samengaan en mij bewegen en in beweging zetten.

Even verder echter spreekt Barnard toch net als Van der Vaart en in de voetsporen van G. van der Leeuw (1890-1950) van ‘het “andere” van de kunsten [en] het “totaal andere” van God’ en ‘een gesprek tussen beide waarin ze soms samenstemmen en soms van elkaar verschillen’. Alleen, schrijft Barnard dan, ‘bij ware kunst en (…) diep geloof, komt het andere, de ander, de Ander ons in de verbeelding tegemoet’. Moge het zo zijn.

Grensgebied van kunst en religie
De volgende bijdrage waar ik hier aandacht voor wil vragen, is van de kunsthistoricus en schrijver Anneke van Wolfswinkel, die betrokken is bij de Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek, dit jaar van 10 juli t/m 15 augustus.
Zij heeft het niet over ‘kunst en kerk’ of ‘kunst en geloof’, maar over ‘het grensgebied van kunst en religie’. Zij heeft het over de ontmoeting tussen ‘hedendaagse kunst en eeuwenlange kloostertradities’. En met Barnard heeft ze het over verbeelden en het nieuwe betekenissen toekennen. Als kunsthistoricus zegt ze hetzelfde als Barnard met de via directa, de geloofservaring of bevinding, maar dan vanuit een ander perspectief: ‘Niet alleen de kunstenaar geeft betekenis, de kijker doet dat net zo goed’.

Als voorbeeld noemt ze het vierdelige kunstwerk Martyrs van Bill Viola en Kira Perov (zie afb.). Het is een kunstwerk dat ik (deels) op verschillende plaatsen heb gezien: in de Nieuwe Kerk in Amsterdam en in Kube, het kunstmuseum van Ålesund (Noorwegen). Ook daar blogde ik al eerder over. De betekenis die ik aan het werk hechtte, was niet anders in de kerk dan in het museum, omdat het kunstwerk zélf in alle gelaagdheid sprak.

Verhouding tussen kunst en kerk
In de bijdrage van predikant en schrijver Frans Willem Verbaas is sprake van de ‘verhouding tussen kunst en kerk’. Hij stelt dat we ‘kunst en kerk als concurrenten kunnen zien, maar ook als broer en zus’. Concurrenten omdat bijvoorbeeld een uitvoering van de Matthäus Passion van Bach meer mensen zal trekken dan een Goede Vrijdagdienst, allebei in de kerk. ‘Kerk en kunst zijn verwant’, schrijft Verbaas, ‘maar niet identiek’.

Beide zouden van elkaar kunnen leren: ‘Van de kunstwereld kan de kerk het belang van kwaliteit leren. Het is niet goed om maar wat aan te modderen met de liturgie of met kinderpraatjes en preken, die niet met werkelijke aandacht zijn voorbereid. Liturgie is geen onnozel maar een heilig spel. De lat mag hoog gelegd.’ Ik denk aan een predikant die de vrijere, cultureel gerichte omgang met een Psalmtekst door een kunstenaar als bevrijdend ervaarde. ‘Omgekeerd’, schrijft Verbaas, ‘kan de kunstwereld van de kerk leren dat het niet goed is om zich blind te staren op werelds applaus of om zich te verlagen tot het bieden van louter amusement’.

Verbaas meent tenslotte, dat ‘predikanten hun ambtswerk ook kunnen voortzetten met andere middelen: met schilderen, muziek, toneel, fotografie, dans, journalistiek, literatuur, bloggen, vloggen, of met bijbels tuinieren of koken’. Afgezien dat hier verschillende grootheden onder één noemer worden gebracht, wordt hij op zijn wenken bediend door twee andere artikelen in dit nummer: van theoloog en kunstenaar Ruud Bartlema en van judaïcus en beeldend kunstenaar Marcus van Loopik. Ook Werner Pieterse doet een duit in het zakje door te stellen, dat ‘het perspectief van de predikant als kunstenaar’ nog te vaak ontbreekt ‘als er weer eens een rapport verschijnt over het ambt’. Want ‘kunst kan ons zicht op het ambt verhelderen en ons uit de dorre vergadertaal halen’. U leest het goed: niet vergaderzaal maar vergadertaal.

Kunst als vernieuwer van de godsdienst
Ruud Bartlema meent dat kunst niet zozeer godsdienst kan vervangen, als wel dat ze ‘wel nieuwe openingen naar de beleving van godsdienst’ kan creëren. Wéér dat woord, dat we al bij Barnard tegenkwamen. Kunst als breekijzer voor gestolde liturgie zeg maar.
Naar Bartlema’s ‘diepste overtuiging zijn zowel godsdienst als kunst vormen of aspecten van wat ik religie noem. Voor mij betekent dat woord religie: verbinding maken (…) [en]  uitdrukking geven aan de ontmoeting met [het] Mysterie en het maken van een verbinding tussen het onbenoembare en het benoembare van dat Mysterie’. Kerk en kunst zijn geen concurrenten, zoals Verbaas meent, ‘maar in wezen verschillende vormen van dat zoeken naar de verhouding tot en de verbinding met dat grote Mysterie dat het leven is’.
In de kerk zouden we elkaar kunnen ontmoeten, in gesprek gaan en zoeken naar nieuwe rituelen ‘rondom bijvoorbeeld concerten, exposities, lezingen, workshops, beeldende kunsten, literatuur, levensbeschouwing en spiritualiteit’.

Onafscheidelijke bondgenoten
Voor Marcus van Loopik zijn kunst en religie ‘functionele bondgenoten van elkaar’. Kunst en religie mag je volgens hem niet tegen elkaar uitspelen. ‘Religie zonder kunst is ook ondenkbaar!’ stelt hij. Uitroepteken. Kunst stelt kritische vragen en hoort daarom ‘als een tweelingzuster bij religie’. Kunst hoort een zekere relevantie te bezitten en mag niet ‘volledig op zichzelf komen te staan en als doel op zich gaan fungeren’. Want dan verzandt ze in ‘pure esthetiek van kleuren en vormen’. Een opvallende opvatting, want juist de esthetiek van de kleuren en vormen van joodse kunstenaars als Rothko (zie afb., diens laatste schilderij) en Newman worden religieus beleefd.

Van Loopik zoekt ook de dialoog, maar dan een ‘binnen een multiculturele en multireligieuze samenleving. Joodse mystiek heeft mij geleerd om te streven naar jichoed, naar eenwording, om bovenal te zoeken naar wat mensen verbindt’. Dat ben ik met hem eens. Ook hij heeft het, net als Pieterse, over taal. Over beeldtaal in dit verband, die ‘geen (…) pasklare of dogmatische antwoorden heeft op de raadsels van het leven, maar roept bovenal authentieke menselijke vragen en verwondering op’. De ‘condition humaine’ van Van der Vaart.

Tot slot
Zo is de cirkel rond en rijst de vraag hoe ik mij na lezing van deze (en andere, niet genoemde artikelen in In de Waagschaal) zelf tussen de schuivende panelen beweeg: tussen kunst en kerk, kunst en geloof, op de grens daarvan.
Concluderend kan ik mij het meest vinden in wat Udo Doedens en Mirjam Elbers in de inleiding tot dit nummer schrijven over de visie van de Van der Leeuw Stichting: ‘de gedachte dat kunst en kerk bondgenoten zijn. Dit bondgenootschap ligt volgens hen niet zozeer in de ondersteunende functie van de kunst bij de verkondiging of in het vereren van de schoonheid maar in de kritische functie van zowel de kunst als de kerk (…). Wie iets doorkrijgt van de ontregelende en inspirerende werking van de kunsten, begrijpt ook beter de draagwijdte van bijbelteksten en – liederen. In die visie zijn kerk en kunst elkaars Geschwister en niet elkaars concurrenten.’

In twee volgende blogs zal ik dit in concreto nader uitwerken aan de hand van respectievelijk Lied 272 uit het Liedboek en mijn keuze van enkele orgelwerken tijdens de orgelzomer.

 

Link naar mijn recensie over ‘NA’ van Chr. Boltanski in de Oude Kerk in Amsterdam: https://8weekly.nl/recensie/a-place-to-think-about-life/

Drieluik

Ik heb de afgelopen tijd veel voor- en napret – nu voor en na de lezing die componist/muzikant Christiaan Verbeek, die ik eerder interviewde voor Kerk in Mokum, vandaag hield in de Keizersgrachtekerk, en voorpret voor de lezing van Martien Brinkman over ‘Koplands aardse mystiek’ in de Amsterdamse Thomaskerk (11 december a.s.), met declamatie (Pieter Jan Mellegers) en muziek (Rembrandt Frerichs, piano en Hermine Deurloo, mondharmonica).
Vandaag de lezing van Christiaan Verbeek. In drie aandachtspunten – de aandachtspunten die hijzelf benoemde als zijnde de onderdelen van het gedicht Aan het grensland I van Rutger Kopland, dat hem inspireerde voor een gelijknamig muziekstuk dat hij besprak en liet horen.

  1. Nu

Je kijkt over het land de ontelbaarste keer
in je leven naar waar het ophoudt

je zegt ons dit is het grensland
het laatst van de aarde hier om ons heen

Verbeek werd tijdens het compositieproces van genoemd werk geïnspireerd door de Hors op Texel (zie afb., ontleend aan zijn website). Het grensland waar land overgaat in zee en in lucht.
Ik moest denken aan de predikant, schrijver en (amateur)organist Henk Vreekamp, over wie ik een boekje schreef dat binnenkort uit zal komen bij uitgeverij Kok-Boekencentrum. Voor hem was het grensland het Kootwijkerzand. Pars pro toto staan zowel de Hors als het Kootwijkerzand voor Eden aan de ene kant en voor de Exodus aan de andere kant, voor hemel en voor aarde.
Ik schreef: ‘Met Israël worden de volkeren uitgenodigd om als pelgrim tijdens het Loofhuttenfeest op te gaan naar Jeruzalem, dwars door de woestijn, – met blote voeten door het Kootwijkerzand, zoals Vreekamp dat in zijn Veluwe-trilogie pars pro toto beschrijft, zoals Kana voor hem de voorsmaak van Kanaän was en Ede in een gedicht van Jan Weiland (1894-1976) de voorsmaak van Eden. Vreekamp citeert, of liever: ontmoet onderweg Emmanuel Levinas (1906-1995) en gaat met hem in gesprek. Het is een treffend voorbeeld van lernen (in de Joodse betekenis van het woord) namelijk hoe gezamenlijk onder woorden kan worden gebracht wat een tekst te zeggen heeft, zoals Vreekamp dat ook leerde van A.A. van Ruler. “De mens”, stelt Vreekamp, “begint in de woestijn, waar hij in tenten woont en waar hij God aanbidt in een tempel die verplaatsbaar is”.’
Ik moest eraan denken tijdens de inleiding en de muziek van Verbeek – die ook in gesprek gaat, zoals straks zal blijken.

  1. Voor

je zou willen weten wat voorbij daar is
voorbij het steeds maar weer zichtbaar zelfde

je zoekt in de schimmige einder iets als
een gezicht maar van wat of van waar

Bij deze twee maal twee regels moest ik opeens denken aan een boek waarover ik momenteel een recensie voor NBD Biblion voorbereid: Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid van Simone de Beauvoir. Met dubbelzinnigheid bedoelt ze ambiguïteit, dat zich uit in paren als goed en kwaad, vrijheid en bevrijding, onderdrukking en opstand, nut en noodzaak, mythe en realiteit, doel en middelen, dwang en democratie, ethiek en esthetiek, verleden en toekomst, en heden en toekomst. Ik proef iets soortgelijks in zowel het gedicht van Kopland als in de muziek van Christiaan Verbeek. Een gedicht dat niet voor niets Grensland heet. Niet alleen tussen hemel en aarde, maar ook tussen nu, voor en na, ethiek en esthetiek. Immers: Verbeek verbond aan het Exodus-element ook de vluchtelingen van nu, De Beauvoir verbond aan het existentialisme de moraal (ethiek).

  1. Na

je denkt aan je jeugd aan I Korintiërs 13
nu kijken we nog in een wazige Spiegel

maar straks staan we oog in oog

Oog in oog is, zoals Verbeek het uitlegde: oog in oog met Arvo Pärt, de door hem bewonderde componist voor wiens 80ste verjaardag hij dit stuk voor Cello Octet Amsterdam schreef, oog in oog met Kopland, op wiens tekst hij zijn werk baseerde, maar ook oog in oog met zichzelf (‘Christiaan Verbeek’ staat er in het laatste gedeelte van zijn compositie tussen de notenbalken) en oog in oog met zijn publiek.
Dat bestond deze ochtend vrienden, familie en kerkgangers van de Keizersgrachtkerk. Lof viel hem ten deel, en terecht, want Christiaan Verbeek is een naam om te onthouden! En: bedankt, mensen van de werkgroep Morgendiensten van de Keizersgrachtkerk, voor deze fijne morgen!

Klik hier voor mijn interview met Christiaan Verbeek (pagina 5): https://www.protestantsamsterdam.nl/pdfs/kerk-in-mokum.pdf

Klik hier voor de website van Christiaan Verbeek: http://www.christiaanverbeek.com/

Sjoerd Buisman

In Haarlem is momenteel (t/m 14 oktober a.s.) een tentoonstelling te zien onder de titel De Zwarte Madonna en de Troost. Op twee plaatsen pal bij elkaar: in De Vishal en in de Grote of St. Bavokerk. ‘Het zien van de tentoonstelling in De Vishal’, schrijft curator Alet Pilon, ‘moet een onverwachte ontmoeting worden met persoonlijke beleving en interpretatie’. Niet dat dit niet voor de Bavo geldt; daar is, aldus een bordje bij het uitsluitend nieuwe werk dat op dit thema is gemaakt – de Zwarte Madonna niet meer werkzaam. Ze ligt als schoonmaakster uitgeteld op de grond. Haar schoenen, haar laarzen zwerven door de kerk. Haar jas hangt aan een kapstok.

Daarentegen lijkt ze in De Vishal nog wel degelijk rond te zweven. Of haar geest tenminste. Ik ontmoet haar, waar Pilon toe uitnodigde. Onverwacht en vol vreugde. Met name twee tegenover elkaar gehangen werken van Sjoerd Buisman doen me wat: Egelantier Ouroboros (2017) en Aralia Spiraal Ouroboros (2018).

Het lijken op het eerste gezicht kleine versies van Ouroborus Arborum (aan de Amsterdamse Bijlmerdreef, foto links) of De Brug (foto rechts), maar door de context van de tentoonstelling – De Zwarte Madonna en de Troost – roepen ze andere emoties en ideeën op. Het is om te beginnen niet toevallig dat ze uit doornstruiken zijn gemaakt. Het eerste en oudste werk doet denken aan een doornenkroon, en in de verte zelfs aan de vorm van een Jodenster. Het tweede is ook vierkant gebogen, maar heeft een leeg midden.

Zo vult het eerste voor mij in wat onlosmakelijk met elkaar verbonden is: Jezus als jood, Jezus die lijdt en Zijn moeder Maria als degene die om hem weent, zoals Jezus met de lijdende op aarde méélijdt. En zo vult het tweede niets in, laat in het midden open als een soort hortus conclusus, de omsloten tuin waarin Maria verkeert. Ik heb het hier wel vaker over gehad, over dat lege midden, over die open plaats in het bos (tra), de ruimte die je opeens ziet als het cruiseschip waarop je zit zwenkt en een fjord zich voor je opent. De plaats waar volgens Philipp Blom de hoop zetelt. Of de troost. Of, zoals iemand anders eens zei, de nieuwsgierigheid, de barmhartigheid, de compassie en de empathie Dat is wat je er zelf in mag leggen, in dat lege midden of die open plaats en in De Vishal in Haarlem.

En voor wie er geen genoeg van krijgen: in het Kröller-Müller Museum is nog t/m 18 november a.s. een tentoonstelling met het schitterende werk van Sjoerd Buisman te zien.

De Enigma Variaties van Wiek Hijmans

Een vriendin vond het jammer dat niemand het woord had gevoerd tijdens het feestje dat ik ter gelegenheid van mijn 65ste verjaardag had aangericht. Maar laten we wel wezen: de mooiste speech was woordloos en bestond uit een prachtige improvisatie op akoestische gitaar door niemand minder dan Wiek Hijmans.

Nee, deze heette natuurlijk niet Enigma Variaties, die naam slaat op het beroemde orkestwerk van Edward Elgar, maar: Voor Els. Dat de improvisatie me toch aan de Enigma Variaties deed denken, zit zo.

Ik hoorde het stuk afgelopen seizoen in de Horizon-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest en er zijn mij uit het programmaboekje twee dingen bijgebleven. In de eerste plaats het zoeken naar de herkomst van het thema. Zit Rule Brittania erin verstopt (volgens Theodore van Houten), of is het toch het Adagio cantabile uit Beethovens Sonate pathétique (Hans Westgeest)? In de tweede plaats verwijzen de veertien variaties naar een specifieke karaktertrek van of voorval met iemand.

Die tweeslag was ook in Hijmans’ improvisatie terug te vinden. Het was geen tien minuten durende improvisatie op een bekend thema (‘Ik ben geen Cor Bakker’ zei hij tegen mij), maar het waren stijlcitaten waarmee de gitarist de karaktertrekken neerzette van de verschillende gremia waaruit het gezelschap aan tafel was samengesteld.
Althans: zo heb ik het gehoord, maar iemand anders hoorde er mijn levensloop in: van de geboorte over een heel intens en heftig deel totdat het geheel weer in rustiger vaarwater terecht kwam.

Breed, zoals mijn belangstelling is en zoals mijn vrienden- en kennissenkring is. En zoals ik tot soms ergernis van mijn begeleider van de Masterscriptie – ‘een verstokte systematica’ – denk en schrijf.
Alles bij elkaar voerde mij tenslotte terug naar een werkstuk over Collages dat ik tijdens mijn middelbare schooltijd voor kunstgeschiedenis schreef. Ik citeer het begin: ‘Een klassiek te noemen definitie van collages gaf Max Ernst: “Collagetechniek is de systematische uitbuiting van de toevallig of kunstmatig teweeggebrachte ontmoeting van twee of meer wezensvreemde realiteiten binnen een daartoe ogenschijnlijk ongeschikt kader – en de vonk poëzie, die bij toenadering van deze realiteiten overspringt”.’
Misschien was het daarom wel des te kenmerkender dat Wiek Hijmans zelf vond dat hij zelf het gevoel had dat hij die verschillende ontmoetingen niet helemaal tot een eenheid had weten te smeden – het is immers juist dit dat je meeneemt en dat tot nadenken stemt. En die vonk poëzie, die was helemaal overgesprongen. Wiek, bedankt!

http://wiekhijmans.wixsite.com/firste-attempt/wieks-unieke-tafelmuziek

Foto: Nori Rutgers-Dekker

Avontuur

Agamben_AvontuurAvontuur / Giorgio Agamben ; vertaling [uit het Italiaans] Willy Hemelrijk. – Amsterdam : Sjibbolet, 2016. – 63 pagina’s ; 19 cm. – Vertaling van: L’avventura. – Roma : Nottetempo srl, © 2015. – Op omslag: Sjibbolet Filosofie. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-911102-7-6

De filosoof Agamben beschrijft vier godheden die de laat-Romeinse filosoof Macrobius al onderscheidde: de demon, het lot, de liefde en de noodzaak. Agamben voegt daar, gelijk Goethe, als een ethisch en religieus commentaar er één aan toe: de hoop. De titel van het boekje duidt op indrukwekkende ervaringen die ontmoetingen met de godheden oproepen en ons bestaan vormgeven. Agamben gaat terug tot etymologische achtergronden van het woord en voert de lezer van middeleeuwse poëzie en Dante onder meer naar de socioloog Georg Simmel. Deze weg is kenmerkend voor de in 1942 geboren Agamben, die studeerde bij Heidegger, afstudeerde op het werk van Simone Weil, belangstelling heeft voor literatuur en film en een sterk historisch bewustzijn heeft. Zijn doel is het leggen van verbanden tussen de vier genoemde begrippen. De manier waarop hij dit doet, vraagt van de lezer enige inspanning en voorkennis. De lezer zoekt echter tevergeefs verbindingen met de actualiteit, zoals we die wel in ander werk van de auteur vinden.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Dan dooft het licht …

RamsZe zijn niet hetzelfde, maar ze hebben soortgelijke problemen, zouden dus van elkaar kunnen leren en wat aan elkaar kunnen hebben. Dagblad Trouw bericht vrijdag 13 november een paar pagina’s van elkaar verwijderd over bibliotheek- en kerksluitingen. Voor een ouder bibliotheeklid verdwijnt zo een ontmoetingsplek dicht bij huis, terwijl de Protestantse Kerk Nederland (PKN) het zoekt in bisschoppen op regionaal niveau. Terug naar de basis, is een veelgehoorde kreet. Maar, zegt de verslaggever van Trouw droog (en daarom prefereer ik de krant boven de zure Volkskrant): wat is dat eigenlijk, terug naar de basis, en hoe moet dit worden ingevuld? Dat staat er niet bij.

Een uurtje later zit ik in de bioscoop en zie de IJslandse film Rams (zie afb.). De schaapkudden van twee broers, Gummi en Kiddi, die pal bij elkaar wonen maar al veertig jaar (!) niet meer met elkaar praten, vallen ten prooi aan scrapie en moeten worden geruimd. Het script is losjes gebaseerd op een echt gebeurd verhaal van twee zussen,  verteld aan de schrijver van het script/regisseur van de film door zijn moeder.

Halverwege (of is het op het punt van de gulden snede?) valt de winter in en wordt Kerstmis gevierd. Het christelijke feest met zijn ‘Vrede op aarde’ brengt beide broers niet tot elkaar. En toch komen de broers, al even losjes gebaseerd op Kaïn en Abel, nader tot elkaar. Op een hoogvlakte. ‘Het is symbolisch’ zegt regisseur Grímur Hákonarson in een vraaggesprek met de zaal na afloop van de vertoning van de film in het kader van de Rialto Filmclub. Zoals veel in de film symbolisch is; ik wees al op het getal veertig (veertig jaar in de woestijn enz.).

Hákonarson vertelt meer. Over de cultuur in IJsland, waar het in de winter donker blijft. Over verhalen, saamhorigheid en het op elkaar terugvallen om in donkere tijden, letterlijk en figuurlijk (hij verwijst naar crisissituaties) te kunnen overleven.
Zou dat niet een basis, een grond onder de voeten kunnen zijn: verhalen, christelijk of niet, het Kerstverhaal, dat van Kaïn en Abel die werkelijkheid worden, waaruit wordt geleefd en die gebeuren?
Donkerte heerst dan niet zozeer waar bibliotheken en kerken sluiten, maar waar het verhaal en ontmoetingen uitdoven.

De waarheid hiervan bleek de dag hierna, de zaterdag na de aanslagen in Parijs, toen in een leerhuis van dr. Anton Wessels over Apocalyptiek in de koran (LATE) aan het eind een Marokkaanse moslima het woord nam. Nadat we al een hele ochtend hadden zitten lernen gebeurde het: de trialoog waar de wereld naar smacht.

http://www.trouw.nl/tr/nl/4716/Christendom/article/detail/4185676/2015/11/13/De-protestantse-bisschop-zal-geen-mijter-dragen.dhtml