‘Ze leren het ook nooit’

De drie blogs over ‘kerk en kunst’ krijgen nog een vervolg met deze.

Het begon met een stapeling aan opmerkingen die bleven schuren. Eerst tijdens een zaterdagochtend- leerhuis via Zoom door een theoloog die zich beweegt binnen de driehoek jodendom-Christendom-islam. Hij zei tegen het eind: ‘Ze leren het nooit’. Met dat ‘ze’ werden ‘de’ joden bedoeld, met ‘het’ geweld in zowel Tenach als het huidige Israël, dat hij moeiteloos aan elkaar koppelde. Zijn denken is hiermee voor mij lek geschoten, maar ik neem het mezelf nog kwalijk dat ik mijn mond niet open deed, verbijsterd als ik was.

De tweede keer was een uitlating die ik las in de Bijbelse Dagkalender 2021: ‘Misschien hebben we (!) er moeite mee dat God dit volk heeft uitgekozen, maar volgens de Bijbel is het niet anders’. We leggen er ons met andere woorden maar lijdzaam bij neer.
Dit zijn momenten waarop ik me vertwijfeld en verdrietig afvraag wanneer het nou eens ophoudt met antisemitisch of anti-judaïstisch denken binnen die kerk.

Francis Poulenc
Het antwoord hoe hierop te reageren, kwam min of meer tijdens het kijken naar een opvoering van de opera Dialogues des Carméites (let op het woord dialoog!) van Francis Poulenc (1956) op Stingray Classica NL. In een top opvoering uit de Metropolitan Opera onder leiding van Yannick Nézet-Séguin. Nota bene: een opera! Over de waarde, de waarheid van kunst gesproken …

De opera begint ermee, dat er iets knaagt bij Blanche de la Force, de hoofdpersoon. Ze heeft verdriet, merkt haar broer op. Ze klaagt erover dat de kerkdienst zo lang duurt. Ze schaamt zich er wel voor en heeft hoop nodig. Ze voelt zich aangetrokken door de sterke regels van de Karmelieten en wordt novice. Ze belooft aan de stervende moeder-overste een instrument te zijn in Gods handen, maar ze kan haar taak eigenlijk niet aan en twijfelt telkens weer.

Op het eind van de eerste akte wordt gezegd, dat het gebed de eerste prioriteit heeft. Verstild wordt een Stabat Mater gezongen.
In de tweede akte bezoekt haar broer Blanche en brengt haar weer aan het twijfelen, wanneer hij zegt dat ze niet veilig is in het klooster (het verhaal speelt tijdens de Franse Revolutie). Hij wil haar meenemen naar huis. De priores zegt dat ze moedig moet zijn, zachtmoedig. Ze vlucht. Maar, toch teruggekeerd zingt ze tot slot van de opera over de Geest die leidt.

De vet weergegeven woorden werken voor mij als leefregels die navolging verdienen. Gebed om inzicht, om de Geest die vaardig mag worden. Hoop dat de mensen die ik aanhaalde in hun ideeën omkeren en de dialoog willen aangaan zonder vooroordelen of veroordelingen. Dát leerde mij de opera van Poulenc. Kerk en kunst. Soms de één, soms de ander en soms ook samen, de handen ineen geslagen. Om er weer even tegen te kunnen wanneer een het af laat weten.

Ludo Abicht – Desalniettemin

Desalniettemin : over Joodse wijsheid en humor / Ludo Abicht. – Antwerpen ; Amsterdam : Houtekiet, [2020]. – 243 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-892485-7-2

De auteur behandelt om te beginnen in chronologische volgorde uitgebreid de joodse
wijsheid, van Tora (de vijf boeken van Mozes), Talmoed en Kabbala tot Chassidisme. Daarna beschrijft hij korter ‘de vrolijke wijsheid’ ervan, om ten slotte de politieke dimensie van beide, joodse wijsheid en humor, te bespreken. Dat wil zeggen in zijn anarchistische vorm, want dat is volgens hem de hoogste vorm. Elk onderdeel wordt gelardeerd met sprekende voorbeelden. Ludo Abicht is een Vlaamse filosoof, ex-Jezuïet, humanist en germanist die een aantal boeken over onder meer het jodendom schreef. ‘Desalniettemin’ slaat op een kritische houding, interpretatie en herinterpretatie binnen de joodse wijsheid en filosofie. Hij springt helaas wat van de hak op de tak, zodat niet alles even goed uit de verf komt. Met bibliografie van voornamelijk niet-Nederlandstalige literatuur.
De insteek van dit boek is origineel, maar wie primair meer over joodse wijsheid wil weten, kan beter terecht bij de boeken van bijvoorbeeld Sjef Laenen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Internationale Vrouwendag – Dorothee Sölle

Bijna veertig jaar geleden maakte ik een groepsrondreis door Zuid-Frankrijk. Bij een diner zat ik naast een meneer, die de reis speciaal maakte omdat we het St. Rémy de Provence van Van Gogh aandeden. Ik zei dat ik iets soortgelijks in mijn achterhoofd had, maar dan meer vanwege het landschap van Paul Cézanne. Hij antwoordde daar niets mee te hebben, en kreeg voor die opmerking een beetje op z’n kop van zijn vrouw. Hoe was inderdaad leuk geweest, als we hadden kunnen doorpraten en bijvoorbeeld waren uitgekomen waar Rudi Fuchs in zijn rubriek ‘Kijken’ in De Groene Amsterdammer (5 december 2019) was uitgekomen in zijn vergelijking tussen Cézanne en Van Gogh: ‘Waar Cézanne een overzicht van het landschap geeft, de ordening in beeld brengt, plaatst Van Gogh de kijker er middenin’. En zo verder.

Dorothee Sölle
Een jaar of tien later overkwam me iets soortgelijks. Ik vertelde mijn wijkpredikant een bewonderaar te zijn van het werk van Dorothee Sölle (1929-2003), die ik op dat moment een keer live heb gehoord; in 1990 sprak ze in het gymnasium van St. Gallen tussenteksten bij een uitvoering van de Missa Criolla. Inclusief toegift (‘Waarom niet? Is het hele leven geen toegift?’) De predikant antwoordde niets met haar denken te hebben. Het waarschijnlijke waarom daarvan heb ik gaandeweg dat ik bij haar kerkte en leerhuizen volgde wel ontrafeld; ik ben het dan ook niet eens met Eginhard Meijering die in een interview in In de Waagschaal (januari 2021) meent dat kerkgangers niet kunnen beoordelen uit welk theologisch vaatje wordt getapt en het ze ook een zorg zal zijn. Daar gaat het nu niet primair om – al zou Meijering eens bij de koffie na een dienst in mijn wijkgemeente moeten aansluiten; zijn oren zouden klapperen -, want ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag wil ik Dorothee Sölles theologie namelijk weer eens onder de aandacht brengen en voor mezelf proberen na te gaan wat me nu zo in haar werk aanspreekt.

Leerhuis
In 2008 volgde ik een cursus van twee avonden over Dorothee Sölle, door Willemien Roobol in de Amsterdamse Thomaskerk. Ik put om te beginnen uit mijn aantekeningen.
Je moet haar, stelde Roobol, in haar tijd zien; gaandeweg kwam er wel meer openheid om aandacht te hebben voor het jodendom; het speerpunt van het denken van mijn voormalige wijkpredikant, die onder meer aan de voeten van een rabbijn had gezeten en van de theologie van de Amsterdamse School had gedronken. Sölles keus lag besloten in Deuteronomium 30.[1] Torah doen, aldus Roobol. Voorts is mystiek een constante in haar denken; De heenreis dateert al uit 1975. In haar mystieke, poëtische boeken zitten ook kritische, analytische stukken. Het gaat om Mystiek en verzet, gelijk bij Bonhoeffer. En dat is een eenheid die ik (h)erken, als twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt haar mystiek plaatsen binnen de ethiek.

Het begin
Mijn interesse in leven en werk van Sölle begon met een serie artikelen over haar in 1971, die in diverse bladen en kranten, zoals in Hervormd Nederland en Trouw verschenen. Wat later ben ik zelfs nog op een kleine bedevaart naar de Antoniterkirche in Keulen gegaan, waar zij sinds 1968 Politische Nachtgebete hield. Wéér die intrigerende dubbelslag, die zo mooi tot uiting komt in het omslag van De heenreis.
Bij het eerste artikel, door ds. H.A. Visser, staat een foto waarop Sölle naast dr. J.J. Buskes zit. En dat klopt in mijn beleving helemaal: twee geestverwanten, waarvan de eerste – het kan geen toeval zijn – ook nog eens die van mijn moeder. Rode dominees. Visser schrijft, dat het zijn bedoeling is het gesprek met Sölle, dat in de Amsterdamse Westerkerk begon, voort te zetten.[2]
Het is mooi zoals Sölle op enkele vragen van Visser – die ik hier verder buiten beschouwing laat – ingaat. Ze zegt niet te geloven in dogmatische formuleringen, en laat enkele vragen gewoon open. Niets wordt dichtgetimmerd, en dat is fijn.

Sterke en zwakke kanten
Een eerlijke reactie op haar preek geeft dr. Th. C. Frederikse, die nota bene de wijkpredikant van mijn ouders in Ermelo was: ‘We kennen in Nederland Dorothee Sölle, mét haar sterke én haar zwakke kanten. Maar of we het echt verwerkt en beantwoord hebben wat zij te zeggen heeft?’ En dan betrekt hij, zoals hij het noemt, de lezers in zijn overpeinzingen, die erop uitdraaien, dat Sölle ‘zo vreselijk zwart wit denkt’.

Omgekeerd riep ze zelf ook bij mensen op: of je kunt in haar denken meegaan of blijkbaar helemaal niet. Of zelfs: je vond haar aardig of helemaal niet, zoals iemand die ik ken vindt; bij haar logeerde ze toen ze in Nederland was. Ik blijf echter bij de vraag van Frederikse: of we Sölles denken wel echt hebben verwerkt? Misschien is het bij mij uiteindelijk zo gegaan: ik beaam wat Frederikse schrijft, en toch doe ik de deur niet dicht. Soms steek ik mijn hoofd om die deur en zeg hardop: En toch, en toch heeft ze ons nog steeds wat te zeggen. Luister maar.

[1] Zie: https://herzienestatenvertaling.nl/teksten/deuteronomium/30
[2] De preek die zij in de Westerkerk hield, is opgenomen in een bundel onder de schitterende titel Het recht om een ander te worden (Uitgeverij Ten Have, 1972).

Een dialectische deur

Opeens vielen enkele dingen uit de afgelopen weken samen in één beeld: een foto van de westelijke ingang van de synagoge van Willemstad (1732). Een kennis van mij maakte de (overigens andere) foto al een poos geleden heel attent voor mij. Natuurlijk, de tekst boven de ingang is mooi (‘U wordt/bent gezegend bij uw binnengaan’), maar het gaat mij hier om de vorm van de deur: een hoefijzervorm met daaromheen een deurlijst met eenvoudige, op Dorische zuilen geïnspireerde zuilen. De meest eenvoudige zuil die we kennen, terwijl bij kerken vaak de meest rijke vorm, de Korinthische wordt toegepast. Dat is al een mooi, tegelijk rijk (twee deuromlijstingen) en bescheiden (de meest eenvoudige zuil) ensemble bij elkaar. Maar het gaat, al even dialectisch verder.

1.
Op NPO2 Extra was in de maanden september en oktober een vierdelige Britse documentaireserie onder de titel The Dark Ages: an age of light te zien met presentator Waldemar Januszcak.
In de eerste uitzending ging het over ronde kerken, zoals de San Vitale in Ravenna, waarbij de je omsluitende, ronde vorm staat voor inkeer. Waar je kunt mediteren en het transcendente ervaart. Zoiets als in het koor van een kerk uit later tijd, dat het schip afrond.
In de tweede aflevering ging het onder meer over de kunst van de Visigoten in Spanje. Zij werden rooms-katholiek en bouwden kerken waarvan de ingang hoefijzervormig was, wat een speelsere indruk maakt dan een strakke(re) deurlijst. Het waren de Islamieten die dit in hun moskeeën verfijnden.

2.
In dezelfde tijd volgde ik, aangeschoven achter ZOOM – ik blogde er al eerder over – een module Jodendom door dr. Bart Wallet bij de Universiteit van Amsterdam. Als studieboek gebruikten wij Introducing Judaism van Eliezer Segal.
Als je dit boek doorwerkt, valt telkens weer op hoe dialectisch het denken van het jodendom van oudsher eigenlijk is. Aggada en halacha staan naast elkaar, gezond verstand en gevoel, de wet ten leven en mystiek, de mening van rabbijn a en b in de Talmoed, de liefdevolle rabbi Hillel en de strengere Sjammai, en ga zo maar door. Rabbijn Joseph D. Soloveitchik is, lees ik, zelfs ten diepste beïnvloed door het dialectische denken van de protestantse theoloog Karl Barth (p. 127).

Eigenlijk is dat met die deur in de synagoge te Willemstad net zo gesteld. De rest van de synagoge is geïnspireerd door de grote Portugese synagoge in Amsterdam van Elias Bouwman (1671-1675). Maar die deur in Amsterdam is voor alles strak en streng. Daar hebben ze op Curaçao toch mooi een ‘draai’ aan gegeven, inclusief de kleuren van hemel, zee en het strand. De dialectiek van het joodse denken waardig en dan ook nog eens in de kleuren waar Marcel Barnard in zijn Meditaties van de ziel (Uitgeverij Vesuvius) over schrijft: ‘Blauw is oceanisch en atmosferisch. Het is de kleur van het geloof, een spirituele kleur. Blauw is de kleur van de God die in het verborgene werkt, de God van onze bespiegelingen die we aanbidden. Blauw ontsnapt aan de concreetheid, het omvat de beschouwer’ die door deze deur naar binnen gaat.

Met dank aan Thea van Zanten, die mij foto’s van de synagoge mailde, en ds. Trinus Hibma die op zondag 25 oktober jl. afscheid nam als geliefd predikant van de Bethelkerk in Amsterdam en die door consulent ds. Paula de Jong ‘predikant van hart en hoofd’ werd genoemd. In zijn preek sprak hij o.a. over gezond verstand, Hillel en Sjammai. 

Voor waar houden

Ook het tweede hoorcollege van de module Jodendom van de Universiteit van Amsterdam, die ik via ZOOM (en de Illustere School) volg, geeft aanleiding tot overdenking en een blog. Ik kreeg zomaar ‘een beurt’, en toen dorst ik even later ook wel een vraag te stellen … Over de rol van de Bijbel in de Talmoed, want daar had ik in dit college, over onder meer die Talmoed, nog niets over gehoord. De docent, dr. Bart Wallet, antwoordde dat Talmoedisten niet de Bijbel bestuderen, maar de Talmoed. ‘De Bijbel’, zei hij, ‘is gewoon deel van de discussie’. Dat mag zo zijn, toch was ik niet helemaal overtuigd. Het antwoord kwam deels uit onverwachte, indirecte hoek: in een artikel van Udo Doedens over Pieter Bruegel de Oude (in: In de Waagschaal, 19 september 2020).

Eerst nog even terug naar het college en wat Wallet, in aanvulling op het studieboek Introducing Judaism van Eliezer Segal zei: de twee stromingen binnen het Talmoedische denken, de Palestijnse en de Babylonische, ontwikkelden zich als in een soort dialectiek: Talmoed Jerushalmi en Talmoed Bavli. In de dialectische manier van denken valt later de invloed te bespeuren van de islam, aldus Wallet. Rabbijn a zegt dit, rabbijn b meent iets anders. So far so good.

Doedens schrijft over het schilderij De strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) van Bruegel (zie afb.), dat de tegenstellingen die hierop worden getoond, de veelvraten aan de ene kant en de mageren aan de andere kant, ‘samen de inwendige en uitwendige strijd van de mensheid verbeelden’, maar: ‘Er moet nog een derde element bijkomen om orde op zaken te stellen’ (p. 19). Dat derde element is volgens hem de wijsheid ‘die in Christus op aarde was gekomen’ (p. 20).

Maar waar putte Christus die wijsheid uit? Op het midden van het schilderij staat immers een put. Juist, uit Tenach, de joodse Bijbel.
Ik blader wat terug in de aantekeningen die ik maakte tijdens het laatste jaar (2017-2018) dat ik met een groepje onder leiding van een joodse leermeester gedeelten uit de Talmoed bestudeerde. Ik stuit op deze aantekening: ‘Een enkele keer lukt het niet om een tegenstelling op te heffen (teku = moet blijven staan)’. En ik vul aan: tot de Messias komt. Tot zo lang is het derde element de Bijbel om uit te putten. Niet vanuit de idee these – antithese – synthese, niet als ‘gewoon’ een onderdeel van de discussie, maar als de grond eronder die als een palimpsest schemert door de discussies tussen rabbijn a en rabbijn b. Daar waar God aanwezig is, lees ik in mijn aantekeningen. Zó wil ik het voor waar houden.

De balans vinden

Het is altijd leuk als je colleges volgt en je de geleerde stof meteen kunt toepassen.
Op dit moment schuif ik (via ZOOM) aan bij een module over jodendom van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Dat wil zeggen bij de hoorcolleges daarvan door dr. Bart Wallet; de interactieve werkcolleges door prof. dr. Jan Willem van Henten en prof. dr. Irene Zwiep laat ik – los van het feit of dit de bedoeling is of niet – aan mij voorbijgaan. De schriftelijke proeven van bekwaamheid en wat dies meer zij hoef en mag ik in ieder geval niet maken. Wat niet wegneemt, dat ik de verplichte leesstof, in casu het goede, maar ook wat  te gedetailleerde boek van Eliezer Segal (Introducing Judaism, uitg. Routledge, 2009) intensief bestudeer. By the way gekocht bij Athenaeum op het Amsterdamse Spui, dat nu helaas in zulk zwaar weer verkeert.

Terug naar de module van de UvA, met name het eerste college op 8 augustus jl.. Wallet had het over de geschiedenis van het jodendom, dat in een dialectische verhouding staat tot de joodse identiteit. Over het vinden van een balans tussen de heftige geschiedenis door de eeuwen heen, het denken vanuit de Sjoah, het finalistische denken dat begint en eindigt met de Tweede Wereldoorlog en het teleologische denken vanuit de staat Israël. In beide gevallen sluit je, aldus Wallet, de rijkdom van de joodse geschiedenis op een of andere manier uit.

Een soortgelijk concept meende ik tegen te komen in twee bundelingen van columns die Roel Abraham schreef voor onder andere de Joodse Omroep, het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Volzin: Wederwaardigheden en Wederwaardigheden 2. Ik kreeg ze ter recensie toegestuurd en wist er op het eerste gezicht niet zo goed raad mee. Deel 1 (2006-2015) was vooral humoristisch van toon, een enkele keer zelfs wat over de top. Het tweede deel, tot en met onze coronatijd, bevat serieuze(re) stukken, over zaken als de aanslagen in Parijs en Antwerpen bijvoorbeeld. Je zou ze dus eigenlijk – de redenatie van Wallet volgend – in combinatie met elkaar moeten lezen. Dan pas ervaar je zowel de humor als de rijkdom in Abrahams columns.

Terug naar Wallet. Hij had het op een gegeven moment over verschillende definities die mogelijk zijn voor het begrip ‘jood’. Bij zijn definitie beriep hij zich op een model van de filosoof Wittgenstein: Familienähnlichkeit; joodse gemeenschappen (meervoud), die overeenkomsten en verschillen hebben. Er bestaat een taalveld, een discursieve gemeenschap. Dat komt de onderlinge dialoog ten goede.
Abraham schrijft daar mooi over: ‘We staan ondanks al onze verschillende opvattingen, verschillende manieren van religieuze beleving, verschillende kijk op de halacha, schouder aan schouder. Dat moeten we nooit vergeten. Hou vertrouwen en blijf de verbinding zoeken’ (deel 2, p. 55).

Bij Abraham vind ik ook een mooi voorbeeld van de spanning tussen autoriteit (de rabbijnse traditie) en zelfidentificatie, zoals Wallet het noemt. Het gaat over Pesach (deel 2, p. 71 e.v.). ‘Elk jaar is het (…) opnieuw pesach, we doorlopen met elkaar al duizenden jaren dezelfde cyclus van Joodse feestdagen en dat doen we al bijna net zolang op dezelfde manier (…). Mooier is het – mijns inziens – als je elke keer opnieuw naar jezelf in combinatie met de Joodse feestdag van dat moment kijkt (…). Wat zegt pesach jou, op dit moment in je leven, dit jaar? (…) We hebben allemaal ons eigen verhaal.’
Op die manier, zegt Wallet, contextualiseer je telkens het begrip ‘jodendom’. En dat is in wezen flexibel. En toen viel de internetverbinding weg, want Wallets kinderen waren beneden bezig met een spelletje, maar de boodschap was al wel duidelijk geworden.
Met die recensies, of liever: aanschafinformaties voor NBD Biblion,  is het ook goed gekomen. Die valt over enige tijd op deze blog te lezen.

Op uitnodiging – Psalm 87

Mijn ouders kochten op advies van de orthopeed een duur bed met een lattenbodem voor me. Op een gegeven moment, toen ik eens ziek in dat bed lag, ging mijn moeder op de rand ervan zitten en zegen wij langzaam naar de grond. Wat bleek: een poot was weggedraaid. Ik heb het bed nog steeds en nog steeds moet ik met enige regelmaat de poten vastdraaien.

Ik moest aan dit beeld denken, toen ik de ‘Exegetische miniatuur’ las van Wout van der Spek, in het laatste nummer van In de Waagschaal  (22 augustus 2020). Elke miniatuur, die een A5-pagina beslaat, kiest hij voor een Bijbelse psalm. Dit keer was Psalm 87 aan de beurt, in een eigen vertaling.

De lattenbodem lijkt aan het begin stevig. De Psalm begint in Van der Speks vertaling met de basis van JHWH, op heilige bergen en poorten die Hij liefheeft. ‘Vervolgens’, schrijft hij, ‘worden alle volken in Sion geboren. Zeer bijzonder. De dichter ziet het al voor zich en laat hen aan het slot in vers 7 dansen met de thora, zo lijkt het wel, wat joden tot op de dag van vandaag één maal per jaar op Simchat Thora doen.’
De hoofdredactie (Peter Verbaan en Niels den Hartog) schrijven in hun ‘Van de redactie’, of ‘dat beeld vastgehouden kan worden, is ondertussen nog maar de vraag’. Hierop kom ik later terug.

Hierna heldert Wout van der Spek, in zijn eigen, woorden, ‘nog een paar dingen op’. Zoals over de volkerenwereld die in de Psalm wordt genoemd: Rachab (Egypte), Babel, Filistea, Tyrus en Nubië, wat hij politiek lijkt me niet helemaal correct vertaalt met ‘Moor’.
Daar gaat het al een beetje schuren, maar als klap op de vuurpijl constateert de auteur dat ‘als zo de toenmalige wereld wordt bedacht, dan horen wij er ook bij. Amazing Grace!’.

Daar is het helemaal mis gegaan – de poot waarop mijn bed met lattenbodem rust, is weggedraaid en het geheel is naar de grond gezakt. Dat wil zeggen: Van der Spek is door de bodem gezakt waarop hij stond als predikant, en later gastpredikant van Tenach en Evangelie, eerst kerkenraadscommissie later leerhuis (LATE).

De ironie van het lot wil, dat een andere predikant die deze Psalm eens zo mooi uitlegde, Henk Vreekamp (op 31 december 2015 in de Grote Kerk van Epe) de ‘basis’ zoals Van der Spek vertaalde, vertaalde met gronding, ‘de grond waar je doorheen zakt’. Ironie, omdat Van der Spek in de laatste LATE-dienst waar ik hem hoorde, opeens, ins Blaue hinein de theologie van Vreekamp aanviel. Over de hoofden van de minjan, het tiental (want meer zijn het meestal niet) toehoorders heen, maar mij raakte het als auteur van een boekje over Vreekamp des te meer: waarom in Godsnaam?

Ik ben gaan zoeken of Vreekamp ooit iets over Psalm 87 heeft gezegd. En ja: dat heeft hij dus, twee maanden voor zijn dood (terug te vinden op zijn website onder Preken). Veel komt overeen met de miniatuur van Van der Spek, belangrijke accenten wijken af.
Ook Vreekamp vraagt zich, net zoals min of meer de redactie van In de Waagschaal af, of Sion nog steeds het spirituele centrum van de wereld is. Nee, antwoordt hij: het is de weerglans ervan.

Het belangrijkste is de constatering dat ‘Alle volken in Sion zijn uitgenodigd om het Loofhuttenfeest mee te vieren’. Uitgenodigd – dus niet: wij (alleen het woord al: wij – zij) horen er ook bij. Nee, we mógen erbij zijn. Op uitnodiging wel te verstaan. Want veel christenen hebben er in hun relatie tot het jodendom een potje van gemaakt, zodat – zoals een vriend van mij onlangs weer eens terecht zei – bescheidenheid past. Geen vooraanzitting, maar ook zeker geen annexatie van een Psalm.
Het is verdrietig, maar het moet blijkbaar toch steeds weer worden gezegd. Zoals ik die poot van mijn bed steeds moet aandraaien.

Ouwenelen

Heb ik net tegen iemand op twitter, die vroeg of hij nu dit of dat boek moest aanschaffen, geantwoord dat hij ook allebei kan kopen en ze dan met elkaar in gesprek kan laten gaan, overkomt me het zelf: een hoofdstuk uit Van Hoofd tot Hart van Alan Morinis (uitg. Mastix Press), dat ik ter recensie kreeg aangeboden van NBD Biblion, ging een dialoog aan met maar één zinnetje uit Thomas Verbogts schitterende, nieuwe boek Als je de stilte ziet (uitg. Nieuw Amsterdam).

Het hoofdstuk waar ik op doel, gaat over ‘Weinig spreken’. Daarin lees ik dat er van ons wordt ‘gevraagd het gebabbel zoveel mogelijk te beperken’. Dat is maar leeg geklets, ‘een grote verspilling van tijd en gebruik van hersenen’. Nee, stilte ‘bouwt derhalve, en onthult tegelijkertijd, onze innerlijke wereld en de oneindige spirituele schatten die in ons verborgen zitten’.

Even verderop lees ik bij Morinis, dat conversatie ons verbindt met andere mensen. We zijn niet langer alleen met onszelf. Een tussenweg zou zijn, ‘kort en bondig te spreken, met duidelijke en afgemeten woorden, en niet meer dan dat’.

Weg dichterlijke spraak? Het is niet alleen, of misschien zelfs primair conversatie die verbindt, maar – is mijn ervaring – stilte. Dat blijkt ook uit wat Thomas Verbogt schrijft over de vriendschap tussen de ik-persoon en Virginia, Ginie Terhaaf. Op een gegeven moment (Verbogt heeft het vaak over onvergetelijke momenten) liggen ze op bed tegen elkaar aan. En dan schrijft hij: ‘We kunnen lang tegen elkaar aan liggen zonder iets te zeggen. We hebben nooit tegen elkaar gezegd dat we lang niets hoeven te zeggen’. Niet op een dichterlijke manier en al helemaal niet kort en bondig, wat hier minder zou passen. Nee, ze voelen het in stille verbondenheid.
Ze raken elkaar niet aan, maar de stilte heeft ze aangeraakt. ‘Witte stilte met licht erin’, zegt Ginie. Het is de stilte die ze voorzichtig vasthoudt, ‘het is een stilte die heel ver van woorden is’. Het is de stilte van innige verbondenheid. Ze waren ‘geen mensen voor (…) doodlopende woorden’.

Verbogt heeft het beter gesnapt, kan het beter onder woorden brengen dan Mussarnik Morinis.[1] Poëtisch, ja – dat wel gelukkig. Net als overigens dat schitterende eufemisme ‘ouwenelen’ dat in de vertaling van Henri Jules Vogel van Morinis’ boek terugkomt…

 

[1] Mussar (ethiek) is een traditie van toepasbare wijsheid binnen het jodendom, die is ontstaan in het negentiende eeuwse Litouwen en in Nederland bekendheid kreeg door toedoen van onder meer Daniel Beaupain.

Bewustwording of bevrijding?

Op 4 november 1995 hield Bettine Siertsema (foto rechts) in het kader van het leerhuis ‘Vijftig jaar: bevrijd waarvan en waartoe?’ van de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie in de Thomaskerk te Amsterdam een lezing over de tweede generatie joodse schrijvers in Nederland.
Naar aanleiding van zowel het overlijden van Carl Friedman (foto links) – die zij ook enkele keren noemde – en 75 jaar bevrijding herplaats ik hier in iets aangepaste vorm het verslag dat ik over dat leerhuis schreef in
Bekirbénoe, december 1995.[1]

Bettine Siertsema, inmiddels assistent professor aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, onderscheidde drie thema’s die in Brief aan mijn moeder (1974) van Ischa Meijer eigenlijk al aanwezig zijn. Het gaat om: het zwijgen over de Tweede Wereldoorlog, het sociale isolement en de bindingsangst van zowel de overlevenden als hun kinderen.

Het grote zwijgen
Veel van Meijers thema’s en motieven vind je, al dan niet vanuit een andere achtergrond, elders terug. Het eerste thema, het grote zwijgen bijvoorbeeld. Zwijgen om, zoals in zijn geval, niet pathetisch te lijken. Of, omdat de Tweede Wereldoorlog lang geen gespreksonderwerp was daar de vader deed alsof de kinderen alles al wisten, zoals Jessica Durlacher beschrijft in de door haar samengestelde bundel De olifant en het joodse probleem (1994).
Het omgekeerde van zwijgen komt echter ook voor: over elke maaltijd of elk feest hangt de schaduw van verhalen over de oorlog, zoals Carl Friedman vertelt in haar Tralievader (1991). Op die manier wordt oorlogsdreiging en antisemitisme voor kinderen zonder nog al teveel besef van tijd reëel en actueel.
Bettine Siertsema concludeerde op grond van de literatuur, dat praten echter uiteindelijk wel eens minder belastend zou kunnen zijn dan zwijgen over de oorlog. Of er echter nu werd gepraat of gezwegen over het grote leed, de kinderen voelden dat hun kleine kinderleed daarbij in het niet viel en vaak niet aan bod kwam, getuige bijvoorbeeld de verhalen van Miriam Guensberg (in: Foto Jozef, 1989).

Sociaal isolement
Het tweede thema dat de spreekster aansneed, het sociaal isolement, komt duidelijk naar voren in het werk van niet alleen de hiervoor genoemde Carl Friedman, maar ook in dat van de bij een groter publiek bekende auteur Frans Pointl (De kip die over de soep vloog, 1989).

Bindingsangst
Het derde thema, bindingsangst, is terug te vinden in de literatuur van oorlogskinderen zoals Chaja Polak (Zomaar een vrijdagmiddag, 1989 en: Stenen halzen, 1994) en Judith Herzberg (de toneelstukken Leedvermaak, 1982, Rijgdraad, 1995 [en Simon, 2001]). In het werk van Arnold Grunberg (Blauwe maandagen, 1994) komt het thema in het kwadraat naar voren, onder andere in de beschrijvingen van bordeelbezoekers.
Bettine Siertsema rekende ook het steeds veranderen van baan en het niet afmaken van opleidingen onder bindingsangst. Het omgekeerde, het zich-begraven-in-het-werk, zoals Ischa Meijer deed, komt in de werkelijkheid ook veel voor, mede getuige de gesprekken die zijn opgenomen in het boek In twee werelden (1985) van Helene Weijel.

Tradities
Veel joden die Weijel interviewde, hechten niet aan religie, maar aan traditie – in wezen een vierde, en recent te onderscheiden motief, waarbij tussen twee haakjes werd opgemerkt dat de staat Israël in de literatuur van de tweede generatie nauwelijks een thema vormt. Wat niet wil zeggen, dat het niet leeft. De spanning tussen religie en traditie komt andere naar voren in Supertex (1991) van Leon de Winter en Mendels erfenis (1990) van Marcel Möring.
Het jodendom is méér dan de Tweede Wereldoorlog. Verschillende schrijvers doen daarom ook een poging het leed te ontmythologiseren.

Conclusie
De bewustwording van het jodendom als religie en traditie, zou je bevrijding kunnen noemen: het leren leven vanuit de traditie, zoals Andreas Burnier ontdekte. Bevrijding in het leven van de auteurs zelf, is in de literatuur moeilijker terug te vinden, maar je zou onder meer kunnen opmaken uit de mildheid in het latere werk van Ischa Meijer, zoals het verhaal Jammer uit de bundel Mijn lieve ouders (1993).
Met het noemen van deze onvergetelijke naam uit de Nederlandse literatuur waren wij weer bij het begin van deze door de aanwezigen zeer gewaardeerde lezing. Maar ook de derde generatie doet al van zich spreken. Al was het alleen maar als toneelfiguren, zoekend naar hun ‘roots’, zoals in de Leedvermaak trilogie van Judith Herzberg.

[1] Sinds 2005 is bekend dat Friedman niet-joods is. Haar uitgever, Van Oorschot, plaatst n.a.v. haar overlijden daarover het volgende op zijn webstie: ‘In 2005 kwam Carl Friedman in opspraak vanwege haar veronderstelde maar niet werkelijke joodse afkomst. Haar werk speelt zich af tegen de achtergrond van de jodenvervolging en autobiografische elementen, waaronder een vader met kampverleden, spelen een belangrijke rol. De veronderstelling dat zij joods was heeft Friedman nooit ontkend en dat is haar sterk verweten. Feit is dat haar katholieke vader in een Duits concentratiekamp heeft gezeten. Zelf heeft Friedman nooit op de aantijgingen gereageerd.’
De foto van Friedman is ontleend aan de website van haar uitgever, die van Bettine Siertsema aan haar profiel op die van de Vrije Universiteit.

Breuk of doorgaande lijn?

 

 

 

 

 

 

 

Op 14 februari jl. hield ik ’s middags een inleiding in het Huis van de levenskunst in de Bethelkerk in Amsterdam Oostzaan (zie foto links, EvS). Op verzoek van ds. Trinus Hibma werkte ik het thema ‘heidendom’ uit, naar aanleiding van mijn boek over Henk Vreekamp (Mythe, mysterie, mystiek) dat verleden jaar verscheen bij KokBoekencentrum. De vraag was: ‘Hoe kijken we in de huidige samenleving naar onze heidense roots? Vormen ze een breuk of een andere manier van kijken?’ Een gedeelte uit deze inleiding over bovenstaande vraag breng ik hier als blog. Plompverloren, midden in het hier iets aangepaste en met reacties aangevulde verhaal vallend.

Het eerste dat bij mij als voorbeeld van een doorgaande lijn bovenkomt, zijn de kerken die gebouwd zijn op, of aan ‘tempels van afgoden’, zoals paus Gregorius dat noemde en – sterker nog – ook goed vond dat die zo werden gebouwd, mits de kerk werd gewijd. Een mooi voorbeeld in Nederland is de Grote Kerk in Elst, tussen Arnhem en Tiel. Onder de kerkvloer vond men in 1947 de resten van twee Romeinse tempels, uit circa 50-100 van de gewone jaartelling. In de vroege middeleeuwen bouwden de eerste christenen op die resten een zaalkerk, die later in Romaanse stijl werd vergroot. Ook daarvan zijn de resten nog te zien in wat uiteindelijk tot een gotische kerk werd uitgebouwd.

Een historische opvatting
Je kunt óók zeggen dat hier geen breuk tussen heidense tempel en christelijke kerk is aangebracht, maar dat is er sprake is van een doorgaande lijn. Dat is een manier van denken die we kennen uit de boeken van de negentiende eeuwse Zwitserse historicus Jacob Burckhardt. Hij benadrukte de continuïteit en waarschuwde tegen harde, revolutionaire breuken. Als je me nu vraagt: Waar zie je dat in de geschiedenis en in de huidige samenleving, dan denk ik respectievelijk aan de middeleeuwen en aan de Arabische lente.

Wat het eerste, de middeleeuwen betreft, denk ik aan wat romancier Stefan Hertmans beschrijft in zijn roman De bekeerlinge. Een christelijke vrouw bekeert zich tot het jodendom, en Hertmans beschrijft dit als ‘een religieus alternatief voor de onrust en het geweld van de christelijke wereld’, een perspectiefwisseling. Hertmans concludeert, met Burckhardt: ‘Er loopt geen breuk (…) door de geschiedenis’. Dat Burckhardts opvattingen overigens ook een conservatieve achtergrond kennen, bleek gisteren nog weer eens uit een recensie van een boek van hem in dagblad Trouw.
Het tweede voorbeeld betreft de Arabische lente. In de slipstream daarvan voltrok zich een zachte revolutie die zich afspeelde op internet, waardoor iedereen – mits er geen censuur wordt toegepast – kennis kon maken met andersoortige ideeën. Ook hier gaat het om een alternatief, een seculier alternatief in dit geval voor onrust en geweld, en ook hier is sprake van een andere manier van kijken.

Door te spreken van vóór en ná, of het nu gaat om de kruistochten, de Arabische lente, de Tweede Wereldoorlog of de Wende, geef je tussen twee haakjes impliciet aan, dat je het voorspel tot die omwentelingen ontkend. Zo begint Johan Huizinga – een leerling van Burckhardt – zijn boek In de schaduwen van morgen (1935), dat onlangs opnieuw is verschenen bij ISVW Uitgevers, met: ‘We leven in een bezeten wereld en we weten het’. Let wel: dat was in 1935!

Niet-historische opvattingen
Er bestaan denk ik wat betreft de verhouding tussen het heidense- en christelijke denken, – om me daartoe te beperken – nog twee andere, niet historische opvattingen. De eerste voert ons terug naar het eind van het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp, waarin het over het visioen van de doop van Freyja gaat.
De tweede zou ik een symbolistische willen noemen, die uitgaat van gelijktijdigheid. Ik doe dat met in het achterhoofd de titel van een boek van de in oktober 2019 overleden dichteres en essayiste Anneke Reitsma: De poëzie van Ida Gerhardt in symbolistisch perspectief. Wat zij in Gerhardts poëzie zag, was onder meer suggestie en metafysische gerichtheid, – naar hetgeen dat boven ons uitgaat. Je moet je er als lezer van bewust zijn, dat poëzie op meerdere niveaus kan worden gelezen; het kan gelijktijdig naar meerdere voorstellingen verwijzen. Naar – vul ik in – een heidense én naar een christelijke.

Er worden zo nieuwe verbanden bloot gelegd, zoals Ede bij Vreekamp symbool stond voor Eden en het Kootwijkerzand, het enige woestijngebied in Nederland, voor de woestijn in Israël. Daarvoor is verwondering een vereiste, namelijk om in het alledaagse iets anders te kunnen zien. Denk bijvoorbeeld aan het gedicht ‘De disgenoten’ van Gerhardt, waarin een eenvoudig gedekte tafel de Avondmaalstafel blijkt te zijn.

Et voilà
, in de woorden van W. Dekker in een recensie over Vreekamps De tovenaar en de dominee (in: Kontekstueel, november 2010): ‘In de[ze] mystiek komt de door de openbaring geheiligde mythe terug (…). In door de openbaring worden beide (mythe en mystiek) geheiligd’. Waarmee alle drie uit de titel van mijn boek (mythe, mysterie, mystiek), of: verleden, toekomst, heden weer bij elkaar zijn gebracht. Ik had namelijk eerder betoogd, dat deze drie in het denken van Vreekamp eigenlijk niet los van elkaar zijn te zien, hetgeen in de vragen na de pauze werd bewaarheid.
Daarin ging het niet alleen over zijn visie op het heidendom, die door mij was uitgewerkt en die voor sommigen vreemd bleef, tot in zeer felle bewoordingen aan toe, maar vooral ook over zijn visie op het jodendom die in verschillende opmerkingen helaas wat dreigde te ontaarden (hier is nog steeds werk aan de winkel!), zijn visie op het Palestijnse vraagstuk, en – daar had ik eigenlijk al dan niet terecht geen aandacht aan geschonken – op human interest-vragen aangaande Vreekamps leven en sterven.

Conclusie
Als je dan tenslotte vraagt wat het heidendom (en ook het christendom overigens) in de huidige, seculiere samenleving kan betekenen, dan vind je in de beelden van Gerhardt, en ook van bijvoorbeeld Nijhoff, denk ik het antwoord: ze doordringen elkaar wederzijds.
Dat is de Sjechinah, de inwoning van God in het alledaagse, en dan mag je voor heidens in dit verband in onze tijd ‘seculier‘ lezen, want het gaat al lang niet meer alleen om Noordse heidenen als Freyja, om heidenen als de nazi’s bij de theoloog Miskotte (Edda en Thora, 1939) of om Apollo, Dionysus en Aphrodite bij de filosoof Simon IJsseling of om – zoals iemand van de ruim twintig toehoorders zei – ‘barbaren’.
Het gaat om een andere manier van kijken. Niet wegkijken maar kijken, góed kijken. Niet alleen naar ‘de’ heiden buiten ons (oorspronkelijk een bewoner van de heide), maar ook naar de heiden in ons. Vreekamp noemde zichzelf een heiden-christen die werd uitgedaagd door het jodendom. Hij erkende dat er twee zielen in zijn borst huisden: het heidendom en het christendom.

We kunnen in deze wereld niet zonder elkaar, heiden, jood en christen, om de schepping te helpen voltooien en tot zijn bestemming te brengen. Een opdracht, een mitswa zou de jood zeggen, die ons allen aangaat, wonend in één stad, in één wereld, zoals Ambrogio Lorenzetti het als een visioen à la Freyja schilderde op de lange wand in het stadhuis van Siena.
Opvallend is dat Lorenzetti ook niet-religieuze onderwerpen bij de kop pakte, wat in zijn tijd (ca. 1340) nog niet was vertoond. Het goede bestuur van de ideale stad die hij verbeeldt, laat alle mensen genieten van de oogst van hun akkers, van de wijn van het Koninkrijk en het brood uit de hemel. Sy hit swa, moge het zo zijn, zoals Vreekamp zijn Als Freyja zich laat zien eindigt. Zonder punt. Om het open te laten.

Link naar de genoemde recensie van het boek van Burckhardt in Trouw: https://www.trouw.nl/religie-filosofie/juist-ook-door-het-contrast-met-het-huidige-denken-geeft-dit-boek-te-denken~b7c062d0/