Koning en kind

 

Van ’t vroeglicht van de dageraad
tot waar de zon weer ondergaat
zingt elk de koning Christus eer
het kind der maagd is onze Heer.

 

 

Deze eerste strofe van Lied 516 uit het Liedboek (O solis irsus cardine) is voor mij de samenvatting van het Christmas Oratorio (2019) van de Schotse componist Sir James MacMillan, dat afgelopen zaterdag zijn première beleefde in het NTR Zaterdagmatinee. Gespeeld en gezongen door twee solisten, Mary Bevan (sopraan) en Christopher Maltman (bariton) op een, getuige de presentator van de ratio-uitzending ver in de zaal uitgebouwd podium, met de rug naar het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor met een scherm voor zich waarop componist/dirigent James MacMillan was te volgen.

Koning Christus en het kind, of – om de titel van een boek van Karl Barth in een vertaling van Nico T. Bakker te parafraseren – Het koninklijke kind. Zo heb ik het ervaren. Zoals Barth telkens twee kanten laat zien, zo doet MacMillan dat ook.
Het begint er al mee, dat zijn oratorium uit twee delen bestaat, elk verdeeld in zeven segmenten en symmetrisch opgebouwd, als een palindroom, gespiegeld. Als zeg maar de gelaagdheid van een boven- en een benedenkerk. Volgens een interview dat mijn oud-collega Anthony Fiumara met de componist had, en dat werd gepubliceerd in het bij het Zaterdagmatinee behorende digitale boekje, is het MacMillans bedoeling ‘bij de ziel te komen en de relatie tussen het menselijke en het goddelijke op een krachtige, mysterieuze manier aan de orde te stellen’.
De componist zet zich duidelijk af tegen het wat hij ‘monodimensionele’ van een Arvo Pärt noemt. Enige nuancering is daarbij op zijn plaats: hij bedoelt hier de late(re), spirituele Pärt, want in met name in diens niet-vocale, vroege(re) werken horen we wel degelijk, maar dan veelal subtieler, eenzelfde conflict als MacMillan ten tonele voert.

Koning Christus
Laat ik de twee uitersten, de koning Christus en het kind, tot uitgangspunt nemen en zo bij wat hij ‘de ziel’ noemt uitkomen. Dat kan alleen, als je MacMillan ziet zoals Fiumara zijn stijl beschrijft: als uiting van een ‘retrospectief modernist’. Als een rooms-katholiek componist die ‘zijn plek begrijpt vanuit het verleden’, vanuit die traditie, maar dan voorwaarts gericht.

Het koninklijke wordt verklankt zoals we dat door de eeuwen heen gewend zijn te horen: met veel koperblazers, zoals in het ‘in unum Dominum’ in het eerste deel, en bij het woord ‘king’ in een koorgedeelte. Niet dat MacMillan voor de makkelijkste oplossing kiest, want waar je koninklijk koper zou verwachten, klinkt soms opeens een tedere woordschildering. Het andere uiterste van het spectrum.

Het kind 
Het kinderlijke klinkt meteen in de Sinfonia I waarmee het oratorium opent: een Schots dansje, met xylofoon en hobo (het pastorale instrument bij uitstek). De dreiging van gaat gebeuren (de kindermoord, de kruisdood) is echter niet ver weg, zoals de pauken aan het slot van het eerder genoemde ‘In unum Dominum’ bewijzen. Soms meende ik zelfs een vleugje blokachtige akkoorden à la Louis Andriessen te horen, zoals in het koor ‘But when Herod died, behold, an angel of God appeared in a dream to Joseph in Egypt’. Zoals er ook werd getapt uit vaatjes die de componist als dirigent kent: Sjostakovitsj (Sinfonia 3, het begin van het tweede deel), de Benjamin Britten van diens Christmas Carols (‘Today Christ is born’) en Bartók (slaan met de strijkstok op de snaren van de viool).

De ziel
En dan komen we tenslotte uit bij de ziel, die bij MacMillan als bij Joh. Seb. Bach wordt gespeeld door een vioolsolo, in dit geval Elisabeth Perry. Zij ging gelijk bij Bach de samenspraak aan met één van de solisten, zoals met de bariton in ‘Seest thou, my soul’. Ze had zelfs het laatste woord van dit stuk, een Schots kerstliedje van grote eenvoud waarin ook de celesta (caelestis, hemels, goddelijk) een grote rol speelde.

Zo mag ik het horen – heel doordacht qua opbouw en uitwerking aan de ene kant, en vol emoties aan de andere kant. ‘Spirituele genezing’ noemt MacMillan het, maar dat gaat mij iets te ver, al proef ik er wel iets van heel-making in. In een uitvoering om door een ringetje te halen, voor zover je dat via de radio helemaal kunt beoordelen.
Midden in coronatijd een lichtpuntje om in je hart en hoofd te bewaren. Of misschien, om de omschrijving van het werk van Paul Klee aan te halen waarvan het gezicht het omslag siert van het eerder genoemde boek van Barth/Bakker: ‘Hat Kopf, Hand, Fuss und Herz’. Het een wat meer dan het ander, maar dat is de persoonlijke insteek van zowel componist als luisteraar.

Ontroerend mooi

ad-dekkers_vierkant-met-sektorHet was me een weekje wel. Vol ‘zwelgen in eigen zaligheid’, ‘zelffeliciterend opschrijven’ en ‘zelfgenoegzaamheid.’ De Groene Amsterdammer van vandaag lijkt het in verschillende artikelen allemaal op een rijtje te zetten. En toch is dat niet het hele verhaal. Want de week begon met een concert met werken van Bach, waarover vrienden van mij verslag deden. Met een tegenovergestelde ervaring.

Maar eerst dat rijtje arrogantie dat terugkomt in verschillende artikelen in het weekblad. Om te beginnen natuurlijk dinsdag – met de Troonrede als ‘een onverkwikkelijk partijtje zwelgen in eigen zaligheid’, zoals Ewald Engelen het al voorspelde. Vervolgens heeft recensent Joost de Vries het in zijn recensie over John Le Carré’s De duiventunnel: Verhalen uit mijn leven over ‘net iets te zelffeliciterend’ opgeschreven verhalen. Ook Jan Postma heeft het in zijn bespreking van de bundel essays Vertrouwde en vreemde dingen over het boek van Teju Cole dat ‘een vervelende nasmaak van zelfgenoegzaamheid’ achterlaat. En dan hebben we ’t nog niet eens gehad over de rubriek ‘Kijken’ waarin Rudi Fuchs het tot vervelends toe over ‘mijn tentoonstelling’ heeft, terwijl het toch echt om de overzichtstentoonstelling met werk van Ellsworth Kelly in Museum Voorlinden (Wassenaar) gaat. Ja, hij was de curator hiervan. Niet meer maar ook niet minder.

Gelukkig zijn er nog andere verhalen. Ook in het boek van Cole, die het heeft over ‘Bach, die zo door en door menselijk is.’ Ton Koopman zou het zo in zijn mond hebben kunnen nemen. De dirigent die afgelopen zondag werk van hem dirigeerde in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ. Vrienden berichtten: ‘We zaten buiten de zaal te wachten, de zaal was nog dicht, TK kwam aanlopen, had waarschijnlijk de artiesteningang niet gevonden en vroeg aan de suppoost nadat hij ons goedemiddag had gezegd, mag ik even door deze deur naar binnen, allemaal heel low-key, niet de entree van een beroemdheid.’ Om te concluderen: ‘Je krijgt echt het gevoel dat Koopman zonder zelf nog van alles te willen gewoon die muziek tot leven wil brengen. Echt heel geweldig.’

Bach maakt bescheiden. En misschien is het de Carré’s, Coles en Fuchsen op een ander moment ook gegeven om achter zichzelf te verdwijnen, al schrijft Postma iets over ‘de omvang en complexiteit van Cole’s gaven – alsook zijn grootste zwakte, de manier waarop hijzelf zijn grootste vijand lijkt te zijn.’
Ik kijk naar een afbeelding bij het artikel van Fuchs over ‘zijn’ Kelly-tentoonstelling: Vierkant met sektor (zie afb.) van Ad Dekkers. Op een vierkant zien we een reliëflaag. Een ingewikkelde constructie, die Fuchs omschrijft als ‘een zacht gebogen lijn van een schaduw.’ Ontroerend mooi. Zo moet ook Bach in het Muziekgebouw hebben geklonken.