Waarheid en Verhaal

In een recente blog (zie link onderaan), naar aanleiding van het verschijnen van het boek Parabels onder redactie van Erik Ottenheim en Martijn Stoutjesdijk (Uitgeverij Abdij Van Berne), vraagt Marcel Poorthuis zich af of de parabel over Waarheid en Verhaal van de Maggid van Dubno (Jacob ben Wolf Kranz) wel de waarheid kan vertellen. Een verhaal biedt ruimte voor eigen interpretatie en identificatie. Maar zit de Waarheid er dan nog wel in? Zoiets als het thema van de opera Ritratto van Willem Jeths op een libretto van Frank Siera: ‘Fantasia e verità’ die onlangs zijn videopremière beleefde.

De parabel
Eerst de parabel zelf in de woorden van Poorthuis. ‘Waarheid en Verhaal zwierven door de wereld. Verhaal ging schitterend gekleed en werd overal met gejuich begroet. Waarheid daarentegen was naakt en als de mensen hem zagen wendden ze zich af. Toen vroeg Waarheid aan Verhaal: “Hoe komt het toch dat jij overal gastvrij wordt onthaald terwijl ik een dichte deur vind?” Verhaal antwoordde: “Mensen houden niet van jou. Jouw naaktheid komt onaangenaam over. Mijn warme kleren met mooie kleuren vinden ze veel aantrekkelijker. Maar ik weet het goed gemaakt: trek jij mijn kleren aan”. En vanaf die tijd dient de Waarheid zich gekleed in het verhaal aan en laten de mensen de Waarheid met plezier binnen.’

De naakte waarheid
Poorthuis vervolgt: ‘Intussen heeft de lezer allang gedacht aan “de naakte waarheid”, zoals de filosoof Kierkegaard die naar voren brengt in zijn dagboek op 1 augustus 1835. Kierkegaard wijst alle gepraat over waarheid af als die niet een waarheid is die mij persoonlijk raakt. Dat wat God van mij vraagt is waar het om draait, niet wat theologen aan algemene waarheden naar voren brengen. Weliswaar worden parabels soms verweten dat de waarheid onzichtbaar wordt in hun inkleding in bonte gewaden, maar uiteindelijk bezitten parabels juist het vermogen om niet zozeer algemene waarheden naar voren te brengen, maar om mij bij te kladden te grijpen: “Jij bent die mens!” (2 Samuel 12:7). Uiteindelijk gaat de naakte Waarheid dus toch weer schuil achter het gewaad van het Verhaal!’

Filosoferen over het kwaad
Iets soortgelijks kan worden gezegd over waartoe filosoferen over de waarheid of over een item als het kwaad toe leidt, in vergelijking tot de manier waarop literatuur, verhalen en romans dat thema aanpakken. Daarmee heb ik mij beziggehouden in mijn Masterscriptie, Het kwaad het hoofd bieden. In het kader van bovenstaand artikel van Poorthuis geef ik hier, in iets bewerkte vorm, de conclusie hiervan weer.
Onlangs kwam een nieuwe druk uit van het boek Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman waarop ik mij baseerde: Het kwaad in het moderne denken (Lemniscaat). Zij schetst hierin onder meer lacunes in filosofisch denken over het kwaad.

Neiman stelt in de eerste plaats, dat het denken over het kwaad eeuwenlang was gestoeld op het vertrouwen dat werd gesteld in de menselijke ratio. De moderne mens werd verondersteld in volle bewustzijn en in vrijheid te kunnen kiezen tussen goed en kwaad. Deze veronderstelling hing volgens haar in de tweede plaats samen met zowel het vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving en – in de derde plaats – met het vooruitgangsdenken. Beide noties komen terug in de Grote Verhalen van bijvoorbeeld religie en socialisme.

Grote Verhalen
In de twintigste eeuw raakte de notie van de Grote Verhalen, het mensbeeld dat uitging van maakbaarheid en vooruitgang in de geschiedenis, van religie en socialisme op de achtergrond. Hieruit spreekt volgens Neiman een toenemende terughoudendheid ten aanzien van niet alleen de idee dat het kwaad ooit te herleiden is tot een hogere orde maar ook ten aanzien van de kracht van de ratio.

In haar reconstructie van het denken over het kwaad neemt zij de aardbeving in Lissabon (1755) als beginpunt en Auschwitz als eindpunt. Auschwitz staat volgens haar voor de mislukking van de moderne opvatting van het kwaad, waarin het kwaad wordt begrepen vanuit en gekoppeld wordt aan bedoelingen van de mens. Deze kantiaanse opvatting verloor volgens Neiman na Auschwitz alle aannemelijkheid. Bij het beschrijven hiervan heeft zij veel ontleend aan de analyse die Hannah Arendt gaf over het proces van Adolf Eichmann. Arendt wijst op diens onnadenkendheid, die doorslaggevende gevolgen had. Bovendien verloor in het licht van Arendts analyse ook het vooruitgangsdenken elke vorm van geloofwaardigheid.

Alternatieven
De leemte die Neiman vervolgens in het filosofisch begrippenapparaat aanwijst, slaat op het ontbreken van een interpretatiekader bij de duiding van het kwaad. Er lijken nog geen alternatieven gevonden te zijn om in die lacune te voorzien. De vraag is nu in hoeverre een literair werk in deze leemten kan voorzien. Bij de beantwoording van deze vraag keek ik naar studies van twee wijsgerig theologen.

Om te beginnen Ungolf U. Dalferth, die stelt dat het kwaad geen denkprobleem is, – zoals Neiman stelt -, maar een existentieel probleem. Jean-Claude Wolf, de andere denker, laat het belang zien van het exodus- of uittochtmotief. Hij stelt het begrip exodus, de uittocht centraal en plaatst dit bij uitstek in het perspectief van hoop of verzoening. Hoewel de aandachtspunten die beide denkers te berde brengen op een christelijke achtergrond en interpretatie berusten, gaat deze interpretatie dit kader te boven. Immers: het menselijk lijden dat Dalferth beschrijft, en het pelgrimsmotief dat Wolf aan de menselijke ervaring hecht, kunnen ook geheel seculier worden geduid. Dit heeft tot gevolg dat ze daarmee als zodanig in een wetenschappelijke analyse inpasbaar zijn.

Conclusie
Een literair werk kan dan met andere woorden in de door Neiman gesignaleerde lacune voorzien, omdat een probleem als het kwaad op een andere, mijns inziens meer vruchtbare manier benadert dan Neiman in haar boek deed, namelijk als een levensvraag in plaats van als een denkprobleem. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat romans (of parabels) tot op zekere hoogte in de door Neiman gesignaleerde leemten kunnen opvullen, in die zin dat de roman een ander pleidooi voert en een andere – wellicht vruchtbaarder – insteek kent voor het benaderen van het kwaad en de gevolgen daarvan dan een filosofische studie als die van Susan Neiman.

 

https://parabelproject.nl/een-parabel-over-waarheid-en-verhaal/

‘Het breidt zich alleen maar uit’

De tweede en laatste blog naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van P.C. Hooftprijswinnaar Maxim Februari.

Deze keer blijf ik stil staan bij zijn opmerking, dat een roman niet valt samen te vatten, in tegenstelling tot een filosofieboek; zijn vriend René Gude (beiden filosoof) vond het omgekeerde. ‘Het breidt zich alleen maar uit’. Een opvatting die ik tussen twee haakjes tijdens een weekend over joodse filosofie bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geleid door Rico Sneller, ook meende op te maken als zijnde de visie van Derrida: literatuur, filosofie en theologie vormen ‘in den beginne’ een herhaling met andere woorden.
Uit de zaal volgde naadloos hierop aansluitend dan ook de vraag of interpretaties dan altijd nodig blijven. Ja, kwam uit in verschillende bewoordingen uit diverse monden.

In dezelfde week als de Spui25-bijeenkomst las ik in het tijdschrift In de waagschaal een ‘Exegetische miniatuur’ van emeritus predikant Wout van der Spek over Psalm 2 die hieraan raakt. Het is, schrijft Van der Spek, als je ervan uitgaat dat Psalm 1 later is toegevoegd, eigenlijk de eerste Psalm die ook nog eens begint met: ‘Waarom’.
De auteur schrijft van Tom Naastepad te hebben geleerd, dat het vervolg van een verhaal of een boek een herlezing ervan is. Dat is mooi, maar Van der Spek had ook dichter bij huis kunnen blijven: de Talmoed (wij zaten nota bene enkele jaren samen aan de voeten van een joodse leraar Talmoed te lernen) is de uitbreiding ervan, om Maxim Februari te parafraseren.

Mijn hart sprong dan ook op, toen ik tijdens een Bijbelcursus in mijn eigen wijkkerk de predikant Paula de Jong hoorde zeggen, dat de (Psalm)citaten in de Evangeliën meestal net niet letterlijk zijn; een soort kleine Talmoedfragmenten dus: kleine uitbreidingen, herhalingen in net andere bewoordingen, interpretaties. Derrida (zie link onder aan deze blog) zou het haar hebben kunnen nazeggen.

Zo zou je, tenslotte, Marcus 4:25 volgens haar ook kunnen lezen:

Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Niet in materiële zin, maar als sommetjes: 1+1=2, 1-1=0. De rijke wordt rijker, aan Bijbelkennis die hij/zij als rijkdom met zich draagt en die zich steeds uitbreidt. Interpretatie op interpretatie.

 

https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201501_01/_voo013201501_01_0036.php

 

‘Flardenbewustzijn’

De dichtbundel Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz (Uitgeverij Pluim, zie afb.) bracht mij in gedachten terug naar drie vakanties, jaren geleden. Alle drie maakten ze veel bij mij los. Wat ik hier, als herinnering aan die vakanties, probeer te plaatsen aan de hand van een column die Wessel Krul (emeritus-hoogleraar moderne kunst- en cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen) uitsprak tijdens een middag op 19 november jl. in het kader van ‘Honderd jaar Herfsttij der Middeleeuwen’, voorafgaand aan een optreden van Capella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss.

  1. Hogere natuurkunde

In 1981 reisde ik, als 28-jarige, met een reisgezelschap naar Noord-Engeland en Schotland. Het hotel waar ik verhalen over de Jappenkampen hoorde, uit de mond van een medereizigster, staat me nog scherp voor de geest. Het was het soort landhuis dat je wel in Engelse televisieseries ziet. De vrouw herinner ik mij wat vager, de manier waarop ze na het eten in de gang op een zetel zat (een ander woord zou niet passen), des te scherper. Gesust door haar reisgenote, wat ze naast zich neerlegde, bleef ze vertellen over alle ellende die daar was gebeurd en haar leven tekende. Er stonden altijd wat mensen om haar heen. Geïnteresseerd of uit beleefdheid? Ik zoog alles wat ze zei op, omdat haar wereld en verhalen mij allebei vreemd waren en ik vond dat daar verandering in moest worden gebracht.
Net als bij de bundel Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz, gaat het om wat Johan Reijmerink in een recensie daarvan omschreef als ‘flardenbewustzijn’. Kan het ook eigenlijk niet anders, met zulke heftige verhalen? De bundel van Deckwitz heb ik op eenzelfde manier in me opgenomen. De dichteres vertelt fragmentarisch, in twaalf hoofdstukken haar verhaal, met veel tussen haakjes en veel wit. Het kwam me al lang niet meer zó vreemd over. Het leek of ik de gruwelijke beelden me inmiddels te binnen herinnerde, vanuit Engeland. Ze schoven over de beelden van de Tweede Wereldoorlog, die me van huis uit vertrouwder waren.

  1. Putten

Beelden die ik kende uit de boeken van Lou de Jong én van een andere, veel eerdere vakantie, rond 1965, met mijn ouders in Putten. Zij hadden er, dol op de Veluwe zijnde, een huisje gehuurd waar mijn moeder nog de roep van een koekoek verwarde met het koeren van een bosduif.
Op een avond werden we uitgenodigd bij de eigenaars van het huisje thuis. Een moderne bungalow, dat herinner ik me net zo goed als het hotel/landhuis in Engeland. Ik zie het echtpaar nog zitten – vooral zitten, want hun gezichten zijn weggevallen. Gespannen, net als mijn ouders, vooral mijn moeder. Het echtpaar had levendige herinneringen aan de gebeurtenissen in 1944 in Putten, toen 661 mannen waren weggevoerd als vergelding voor een aanslag op een Wehrmachtauto. Als ik het me goed herinner, was daar ook familie van het echtpaar onder. Madelon de Keizer schreef er later een boek over: Putten. De razzia en de herinnering. Nog altijd moet ik denken aan wat er toen gebeurde, als ik met de trein door Putten rijd. Ik de kerk werden de mannen samengedreven, en – hoorde ik later van Beatrice de Graaf in een televisie-interview – zongen ze Psalm 84: 3 en 4.

  1. Polen

Mijn vader was er niet blij mee, dat ik me als puber zo verdiepte in alles wat met de Tweede Wereldoorlog had te maken. Ik geloof wel, dat ik hem ooit heb verteld over mijn ontmoeting met een Poolse bevrijder en diens Nederlandse echtgenote, maar ik kan me niet meer heugen hoe hij daarop reageerde.
Het gebeurde in Rijsbergen (Noord Brabant) tijdens een overstap op een bus richting de Provence, in 1982, een jaar na mijn reis naar Engeland. Ik zat samen met hem, zijn vrouw en nog enkele anderen aan een tafel, ongetwijfeld met koffie en gebak, en hij vertelde over de bevrijding van dit stukje Nederland. Of we wel wisten dat de Polen hierbij een grote rol hadden gespeeld, zei hij, en dat dit vaak wordt vergeten. Hij zei het rustig maar indringend, zonder accent en een beetje naar ons toe gebogen, die luisterden en spaarzaam wat terugzeiden. Al kan ik me niet herinneren of ik zelf wat heb gezegd. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Ook dit verhaal was, net als over de Jappenkampen, nieuw voor mij en ik zou het nooit vergeten.

  1. KNAW

Wessel Krul, die ik in de introductie tot deze blog noemde, vertelde dat wij een voorstelling of een beeld van het verleden vormen. Onder dat beeld vallen volgens hem ook tastzin, reuk en smaak. Hij had het ook over het geestesoor en het geestesoog, want na de tastzin en dergelijke volgden volgens hem geluid en beeld. Het geluid is bij mij in voorgenoemde gevallen weggevallen, maar de beelden staan, weliswaar fragmentarisch, op mijn netvlies gebrand. Van mensen, rustig, intens, gespannen, emotioneel en heftig soms.
Ik ben geneigd om dit met Herman Wijffels een ‘transcendente dimensie’ te noemen, dat wil zeggen dat wat buiten mijzelf valt, wat ik niet aan den lijve heb ervaren, maar dat me wel innerlijk raakt, oprecht en diep. Opgeslagen in mijn geestesoor en geestesoog.

Dick Raaijmakers en Jan Boerman

Soms schrik je van jezelf. Toen ik iets wilde schrijven over Nederlandse elektronische muziek, kwam meteen de naam van Jan Boerman (1923, foto rechts) bij mij boven. Daarmee had ik dus niet voor Dick Raaijmakers (1930-2013, foto links) gekozen, de andere godfather van de elektronische muziek die Floris Kortie op 13 oktober jl. in het zonnetje zette in het televisieprogramma Podium Witteman. Mijn keuze zei eigenlijk net zoveel over mijzelf als over beide nestors van de elektronische muziek in Nederland, maar door deze keus als uitgangspunt te nemen, kan ook iets worden verduidelijkt voor lezers van deze blog die nog niet zoveel elektronische muziek hebben gehoord of voor bezoekers van het Amsterdam Dance Festival dat nog tot en met zondag 20 oktober duurt. Waaraan moeten zij bijvoorbeeld de voorkeur geven als zij zouden moeten kiezen tussen Boerman of Raaijmakers. Wat past het beste bij hun belevingswereld?

Raaijmakers en Boerman
Beide namen, Dick Raaijmakers en Jan Boerman, worden overigens maar al te vaak in één adem genoemd. Het is net als met die andere pioniers uit de popmuziek: de Beatles en de Rolling Stones. Ik weet nog uit mijn middelbare schooltijd dat je of voor de ene groep was of voor de andere, hoewel ik later steeds meer waardering voor de Rolling Stones kreeg.
Datzelfde geldt ook een beetje voor Raaijmakers en Boerman. Eerstgenoemde componist heeft het ironische, ondermijnende in zijn muziek dat we ook van de Stones kennen. Jan Boerman daarentegen is meer verwant aan de welluidende, esthetische muziek van de Beatles. Nu heb ik de deuren van de middelbare school al lang geleden achter me dicht getrokken, en zo zwart-wit als je in de puberteit over niet alleen de Beatles en de Rolling Stones, maar ook over andere zaken denkt, doe je op latere leeftijd niet meer, maar de vergelijking tussen Boerman en Raaijmakers kan nog steeds best worden uitgewerkt.

Kompositie 1972
Neem als voorbeeld het sleutelwerk in niet alleen het oeuvre van Jan Boerman, maar ook binnen de gehele elektronische muziek: Kompositie 1972. Het is verstilde, verfijnde poëzie die ademt en waarin je als het ware kunt wonen als in een evenwichtig Amsterdams grachtenpand van een Vingboons. Er wordt een samenhangend verhaal verteld, dat zich logischerwijze ontvouwt van a naar b, hoe tegenstrijdig dit misschien op grond van de abstracte titel ook moge klinken. In die zin heeft Boerman eens gezegd zich verwant te voelen met niet alleen de dramatiek maar ook de retoriek van Monteverdi.
Onder die bovenlaag gaat bij Boerman een geraffineerde, evenwichtige opbouw schuil – alweer: à la Vingboons! Hierbij is de componist uitgegaan van de gulden snede, die vooral in de romantiek (!) in de belangstelling stond, ter beteugeling van al dan niet heftige gevoelens. De expressiviteit van de romantiek is Boerman overigens niet vreemd, zoals we nog zullen zien.

Dick Raaijmakers
Raaijmakers’ muziek is eerder verwant aan de improvisatiekunst zoals we die uit de jazzmuziek kennen. Hij speelt met geluiden en rijgt ze aan elkaar. Hij moet het hebben van een idee, een inval, een uitgangspunt. Zijn muziek gaat over muziek, over datgene wat achter de klanken verborgen zit, terwijl Boerman uitgaat van autonome, abstracte en pure klanken. Je zou met andere woorden Raaijmakers’ muziek transcendent, verheven boven het aardse kunnen noemen en die van Boerman immanent, geworteld in het aardse.

Boerman en Raaijmakers
Doe ik hiermee nu onrecht aan Raaijmakers’ muziek? In wezen niet meer dan aan die van Boerman, over wiens muziek ik mij evenzeer een persoonlijk beeld heb gevormd. Dat laatste geldt, maar dan op een andere manier, ook voor Raaijmakers. Wat zijn muziek betreft kan ik alleen maar instemmen met verschillende uitlatingen die Kees Polling over zijn werk heeft gedaan. In de VPRO Gids (27 mei 1995) bijvoorbeeld heette het dat Raaijmakers’ kameropera Der Stein uit hetzelfde jaar ‘even afstotend als intrigerend, even rotzooiend als geniaal is’. In Trouw (28 september 1995) hernam Polling dezelfde gevoelens door te schrijven dat wat hem boeit ‘de wisselwerking tussen fascinatie en irritatie en de tegenstelling tussen schoonheid en lelijkheid is’. Zelf heeft Dick Raaijmakers eens, ook tegen Kees Polling (in Muziek en Dans, mei 1984) gezegd te willen dat hij ‘een Jan Boerman was, zeg maar datgene wat hij vertegenwoordigt. Ik zou willen dat ik een loot was van de romantiek, zoals Webern dat toch eigenlijk ook was. Dat ben ik niet. Ik vertegenwoordig daarentegen een soort tragisch element. Het is jammer dat wat ik doe niet uit de romantiek voortkomt’.

Omdat Dick Raaijmakers geen Jan Boerman is, en beiden totaal verschillend zijn, konden ze ook goed met elkaar opschieten en vulden ze elkaar aan, wat niet wil zeggen dat een beperkt persoon, zoals ik, ook op eenzelfde manier door beider muziek wordt aangesproken. Daar is gewoon niets aan te doen.


Deze blog verscheen in iets gewijzigde vorm eerder als een
Kleine Kunstkroniek in Kunst en Wetenschap (jrg. 7 nr. 4, winter 1998-1999). De kroniek wordt hier hernomen in het kader van het Amsterdam Dance Event in de Melkweg (16-20 oktober 2019).

Verdunnen of uitvergroten?

In de debuutroman van Dave Eggers, Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit (E.H.V.V.D.G., uitg. Lebowski, 2000) solliciteert de hoofdpersoon bij een Amerikaans televisiestation. Op een gegeven moment wordt hem gevraagd waarom hij eigenlijk is gekomen. Het antwoord luidt: ‘Ik wil dat jij mijn lijden deelt.’ Hij heeft het idee dat het lijden daardoor zal verdunnen. Terwijl de vragensteller denkt dat juist het tegendeel gebeurt: ‘Dat je het uitvergroot door het te delen.’ Zij legt uit, dat je zelf dan weliswaar van het leed wordt verlost, maar dat je er op die manier wel voortdurend aan wordt herinnerd en niet meer aan kunt ontsnappen.
Een interessante denkexperiment: zou één van twee gelijk hebben, hebben ze allebei een beetje het gelijk aan hun kant of geen van tweeën?

Ik neem de proef op de som aan de hand van een ander boek: de roman De pianostemmer (uitg. Wereldbibliotheek, 2008) van de Zwitserse schrijver Pascal Mercier en een metaalsculptuur van de Israëlische kunstenaar Eran Shakine (1962) dat momenteel te zien is in Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam.

Pascal Mercier
Merciers roman gaat (niet voor niets, zou ik haast willen zeggen) over een tweeling van een (ook niet voor niets) pianostemmer die zoekt naar harmonie (tussen verdunnen en uitvergroten?): Patrice en Patricia.
Aan de ene kant wil de tweeling zich ontdoen van een incestueus verleden, door hun verhaal in schoolschriftjes op te schrijven en daarna met elkaar te delen. Aan de andere kant beseffen zij dat juist door dit te doen, hun onderlinge band alleen maar sterker zal worden. De vraag die opdoemt, is wat dan wel de vrijheid op zal leveren waarnaar ze verlangen, waar iedereen naar hunkert.

Allerlei mogelijke oplossingen passeren de revue: zou zwijgen niet beter zijn? Het antwoord staat tussen haakjes (ook niet voor niets, want eerst is het nog maar de vraag of dit ‘de’ oplossing is): blikken zijn veelzeggender en nauwkeuriger dan woorden. Een eind verderop in het boek, wanneer het thema zwijgen wordt hernomen, lezen we: ‘Je kunt elkaar al zwijgend tot zo dicht naderen dat je gedachten en gevoelens die van de ander ten slotte raken. Er zit dan niets meer tussen.’
Het is de kleine, woordarme Paco die Patrice leert dat je eerbied moet hebben voor hetgeen je niet kent en zelf ervaart. Patrice overschrijdt in dat opzicht een grens, wanneer hij zegt dat hij de regen op de hand van zijn tweelingzus kan voelen, terwijl hij met zijn hand de druppels op zijn eigen arm aanraakt. Wanneer met andere woorden de druppels verdunnen ofwel verdampen, letterlijk en figuurlijk.
Maar dan valt tot sneeuw geworden regen, die niet verdampt maar blijft liggen. Daarin ligt lijkt mij het uiteindelijke antwoord van Mercier: aanvaardt wat is dat is, door het te laten gebeuren zonder het persé te willen delen, zonder het te laten overheersen. Met de sneeuw daalt een stilte neer van vóór het ontstaan van de taal en de klanken die de pianostemmer aan zijn instrumenten ontlokt. Er ontstaat afstand en er is de mogelijkheid tot ontsnappen. Is dat het bevrijdende gevoel waar Patrice en Patricia naar op zoek waren?

Eran Shakine
Dan de metaalsculptuur A Muslim, a Christian and a Jew van Eran Shakine dat t/m 13 oktober a.s. valt  te zien in Museum Ons’ Lieve Heer op Solder (foto Els van Swol).
We zien drie in plaats van twee figuren, haast als de bekende afbeelding van de evolutie van de mens; de meest rechtse heeft een gekromde rug. Zou dat een joodse rabbi zijn, gekromd door de vele Talmoed-studie, gebogen boven zijn boeken, zoals tieners boven hun i-phone nu al het gevaar lopen op een gekromde rug?

Er zit behoorlijk wat ruimte tussen de mannen in 19de-eeuwse kledij; ze raken elkaar niet letterlijk, maar lopen wel in een nagenoeg gelijke houding, hetgeen in de beeldende kunst altijd staat voor  empathie en verbondenheid. Ze hebben, net als Paco uit het boek van Mercier, eerbied voor elkaar. Paco leerde dat aan Patrice, zagen we hiervoor, Shakine lijkt dat aan ons te willen tonen. Nu is het aan ons om het in praktijk te brengen …

 

Blog verscheen eerder, in een andere vorm (minus Shakine, plus een ander boek) in Wervel-ingen (herfst 2013). Wordt hier met toestemming hernomen.

Het hart van denkend Nederland

Mijn denkvakantieweekje bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden dit jaar, over de Filosofie in de Lage Landen, werd omkranst door twee citaten. Eén las ik aan het begin en één aan het eind van de week.

Het begon met een uitlating van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juli 2019, p. 9) van Amnesty International: ‘Een groep heeft misschien een gemeenschappelijke geschiedenis, een cultuur [waaronder filosofie, EvS], maar individuen hebben een verhaal.’ Dat verhaal zal ons oordeel nuanceren. Het klonk alsof Grunberg met het scheermes van William van Ockham al het overbodige had weggesneden en alleen het nodige, het individuele verhaal in dit geval, overbleef.

Individuele verhalen, die kwamen in deze cursus van hoofddocent dr. Erno Eskens en twee gastdocenten (de derde lag helaas in het ziekenhuis) langs. Om te beginnen die van theologen (patristiek, scholastiek, via antiqua, via moderni, mystici) die als filosofen werden behandeld, omdat ze twijfelden en naar nieuwe wegen zochten. De ene groep denkers zette zich af tegen de volgende. Soms met een grote heftigheid; Geert Groote kwam voor mij daardoor in een ander daglicht te staan. Hij had, bleek, niet voor niets de bijnaam ‘Ketterhamer’.

Slechts een enkeling probeerde het denken uit verschillende stromingen (via antiqua, mystiek) met elkaar te verbinden. Ons groepje, slechts zes man-vrouw sterk, was bijvoorbeeld unaniem gecharmeerd van Nicolaas van Cusa (1401-1464, zie afb.). Hij sprak over coincidentia oppositorum (samenvallen van tegendelen) en zag religie als één geloof met verschillende varianten (una religio in rituum varietate). Hierbij zou het natuurlijk best zo kunnen zijn, dat hij daarmee veronderstelde dat iedereen in de moederschoot moet terugkeren …
Mij deden de verschillende stappen van kennis van Van Cusa of Cusanus (zintuigen, ratio, intellect en intuïtie) denken aan de drie soorten kennis die Spinoza onderscheidt (verbeelding, ratio en intuïtie), een denker waar Eskens overigens duidelijk niet veel mee had.
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Sjibbolet Cusanus’ De blik op God (zie afb.) – voor op het verlanglijstje, om te kijken of de liefde op het eerste gezicht stand houdt.

In ieder geval zegt dit getriggerd-zijn door juist deze, voor mij onbekende theoloog/filosoof in tegenstelling tot bijvoorbeeld Coornhert of Spinoza, net zoveel over mijzelf en mijn aandacht voor these-antithese-synthese, als Eskens keuze voor bepaalde denkers en accenten, zoals zijn aandacht voor filosofen die net als hij wat hebben met dieren(rechten).

Dan kom ik bij het tweede citaat dat mij deze denkweek vergezelde, het slot van het artikel ‘Een selfie van Nederland – zonder filter?’ van Tamar de Waal in de Groene Amsterdammer (4 juli 2019, p. 13). Een citaat dat gaat over tegenstellingen (weer die dialectiek!) die ‘vaak de motor van de democratie is’. De Waal constateert dat polarisatie (religieus, vanuit tradities) ‘het hart hadden kunnen vormen van Denkend aan Nederland [rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau, EvS], maar dat in plaats daarvan het SCP de hete aardappel [en de] kritische duiding doorschuift aan anderen’.
De filosofie bijvoorbeeld.

Ik moet daarbij denken aan de gastcolleges van Florian Jacobs en Marthe Kerkwijk op de voorlaatste dag en het slotcollege van Eskens.
Jacobs had het over de aanloop tot de ISVW (1916). Meteen al tijdens de oprichtingsvergadering kwam het tot een controverse tot de volgelingen van Frederik van Eeden en Daniel Reiman. ‘Het is’, aldus Jacobs, ‘aan zulke types als Van Eeden en het verzet daartegen te danken, dat de ISVW bestaat’.
Kerkwijk sprak over Clara Wichmann en haar visie op het feit dat ‘ongehoorzamen iets losmaken waar de ontwikkeling van de maatschappij baat bij heeft. Dat wil zeggen zij die zich niet conformeren aan de heersende wetten, de vastgelegde dominante moraal’. Hier kon opvallend genoeg weer niet iedereen uit ons groepje mee instemmen.

Eskens had het tenslotte over enkele Denkers des Vaderlands: René Gude (vooral eerst een meedenker) en Hans Achterhuis (een tegendenker). Misschien vormde de een de these en de ander de antithese en moeten wij, cursisten van de ISVW en andere in filosofie en cultuur in het algemeen geïnteresseerden (Grunberg) anno 2019 voor de synthese zorgen.
Misschien is dat kenmerkend voor Filosofie in de Lage Landen nu en zelfs voor de huidige stand van de filosofie wereldwijd. Vanaf Cusanus telkens een stapje verder. Op z’n Popperiaans haast.

Luikjes

Tijdens een middag van de Talmoedgroep zegt onze leraar opeens dat een aggadisch stukje (overlevering, verhaal) zoals dat soms voor komt aan het eind van een verder halachisch hoofdstuk (volgens de joodse leer, weg) in de Talmoed, ‘een luikje opent en inzicht geeft in een stukje volksbeleving.’
Zoiets hoef je mij maar één keer te zeggen, of meteen zie ik een beeld voor me van een luikje. In dit geval in een kast die kunstenares Janneke Tangelder in samenspraak met predikant Gerhard Scholte maakte voor de tentoonstelling Gelijkenissen in het Amsterdamse Bijbels Museum (t/m 8 januari jl.). Zij hadden ‘Het paradijs’ (Genesis 2) tot thema gekozen. Wanneer je het luikje opendeed, klonk zachtjes muziek.

Wat een luikje sowieso doet, klinkt ons altijd als muziek in de oren. Het opent een vergezicht op iets dat opeens als een pareltje oplicht. Dat doet schrijfster en theologe Maria de Groot in haar recente boek Het drievoudige pad waarin ze aan het begin de Tien Woorden uit wat zij het Eerste Testament noemt, in samenhang leest met de tien beden van het Onzevader uit het Tweede Testament. Zo staat het woord ‘Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag’ op één lijn met ‘Laat uw koninkrijk komen’ uit het Onzevader.
Dat komt helemaal overeen met wat in de Tenachon-uitgave Sjabbat – Koningin der dagen over de sabbat wordt verteld – met vele verwijzingen naar het schitterende boekje dat Abraham Joshua Heshel over de sabbat schreef (Nederlandse vertaling 1987). Heshel, de grote rabbijn die Maria de Groot inspireert en op wiens spoor zij mij heeft gezet. En daar ben ik haar nog steeds dankbaar voor.

De sabbat – daar verdiepen we ons nu in bij de Talmoedgroep. Is dat een universeel thema, vraagt één van ons aan de leraar. Hij geeft als antwoord een mooi beeld van het joodse denken en de invloed ervan op mensen als Johannes Reuchlin. Maar dat is het culturele jodendom. Voor joden zelf is er een meerwaarde: het doen van de Torah. Af en toe is ons als leden van de Talmoedgroep een inkijkje daarin gegund, door een luikje. Als op het beroemde schilderij van Samuel van Hoogstraten (Oude man aan het venster, 1653). Zulke inzichten wens je iedereen toe.

 

https://hart.amsterdam/image/2016/10/1/close_reading_definitieve_versie_voor_drukwerk.pdf

 

Op de eerste dag van de week

Lezend in Ad van Nieuwpoorts recent verschenen boek Uit de tijd komen bij mij associaties op met het beeld van een glas: zowel half vol als half leeg. Half vol, omdat ik wel een héél glas vol lust van zijn persoonlijke verhalen als ‘liberale dorpsdominee’ in Bloemendaal. Half leeg, omdat ik wel een héél glas vol lust van zijn exegeses waarin die verhalen soms overgaan.

In een gesprek met Annemiek Schrijver (De verwondering, 8 januari 2017) gebruikte Van Nieuwpoort een ander beeld. Dat van de leegte, wat mij deed denken aan dat mooie boekje van Theo Witvliet: Het geheim van het lege midden. Juist dáárom kan je een ander mens worden, zei Van Nieuwpoort, dáár wordt de creativiteit geboren. En hij had het over muziek en gedichten. Ook dáár had ik wel wat meer over willen lezen: het aangeraakt worden door de Geest/geest. Nu staat er aan de ene kant heel voorzichtig, en aan de andere kant heel stellig: ‘Ik ben (…) onder de indruk van de geest die door de profeten en de apostelen spreekt’ [en ook in muziek en gedichten?, EvS]. ‘Als je dat God noemt, dan doe ik wel voorzichtig mee. Maar geef mij maar liever Jezus.’ Boem paukenslag. Bij Schrijver aan tafel heette het nog: de joodse [vet, EvS] Jezus, en dat klinkt toch anders, minder Evangelisch.

Het verschil zit hem naar mijn gevoel dan ook vaak in een woordje te weinig, zoals hier, of een woordje teveel. Hoezo zegt de dominee na een doophandeling: toen ‘vroeg ik nog even [vet, EvS] aan de ouders of ze hem in hun huis wilden ontvangen als een kind van God’? Dat is toch geen vraag voor even tussendoor? Of bedoelt Van Nieuwpoort dat het onderscheid tussen gelovigen/ongelovigen er minder toe doet dan lang gedacht? En wat doen die twee letters zo in de zin over Jezus die ‘door zijn eigen mensen is overgeleverd en zo [vet, EvS] ter dood veroordeeld en gekruisigd’? Je kunt het verkeerd lezen, en dan zijn de rapen gaar! Want waar blijven de Romeinen bijvoorbeeld in deze lezing?

Van Nieuwpoort staat in de theologische traditie van de Amsterdamse School, met leermeesters als Breukelman en Deurloo. Een traditie die teksten wil lezen in het literaire verband waarin ze staan, niet als een historisch verhaal, maar door een lezer die zijn/haar verbeelding kan laten spreken om dit verhaal uit te laten praten, zodat hij/zij te maken krijgt ‘met een verhaal dat raakt aan de vezels van ons bestaan.’

Een voorbeeld uit de eerder genoemde aflevering van De verwondering. In vuur en vlam zegt Van Nieuwpoort dat Daniël dertien jaar was toen hij aan het hof van Nebukadnezar kwam. We weten het niet. Sommige geleerden meenden dat hij veertien jaar was. Maar als ik niet de historie, maar mijn verbeelding erop loslaat, en denk dat dit ná zijn bar mitswa moet zijn geweest, dan zou hij inderdaad dertien jaar zijn geweest. In dat ene cijfer klinkt een context mee. Mooi; ik knap er meteen van op, om Annemiek Schrijver te parafraseren nadat haar gast de hoop had uitgesproken dit jaar in te kunnen gaan ‘in het geloof dat niets onmogelijk is.’

Ik was trouwens al opgeknapt na lezing van een prachtig interview met de predikant uit Bloemendaal door Yvonne Zonderop in De Groene Amsterdammer (8 december 2016). En half opgeknapt (we hebben ’t nog steeds over een glas dat zowel half vol als half leeg is) door het interview door Jacobine Geel in Jacobine op zondag (nog steeds op 8 januari 2017). Van Nieuwpoort zat hier aan tafel met Margrietha Reinders, Kristien Hemmerechts en Lisette Thooft. Op één of andere manier herkende de drie vrouwen zich soms wel en soms niet in wat hij betoogde. Niet over wat hij (kort, was erin geknipt?) herhaalde over God wat hij ook al in zijn boek schreef, en een beetje over wat hij ook hier benadrukte: het Bijbelverhaal dat moet spreken als fictie. Even kwam ook de leegte aan de orde. Lisette Thooft kwam ermee, maar toen was het gesprek jammer genoeg afgelopen.[1]

De opmerking van Van Nieuwpoort over het feit dat de Bijbel geen antwoorden heeft, maar vragen anders leert stellen, rijmde op het Kyrie-gebed dat Henk Gols ’s ochtends (we hebben ’t nog steeds over 8 januari) uitsprak in de Amsterdamse Oude Kerk: het gaat er niet om dat je geen antwoorden krijgt, maar dat je ze niet vindt.
Eén woordje verschil en daarmee een uitspraak om op te kauwen en over na te denken, net zoals het nieuwe boek van Ad van Nieuwpoort, dat ik op vele tafels wens in leerhuizen, binnen en buiten de kerk.
Misschien moet de schrijver op tournee, zoals fictieschrijvers doen. Door op televisie op één dag in twee praatprogramma’s te verschijnen, is hij daar eigenlijk al mee begonnen. Op de eerste dag van de week; ’t kan niet mooier.

[1] ’s Ochtends kwam de leegte ook aan de orde bij VPRO Boeken, toen Jeroen van Kan dichteres Mieke van Zonneveld interviewde n.a.v. het verschijnen van haar debuut: de dichtbundel Leger.

http://www.kro-ncrv.nl/deverwondering/seizoenen/seizoen-2017/ad-van-nieuwpoort

De lege ruimte

Afgelopen zondag werd in veel kerken ongetwijfeld Jesaja 35:1-10 gelezen, over de woestijn die zich zal verheugen, de dorre vlakte die vrolijk zal zijn en de wildernis die zal jubelen en bloeien. Een tekst die, zoals ds. Jessa van der Vaart in de Amsterdamse Oude Kerk zei, toont ‘hoe de wereld is bedoeld.’

’s Middags bezocht ik het festival ‘De verhalenvertellers’ van Filosofie Magazine in de Amsterdamse Tolhuistuin. Eén van de lezingen die ik bijwoonde, werd gegeven door de hoofdredacteur hiervan, Leon Heuts, bij wie ik in 2014 een filosofieweek bij de ISVW in Leusden volgde (zie elders op deze website).
Hij hield een mooie inleiding over de begrippen ‘logos’ en ‘mythos.’ Zoekend en tastend nam hij ons mee naar een vergezicht als in Jesaja. Hij noemde dit de ‘lege ruimte’ en nam als voorbeeld wat volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman de bemiddeling is tussen hoe de wereld is en hoe die zou moeten zijn met de woorden van Angela Merkel: ‘Wir schaffen das!’, later in de middag aangevuld met ‘Yes we can!’ van Barack Obama.

Voor mijn geestesoog verschenen twee fresco’s van Ambrogio Lorenzetti (ca. 1290-1348) in het Palazzo Pubblico in Siena die een uitweg bieden tussen ‘logos’ en ‘mythos’, die tonen hoe de wereld is en bedoeld is, die kunnen bemiddelen tussen filosofie en verhaal:

Aan de ene kant is een slecht bestuur dat tot kwaad leidt verbeeld: crudelitas (wreedheid), proditio (verraad), frous (bedrog), furor (woede), divisio (verdeeldheid) en guerra (oorlog). In het midden staat het goede bestuur, die als het goed is een schild is voor de zwakken in de samenleving, met: pax (vrede), fortitudo (kracht), prudentia (behoedzaamheid), magnanimitas (ruimhartigheid), temperantia (gematigdheid) en justitia (justitia). En daarboven staan geloof, hoop en liefde.
Het tweede fresco van Lorenzetti  betekent tot op de dag van vandaag, met en zonder extra dimensie, een appèl dat tot navolging oproept.[2]

Op grond van het gehele kunstwerk kun je stellen dat de schilder de wereld afbeeldde hoe deze is én hoe deze zou moeten zijn. Dat laatste kan worden geoefend in het wat Heuts de ‘lege ruimte’ noemde en Theo Witvliet het ‘ lege midden’, de plaats (makom) waar de dialoog plaatsvindt en ratio en emotie een verbond aangaan. De plaats waar volgens de historicus Philipp Blom (1970), gepromoveerd op de dialogische denker Martin Buber en auteur van onder meer The wars within (Londen 2014), de hoop zetelt.[3]

[1] Zie: Marc-Alain Ouaknin, De 10 geboden (Vught 2016), waarin het begrip ‘interpretatie’ centraal staat.

[2] Voor mij mag hier de titel van een ander boek dialectisch worden ingevuld: Ab Harrewijn, Bijbel, Koran, Grondwet. Gesprekken over godsdienst en politiek (Amsterdam 2002). Vergelijk met een uitspraak in een college van Piet Jonkers, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg, ‘De vrijheidsopvatting van Hegel’ (Open Universiteit Nederland, 9 april 2011, Heerlen). En dus aangevuld met een mythische dimensie.

[3] “De leegte die wij hebben heet hoop”, Philipp Blom in een vraaggesprek met Paul Witteman (Buitenhof, 4 december 2016, NPO1).

Kunst, religie en samenleving

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeWaar gaat het heen binnen de vier levenssferen die René Gude in zijn Het agoramodel – de wereld is eenvoudiger dan je denkt (uitgeverij ISVW) beschrijft? Privé, privaat, publiek en politiek, met kunst, religie en samenleving, met het vreemde en het eigene in een wereld waar Nederland onmiskenbaar deel vanuit maakt? Ik schreef er eerder over in een column voor een NVMB-Nieuwsbrief die ik hier t.g.v. het verschijnen van het boek van de filosoof Gude (zie foto) en een lezing over hem op 15 september a.s. (zie onderaan) in iets geupdate versie herplaats.

 

Kunst en wereldreligies
Laten we klein beginnen. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunst en wereldreligies, hoe je het ook wendt of keert, een marginale rol in de Nederlandse samenleving spelen. Het ontregelende dat beide cultuuruitingen zouden moeten aankleven, willen zij een daadwerkelijke functie in de openbare ruimte hebben, is vaak teruggebracht tot esthetische vraagstellingen over het schone – het eerste element in de platonische trits het schone, ware en goede.

Damien Hirst_For the love of GodDat was zo toen het platina afgietsel van een mensenschedel, ingelegd met diamanten, onder de titel For the Love of God van Damien Hirst (zie afb. rechts) in het Amsterdamse Rijksmuseum viel te zien. Het bood niet een blik op de vergankelijkheid en kwetsbaarheid van het leven, als op een Vanitasschilderij, maar bleef ook aan de buitenkant met perfecte, niet door de tijd aangetaste diamanten en gebleekte tanden. In die zin past het kunstwerk perfect in een tijdsgewricht waarin een menselijk lichaam door cosmetische ingrepen, liposuctie en facelift, geen sporen van veroudering meer lijkt te mogen tonen. En we in de toekomst volgens de gerontologe Andrea Maier zelfs 130 jaar zouden kunnen worden. We leven in een tijd waarin kopieën voor kunst worden versleten, wat op zich veel interessants oplevert, al waarschuwde Magritte nog zo door expliciet onder zijn afbeelding van een pijp te zetten: Ceci n’est pas une pipe.

Dat was ook zo bij de installatie van Joris Staal tijdens de tentoonstelling Recht voor zijn raap van het Centraal Museum in Utrecht. Vanaf het dak van het museum, naast de Nicolaikerk, klonk vijf keer per dag een oproep tot het islamitische gebed. Staal hoopte primair op een debat op straat, maar oogstte uiteindelijk meer waardering voor het esthetische aspect van zijn werk.

Ook het idee om te komen tot zogenaamde lokjoden, een voorstel van Ahmed Marcouch, berust op het concept van een kopie. In beide gevallen, van Staal en Marcouch, loste het debat op in goede aanzetten tot een gesprek zonder dat er wat veranderde. Zo’n opzet heeft pas zin als iedereen een hoofddoek of een keppeltje gaat dragen, zoals in de Tweede Wereldoorlog er Denen waren die een jodenster op hun jas speldden. Het vreemde is dan eigen geworden.

Kunst en religie maken zichzelf pas waar, als ze gaan waarover ze horen te gaan: over vragen van leven en dood (de schedel van Hirst!), over een kier waardoor de werkelijkheid achter de rauwe realiteit van alledag, voorbij de economische kloof tussen de eerste, tweede en derde wereld zichtbaar wordt. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop. Een richeltje inzicht’, noemde de protestantse predikant Henk Vreekamp dat eens. Waarop een vakgenoot aanvulde: ‘Maar dit moet wél geschieden.’

De kunst en het leven
Als je beide uitspraken bij elkaar voegt, ontstaat het ware, het tweede element in de platonische trits. Hierin doen – zoals de film Copie conforme laat zien – de kunst en het leven er zelf toe. De hoofdpersoon James Miller (William Shimell) laat zich uit over het eigen leven dat je moet leiden, Elle (Juliette Binoche) zoekt bevestiging van haar eigenheid na een ontmoeting op een pleintje in een Toscaans dorpje, de bakermat van de renaissance. Nog afgezien van het deze wat clichématige uitwerking is de boodschap van de film het overdenken meer dan waard: de impact van wat de w/Werkelijkheid is of – al dan niet in kopievorm – voorstelt.

Barnett Newman_CathedraMaar deze kunnen wij niet altijd aan of durven wij niet altijd onder ogen te komen. Zijn het niet juist díe kunstwerken die het ware, deze w/Werkelijkheid tonen die worden vernield, zoals Cathedra van Barnett Newman? (zie afb. links). Omdat het een w/Werkelijkheid is die niet op zichzelf staat, maar uitnodigt tot een gesprek, zoals in aanzet de azan (gebedsoproep) en de klokken van de belendende kerk in Utrecht op de momenten dat ze tegelijk klonken, of op een pleintje in San Gimignano?

Deze vormen van kunst, religie en (samen)leven zetten de ramen naar de buitenwereld op een kier, incorporeren voorbeelden uit het verleden en andere culturen in het heden met oog op een hoopvolle toekomst waarin stem en tegenstem niet dissoneren. Waarin niet alleen financiële markten zijn geïntegreerd, maar waarin een Iraanse filmregisseur op een Italiaanse markt die als Griekse agora, als een plaats van ontmoeting fungeert, Europese renaissance(denk)beelden tot leven wekt. Aan de ene kant benadrukt hij door het gebruik van de Italiaanse taal ook nog eens de eigen identiteit van de regio, maar aan de andere kant laat hij zijn personages ook Engels spreken, de taal van de globalisering bij uitstek. Dat er ook nog Frans wordt gesproken, drukt des te meer uit dat de wereld klein is.

Kunst, religie en samenleving
Het is de kunst- en literatuurkritiek van de collegae van James Miller die bij uitstek, na primair goed gekeken, geluisterd en gelezen te hebben, zou kunnen bemiddelen tussen kunst, religie en samenleving. Daarbij uitgaande van wat als ‘vreemd’ kan worden ervaren in die kunst, door de wereldreligies onderling en in de samenleving. Met als doel dat er empathie ontstaat en iedereen, all over the world zich het vreemde eigen kan maken.

Kunst moet zowel in de religie als in de samenleving ‘infiltreren’ opdat ze zich door haar vreemdheid laten gezeggen, het vreemde stem krijgt, wordt gehoord en gezien. Opdat ze er alle drie door worden verrijkt, zichzelf niet tekort doen en de politiek er niet meer omheen kan als zouden het ‘linkse hobby’s’ zijn.

Hafid BouazzaJe kunt je afvragen of de stem van de kunst niet is verzwakt omdat ze zich niet of nauwelijks engageerde en de samenleving op een veilige afstand hield. Je kunt je evenzeer afvragen of de wereldreligies niet alleen zijn verzwakt omdat ze zich vaak boven hun voorganger verheven voelde (christendom als vervangingstheologie van het jodendom, islam boven jodendom en christendom), maar ook omdat zij op grond van een foute uitleg van het beeldverbod uit het Oude Testament, – waar het niet om (af)beeld(ingen) in algemene zin maar om het verbod op het afbeelden en vooral aanbidden van afgoden gaat -, kunst buiten de deur heeft gewerkt en veelal gehouden. Dat geldt evenzeer voor de islam; Hafid Bouazza (zie afb. hierboven) betoogt in zijn pamflet onder de titel Beelden tot leven wekken (uitg. Querido), zoals de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami in zijn film een beeld tot leven wilde wekken, dat het ontbreken van gevoel voor kunst de islam geen ademruimte laat. En tenslotte kun je je afvragen of de Nederlandse samenleving niet is geworden wat zij nu is, vol onvrede en angst voor het ‘vreemde’ en zich louter vastklampend aan het ‘eigene’, omdat ze kunst en religie niet als tegenstem aanvaardt en soms verre van zich werpt met een felheid die je bang te moede maakt. Het kan geen toeval zijn dat juist in deze context verschillende zachte krachten wijzen op het belang van een gesprek tussen kunst, wereldreligies en samenleving, tussen het schone, ware en goede, de eerste, tweede en derde wereld.

Kunstkritiek

Anna TilroeWat de kunstkritiek betreft, is dat bijvoorbeeld de stem van Anna Tilroe (zie foto). Zij stelde in 2008 de tiende Sonsbeek-tentoonstelling samen. Haar doel was, en is, kunst in verband te brengen met de samenleving en er een gesprek in de publieke ruimte over aan te gaan. Met de genoemde tentoonstelling was zij niet langer, om de ondertitel van haar boek uit 2002 aan te halen, op zoek naar een nieuw visioen, maar bood ze niet alleen esthetische gewaarwordingen maar ook ethische implicaties daarvan ter discussie aan. Het begon met een processie waarbij kunstwerken door Arnhem werden gedragen. Een gebruik dat religieus is in de ruime betekenis van het woord. Tilroe was op het spoor ervan gezet door een Japanse processie, maar het idee dat beelden van ouds als het goed is met de cultus van een gemeenschap waren verbonden, was niet ver weg. Met de Franse filosoof Alain Badiou noemde zij dit ‘een gebeurtenis die iets doorbreekt.’ Datzelfde probeerde zij met de kunstwerken zelf die tentoon werden gesteld te bereiken. Kunst die, zoals Tilroe in een interview in Metropolis M (nr. 6/2007) zei, ‘paf, keihard binnenkomt.’ Het was kunst uit alle werelddelen, want eenkennigheid was zij bij het samenstellen van de tentoonstelling niet.

Van haar hand verscheen ook een pamflet, onder de titel De Ja-Sprong, naar een nieuwe vitaliteit in de kunst (uitg. Querido). In dit pamflet stelt Tilroe zich enerzijds te weer tegen de internationale kunstmarkt en vestigt anderzijds haar hoop op de kunst zelf. Niet als autonome kunst, maar als soevereine uiting in een geglobaliseerde wereld. In de kunstwereld is het kapitalisme volgens haar bijna crimineel geworden, of wordt de markt niet door intrinsieke kunstwaarden maar door economische beginselen bepaald.

Leescultuur
Datzelfde geldt voor de leescultuur. De reclame focust wereldwijd op e-books. Om die te kunnen lezen is echter een e-reader noodzakelijk. Maar wanneer iemand bijvoorbeeld een e-book bij Amazon bestelt, is hij automatisch gebonden aan de Kindle van Amazon. Het e-book kan daardoor niet als een handzame kopie van een gedrukt boek (Ceci n’est pas un livre) worden beschouwd. De astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist Vincent Icke beroept zich in een artikel in NRC Handelsblad (6 augustus 2010) dan ook niet alleen op de boeken van Spinoza in zijn boekenkast omdat die niet in sommige gevallen ‘anoniem vanaf grote afstand kunnen worden gewist zonder dat wettelijke garanties dat verbieden’, maar ook omdat vorm en inhoud bij hem één zijn in die zin dat Spinoza, maar ook een andere grote gigant uit de renaissance, Shakespeare ‘en de rest (…) schitterende dingen hebben geschreven over vrijheid. Op papier.’

Monika Van PaemelDe hiervoor genoemde denkers uit heden en verleden zijn gelukkig niet de enigen die hun stem, een tegenstem laten horen. De Vlaamse schrijfster Monika Van Paemel (zie foto), die al eerder een pamflet schreef onder de titel Te zot of te bot (uitg. Querido) kwam met een boek onder de titel Een intieme geschiedenis (uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep). Net als Tilroe en Icke stelt zij zich te weer tegen vercommercialisering en vluchtigheid. In dit geval van de hedendaagse roman, ongetwijfeld in gedrukte vorm. Van Paemel spreekt zich uit over een gedeeld verhaal, een inclusieve geschiedenis, over het leven in alle facetten, zowel in esthetische als ethische zin. ‘Een intieme geschiedenis’ die niet de tijdsgeest weerspiegelt zoals de kunstwerken van Hirst en Staal, maar vergezichten biedt, door de kier van een muur, een raam met uitzicht zoals de film van Kiarostami die biedt. Dit maakt dat de literaire roman niet beperkt blijft tot een vermelding in een nationale canon, maar deel uitmaakt van wereldwijd gedragen, gemeenschappelijk bezit, tot gezamenlijk cultureel erfgoed. De roman is per definitie vreemd én eigen en biedt lezers de gelegenheid zich het vreemde eigen te maken. Je herkent je eigen verhaal en laat je verrijken door dat van een ander. Op die manier biedt de roman via de kunstkritiek, via het openbare debat ruimte voor een vruchtbare dialoog. Zodat iedereen erdoor wordt aangesproken en niemand, ook in de politiek niet, erom heen kan.

In perspectief
DeLillo_Vallende manEen roman die dit bij uitstek doet, en waarin alle hiervoor gesignaleerde aandachtspunten worden samengebald, is Vallende man (uitg. Anthos/Manteau, zie afb.) van Don DeLillo. De kleine, intieme geschiedenis van de hoofdpersoon, Keith Neudecker – we eindigen ook weer klein –, weerspiegelt de gebeurtenissen op 9/11. De performances van de schoonspringer, die van gebouwen springt, zijn een kopie van de val van de man op de beroemde, iconische foto van Richard Drew. De ex-vrouw van Neudecker, Lianne weet niet met deze performances om te gaan. Net zo goed als zij de Arabische muziek van haar onderbuurvrouw na 9/11 niet meer kan verdragen en daarmee de buurvrouw afwijst. Deze muziek staat symbool voor het vreemde, dat zij zich niet eigen kan en wil maken. De vraag is of zij in de Nature morte, de stillevens van Morandi ook een kopie van de werkelijkheid na 9/11 ziet, of dat deze gelijk bij Newman symbool staan voor het goede – het derde een laatste element in de platonische trits – waarop Lianne lijkt te hopen en daadwerkelijk, met vallen en opstaan aan wil werken. De hoop schuilt in de opvoeding die Lianne hun zoontje Justin (de rechtvaardige) geeft. Onder andere wanneer ze hem meeneemt naar een demonstratie. Zo voegt zij de daad bij het woord en gloort een kiertje licht, een weinigje hoop.

Hetzelfde geldt voor de laatste zin van het boek. Hierin beschrijft DeLillo dat Keith Neudecker niet langer zoals tot dan toe als in een film een overhemd uit de lucht naar beneden ziet vallen, maar ook dat hij niet van steen is en opeens tot zijn bewustzijn door laat dringen dat er uit de mouwen van dat overhemd armen steken, ‘armen die zwaaiden als iets wat in dit leven ondenkbaar is.’

Het is zoals pianist/dirigent Daniel Barenboim tijdens zijn Nexus-lezing 2010, De ethiek van de esthetiek het verwoordde: de kloof tussen verstand en levensvraagstukken is gedicht. Maar tussen kopie en ultieme Werkelijkheid moet altijd een kiertje blijven bestaan. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop, een richteltje inzicht.’ Opdat niets wordt dichtgemetseld, er ruimte blijft om te ademen en het vreemde tot zijn recht kan komen. In die ruimte, op dat pleintje ontmoeten mensen uit de hele wereld, uit alle culturen elkaar. Om samen het vreemde en eigene in perspectief te zien.

Op 15 september opent het Huis van de Levenskunst in Tuindorp Oostzaan (Amsterdam) weer zijn deuren. Het gaat deze keer opnieuw over de filosoof René Gude uit Amsterdam-Noord die vorig jaar is overleden. Hij was vanaf 2013 Denker des Vaderlands. Trinus Hibma, predikant van de Bethelkerk, zal enkele belangrijke punten uit zijn werk presenteren en met de aanwezigen daarover praten.

Plaats: Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam.
Tijd: donderdag 15 september van 14.00 tot 16.00 uur.
Toegang gratis. € 2 voor consumpties.