Carlos Micháns – de componist

Afgelopen vrijdag, 22 november jl., voerde het ROctet (strijkers uit het Radio Filharmonisch Orkest) in het Vrijdagconcert in TivoliVredenburg een werk van Carlos Micháns uit. Zo vaak is er niet iets van hem te horen, dus dit is een blog waard. Ik baseer mij hier op een tekst die eerder in Mens en melodie (2006) en later in uitgebreidere vorm als componistenbrochure bij Muziek Centrum Nederland verscheen (2010).

De componist
Carlos Micháns werd in 1959 in Buenos Aires geboren, waar hij piano, orgel, compositie, koor- en orkestdirectie studeerde. In 1982 kwam hij naar Nederland en studeerde hij aan het Utrechts Conservatorium compositie bij Hans Kox en Tristan Keuris en elektronische muziek bij Ton Bruynèl. Zijn in Utrecht uitgevoerde Variations on a Tamil lyric, een divertimento, schreef hij in 2000 voor Christian Bor en het Reizend Muziekgezelschap. Het ging op 28 mei van dat jaar in première in De Doelen in Rotterdam. Uit de titel blijkt al Micháns belangstelling voor andere muziek en teksten; hij is zelf ook schrijver. Daarover schreef ik in een eerdere blog (2015).

Composities
In zijn muzikale ontwikkeling valt een vergelijking te trekken met de steeds abstracter vormgegeven boom van Mondriaan. Ik begin met vroeg werk dat in Nederland ontstond.
De Cinco Canciones de Amor (1988) voor bariton en piano op teksten van Pablo Neruda zijn bijvoorbeeld sterk visueel en voorzien van een suggestieve begeleiding.
De Apparitions (1990) voor piano geven een tussenpositie aan: het is, net als bij Mondriaan, aan de luisteraar of kijker om de Verschijningen al dan niet van een betekenis of beeld te voorzien. Maar in Phoenix (1997) voor orkest gaat het niet meer om een fotografische beschrijving van een stad die uit de as verrijst, maar om de geest van een stad in het algemeen. Om het even of dit Buenos Aires of Enschede is. In een toelichting bij de Trois étoffes anciennes (2003) voor altviool en piano zegt de componist streng dat het ‘absoluut géén beeldende muziek is’ en ‘men (…) geen verhaal achter de afzonderlijke titels moet zoeken.’
Het woord abstract tenslotte komt voor in een toelichting bij Entre nous voor viool en cello uit hetzelfde jaar. Het is ‘puur en zuiver een stuk abstracte, instrumentale muziek’ aldus de componist.
Dit neemt echter niet weg dat bij een luisteraar toch beelden kunnen worden opgeroepen en ook mogen worden opgeroepen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Thea Derks, die in een toelichting bij het Quartetto nr. 2 (1998) voor saxofoonkwartet schrijft dat het laatste deel hiervan, het Largo nostalgico, haar door de ‘donkere kleuren en broeierige samenklanken herinnert aan een zomerdag die versterft in een nevelige zonsondergang.’ 1

Dualiteit
Kenmerkend voor Micháns werk is een zekere dualiteit. We horen die onder meer terug in L’ange maudit (2000) voor viool en piano, ofwel de Gevallen engel. Op één of andere manier blijft het, zeker in de vioolpartij, een engel. De pianopartij daarentegen wordt sterker gekenmerkt door zowel ‘een zekere exuberantie’ als ‘een voorliefde voor welluidende samenklanken, al schuwt hij het gebruik van dissonanten niet.’ In zowel Micháns literaire als compositorische werk wordt een samenhang gevonden door zich herhalende regels of ‘een paar duidelijk herkenbare motieven’, zoals Frits van der Waa naar aanleiding van Kaleidos (Sinfonia concertante no. 3) (2000) voor klarinet, viool, piano en orkest schrijft.’ 2

Zo wordt in de eerder genoemde Cinco Canciones de Amor, een liederencyclus, de éénheid tussen de liederen bereikt door het herhaald toepassen van dezelfde melodische, ritmische en harmonische elementen. Toch heeft ook elk lied, en bijvoorbeeld in het Concerto da camera (1993) voor viool en ensemble elk deel, zijn eigen elementen. Op die manier ontstaat telkens een rijke maar compacte doorwerking op basis van weinig materiaal, waarbinnen de afwisseling evenzeer aan onderlinge samenhang bijdraagt.

Hetzelfde geldt voor de drie delen van het Concerto per saxophone and orchestra (2009): elk deel heeft een eigen karakter, gekenmerkt door wisselingen van tempo en dynamiek. Zo maakt het tweede deel alleen gebruik van strijkers, harp en piano en wordt in het laatste deel de rol van het orkest beperkt tot een vrij percussief spel.

Variations on a Tamil lyric
Terug naar de componist. Vanaf 1986 kreeg Micháns financiële steun van Nederlandse en buitenlandse fondsen, van de Stichting Gaudeamus en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zo kon hij verschillende buitenlandse tournees organiseren om zijn eigen composities, maar ook andere Nederlandse muziek en musici te promoten. Tevens werd hij door buitenlandse universiteiten en hogescholen uitgenodigd om als gastdocent en spreker op te treden. Zo kwam hij onder andere tientallen keren in Zuid-India waar hij de muziek van de Tamils leerde kennen en een jaar hun taal leerde. Dit inspireerde hem tot het divertimento onder de titel Variations on a Tamil lyric dat afgelopen vrijdag in Utrecht door het ROctet werd uitgevoerd.

Voor dit concert interviewde Mark Brouwers hem voor de rechtstreekse radio-uitzending. Hij sprak over een ‘swingend nummertje’. Micháns legde uit dat het een kerstliedje voor kerkelijk gebruik is (In Bethlehem) dat, in tegenstelling tot westerse kerstliederen, niet direct de link legt met Jezus’ kruisdood en daarom vrolijk(er) klinkt. De melodie heeft de componist zo goed als intact gelaten en varieert daar op een wat surrealistische manier over, iets wat wij ook uit Micháns’ boeken kennen.

Het werk werd al eerder op CD gezet. Om thuis nog eens te beluisteren, voor degenen die het concert of de rechtstreekse radio-uitzending hebben gemist.

 

1 Thea Derks in de toelichting bij de cd-opname van het Koh-i-noor Saxophone Quartet op Saxophone Quartets from The Netherlands (NM Classics NM 92116).
2  Frits van der Waa: ‘Micháns Kaleidos temperamentvol maar wispelturig.’ In: de Volkskrant, 19 januari 2004.

‘Flardenbewustzijn’

De dichtbundel Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz (Uitgeverij Pluim, zie afb.) bracht mij in gedachten terug naar drie vakanties, jaren geleden. Alle drie maakten ze veel bij mij los. Wat ik hier, als herinnering aan die vakanties, probeer te plaatsen aan de hand van een column die Wessel Krul (emeritus-hoogleraar moderne kunst- en cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen) uitsprak tijdens een middag op 19 november jl. in het kader van ‘Honderd jaar Herfsttij der Middeleeuwen’, voorafgaand aan een optreden van Capella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss.

  1. Hogere natuurkunde

In 1981 reisde ik, als 28-jarige, met een reisgezelschap naar Noord-Engeland en Schotland. Het hotel waar ik verhalen over de Jappenkampen hoorde, uit de mond van een medereizigster, staat me nog scherp voor de geest. Het was het soort landhuis dat je wel in Engelse televisieseries ziet. De vrouw herinner ik mij wat vager, de manier waarop ze na het eten in de gang op een zetel zat (een ander woord zou niet passen), des te scherper. Gesust door haar reisgenote, wat ze naast zich neerlegde, bleef ze vertellen over alle ellende die daar was gebeurd en haar leven tekende. Er stonden altijd wat mensen om haar heen. Geïnteresseerd of uit beleefdheid? Ik zoog alles wat ze zei op, omdat haar wereld en verhalen mij allebei vreemd waren en ik vond dat daar verandering in moest worden gebracht.
Net als bij de bundel Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz, gaat het om wat Johan Reijmerink in een recensie daarvan omschreef als ‘flardenbewustzijn’. Kan het ook eigenlijk niet anders, met zulke heftige verhalen? De bundel van Deckwitz heb ik op eenzelfde manier in me opgenomen. De dichteres vertelt fragmentarisch, in twaalf hoofdstukken haar verhaal, met veel tussen haakjes en veel wit. Het kwam me al lang niet meer zó vreemd over. Het leek of ik de gruwelijke beelden me inmiddels te binnen herinnerde, vanuit Engeland. Ze schoven over de beelden van de Tweede Wereldoorlog, die me van huis uit vertrouwder waren.

  1. Putten

Beelden die ik kende uit de boeken van Lou de Jong én van een andere, veel eerdere vakantie, rond 1965, met mijn ouders in Putten. Zij hadden er, dol op de Veluwe zijnde, een huisje gehuurd waar mijn moeder nog de roep van een koekoek verwarde met het koeren van een bosduif.
Op een avond werden we uitgenodigd bij de eigenaars van het huisje thuis. Een moderne bungalow, dat herinner ik me net zo goed als het hotel/landhuis in Engeland. Ik zie het echtpaar nog zitten – vooral zitten, want hun gezichten zijn weggevallen. Gespannen, net als mijn ouders, vooral mijn moeder. Het echtpaar had levendige herinneringen aan de gebeurtenissen in 1944 in Putten, toen 661 mannen waren weggevoerd als vergelding voor een aanslag op een Wehrmachtauto. Als ik het me goed herinner, was daar ook familie van het echtpaar onder. Madelon de Keizer schreef er later een boek over: Putten. De razzia en de herinnering. Nog altijd moet ik denken aan wat er toen gebeurde, als ik met de trein door Putten rijd. Ik de kerk werden de mannen samengedreven, en – hoorde ik later van Beatrice de Graaf in een televisie-interview – zongen ze Psalm 84: 3 en 4.

  1. Polen

Mijn vader was er niet blij mee, dat ik me als puber zo verdiepte in alles wat met de Tweede Wereldoorlog had te maken. Ik geloof wel, dat ik hem ooit heb verteld over mijn ontmoeting met een Poolse bevrijder en diens Nederlandse echtgenote, maar ik kan me niet meer heugen hoe hij daarop reageerde.
Het gebeurde in Rijsbergen (Noord Brabant) tijdens een overstap op een bus richting de Provence, in 1982, een jaar na mijn reis naar Engeland. Ik zat samen met hem, zijn vrouw en nog enkele anderen aan een tafel, ongetwijfeld met koffie en gebak, en hij vertelde over de bevrijding van dit stukje Nederland. Of we wel wisten dat de Polen hierbij een grote rol hadden gespeeld, zei hij, en dat dit vaak wordt vergeten. Hij zei het rustig maar indringend, zonder accent en een beetje naar ons toe gebogen, die luisterden en spaarzaam wat terugzeiden. Al kan ik me niet herinneren of ik zelf wat heb gezegd. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Ook dit verhaal was, net als over de Jappenkampen, nieuw voor mij en ik zou het nooit vergeten.

  1. KNAW

Wessel Krul, die ik in de introductie tot deze blog noemde, vertelde dat wij een voorstelling of een beeld van het verleden vormen. Onder dat beeld vallen volgens hem ook tastzin, reuk en smaak. Hij had het ook over het geestesoor en het geestesoog, want na de tastzin en dergelijke volgden volgens hem geluid en beeld. Het geluid is bij mij in voorgenoemde gevallen weggevallen, maar de beelden staan, weliswaar fragmentarisch, op mijn netvlies gebrand. Van mensen, rustig, intens, gespannen, emotioneel en heftig soms.
Ik ben geneigd om dit met Herman Wijffels een ‘transcendente dimensie’ te noemen, dat wil zeggen dat wat buiten mijzelf valt, wat ik niet aan den lijve heb ervaren, maar dat me wel innerlijk raakt, oprecht en diep. Opgeslagen in mijn geestesoor en geestesoog.

Kunst als buurtgenoot

Ene, Gij,
geef mij Jou daar
waar Jij leegte bent en stilte,
voorbij en boven al het zegbare uit.
Psalm 138 uit: ‘Laat mij maar zingen. Psalmen na geschreven’,
Gert Bremer [i]

Soms valt iets je zomaar toe. Een week voordat mijn wijkpredikant ds. Paula de Jong en ik zouden brainstormen om te kijken of er, aan de hand van Bijbelteksten die op zondag 22 september a.s. op het leesrooster staan (zoals Psalm 138), in de Nieuwendammerkerk een ‘kunstdienst’ vorm zou kunnen worden gegeven, kregen we de toezegging om voor deze dienst een ets uit de serie ‘Spinoza’ van Harry van Kruiningen te mogen lenen.

Die toezegging kwam van Neerlandicus en cultuurwetenschapper Annemieke Jurgens, die ik ken vanuit mijn werkzame leven bij Muziek Centrum Nederland. Zij is de biograaf van Harry van Kruiningen (1906-1996), een gerenommeerd schilder, graficus en keramist wiens werk in alle grote musea van Nederland valt te vinden, alleen weinig is te zien, al is er op dit moment een kleine tentoonstelling met zijn werk in het Multatuli Museum (t/m 20 oktober a.s.). In 1975 maakte hij zijn genoemde serie naar aanleiding van het werk van de Nederlandse filosoof Benedictus de Spinoza (1642-1677). Dus enkele jaren voordat God weer in het vizier van literatuur en kunst kwam.[ii] De series over zowel Spinoza als Multatuli zijn ook in boekvorm uitgegeven en nog steeds, in het eerste geval antiquarisch, voor een zeer schappelijke prijs te verkrijgen.

Van Kruiningen kwam op het idee van de kunstwerken naar Spinoza na lezing van de biografie over hem door Theun de Vries (1972), net als Van Kruiningen communist en atheïst.
Past dat dan wel in een kerk(dienst)? Ja – als stem en tegenstem. Kijk maar.

Van Kruiningen ging bij het maken van zijn ets ‘God in een wolkenkolom’ (zie foto hierboven) – die we zullen laten zien – uit van een Bijbeltekst (Numeri 12:5) en een definitie van God uit onder andere Spinoza’s Ethica. De tekst van Numeri gaat over God die afdaalde in een wolkenkolom en in de opening van de tent van Aäron en Mirjam stond. De definitie van de God van Spinoza is die van een God die geen gestalte heeft, maar een eeuwig en oneindig wezen is.

Op de ets zien we rechts een tent met tentstokken en al, en zowel links als rechts wolken. Daartussen staat God. Wat opvalt is Diens lege midden, Diens lege hart. Dit refereert aan Spinoza’s idee dat God geen eigenschappen heeft zoals almachtig, alwetend, barmhartig. Er zit alleen niets atheïstisch in, eerder iets panentheïstisch én iets dynamisch. Immers: God is volgens Spinoza niet aanwezig in de natuur, hij is de Natuur. Hoe vaak citeert hij niet teksten van Paulus over geloven in God (Galatenbrief)?

Het lege midden doet denken aan Karl Barth en het boek Het geheim van het lege midden van de theoloog Theo Witvliet: de ‘onvermoede geheimen die in (…) teksten besloten zouden kunnen liggen’. Niet alleen in teksten, ook in beelden. Al zijn we daar in de protestantse traditie wat minder mee vertrouwd. Reden om een keer een ‘kunstdienst’ te houden. Om ons ook door een beeld wat te laten zeggen en ermee in gesprek te gaan.

Opvallend is de techniek die Van Kruiningen bezigde. Annemieke Jurgens beschrijft het in haar biografie aldus: ‘Zelf bedacht hij de techniek om met behulp van een tandartsboor gaatjes door de [ets]plaat heen te boren. Daar waar gaatjes zaten, ontstonden bij het drukken op papier ronde witte (…) bolletjes. Hierdoor ontstond een patroon in reliëf.’

Tenslotte mag ook niet onvermeld blijven, dat Van Kruiningen zijn Spinoza-serie maakte toen hij in Nieuwendam woonde: aan Het Breed 795, dat ik vanuit mijn raam in de verte zie. Voor de hal daarvan maakte hij een langwerpige mozaïek dat nog steeds valt te bewonderen; hieronder een uitsnede daaruit, van de linkerkant (foto Els van Swol):
 Deze blog werd in verkorte vorm, en samen met een kort artikel van ds. Paula de Jong, gepubliceerd in Drieluik, het nieuwe, gezamenlijke, maandelijks verschijnende  kerkblad van de drie protestantse kerken in Amsterdam-Noord.

De kunstdienst is op zondag 22 september a.s., 10.00 uur in de Nieuwendammerkerk, Brede Kerkepad 6-8, Amsterdam, bereikbaar met bus 35 vanaf metrostation Noorderpark, halte Wervershoofstraat.

 

[i] Zie de website van organist Martien de Vos voor een improvisatie op de Geneefse melodie: http://www.martiendevos.nl/ Tijdens de dienst in de Nieuwendammerkerk zal de cantorij o.l.v. Koos Lith een versie van Psalm 138 zingen.

[ii] God in de hedendaagse kunst. Red. Marcel Barnard en Wessel Stoker (uitg. Boekscout, 2018).

Drieluik

Tijdens de boekenweekuitzending van De Wereld Draait Door, ‘Heimwee’, op 8 maart jl. werd voor de zesde en laatste maal tijd ingeruimd voor Hier is Adriaan van Dis. Tijdens deze uitzending las de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhour het gedicht ‘Wij’ voor. Ik geef daar hieronder een gedeelte van, in de vertaling die de ondertiteling gaf:

Wij die zijn rondgestrooid
als granaatscherven
van wie het vlees door de lucht vliegt
als regendruppels
bieden iedereen in deze beschaafde
wereld onze oprechte excuses aan
mannen, vrouwen en kinderen
omdat we onopzettelijk
in hun veilige huizen verschenen
zonder toestemming te vragen.
Wij bieden onze excuses aan
omdat we onze afgerukte lichaamsdelen
in hun sneeuwwitte geheugen
hebben geprent
omdat we in hun ogen het beeld van
de normale, complete mens schenden
omdat we zo schaamteloos waren om
plotseling op te duiken in het journaal
op de internetpagina’s en in de kranten
naakt, met alleen ons bloed
en onze verkoolde resten.
Onze excuses aan iedereen
die niet rechtstreeks durfde te kijken
naar onze wonden
uit angst dat het schokkend zou zijn.
Excuses aan iedereen die zijn avondmaal
niet meer door zijn keel kreeg
na onverwacht geconfronteerd te zijn
met onze verse beelden op de televisie.

Het gedicht sloeg, laat ik voor mezelf spreken, in als een bom. En ik kan daarom de beelden van Bas de Wit (zie foto links: Grow with the Flow) die Galerie Gerhard Hofland (Bilderdijkstraat 165c, Amsterdam) tot en met 7 april a.s. laat zien, niet anders meer zien dan door de bril van Ghayath Almadhour. Al betekenen ze misschien heel iets anders – wat, laat zich overigens ook raden.

En ik kan het lied Schone handen van Wende ook nier anders meer horen dan als de keerzijde van het gedicht van Almadhour. Ook hiervan een gedeelte, het begin:


hetzelfde liedje
het is hetzelfde liedje
hoe vaak ga ik het nog zingen
alle boeken open, zoeken
hoe uit de knoop te komen
de stappen van dromen
naar iets wat echt is
ik mis mijn vader, een pad
iemand die zegt ga rechtsaf, adem uit
iemand die zegt, gewoon beginnen
ik blijf binnen
lees de krant en houd mijn adem in

Ik lees de krant, kijk naar de televisie, en zie beelden die schuiven over die van Bas de Wit. De figuren zetten erin misschien stappen van dromen, maar ik vertaal ze sinds Almadhour naar iets wat echt is. Het beeld van de normale, complete mens is geschonden. Maar ík kan en mag me niet excuseren. Zo is het en niet anders.

Om stil van te worden

De tentoonstelling is bijna afgelopen, VUUR van Maria Roosen (in Kunsthal KAdE te Amersfoort), maar als liefhebber van haar werk heb ik haar op de valreep nog gezien. Voor mensen die de weg naar KAdE niet weten te vinden, zijn er in de straatstenen wegwijzers richting ‘Centrum’ aangebracht (zie foto rechtsboven). Zouden die Maria Roosen hebben geïnspireerd tot haar ‘Richtingaanwijzers’ bij de expositie? Niet dat die naam op zaalteksten terug te vinden is, maar een van de vrijwilligers die ik ernaar vroeg hielp mij verder. Hij verwees ook naar de hangende exemplaren, los (zie foto links) of aan een rek. En – vertelde hij – er waren in de winkel dertig te koop geweest, maar die waren in een mum van tijd uitverkocht.

Ja, wie wil er geen echte Roosen in huis hebben! Zij noemt haar eigen werk Tools for feelings. Ze wil gevoelens oproepen, geen intellectuele exercities uitlokken. Maar daarmee doet ze haar werk misschien toch ook wel een beetje tekort. Althans in mijn beleving.
Neem nu alleen al die Richtingaanwijzers zoals ze er staan. Donker gekleurd glas op een driepoot van metaal à la een muzieklessenaar. De eerste indruk doet denken aan Ceci n’est pas une pipe (dit is geen pijp, foto rechtsonder) van René Magritte, dat oorspronkelijk ‘Het verraad van de voorstelling’ heette. Toen ik wat verder keek, deed de Richtingaanwijzer me ook denken aan een ramshoorn of de hoorn die de dove Beethoven aan zijn oor zette.

Ik denk dat je het er allemaal in mag leggen, naast de primaire functie van het object. Waarvan er inderdaad ook hangende exemplaren te zien zijn. In een rek doen ze denken aan vallende druppels, als tranen die worden geplengd. Zo’n soort emotie roept ook een takkenbos op dat door Roosen in brand wordt gestoken en waarvan een video valt te zien. Vuurvlammen schieten omhoog, van de takken blijft alleen een hoopje over. Een rituele verbranding van emotionele gevoelens na het overlijden van haar man, dat moet het voorstellen.

Die takken geven al aan dat Roosen niet alléén met glas werkt. Ook beelden waren er in KAdE te zien: Widow I en Widow II. Deels zwartgeblakerd hout, manshoog. Een ervan is zwart, de kleur van rouw en de dood. Net als de Wegwijzers. Een tentoonstelling om stil van te worden.

Bij de meidagen

Als er één kunstenares is geweest wier werk balanceert op de grens tussen wat na de Tweede Wereldoorlog zegbaar en onzegbaar is, dan is het wel de op 20 april jl. overleden Poolse Magdalena Abakanowicz geweest. Zij uitte zich in een derde taal, na die van de filosofie en literatuur: de beeldtaal. Wát zij uitdrukte – en dat is onder meer in Beelden aan Zee in Scheveningen te zien geweest – is datgene wat is zoals het is of zou kunnen zijn.

Daarmee sluit zij impliciet aan op de visie van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman, die beide polen – het zegbare en het onzegbare – in haar werk omschrijft, en in wier werk de laatste tijd ook ruimte lijkt te ontstaan voor wat beeldende kunst, als derde lijn, te zeggen heeft. Bas Heijne, die Neimans werk consequent volgt, linkt in zijn artikel ‘Tijd als steno’ Neimans laatste van de “drie symbolische verschrikkingen” die zij in haar boek Het kwaad denken omschrijft (Lissabon, Auschwitz en 11 september) aan de vraag of de kunst er iets mee kan.[1] Niet dat hij nu direct met voorbeelden komt. Net zomin als Neiman in haar boek trouwens. Maar dat deed ze wél tijdens een lezing, ‘Art and Enlightenment. Old-fashioned thoughts for the 21st century’, waar ze niet refereerde aan autonome kunst, maar aan kunst die van goed en kwaad weet.[2]
Zoals bijvoorbeeld, vul ik in, de beelden van Magdalena Abakanowicz (zie afb.). In een interview zei zij eens, dat ze zich slechts op visuele wijze kon uiten over de verschrikkingen die zij tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in haar geboorteland zag en ondervond.

Maar zowel Neiman als Abakanowicz hebben het ook over de hoop, hoewel de kunstenares in hetzelfde interview zegt niet te weten of we al dan niet op weg zijn naar onze ondergang, er toch iets van een opening zit. Tussen de metershoge mensen zonder hoofd (de onnadenkendheid van mensen als Eichmann?) zit hoe je het ook wendt of keert ruimte. Een ruimte die je als tentoonstellingsbezoeker zelf – letterlijk en figuurlijk – mag invullen. Net als de ontbrekende ledematen hier en daar schijnen te verwijzen naar wat haar moeder in de oorlog overkwam: een arm verliezen door een schot van een Duitse soldaat. Of wat ze als verpleegster een jaar later in Warschau zag. Maar je kunt er ook de hulpeloosheid van ons mensen in zien, die geen handen en voeten weten te geven aan een betere wereld.

De kunst van Abakanowicz zou je als synthese kunnen zien van de these ‘het zegbare’ en de antithese ‘het onzegbare’. Kunst om niet in stilzwijgen of doodzwijgen te vervallen, maar om enerzijds mensen wakker te schudden over wat er in de wereld gebeurt en anderzijds ook hoop te bieden op een wereld zoals die zou moeten zijn. Al is het maar een klein beetje. Abakanowicz’ nagedachtenis zij tot zegen.

 

[1] Bas Heijne, “Tijd als steno’, Hollandse toestanden. Nieuwe opmerkingen over Nederland (Amsterdam en Rotterdam 2005) 159-166.

[2] Zie: http://www.jmberlin.de/main/EN/01-Exhibitions/02-Special-Exhibitions/2015/akedah.php.

Top-10 tentoonstellingen

De hoofdredacteur Kunst van de website 8weekly.nl vraagt de kunstredacteuren elk jaar om hun Top-10. Onderstaand mijn bijdrage – aangevuld met een nr. 11, na de deadline van deze inzending. Het gaat om gerecenseerde en/of bezochte tentoonstellingen. Waarbij ik bij nader inzien die van Penone in de tuinen van het Rijksmuseum nog vergat (zie ook: https://oudekerk.amsterdam/nieuws/blog-dubbel-zien/) …
De lijst die er uiteindelijk uitrolde staat op de site van 8weekly: http://8weekly.nl/special/beste-tentoonstellingen-2016/

Craigie Horsfield – How the world occurs, Centraal Museum Utrecht

De eerste solotentoonstelling – bestaande uit zo’n veertig werken – van de Engelse kunstenaar Craigie Horsfield, in de voormalige negentiende eeuwse stallen van het Centraal Museum in Utrecht, komt ongenadig hard binnen. Een relevante tentoonstelling.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/kunst-als-grenservaring

Isa Genzken – Mach dich hübsch!, Stedelijk Museum Amsterdam

Prachtige overzichtstentoonstelling van Isa Genzken in het Amsterdamse Stedelijk Museum, dat zich na jarenlang in de luwte te hebben verkeerd, onder andere hiermee, weer nadrukkelijk op de kaart zet.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/invloedrijk-oeuvre-inventief-gepresenteerd/

Ai Weiwei – #SafePassage, FOAM AmsterdamI

Indrukwekkende tentoonstelling met recent werk, foto’s en objecten, van deze controversiële Chinese kunstenaar. Zet danig aan het denken.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/kunst/systeem-versus-individu/

Jheronimus Bosch – Visioenen van een genie, Het Noordbrabants Museum ‘s-Hertogenbosch

Het leeuwendeel van de schilderijen en – minder bekende – tekeningen van Jheronimus Bosch waren te zien in een publiekstrekker in de plaats waar hij geboren werd en werkte: ’s-Hertogenbosch. Mooi vormgegeven tentoonstelling die uitnodigde om je in zijn werk en tijd te verdiepen én er met volle teugen van te genieten.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/hemel-en-hel/

Fra Bartolommeo – De goddelijke renaissance, Museum Boymans Van Beuningen Rotterdam

Prachtige, en soms zelfs wat onbeholpen tekeningen en enkele schilderijen van de Italiaanse tijdgenoot van de grote Leonardo da Vinci, Michelangelo en Rafaël in een fraaie overzichtstentoonstelling in Rotterdam. Neem er de tijd voor om alles te bekijken, en de uitgebreide tekstbijschriften te lezen.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/fra-bartolommeo/

Jan Weissenbruch – De Vermeer van de 19e eeuw, Teylers Museum  Haarlem

Mooi overzicht van het werk van een minder bekende Weissenbruch, wiens werk een januskop heeft: aan de ene kant zijn het rustieke landschappen en stadsgezichten (zie afb.) die je ziet, beïnvloed door 17e-eeuwse Hollandse meesters, aan de andere kant hebben ze een vlakverdeling met horizontale en verticale lijnen die al vooruit lijkt te lopen op de abstracte schilderkunst van later tijd. Daarom des te interessanter.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/fotoshoppen-avant-la-lettre/

Armando – Overmacht. Armando in Bergen, Kranenburgh Bergen

De verrassing van een eerste keer oog in oog met sommige werken van Armando te staan, is er natuurlijk inmiddels af. Maar wat in Kranenburgh als extraatje werd geboden, was de invloed van Bergen op zijn werk. Een tot nu toe onderbelicht aandachtspunt.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/weg-raakt-kwijt/

Wilden. Expressionisme van ‘Brücke’ & ‘Der Blaue Reiter’ – Museum de Fundatie Zwolle

Imponerende tentoonstelling, zeker – en ook –  als je net een week in München, de bakermat van het expressionisme bent geweest.  Zegt iets over de kwaliteit van én het werk én de tentoonstellingsmakers die in Zwolle bezig waren.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/idealisme-verandert-kleur

Karel Appel – Karel Appel Retrospectief, Gemeentemuseum Den Haag

Mooi retrospectief van Appels werk, bekend en minder bekend. Al verwachtte ik er iets meer van. Daarom slechts een negende plaats. Maar toch.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/mag-het-ietsje-meer-zijn

Vincent van Gogh – De waanzin nabij. Van Gogh en zijn ziekte, Van Goghmuseum Amsterdam

Vanwege de relevantie van het onderwerp verdient deze tentoonstelling toch nog nipt een plaatsje in de Top-10. Nipt, omdat het onderwerp al eerder in een museum over het voetlicht werd gebracht (Museum Het Dolhuys in Haarlem). Een plaatsje omdat het je aan het denken zet.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/special/vraagtekens-bij-de-ziekte-van-van-gogh/

Paul de Reus – beelden en tekeningen

Een verrassende tentoonstelling op de begane grond en eerste verdieping in het Stedelijk Museum Vianen. Getoond wordt kunst die een uiting is van bezorgdheid om de wereld, én van een Toekomstige droom (tekening, 2016) waarin de mensheid is als een soort Siamese tweeling. De mens als een tweezaam wezen, lijkt de kunstenaar te willen zeggen. De bezoeker van deze expositie mag het hem nazeggen.
Lees de recensie: http://8weekly.nl/recensie/paul-de-reus/