Zij aan zij

Het was vandaag weer raak: Fête de la Musique Ermelo, het jaarlijkse festijn rond 21 juni, de langste dag van het jaar. Alle genres die je maar kunt bedenken komen er zij aan zij aan bod, van harmonie, fanfares en brassbands in de buitenlucht tot harmonium en mondharp, popkoren en rockbands, en shanty- tot christelijke koren.

Elk jaar zoek ik een bepaald genre uit dat ik wil volgen: de ene keer ensembles in de Oude Kerk en het Gemeentehuis, en de andere keer een organist in de Lukaskerk en een pianist in boekhandel Riemer en Walinga, een van de mooiste zo niet mooiste boekwinkel van Nederland. Dit keer had ik gekozen voor twee Christelijke Oratorium Verenigingen: COV Putten in de Immanuelkerk, pal bij het station, en COV Noord West Veluwe in de iets excentrischer gelegen Rehoboth kerk.

Ik begon mijn tocht vanmorgen na een welverdiend kopje koffie bij – traditiegetrouw – Proeverij De Ontmoering en – uiteraard – een bezoekje aan Riemer en Walinga, in de Immanuelkerk. Daar trad als gezegd de COV Putten op met pianobegeleiding en o.l.v. Gerben Budding (zie foto hierboven). Hij liet horen wat een goede dirigent met een groot oratoriumkoor vermag. Groot – oké, maar zoals vaak was het aandeel aan mannenstemmen klein: zo’n tien mannen (de anderen konden waarschijnlijk niet), die in het midden waren opgesteld. Allemaal keurig in pak en de vrouwen eromheen in het zwart met een kleurige shawl.
Het programma bestond uit delen uit twee oratoria van Mendelssohn-Bartholdy: Paulus en Elias – het Tweede en Eerste Testament zij aan zij. Later dit seizoen zal het koor het laatstgenoemde werk samen met solisten en het Holland Symfonie Orkest uitvoeren in dezelfde Immanuelkerk (10 november a.s.).
Het koor zong goed verstaanbaar en met een mooie tekstexpressie. Een verrassing voor oog en oor.

Tussen de middag liep ik naar de Zendingskerk aan de Harderwijkerstraat, aan het eind van de Stationsstraat, over de markt en langs verschillende straatoptredens, waaronder die van doedelzakspeler Jaco Koster. Ik was namelijk nieuwsgierig hoe de herinrichting van de kerkzaal was uitgepakt; een paar jaar geleden heb ik hier de Paascyclus gevolgd én erover geblogd. Wat mij opviel, was de plaatsing van het doopvont – pal bij de hoofdingang. Het deed me denken aan wat ik eerder las over de herinrichting van de kerkzaal van de Amsterdamse Muiderkerk: ‘Het doopvont, net als de tafel, bepaalt ons bij de twee sacramenten van de protestantse kerk: avondmaal en doop. Daar vinden de heilige tekens plaats, letterlijk en figuurlijk op één lijn met de heilige schrift. Die kerkinrichting heeft oude papieren en daar is ook in deze tijd veel voor te zeggen’. Zo gezegd zo gedaan, in Ermelo en in Amsterdam.
Toen ik bij de graven van mijn ouders, achter de kerk, stond, brak opeens de zon door en moest ik denken aan de titel van de gedichten van Karel Eykman bij de Psalmen die zijn verschenen onder de titel Een knipoog van u zou al helpen. En er kwam er nog een bij (mijn overgrootvader was molenaar, van De Gooier in Amsterdam): de wieken van de prachtige molen De koe draaiden op volle toeren, en ik zag ze opeens boven het dak van de Zendingskerk uit.

Op naar de Rehoboth kerk, haast zij aan zij met het Kerkelijk Centrum aan de overkant van de straat waar ik een klein stukje van een kooruitvoering meepikte. Maar het was mij nu te doen om de COV Noord West Veluwe (foto hierboven), waar een oom van mij nog in  mee heeft gezongen van wie ik zijn piano-uittreksels van diverse passionen en oratoria heb geërfd.
Het koor had voor hun optreden met eveneens pianobegeleiding en o.l.v. Jurriaan Grootes gekozen voor als het ware een doorsnee daaruit, van het slotkoor uit Bachs Matthäus Passion – met een mooie tekstexpressie op ‘setzen uns nie-der– tot een deel uit – jawel! – Elias van Mendelssohn. Met daartussen in onder meer het Ave verum van Mozart, dat het koor speciaal voor deze gelegenheid had ingestudeerd, en delen van de Lente en de Zomer uit Haydns Die Jahreszeiten, die het koor later dit jaar met solisten en Flehite Sinfonietta zal uitvoeren (10 november in de Xaveriuskerk in Amersfoort en 17 november in de Grote Kerk van Harderwijk).
Het koor ontliep qua kwaliteiten de andere COV niet zoveel, al leek een en ander hier ietsje minder verzorgd qua presentatie (veel op de grond vallende muziekbladen en andere zaken, casual kleding, tussendoor pratende koorleden en rondzwervende tassen op het podium [liturgisch centrum]) en een iets vlakkere uitvoering. Maar het ís ook moeilijk om stilistisch verschillen aan te brengen tussen de diverse muziekstijlen die de revue passeerden!

Het mocht de pret allemaal niet drukken, en ik heb me weer kostelijk vermaakt. De actieradius van het Fête wordt inmiddels steeds groter en terecht. Op het station trof ik iemand die uit Nijmegen ook speciaal hiervoor naar Ermelo was gekomen en – leuk om te horen – weer een heel andere keus had gemaakt en zich evenzeer daarmee, en met een bezoekje aan de molen, had vermaakt. Hij bezocht onder meer in de Wereldwinkel een optreden van zanger André Bosman, die na zijn pensionering was gaan zingen en dit, begreep ik, niet onverdienstelijk deed en tussendoor was hij lekker gaan eten, want daar hield hij ook van. Leuke verhalen, leuke spontane ontmoetingen. Ook dat is Fête de la Musique.Tot volgend jaar hoop ik!

Foto’s overgenomen van de respectievelijke websites van de koren.

Top-10 concerten 2017

Hieronder de tien concerten uit het afgelopen jaar die mij het meest zijn bijgebleven.

150 Psalms
Tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, dat ik praktisch elk jaar voor een of meer concerten ‘aandoe’, werd een tweede, klein festival georganiseerd: de 150 Psalmen uitgevoerd door vier verschillende koren: het Nederlands Kamerkoor (foto: Foppe Schut), het Amerikaanse Choir of Trinity Wall Street, de Tallis Scholars en de publiekslieveling Der Norske Solistkor. Een geweldige ervaring om meegemaakt te hebben.

Fiumarathon
In het kader van November Music in ’s-Hertogenbosch, stond een hele dag de muziek van oud-collega Anthony Fiumara centraal. Ik blogde er op deze site al over. Een belevenis van jewelste!

Mariavespers
Tijdens het Holland Festival werd in de Gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek dit meesterwerk van Monteverdi uitgevoerd in een coproductie met De Nationale Opera. Niet alleen de uitvoering op zich was geweldig, door Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon, maar ook de sculptuur van Berlinde De Bruyckere waaromheen alles zich afspeelde.

Abdel Rahman El Bacha
Deze meesterpianist, die naar mijn idee veel te weinig bekend is, speelde op 1 april in de Serie Piano van het Muziekgebouw aan het IJ 72 preludes van Bach, Chopin en Rachmaninov. Een marathonconcert met twee pauzes, maar voor mij had het nog wel even door mogen gaan!

Chiaroscuro Kwartet
De kennismaking met dit kwartet was er een van de hoogste orde: op oude instrumenten speelden zij werken van Haydn, Fanny Mendelssohn en – met Ronald Brautigam aan de fortepiano – Schumann. Een verrassing, na het tegenvallende eerste concert in de serie Kleine Zaal Melange in het Amsterdamse Concertgebouw.

Budapest Festival Orkest
Wat een orkest, dat speelde in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw in Amsterdam. Ook nog eens onder leiding van Iván Fischer, die ik zeer hoog heb. Zoevende contrabassen – waar hoor je dat nog meer? In werken van Bach, Mozart (met pianist Emanuel Ax) en Tsjaikovski.

Koninklijk Concertgebouworkest
Ik heb in deze column niet onder stoelen of banken gestoken, dat ik blij ben met de nieuwe chef-dirigent van het KCO: Daniele Gatti. Tijdens de Robeco Summer Nights speelde het orkest onder zijn leiding een programma met Wolfgang Rihm (IN-SCHRIFT), een groot hedendaags componist wiens carrière ik zo goed mogelijk probeer te volgen, en Anton Bruckner (Negende symfonie). Grandioos.

Akademie für Alte Musik Berlin
Tijdens de Robeco Summer Nights, in het kader waarvan ik altijd wel enkele concerten bezoek, speelde de door mij zeer geliefde violiste Isabelle Faust met de Akademie für Alte Musik Berlin een heel Bachconcert. Inclusief een Sinfonia van Carl Ph. Emanuel.

De troost van Stabat Mater
In de Serie Oude Muziek van het Muziekgebouw aan het IJ voerden PRJCT Amsterdam met Rosemary Joshua (sopraan) en Maarten Engeltjes (countertenor) onder meer het Stabat Mater van Pergolesi uit, afgewisseld met een voordracht van P.F. Thomése uit diens boek Schaduwkind. Het werk van Pergolesi blijft indrukwekkend.

Glen Dempsey
Tijdens de zomer mag ik altijd graag overal en nergens orgelconcerten bezoeken. Eén sprong er dit jaar voor mij uit: door Glen Dempsey uit Cambridge, op 12 juli in de Basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam. Hij speelde er met veel stijlgevoel werken van Joh. Seb. Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Reger, Franck en Brahms.

Een fantasie en een fuga die ons omarmen

Het gebeurt wel vaker dat een organist zijn/haar concert begint met een preludium van Bach en eindigt met de bijbehorende fuga met hetzelfde BWV-nummer, bijvoorbeeld met het Preludium en fuga in Es gr.t. BWV 552 die de Grote Orgelmis omsluiten. De Engelse organist Glen Dempsey deed het afgelopen week woensdag ook tijdens zijn recital op het Sauer-orgel in de Basiliek van de H. Nicolaas tijdens de Amsterdamse Orgelzomer (zie foto).

Hij opende met Bachs Fantasie in g kl.t. BWV 542, vervolgde met onder meer Mendelssohns zesde sonate in d kl.t. op. 65 nr. 6 en sloot af met de Fuga in g kl.t. BWV 542. Toen hij die fuga inzette, leek het op het eerste gehoor als een tang op een varken te slaan. Totdat Dempsy opeens het thema juichend boven alles uit liet komen. Net zoals hij in de sonate van Mendelssohn het thema, in dat geval het koraal Vater unser im Himmelreich, op een gegeven moment juichend boven alle andere stemmen speelde.
Zo gaven niet alleen de fantasie en de fuga elkaar bij wijze van spreken een hand, maar ook de in de geestelijke muziek gedrenkte Mendelssohnsonate en de seculiere Bach, al weet je dat bij hem nooit.

Het is heel wel mogelijk dat onder de concertbezoekers heel veel mensen zaten die op zondag niet naar de kerk gaan maar wie zo’n concert veel doet. Zo’n beetje als de ruim 3.800 volgers die Alain Verheij, de theoloog des twitterlands, in een herhaling van het tv-programma Het Vermoeden (16 juli jl.) tegen Marleen Stelling vertelde: de meeste volgers gaan zelfs niet met kerst naar de kerk, dus dat kun je al niet eens meer randkerkelijken noemen.
Waarop Stelling vroeg of die scheidslijn seculier (de fantasie en fuga van Bach zeg maar) en kerkelijk (de sonate van Mendelssohn zeg maar) nog wel bestaat. Waarop Verheij antwoordde dat zijn twitteraccount – en de uitwerking van het concertprogramma op mij althans – bewijst van niet. De scheidslijnen gaan volgens hem wat anders lopen. Het gesprek tussen beide uitersten lijkt makkelijker te gaan, net als de verzuiling en de allergie voor godsdienst voorbij lijken te zijn. Dat vereist een diepe vertrouwdheid met de cultuur, de maatschappij én de traditie waarin je staat.

Na de ontkerkelijking ligt er volgens Verheij een enorm spiritueel terrein braak, dat op dit moment vooral wordt ingenomen door yoga en mindfulness. De joods-christelijke traditie, zoals hij dat noemde, kan goed aan dat gesprek meedoen vanuit de Bijbelse verhalen, kunst en mensen om ons heen. Samen vormen ze onze kern, ons hart en onze nieren, die ook in een concert ten diepste kunnen worden geraakt. Met een been sta je er op een volkomen seculiere manier (om dat woord nog een keer te gebruiken) in de wereld en in het beleven van kunst en met het andere been ben je diep gelovig. Beide benen heb je nodig om je weg te gaan, om op te been te blijven, als het ware omarmd door een fantasie en een fuga.

Tussen leven en dood

Bas van PuttenAlles moest anders

 

Bas van Putten (geb. 1965, foto links) is vooral bekend als musicoloog/muziekjournalist. Van zijn hand verscheen onlangs het eerste deel van een biografie over Peter Schat (afb. rechts). Minder bekend is hij als een romancier en dichter die werkt aan wat je zonder meer als Gesamtkunstwerk kunt zien. De opbouw van zijn werk doet denken aan een tragedie in vijf bedrijven. T.g.v. het verschijnen van zijn biografie over Peter Schat, herplaats ik hier een eerder in Mens en melodie (nr. 3., 2009) verschenen stuk.

Prólogos
Tot de indrukwekkendste stukken die Bas van Putten schreef, behoort de ‘Prelude over macht en dood’ tot de roman De evangelist. Het gaat over de niet bij name genoemde dirigent van het Concertgebouworkest, Eduard van Beinum, die zijn eerste hoboïst, ongetwijfeld Haakon Stotijn, een pluim geeft: ‘Als je die solo nog eens zo speelt, dan blijf ik erin’ (p. 7). De ontknoping is bekend: Van Beinum stierf tijdens een orkestrepetitie. Een psycholoog zou zeggen: ‘Zelfmoord in vermomming’, aldus Van Putten (p. 10).
Het is niet vreemd dat het in De evangelist gaat om de hobosolo uit de Eerste symfonie ‘van de bewogen classicist Johannes Brahms’ (p. 7). Daarom houdt de ik-figuur in de uit vijf hoofdstukken (!) bestaande roman Drijfkracht ook van de evenwichtige muziek van Mendelssohn. ‘Zo horen we hem; niet als muziek, maar als een ideaal van leven’ (p. 27). Want om levensmotieven, al dan niet een hoger doel dienend, draait alles hier.

Párados – intochtlied
Leven en dood, emotie en ratio komen ook samen in de cantate Aus der Tiefe rufe ich BWV 131 van Joh. Seb. Bach: ‘Hoor die hobo hier. En het koor daarachter. En een bas die ook alleen zijn eigen spoor trekt. (…). Hoor dat zweven, zeg ik, kriskras door elkaar.’ (De evangelist, p. 249).
Zweven, zoals de snelle noten in de Sonate KV 381 van Mozart voor piano vierhandig, bóven de maat, ‘alsof je bijna opstijgt, zonder echt los te komen van de grond. Ergens tussen aarde en hemel’, aldus Richard Hauch, gemodelleerd naar Robert Schumann, tegen Agnes Rochlitz (naar Clara Wieck) in Nachtlied (p. 167-177). Of zoals Bas van Putten het toelichtte: ‘God op het spoor komen; zijn nabijheid voelen door muziek, die openbaring is. De spelende mens als medium tussen God en aarde. Een toestand van genade die zeldzaam is’ en tot uitdrukking komt in woorden van de psalmist die het heeft over Gods lied dat des nachts bij ons is (Ps. 42:9).

Epeisodion – een bedrijf
Zo is het centrale thema in het werk van Van Putten, als het koor in een tragedie opgekomen: leven en dood, hemel en aarde, dag en nacht, alle tinten van geluk en verdriet omvattend als in de Vierde symfonie van Bruckner die hij beschrijft in De hemelpoort, de tweede roman na het debuut Doorn (2000). Krachten die als in een tragedie tegenover elkaar staan of – aan het slot van de sterk aan Samuel Becketts toneelstuk Wachten op Godot herinnerende derde roman Almacht – in elkaar overlopen.
Dit ondoorgrondelijke boek eindigt met een transcendente ervaring, een bijna dood ervaring. De tijd versnelt, als een stretto, tot deze stil staat als op een surrealistisch schilderij van Dalí.
Almacht is, net als Vestdijks Bericht uit het hiernamaals, een ‘gedachteproef’ of ‘filosofische vertelling’ (H. Brandt Corstius) en in technische zin het eindpunt van een ontdekkingstocht: hoe ver kun je als auteur gaan in het op(t)rekken van een constructie.
Hierna wilde Van Putten weer een mooi verhaal vertellen. Niet uit conservatisme, maar als een logische scheppingsgang: hij was naar eigen zeggen ‘Ausgetaucht’ – ergens eerst doorhéén gegaan om er óverheen te kunnen komen. Dit verhaal werd Nachtlied.

Stasimon – standlied
In de nacht ligt de actie, als in een standlied van een Griekse tragedie, stil. ‘Zoals een levend mens voor dood kan liggen, zo speelt bij Brahms de dood het leven na’ (Drijfjacht, p. 173). Zoals pianist Arturo Benedetti Michelangeli en dirigent Kaiser in Drijfjacht, tijdens een uitvoering van Ravels Concert in G, ‘beiden onbeweeglijk zaten, waardoor de kleinste actie het gemoed trof als een aardschok’ (p. 32). Als het kind in het verhaal Jack (in: Vrij Nederland, 15 september 2007), het verhaal waarin een hoefijzervleermuis (symbool voor zowel het goede als het kwade) ‘zit of ligt en zwijgt en wacht op god mag weten wat’ (p. 64). En uiteindelijk in het vuur wordt gegooid – als een dilemma dat uit de weg wordt geruimd.

Éxodus – laatste bedrijf
Uiteindelijk vertelt van Putten telkens weer het verhaal van ‘een odyssee’ (Drijfjacht, p. 99), van kunst als uittocht uit het leven, als een vluchtheuvel tussen het land van de vleespotten en het land van melk en honing. Daar staan zijn personages, tussen leven en dood. Zoals Amfortas in Wagners Parsifal, die ‘niet [wilde] sterven en niet leven’ (De evangelist, p. 64). Hij kon niet anders.

Achtereenvolgens werd geciteerd uit:
De evangelist. Uitg. Contact, 2003
Drijfkracht. Uitg. De Arbeiderspers, 2006
Nachtlied. Uitg. De Arbeiderspers, 2009
De hemelpoort. Uitg Contact, 2001
Almacht. Uitg. Contact, 2002