De vreugde van het inzicht

Op driekwart van het boek Spinoza en de vreugde van het inzicht beschrijft Kees Schuyt de ruwweg twee tegengestelde lezingen van Spinoza in het algemeen en diens Ethica in het bijzonder: ‘Een naturalistische (lees: natuurwetenschappelijke) interpretatie versus een emanciperend-bevrijdende interpretatie, die vanuit een modern-humane mensvisie het zelfbepalende individu centraal stelt.’
Schuyts denken zou je onder de tweede manier van lezen kunnen scharen, wat hij verderop omschrijft als ‘een bevrijdingsfilosofie, die mensen kan leren welgezind en soms zelfs met vreugde van het leven te genieten.’ Hij schrijft over inzicht dat richting geeft ‘aan ons eigen actieve handelen’  en ‘als richtsnoer voor de inrichting van de samenleving en een democratische staatsvorm.’

Tegenover deze heldere, compacte omschrijvingen staan soms woordkeuzes die hiermee in strijd zijn, of op z’n minst een andere achtergrond verraden. Niet zozeer van de auteur, maar in algemene zin, zoals: ‘goede werken’ voor ‘actief handelen’, wat eerder rooms-katholiek overkomt, terwijl de ‘twee gedaanten waarin God/Natuur voorkomt (naturans en naturata) haast de triniteitsleer van de kerk nadert. Dit kan in beide gevallen bij de monist en de met het joodse denken vertrouwde Spinoza niet de bedoeling zijn.

Daar staan gelukkig ook de vele passages tegenover die het als moeilijk te kenschetsen denken van Spinoza verhelderen. Kort en krachtig, als gezegd, zoals: ‘Het wezen van de mens is in redelijkheid streven naar eenwording met God. Het middel daartoe is kennisverwerving’ of: ‘Het hóógste goed, dat bestaat in de vereniging van de ziel met God en van de mens met God. Door kennis de allerhoogste liefde bereiken; dat is de liefde voor God, die eeuwig en onvergankelijk is. Is men tot dit inzicht gekomen, dan ervaart men gelukzaligheid, dan wordt men een fundamentele instemming met het bestaan.’ En: ‘vrijheid (…) wordt gevoed door karaktervorming en uitgedrukt in een bepaalde wijze van leven of in een levenshouding.’

Gelukkig neemt Schuyt mijns inziens afstand van de opvatting dat Spinoza een determinist was in de huidige betekenis van het woord en de vrije wil geheel ontkende. Zelfs dat hij het beter zou hebben geweten dan huidige hersenwetenschappers als Swaab met zijn boek De vrije wil bestaat niet. Of, zoals Schuyt het zelf verwoordt: ‘Mensen [hebben] de mogelijkheid tot een bepáálde mate van vrijheid, vrijheid als zelfbepaling, specifiek verbonden met de richtlijnen van rede en redelijkheid, leren inzien en daarnaar proberen te leven.’ Dit geldt volgens Schuyt alleen voor mensen, want noodzakelijk leven volgens de eigen natuur gaat alleen op voor God/Natuur (brief aan Schuller, oktober 1674).
Schuyt geeft terecht aan dat Spinoza’s idee van het zogenaamde parallellisme tussen stof en geest (liever: de twee gelijktijdig rollende kanten van een muntstuk) in de neurologie en neurofilosofie inmiddels achterhaald zijn beschouwd.

De auteur van dit boek was voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, in welke hoedanigheid ik hem een keer heb ontmoet en gesproken. Op het terrein van Spinoza is hij een liefhebber in de goede zin van het woord; de vreugde van het inzicht spat soms van de pagina’s af, bijvoorbeeld in een omschrijving naar aanleiding van het derde deel van de Ethica: ‘Heerlijk om te lezen’ of van het vierde deel: ‘Een genot om te lezen.’
Elders beschrijft Schuyt hoe bij Spinoza is uitgekomen: een boek van Terrence des Pres over de rol die de conatus (in de vertaling van Spruyt een ‘dynamisch, evenwicht zoekend ontwikkelingsbeginsel’) ‘speelde bij het overleven in de werkkampen van de Sovjet-Unie en in de concentratiekampen van nazi-Duitsland.’ Hiermee nuanceert hij tevens het conatus-begrip, omdat Spinoza de hoop die overlevenden beschreef juist wantrouwde, en daar troost voor in de plaats stelde.

Dit maakt zijn boek tot een sympathieke en geëngageerde studie. Een enkele keer met dermate lange, ingewikkelde zinnen die je een paar keer moet lezen om te begrijpen wat de schrijver bedoelt, zoals: ‘Deze tegenstellingen worden nu met een uitdrukkelijker doel beschreven en geanalyseerd, namelijk om te laten zien, enerzijds ….’ enz. enz. Ook de structuur had mijns inziens wat strakker gekund.
Een voorbeeld van zo’n sympathiek overkomende en geëngageerde passage betreft die waarin de auteur afstand neemt van de hedendaagse, relativistische uitleg van goed en kwaad. Schuyt stelt dat natuurlijk kwaad (een aardbeving) dicht bij moreel kwaad kan liggen (oliewinning die willens en wetens plaatsvindt).

Het boek is geen hagiografie, wat blijkt uit een zinsnede over de Politieke Verhandeling: ‘Onder de uitvoerige en regelmatig saaie bespreking van de aristocratische staatsvorm dreigt eveneens de hoofdboodschap verloren te gaan’, al zou een goede redacteur behalve de ingewikkelde zinnen eenvoudiger maken ook hier goed werk hebben kunnen verrichten door het overbodig overkomende woordje ‘eveneens’ te schrappen. Hoezo: eveneens?
Ook uit Schuyt kritiek op het essentialistische denken van de zeventiende eeuw: ‘Spinoza leidt de essentie van “de” vrouw af uit de natuur, maar in feite volgde hij de heersende sociale gewoonten en gebruiken van zijn tijd’, wat hij niet als een excuus ervaart.
Uit zijn (persoonlijke) conclusies blijkt dat Schuyt kanttekeningen bij zowel Spinoza’s denken als de receptie daarvan niet schuwt, die hij soms als hij ‘te rigide, te stellig of te dogmatisch’ ervaart.

Dit boek is uitermate geschikt voor zowel lezers die willen kennismaken met Spinoza’s denken als voor lezers die daarmee al wat vertrouwd zijn, voor wat Schuyt de ‘conversation of mankind’ noemt. Wat tevens inhoudt dat hij ook heel wat kritiek te verduren zal krijgen …

Kees Schuyt: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Uitgeverij Balans, Amsterdam (2017), ISBN 978 94 600 34060, € 34,95

Commentaar op deze blog is te vinden op: http://bdespinoza.blogspot.nl/2017/07/els-van-swol-besprak-kees-schuyts-boek.html#comment-form

Filosoferen over emoties

Rembrandt_opengesperde_ogenIn haar boek Filosoferen over emoties (uitg. Nelissen, 1995) gaat filosofe en sociologe Miriam van Reijen onder meer in op de manier waarop de filosoof Spinoza over emoties dacht. Spinoza maakte onderscheid tussen goede en slechte emoties. ‘Emoties zijn goed als ze bijdragen aan werkelijk inzicht, en zo aan effectief zinvol handelen, dus aan ons lichamelijk en geestelijk zelfbehoud (…). Negatieve gevoelens als droefheid, angst, haat, spijt, wraak, verontwaardiging, wanhoop, schaamte en dergelijke zijn altijd slecht, omdat ze onze kijk op de werkelijkheid vertroebelen, en in strijd zijn met ons werkelijk belang’ (p. 68).

Een mooi voorbeeld van dit laatste levert ons de beschrijving van het personage Charles Lee door Albert Helman in zijn roman De G.G. van Tellus (uitg. In de Knipscheer, 1994). Lee is een scherp van de tongriem gesneden corrector bij een drukkerij, ‘hetgeen ze weten aan zijn enigszins hoge rug – een bochel kon men het eigenlijk niet noemen’ (p. 86). Een paar pagina’s verder bleven mijn ogen hangen op de volgende omschrijving over ‘het onopvallende, lichtgebogen mannetje’ waarin ‘een machtige haat [leefde], tegen zichzelf en alle anderen’ (p. 95). ‘Een haat die misschien de meest egoïstische vorm van medelijden is’ (p. 96).

En toen kwam Spinoza om de hoek kijken, die zo’n houding destructief vond en uit wilde gaan van ons werkelijk belang, onze zelfverwerkelijking of conatus zoals hij dat noemde. Een filosoof uit later tijd die veel sympathie voor Spinoza op kon brengen, was Nietzsche. Nietzsche concludeerde in zijn Ecco homo dat we onszelf moeten vormen in plaats van uit te gaan van zelfmedelijden, zoals Charles Lee. Het lot is iets dat we moeten nemen zoals het is (Amor fati). Het kan ons leiden – in plaats van dat het lijden brengt.

Dat laatste wordt op schitterende wijze omschreven door Amos Oz in een interview met Inez Polak in Trouw (24 september 2005). Oz kon de roman Een verhaal van liefde en duisternis pas schrijven toen de woede in hem was verdwenen. Woede en wellicht ook zelfmedelijden na de zelfmoord van zijn moeder. In ieder geval negatieve gevoelens die niets uitrichtten. Hij kon het verhaal aan het papier toevertrouwen toen hij, zoals hij het zei, het vredesproces met zichzelf had voltooid. ‘En zo heb ik het boek kunnen schrijven, met een mengeling van empathie en ironie, met compassie en humor’ – en niet uit haat of zelfmedelijden, met een scherpe pen. Het schrijven heeft bijgedragen aan zijn geestelijk welbevinden, en heeft voor zijn lezers tot een meesterwerk geleid.

Deze column schreef ik oorspronkelijk voor het tijdschrift Wervelingen (zomer 2006) en neem ik hier met toestemming over in het kader van zowel de tentoonstelling Emoties. Geschilderde gevoelens in de Gouden Eeuw in het Frans Halsmuseum te Haarlem (11-10-2014 t/m 15-2-2015) als de avond over Spinoza en muziek van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (zie de pagina LinkedIn, twitter, agenda en links) op 28 mei 2015. De afbeelding is een ets van Rembrandt: Man met opengesperde ogen (http://www.franshalsmuseum.nl).