Drieluik op zondag (II)

1.
In een andere blog, op een andere website wees ik al eerder op een mooi boek dat ik op het moment van schrijven wilde gaan lezen en nu ook daadwerkelijk mondjesmaat lees: Camus. De filosoof en de romancier van de Vlaamse filosoof Maurice Weyembergh (https://www.literairnederland.nl/het-eindejaarslijstje-2017-van-els-van-swollijstje-van-els-van-swol/). Vanmorgen was in alle vroegte het tweede hoofdstuk aan de beurt: ‘De mens die zichzelf schept en tot mythe maakt in De mythe van Sisyphus.’

Daarin citeert Weyembergh Camus (zie foto): ‘Hoe moeilijk het ook is, ik zou nooit ontrouw willen zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’  Het zijn volgens hem twee polen die ‘elkaars tegengestelden zijn én elkaar aanvullen.’ De mens moet volgens Camus in de woorden van Weyembergh ‘zijn eigen lotsbestemming ter hand nemen door zijn eigen verhalen te vertellen, door zijn eigen mythen te bedenken.’ Camus stond een wereld voor ‘die verdriet en wreedheid zoveel mogelijk uitbant, sociale gerechtigheid realiseert, en tegelijkertijd het individu maximale vrijheid laat zichzelf te scheppen.’ Het is volgens hem zinloos om de spanningen tussen het een het ander, tussen licht en donker, tussen schoonheid en de vernederden ‘te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Het gaat om een ‘dialectiek zonder synthese’, om ‘aanvaarden en verwerpen.’ En zo ontstaat er volgens hem ‘op den duur dan iets waarvoor het op deze aarde de moeite loont te leven, iets zoals bijvoorbeeld deugd, kunst, muziek, dans, rede, geest, iets dat tot een metamorfose leidt, iets verfijnds, iets krankzinnigs, iets goddelijks.’ Op die manier herhaalt en imiteert de mens op zijn best de schepping van God.  ‘In zo’n mate dat niemand verschil ziet tussen de danser en de dans.’

2.
Een uurtje of wat later bevond ik mij in het gehoor van de Vrije Gemeente in Splendor, bij een lezing van Katja Rodenburg (zie foto) over het thema ‘Duende – licht en donker, zon en maan.’ Over haar schreef ik al eerder hier een blog.
Ook zij had het over ‘kunst, muziek, dans, rede, geest’ en over een flamencozanger die dertig van de veertig keer niet dát gaf wat je zou willen. En de tien keer dat hij het wél deed, was het alsof hij niet zelf zong, alsof – om met Camus te spreken – niemand meer het verschil hoorde tussen de zanger en het gezang. Een gezang waarin eeuwen her meezongen, dat door het donker heen tot het licht was gekomen. Zoals de filosofie van Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), over wie ik ook al eerder een blog schreef. Misschien was de zang niet mooi in de zin van de esthetica, maar gewoon – denk ik verder – maar ‘waar’ of ‘waarachtig’ in de zin van Camus: één moment van balans waarin recht werd gedaan aan zowel de schoonheid als de vernederden die de flamenco in Cadiz, aan de rafelranden van het bestaan, bezingt. Een dialectiek van aanvaarding én verwerping, waarin het leven zelf (met Nietzsche) een kunstwerk is geworden.

3.
Even later bezocht ik een straat verder het eerste deel van de dubbeltentoonstelling over Ferdinand Bol en Govert Flinck, twee meesterleerlingen van Rembrandt. In het Rembrandthuis (nog t/m 18 februari a.s., zie affiche). Het tweede deel, dat ik al eerder zag, valt te zien in het Amsterdam Museum.
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk wat Katja Rodenburg, en pianist Maurice van Schoonhoven ook al benadrukten: duende vind je niet alleen in de flamencodans en –zang, maar in alle kunstvormen. Schoonhoven demonstreerde dit in enkele rake – en prachtig gespeelde – keuzes, met om te beginnen twee etudes op. 25 van Frédéric Chopin, halverwege in onder meer met de Prelude op. 32 nr. 12 van Rachmaninoff en tenslotte met twee etudes (op. 2 nr. 1 en op. 8 nr. 12) van Skrjabin.

Maar ook al kijkend naar met name een tafereel, van respectievelijk Rembrandt en Ferdinand Bol, probeerde ik iets van duende terug te vinden: Tobias en de engel, een verhaal dat in de deuterocanonieke of apocriefe boeken kan worden teruggevonden. Een verhaal (en gaat het volgens Camus niet om het vertellen van verhalen, om wat Bergson volgens Weyembergh ‘de fabulerende functie’ noemt?) over Tobit en Tobias.
Tobit, oud en blind, heeft in het verleden een kleine schat achtergelaten bij iemand in Medië, en stuurt zijn zoon Tobias op pad om die op te halen. Op zijn reis ontmoet Tobias aartsengel Rafaël, die hij echter niet herkent. Rafaël helpt Tobias om de schat naar zijn vaders huis terug te brengen. Bovendien geneest Tobias, met de gal van een vis die hij samen met Rafaël heeft gevangen, zijn vaders blindheid. Een deel van de schat wordt als aalmoezen weggegeven.
Ik herkende in dit schilderij verschillende (verhalende en beeldende) elementen van de duende: het verleden (de oude man, de achtergelaten schat) speelt er altijd in mee, het licht (het weer kunnen zien van Tobit) komt dóór het donker (de blindheid) heen, je moet altijd blijven zoeken naar ‘het’ moment (de schat die achtergelaten is), de vernederden (in de woorden van Camus) worden bij het verhaal betrokken en krijgen aalmoezen.

Misschien is het de engel op beide schilderijen die symbool voor de duende staat: bij Bol daalt hij uit het donker neer, als de inspiratie voor een kunstenaar (wat we allemaal zijn: levenskunstenaar), bij Rembrandt stijgt hij op (zie afb.), om weer nieuwe inspiratie te halen. Als een doorgaand proces, wat leven heet. Want volgens Camus ‘gaat het uiteindelijk om één ding, “z’n taak mens te zijn” uitoefenen.’ Ik zou haast zeggen: Mensch te zijn – uit één stuk, niet als een synthese maar dialectisch. Licht en donker. Schokkend, zei één van de mensen die de lezing van Rodenburg bijwoonde.

Top-10 tentoonstellingen 2017

De hoofdredacteur Kunst van de website 8weekly.nl vraagt de kunstredacteuren elk jaar om hun Top-10. Onderstaand mijn bijdrage – 8 tentoonstellingen, aangevuld met nummer 9 en 10 die niet door 8weekly zijn gerecenseerd, maar die ik wel bezocht.

De lijst die er uiteindelijk uitrolde, komt op de site van 8weekly (link volgt hier).

Links afbeelding van Matthijs Maris (Doopgang in Lausanne, 1862), waarover ik hier eerder een blog schreef.

WeerZien
De Pont heeft met Sky Mirror van Anish Kapoor voor de deur een mooi ‘cadeau’ gekregen en geeft het publiek op zijn/haar beurt met de tentoonstelling WeerZien ook een geweldig, origineel cadeau. In 25 jaar is De Pont in Tilburg immers vanuit het niets uitgegroeid tot een museum met een collectie en tijdelijke tentoonstellingen die je als liefhebber van hedendaagse kunst niet mag missen.
Lees hier de recensie: http://8weekly.nl/recensie/kunst/weerzien/

Béla Tarr
Béla Tarr, Till the End of the World was een tentoonstelling in EYE Filmmuseum Amsterdam over het indrukwekkende oeuvre van Hongarije ‘s grootste filmmaker Béla Tarr (1955). Een bijzondere tentoonstelling die geraffineerde installaties van fragmenten uit zijn films toonde en de bezoeker confronteerde met de schaduwzijde van de mens.
Lees de recensie van Marlise van der Jagt: http://8weekly.nl/recensie/een-troosteloze-confrontatie-met-onszelf/

Werner Tübke
Het is geen gemakkelijke kunst die in de Fundatie in Zwolle werd getoond. Niet in de ogen van de cultuurfunctionarissen van het communistische regime in de DDR, maar ook niet voor de bezoeker van de tentoonstelling anno 2017. Je moest de voorstellingen aandachtig lezen, waarbij je ook zeker moest letten op het enorme vakmanschap met de dun opgebrachte verf.
Lees hier de recensie: http://8weekly.nl/recensie/schilderijen-lezen/

Edward Krasiński
Pas wanneer je kunst als kunst en kunst binnen de context van de politieke constellatie in Polen in het Stedelijk Museum in Amsterdam op het werk van Krasiński losliet, en ook nog eens in staat was deze te nuanceren en te glimlachen bij de zowel dadaïstische als anti-Stalin humor die erin zit, kwam een totaalbeeld van diens werk naar voren waarmee je hem recht doet. Een pluim kortom voor het Stedelijk Museum dat, in samenwerking met Tate Liverpool, met deze expositie komt van een in Nederland nog niet bekende kunstenaar.
Lees hier de recensie: http://8weekly.nl/recensie/een-doorgaande-lijn/

Hans Arp
Wat tijdens de overzichtstentoonstelling in het Kröller Müller Museum in Otterlo opviel aan de hele expositie is de prachtige achtergrondkleur, een grijstint, waartegen alle werken optimaal tot hun recht kwamen. Een prachtige overzichtsexpositie in het jaar van De Stijl dat een ander aspect belichtte.
Lees hier de recensie: http://8weekly.nl/recensie/ingetogen-hans-arp/

Herman Gordijn
De tijd was rijp om verder te kijken dan naar wat lang voornamelijk als schokkende en provocerende kunst werd beschouwd. De grote overzichtstentoonstelling op de bovenste verdieping van Museum MORE in Gorssel, die na Gordijns overlijden plotseling ook een eerbetoon werd, bood die uitgelezen kans.
Lees hier de recensie: http://8weekly.nl/recensie/herman-gordijn/

Ed van der Elsken
Het Stedelijk Museum in Amsterdam maakte indruk met de uitgebreide overzichtstentoonstelling van het fotografisch en filmisch werk van Ed van der Elsken (1925 – 1990). De tentoonstelling toonde de geestdrift van de fotograaf en zijn werk uit verschillende decennia komt dan ook uitbundig aan bod.
Lees de recensie van Dorien Imming: http://8weekly.nl/recensie/ode-aan-ed/

In het hart van de renaissance
De tentoonstelling met vijfenveertig schilderijen, voornamelijk uit de Pinacoteca Tosio Martinengo (Brescia) in Rijksmuseum Twenthe te Enschede, begon met een prachtig Portret van een jonge man met fluit van Giovanni Giralomo Savoldo. Een schilderij dat een krachtige uitdrukking toont van het nieuwe mensbeeld dat zich in de vijftiende en zestiende eeuw ontwikkelde: dat van een zelfbewust individu en dat in de tentoonstelling centraal stond.
Lees hier de recensie: http://8weekly.nl/recensie/nieuwe-lente-nieuw-geluid/

Hercules Segers
‘Zijn wonderbaarlijke berglandschappen en eindeloze vergezichten getuigen van een grenzeloze verbeeldingskracht. Als prentmaker was Segers een ware pionier. Voor zijn kleurige etsen ontwikkelde hij geheel eigen technieken. Hercules Segers heeft door de eeuwen heen vele kunstenaars en dichters gefascineerd en geïnspireerd. Rembrandt bezat maar liefst acht schilderijen van zijn hand. Van 7 oktober tot en met 8 januari 2017 waren in totaal 18 schilderijen en 110 afdrukken van 54 prenten te zien in het Rijksmuseum te Amsterdam.’ Een genot.

Matthijs Maris
Als middelste van de kunstenaarsbroers Maris werkte Matthijs grotendeels in Parijs en Londen. Zijn excentrieke levensstijl en zijn eigenzinnige schilderijen vormden een grote inspiratie voor jonge kunstenaars, onder wie Vincent van Gogh. Hoewel zijn werk internationaal geliefd was en zijn schilderijen zelfs een recordbedrag opbrachten in de handel, leidde hij uiteindelijk een kluizenaarsleven in zijn atelier. De tentoonstelling Matthijs Maris omvat 75 schilderijen, tekeningen en etsen. Omdat The Burrell Collection in Glasgow bij hoge uitzondering een belangrijke selectie werken van Maris uitleent, kan voor het eerst een compleet beeld van zijn oeuvre worden getoond.’ Wat fijn om daar kennis mee gemaakt te hebben!

Bij het overlijden van Simon H. Levie

Simon Hijman LevieJoodse Bruidje_Rembrandt

 

 

 

 

 

 

 

Op 12 juli overleed Simon Hijman Levie (foto links), oud-hoofddirecteur van het Rijksmuseum (1975-1989). Op 6 december 1988 hoorde ik een lezing van hem over Het joodse bruidje van Rembrandt (afb. rechts). Als een in memoriam plaats ik mijn aantekeningen hier. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Jarenlang heeft men gezocht naar wie de twee personen op dit late innige én magistrale schilderij (ongedateerd en ongesigneerd) zijn. Dr. Levie is tot de conclusie gekomen, dat het Isaäc en Rebecca moeten zijn. Er zijn twee voorbeelden die in die richting wijzen:

  1. een fresco (voorheen toegeschreven aan Rafaël) in het Vaticaan;
  2. een schets van Rembrandt zelf (zie hieronder).

Rembrandt_schets Joodse bruidjeOp beide staat rechts bovenaan Abimelek, de koning ten tijde van Isaäc, die op Het joodse bruidje ontbreekt. Dat is niet verwonderlijk, omdat uit recent röntgenonderzoek is gebleken dat met name aan die kant een stuk van het schilderij is afgehaald. Ook aan de onderzijde is dit het geval (ontbrekende datering en signering!).

Uit de opbollende kleding van Isaäc en Rebecca kunnen we echter opmaken, dat beiden zitten in plaats van staan. En dit is iets dat past in de iconologische traditie (vergelijk met de fresco in het Vaticaan en de schets van Rembrandt). We kunnen dus concluderen dat Het joodse bruidje een groots historiestuk van Rembrandt is.

Met een andere kleur pen voegde ik later toe: Röntgenonderzoek heeft ook aangetoond dat de man een keppeltje droeg en de vrouw een kroontje.

Matthäus Passion met een schaduw

KG 3632, 10-10-2005, 11:50, 8C, 6661x7776 (839+2040), 100%, Rembrandt, 1/100 s, R30.9, G4.2, B11.6Je worden teruggeworpen op een dragende grond van het bestaan. Op een God die met ons is in nood en dood. Op de Mensenzoon die we aantreffen op Golgotha. En met hartstocht en diep verlangen zien we uit naar het Paasfeest.    

Ds. Arjan Plaisier, scriba van de generale synode

 

Al deze elementen troffen de toehoorders van Bachs Matthäus Passion in het Amsterdamse Concertgebouw gisteren aan. Een uitvoering door The Monteverdi Choir en de English Baroque Soloists, met als (gast?) cellist Richte van der Meer o.l.v. John Eliot Gardiner. Een uitvoering die werd opgedragen aan de slachtoffers in Brussel en hun nabestaanden.

Het begon – dat was even schrikken – met een ongelijke inzet, wat scherp klinkende violen, maar de klank werd steeds warmer. Iets waar op een gegeven moment niet een jongenskoor maar het Nationaal Jeugdkoor, ingestudeerd door Wilma ten Wolde, aan bijdroeg. Steeds luider klonk de roep: ‘Kommt ihr Töchter, helft mir Klagen, helft mir Klagen.’ Om de Mensenzoon op Golgotha, om het leed in de wereld.

Uit de koralen in met name het eerste deel klonk de visie van het geloof zoals Plaisier het noemt: een dragende grond van het bestaan. Een geloofszekerheid die je terug wierp in de tijd waarin Bach zijn Passion schreef en die je misschien nu niet meer zo mee kan maken. En waar de God die met ons mee lijdt een beetje voor in de plaats is gekomen. Beide kon je gisteravond beleven.

Heen en weer pendelde het met een diep verlangen, zoals in de sopraanaria ‘Ich will dir mein Herze schenken’, waarin de prachtige oboe d’amores uit het eerste orkest hun dan weer omhoog gaande beweging en dan weer dalende beweging extra leken aan te zetten. Een detail om nooit te vergeten.
Wat een sopraan trouwens, Hannah Morrison, die regelmatig met John Eliot Gardiner werkt en onlangs ook met Masaaki Suzuki. Ook haar duet ‘So ist mein Jesus nun gefangen’ met een alt uit het koor, Clare Wilkinson, klonk als een klok.

En dan heb ik er slechts twee namen uitgelicht, maar eigenlijk waren alle stemmen van topniveau. Van de evangelist (Mark Padmore) en de Christuspartij (Stephan Loges) tot de kleine partijen, die uit het koor naar voren kwamen.

Opvallend was de schaarse continuo-bezetting met als basis slechts twee uit de kluiten gewassen kistorgels en – opvallend, haast ouderwets – een klavecimbel in het tweede orkest. Zoals ook sommige koralen mij weer een stapje terug wierpen in de tijd: zacht–zachter–zachtst (één keer zelfs een eerste zin onbegeleid, zoals ik met van Colin Davis kan herinneren) of – het andere uiterste – hard-harder-hardst.Het kan allemaal weer. Maar niet alles wat kan …

Een ander hoogtepunt was ongetwijfeld de altaria ‘Erbarme dich.’ Op goede gronden kun je menen, dat ‘Aus Liebe’ het centrale punt is van de Matthäus Passion, ook qua opbouw. Maar gisteren was dat gevoelsmatig ‘Erbarme dich.’ Met een vioolsoliste uit het eerste orkest die zich met het gezicht naar de zaal wendde, en haar partij – zoals ook de andere obligate orkestpartijen, de zangsolisten en het koor – uit het hoofd speelde. Zo het hart van het publiek in. Het leek alsof de zaal in een vacuüm verkeerde en iedereen met zijn/haar gedachten bij de nood en dood in onze wereld was.

Juist nu. Nu het koor en orkest vanavond geen uitvoering kunnen geven in Brussel. Juist nu een Matthäus Passion waar een schaduw overheen viel. Als op een ets van de Kruisiging door Rembrandt in het Teylers’ Museum in Haarlem (zie afb.).

Opnieuw uit-gevonden muziek

Vanessa Lann_CDIn de Gemäldegalerie in Berlijn hangt een onbekend schilderij van Rembrandt dat veel mensen echter toch zullen kennen. Op de voorgrond zit een oude man met in zijn ene hand een munt en in zijn andere een kaars. Het licht valt niet alleen op zijn gezicht, maar ook op een stapel boeken en papier op de achtergrond. We herkennen de man met knijpbrilletje uit schilderijen van Caravaggio, Honthorst en Ter Brugghen. Terwijl we de stapels boeken op schilderijen die Rembrandt in dezelfde tijd als De woekeraar (1627) maakte opnieuw tegenkomen – zo citeerde Rembrandt anderen én zichzelf.

Wat we hier zien, is wat we beluisteren in de muziek van componiste/pianiste Vanessa Lann, van wie recent een cd is uitgekomen (zie afb.). Het is muziek met een duidelijke voorgrond, met citaten uit eigen en andermans werk. En met op het eerste gehoor een minder prominente achtergrond, vol statische akkoorden of eenvoudige motieven. Waarbij niet in de laatste plaats een grote ruimte voor theatrale aspecten is weggelegd.

Voorgrond
Op de voorgrond hoor je in haar orkestwerken solotrekjes die als in de gloed van een kaars oplichten. Het duet tussen fluit en althobo in het middendeel van Resurrecting Persephone (1999) voor fluit en orkest, dat op de onlangs uitgebrachte cd staat, doet bijvoorbeeld denken aan het langzame deel uit Ravels Pianoconcert in G.
Ook de soli in The Flames of Quietude (2006), een concert voor orkest zullen de luisteraars die al eerder werk van Vanessa Lann hebben gehoord, bekend voor komen: het zijn haar eigen solostukken voor viool, cello en piano die ze heeft ‘hergebruikt’, opnieuw heeft uit-gevonden en in een andere context geplaatst. Net als fragmenten uit bekende werken van onder anderen Bach en Beethoven.

Achtergrond
Op de achtergrond van The Flames of Quietude klinken zachte pianissimo akkoorden, zoals in Illuminating Aleph (2005) voor chazan (voorzanger), koor en instrumentaal ensemble een herhaald, eenvoudig patroon in de pianopartij klinkt. Telkens weer, als een mantra, tot je denkt het wel gehoord te hebben. Maar dan valt opeens licht erop; het motiefje is hetzelfde gebleven, maar de luisteraar is Ver-licht. De achtergrond is als de zang van de kosmos en de voorgrond een ‘aards’ gegeven, herkenbaar maar toch telkens anders.
Zo blijkt op het eind van een stuk wat op de achtergrond speelde belangrijker te zijn dan wat zich op de voorgrond drong. Maar om dát te ervaren, moet je eerst door het hele stuk heen zijn gegaan, als een gang door de tijd, als een tot het eind toe beleefde droom.
In die zin doet haar werkwijze denken aan het schilderij De schreeuw van Edvard Munch: het is immers niet de man op de voorgrond die schreeuwt (hij is verstomd) maar de natuur op de achtergrond die het uitschreeuwt. Net als Munch speelt Vanessa Lann een in haar geval haast ritueel en vaak humoristisch spel met het verwachtingspatroon van de luisteraar.

Theatrale aspecten
Omdat haar werk erg is gericht op beleving in de concertzaal, spelen ook visuele en theatrale aspecten daarbij een groter rol. Het licht dat in Towards the Center of Indigo (1996) voor saxofoonkwartet wordt gebruikt, ís indigo. In In the Moment (1998) voor vier renaissance blokfluiten lopen de musici van de voor- naar de achtergrond van het podium. En in The Flames of Quietude tenslotte staat een orkestgroep als in een big band opeens op.
Maar ook dát blijkt aan het eind niet het belangrijkste te zijn. Het belangrijkste zijn de vragen die de componiste oproept, als de schrijvers van de boeken op de achtergrond van Rembrandts schilderij. Het antwoord laat ze aan de luisteraar over. Ieder voor zich.

http://www.attaccaproductions.com

Medische kunstgeschiedenis

Michelangelo_De nachtOnderstaand een gedeelte uit een culturele column die ik eerder schreef voor het tijdschrift Wervelingen, en hier met toestemming overneem n.a.v. een klein stukje in NRC Handelsblad (30 juli 2015) onder de kop ‘Medische kunstgeschiedenis.’ Hierin wordt de Amerikaanse oncoloog James Stark aangehaald, die in Michelangelo’s sculptuur De Nacht (1531, de Medici-kapel, Florence, zie afb.) een vrouw met een tumor pal onder de tepel herkent, vanwege drie kenmerken hiervan: uitstulping in de borst, gezwollen tepel en teruggetrokken huid rondom de tepel.

In mijn boekenkast staat al een poos het bekende De zieke mens in de beeldende kunst (1967) van J.A. van Dongen. Inmiddels zijn er op de markt, en in mijn kast, de dikke pillen De kunstenaar en de dokter van Jan Dequeker (uitg. Davidsfonds, 2006) en Das Bild der Kranken van Helmut Vogt (uitg. Bergmann Verlag, 2008) bijgekomen.
Maar dat betekent niet dat ik het boek van vrouwenarts en bibliothecaris Van Dongen, dat antiquarisch nog volop verkrijgbaar is, weg ga doen. Alleen al niet vanwege de enorme hoeveelheid knipsels, ansichtkaarten enzovoort die ik er in de loop van de tijd in heb gelegd. En ook niet omdat de boeken elkaar zouden overlappen. Nee, ze vullen elkaar eerder aan. Al is het omslag met Het zieke kind van Gabriël Metsu (Rijksmuseum, Amsterdam) nagenoeg inwisselbaar.

Alle drie de auteurs hebben, getuige hun indelingen, gekozen voor een opzet waarbij de nadruk valt op de medische kant van het onderwerp. Van Dongen erkent dat er ook andere benaderingen mogelijk zijn: psychologische, kunsthistorische en artistieke. En daar zou de symbolische, typologische aan kunnen worden toegevoegd. Ook Dequeker zal dit niet ontkennen, maar deze ‘ervaren clinicus’, zoals hij zichzelf omschrijft, valt vanuit laatstgenoemd gezichtspunt toch enige blikvernauwing te verwijten.

Bijvoorbeeld wanneer hij in de beschrijving van het altaarstuk De besnijdenis in de Frauenkirche van Neurenberg (ca. 1450) deze joodse besnijdenis van Jezus van Nazareth omschrijft als een ‘besnijdenis vanwege fimose’ (p. 347), een vernauwing van de voorhuid.
De afgebeelde man met de knijpbril die een boek staat te lezen, zou overigens onder het kopje ‘Brillen en blinden’ ook een nadere beschouwing waard zijn geweest. Een symbolische weliswaar: blind zijn staat in die visie voor de jood die weigert Jezus van Nazareth als Christus te erkennen.
Kijk maar naar Rembrandts schilderij Een oude woekeraar (1627, Staatliche Museen, Berlijn), waarop een bebrilde man geld zit te bestuderen (de zogenaamde gierige jood), te midden van allerlei Hebreeuwse geschriften. Of naar Paulus Bors’ De twaalfjarige Jezus in de tempel (1630-1635, Centraal Museum, Utrecht) waarop hetzelfde type man met knijpbril opduikt.

Zo blijft er nog steeds veel te ontdekken op afbeeldingen van mensen met een bepaalde handicap. En in de manier waarop deze is weergegeven en in de literatuur al dan niet adequaat beschreven.

De ontmoetingen van Walter Vilain

Walter_VilainIn het Singer Laren is van 16 juni t/m 30 augustus 2015 een tentoonstelling te zien o.d.t. Belgische schone, met werk van Ensor tot Magritte.

In Mens en melodie (2006/nr 6) schreef ik een artikel over een minder bekende Vlaamse schilder/dichter/ componist: Walter Vilain (zie afb.), dat ik hier herplaats.

In het klooster Eibingen bij Rudesheim wordt het Liber Scivias van Hildegard von Bingen bewaard. Op één van de miniaturen daarin staat Hildegard afgebeeld met aan haar borst Mozes, onder haar hart Abraham en in haar schoot tal van profeten.
Ik moest aan deze afbeelding denken bij het doorbladeren van de monografie die Pieter Van Reybrouck wijdde aan de Belgische kunstenaar Walter Vilain (geb. 1938 in Sint-Idesbald). Vilain heeft, à la Hildegard, heel veel, in zijn geval beeldende kunst verinnerlijkt. Al bladerend vraag je je af: wie spreekt hier door Vilain nog meer tot mij? Zijn het Jan Schoonhoven, Pierro Manzoni, Kurt Schwitters, Rouault, de late Constant? Of moeten we nog veel verder terug in de tijd, naar de Vlaamse primitieven, het Italiaanse Quattrocento? Misschien zelfs naar de kalligrafie uit het oude Japan, zoals ook een compositie als Les Hospices II semi-oosters aandoet. Of het andere uiterste, ook in tijd naar satellietfoto’s van het Nabije en Midden Oosten?
De vraag is echter of dit niet evenveel zegt over wat in mij, de beschouwer (door)leeft. De kunst van Vilain wordt opgeroepen door wat híj heeft gezien en waar híj zich mee verwant voelt. En het kijken ernaar roept herinneringen op aan wat ik tot nu toe in mijn leven heb gezien en in mijn geheugen opgeslagen. Met alle beperkingen en mogelijke vertekeningen van dien, en mede bepaald door de gebeurtenissen van de tijd.

Zo kan het niet anders dan dat Vilains aquarel ’t Laatste Oordeel (1994) anders wordt bekeken als je de gelijknamige polyptiek van Rogier Van der Weyden (Hôtel-Dieu, Beaune) kent. En dat Vilains De globale omarming (1985), waarin een ingepakt bos witte (kunst)rozen aan een deurklink op een golfplaat is bevestigd, als een viool op een werk van Tapiès, na de kindermoorden in België andere gevoelens oproept. Althans bij mij, want Van Reybrouck kijkt er met andere ogen naar. Hij ziet het bosje bloemen als ‘een scheut humor, als tegengif voor de ongenadige roest.’
Op deze manier zijn Vilains werk ontmoetingen. ‘Ontmoetingen met het werk van andere schilders, dichters, filosofen (…). Maar vooral ontmoetingen met de alledaagsheid in haar breekbare glorie. Met de herhaling die zowel verveling als opwinding, gewoonten als verschillen mogelijk maakt.’

Het beeld overdoen
Van Reybrouck laat in zijn boek het werk van Vilain dat van de filosoof Gilles Deleuze (1925-1995) ontmoeten. Het gaat te ver om hier diep op in te gaan, maar in één zin samengevat ziet Van Reybrouck dat Vilain zich ‘in de haptische ruimte’ beweegt (tastend, voelend), ‘nomadisch’ is en ‘de kracht van rizomen’ kent. Met andere woorden: Deleuze ging uit van een ondergronds wortelsysteem (rizoom) waar niets hiërarchisch is, maar heterogeen en verschillende verbindingen aangaat. Het gevolg is ver-beelding, het beeld overdoen in de klassieke zin van het woord: een relatie ermee aangaan, en aldus tot op zekere hoogte een nuancering van het eerder door mij gebezigde – en door Deleuze gehate – begrip ‘verinnerlijking.’

De eerste en grote ontmoeting die Vilains leven als kunstschilder beïnvloedde, was met de Belgische schilder Paul Delvaux (1897-1994). Dit was tijdens zijn studie monumentale schilderkunst (1955-1958) aan de Hogere School voor Architectuur en Decoratieve Kunsten Ten Kameren in Brussel. Niet alleen als schilder ging hij de ontmoeting met het werk van Delvaux aan, maar ook als dichter en componist. Zo schreef hij zelf de teksten voor de Mélodies voor sopraan en piano van zijn cyclus Delvauxiana, die eveneens stukken voor pianosolo omvat.
Op de één of andere manier heeft Delvaux zowel meer componisten als auteurs geïnspireerd. Onder meer Robert Steyaert, die woonde in Sint-Idesbald en als pianodocent was verbonden aan het Conservatorium in Brussel en Vilain heeft gevormd. Vilain beshouwt hem, zoals hij in een gesprek met mij zei, voor alles als zijn ‘spirituele leraar.’ Steyaert was zoon van een schilder en zelf zowel kunstschilder als componist. Onder andere van Hulde aan Paul Delvaux.

Wat de literatuur betreft denk ik aan de romans Het groen van Delvaux (1996) van Willem Brakman en Dossier Delvaux (1997) van Koen Vergeer. Brakman legt in zijn boek het beeld van de halfopen Passage in Den Haag op dat van het schilderij Acropolis (1966) van Delvaux (Musée National d’Art Moderne, Parijs). Zo ziet hij ‘relatie’ en ‘verinnerlijking’ bij in dit geval Villains leermeester in elkaars verlengde: de mens heeft twee zielen, ‘een die naar buiten kijkt (…), en een die naar binnen kijkt.’ Twee absoluten die elkaar ontmoeten als een vrouw uit de alledaagsheid de Danaë van Rembrandt, verinnerlijkt in de vrouw op het schilderij van Delvaux. Delvaux deed met andere woorden het beeld van Rembrandt over. Zo werd híj, aldus Vergeer, uit poëtische verwondering bezield en niet omgekeerd. Gelijk Pygmalion, die volgens Ovidius in zijn Métamorphoses verliefd werd op een door hemzelf vervaardigd beeld.
De twee zielen staan in Delvauxiana in een dynamische betrekking tot elkaar: heftige interrupties en kinderlijke eenvoud in Les Cariatides, boogie woogie en Poulenc in Le viol, het imitatorische en haast minimalistische in Pénélope. Zó te componeren is om Jacques Derrida (1930-2004) – een andere grote Franse filosoof – te parafraseren ‘veinzen zich’ tot Delvaux ‘zelf te richten, in mij buiten mij.’

Niet-verdingde werkelijkheid
Bij deze inwendige ontmoetingen, met Delvaux en anderen, en bij deze uitwendige ontmoetingen, de interpretatie van de toeschouwer en luisteraar, gaat het niet om het vertellen van een verhaal. Vilain denkt zonder woorden, zoals bij de oude Brahmaan van Marapur. De tweede legende van Rabindranath Tagore vertelt dat wanneer Rabindranath de verlichting deelachtig werd, hij begon te zingen. Zonder woorden. Zoals de vocalises, als een echo of als verdubbeling van een trompet (Ouverture) of de strijkers (Balletsuite) in Vilains Coxydeana. Muzikale equivalenten van wat Vergeer kenmerkend voor Delvaux noemde: ‘verdubbeling, herhaling, verwisseling’, Derrida als kenmerkend omschreef voor Celan en Van Reybrouck voor Vilain.

Een schilderij dat veel betekenis onthult en verhult, een muziekstuk dat veel betekenis in zich bergt, de plek van de ontmoeting, de interactie tussen de binnen- en de buitenwereld. Op die plaats, die ruimte in de zin van Maurice Blanchot (1907-2003), ‘het vol-ledige van de leegte’ zoals Walter Vilain het noemt – in dat ene moment, die ene passage licht alles op, wordt de sleutel van het schilderij of het muziekstuk aangereikt, wordt – zoals bij Lucio Fontana (Concetto spaziale, Hamburger Kunsthalle) – letterlijk een blik gegund in de ruimte achter het schilderij, achter het beeld. Het zijn de meest beeldende, niet-verdingde en aan de werkelijkheid ontleende metaforen: het bosje bloemen in het reeds eerder genoemde De globale omarming, de Rialtobrug in Veneziana, het octaaf in Le miroir, de schijnbare gil in Le viol, de unisonopassage (Solitude) in L’echo – herinneringen aan het beeld, aan het woord als van Mnemosynè, de moeder der Muzen, zoals de mijmering in de Toccata uit Veneziana, als

Grida di nuovole
Echi di violini

zoals Vilain dichtte – in zijn eigen vertaling: Hij roept vanuit de wolken / en het weerklinkt als violen.

De plek van de ontmoeting is de ‘Zwischenwelt’, de ruimte tussen beeldende kunst en muziek, ‘de actie van de leegte’ (Vilain) omdat het de plaats is waar beide zich daad-werkelijk manifesteren, de ziel waar ‘eenzelfde observatie’ (Vilain) ontstaat. ‘Muziek is een sculptuur, door het ritme, het élan, de glooiingen, de holtes en het ruimtelijke,’ aldus Walter Vilain tijdens een inleiding tijdens de première van zijn pianocyclus Veneziana, 22 juli 2006 in Koksijde.

Dit midden, deze ruimte is niet alleen de plaats van ontmoeting tussen beeldende kunst en muziek, waar beide uitingen tot hun recht komen, maar ook de plaats waar zij die Vilain inspireerden samenkomen met hen die zijn werk interpreteren. Het midden is het mysterie, het onvernoemde geheim dat zich in ontmoetingen en interpretaties als onder het hart of in de schoot van Hildegard von Bingen vol-ledig prijs geeft.

Hoge kunst in brons gegoten?

SweelinckTijdens de uitzending van ‘Het Filosofisch kwintet’ op 28 juni 2015 werd gediscussieerd over het begrip Bildung. Op een gegeven moment riep Maarten Doorman op tot het erkennen van een canon. Dit werd onderschreven door Eugène Sutortius, mits deze maar niet star is.Over het begrip ‘canon’ hield ik in april 2012 een lezing voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie. Daarvan plaats ik hier het eerste, inleidende gedeelte.

 

 

Inleiding
Het begon allemaal in oktober 2006 – en het is nog steeds niet opgehouden, getuige de Groene Amsterdammer die begin maart 2012 opeens kwam met een zogenaamde zwarte canon, een canon van zwarte bladzijden uit onze geschiedenis.
In 2006 verscheen het rapport entoen.nu van een commissie onder voorzitterschap van Frits van Oostrum, historisch letterkundige aan de Universiteit van Utrecht. Het is een canon, die doorgaat als ‘de’ Canon van Nederland. D.w.z. – volgens Van Oostrum – datgene ‘wat we bij uitstek belangrijk vinden, en (…) aan nieuwkomers en volgende generaties als verplichte kennis(making) willen voorschrijven.’
Dat is nogal wat. Maar Van Oostrum haast zich in het voorwoord tot de Canon van de rooms-katholieke kerkmuziek in Nederland daaraan toe te voegen: ‘Steeds meer met de ambitie ook die andere betekenis van canon recht te doen: samenzang. Dus niet zozeer een wet, maar eerder een appèl.’
Dat moet ook wel, want de beer was los. Neem alleen het onderwerp ‘muziek’: muziek ontbreekt in deze Canon helemaal, al heet de canon ‘een culturele en historische canon’ te zijn, bestaande uit 50 vensters van belangrijke personen, creaties en gebeurtenissen. Daar hoort onze grootste componist Jan Pz. Sweelinck dus blijkbaar niet bij (zie afb.)

Duidelijk moge zijn dat de commissie zelf ondertussen heeft begrepen dat zij zich op glad ijs heeft begeven. Ondertussen wil zeggen: mede dankzij de toenmalige prinses Máxima die een vraagteken plaatste bij het concept ‘nationale identiteit’, – zo dit ooit valide is geweest.
Toch zou het woord ‘venster’ al veel kunnen zeggen; er wordt ons – en dat is in eerste instantie vooral de basisschoolleerlingen waarvoor de Canon is bedoeld – in principe geen spiegel voorgehouden, maar er worden vensters geopend. Dat zou samen moeten kunnen gaan met een minder defensieve en meer positieve benadering van de Canon. Opvallend in dit verband is, dat medelanders vaak wel positief op het verschijnen van de Canon hebben gereageerd.
Ook positief is, dat de commissie genegen is te luisteren naar kritiek. Zo is er sinds het verschijnen een nieuw venster, Christiaan Huygens, gekomen. De boekdrukkunst heeft daarvoor overigens plaats moeten maken, omdat het geen uitgesproken Nederlands fenomeen is en elders in de Canon al voldoende wordt belicht (de Statenbijbel, de Bleau-atlas).
Na het verschijnen van de Canon heeft de Boekmanstichting een apart nummer van hun periodiek Boekman aan het thema ‘canon’ gewijd. Aan dat nummer ontleen ik vervolgens de volgende karakteristieken.

Karakteristieken
In deze Boekman associeert Anita Twaalfhoven in haar redactioneel rond het woord ‘canon’: ‘Volgens Van Dale dient een canon als “leidraad” of als “richtsnoer” en is canoniseren “tot norm verheffen” (…). Maar (…) wie ervan uitgaat dat een culturele canon per definitie exclusief Nederlands dient te zijn, wijkt uit naar discussies rond nationale identiteit en nationalisme. Wie canoniseren bij voorbaat opvat als een poging om hoge kunst in brons te gieten, ziet het als een synoniem voor uitsluiting van populaire cultuur. En wie de canon als een dwingende handleiding ervaart, zet zich eerder schrap dan degenen die dit als een open handreiking benaderen.’
In deze Boekman wordt voor het volgende uitgangspunt gekozen: het zichtbaar maken ‘hoe sterk verschillende culturen met elkaar zijn verweven, bijvoorbeeld door kunstwerken te kiezen waarin die culturen samenkomen.’ Een lovenswaardig streven mijns inziens. Sweelinck zou ermee gelegitimeerd zijn geweest!

Eén van de eerste bijdragen is van de hand van Thijs Adams. Hij neemt de canonvorming in Finland als voorbeeld. ‘Alle Finnen houden van Sibelius. En misschien wel het allermooiste stuk van Sibelius is Finlandia (…). Paradoxaal is dat die conservatieve Finnen niet wegblijven wanneer in hun Nationale Opera door hun professionele orkesten hedendaagse Finse muziek wordt gespeeld [ik denk aan Kaija Saariaho, vS]. Hoe steviger hun kern, hoe meer beweging in de periferie zij verdragen. Daarom is Finland in zoveel opzichten een innovatief land. Vernieuwingen aan de rand hebben aan de kern tot nu toe geen afbreuk gedaan.’ Je hoort hem denken: ‘Kom daar in Nederland maar eens om!’

Eén van de volgende schrijvers is Francois Stienen, die nog een ander argument in de strijd gooit. Namelijk: bij het samenstellen van – hij noemt als voorbeeld – de Nederlandse filmcanon, had alleen uitgegaan moeten worden van ’de cinematografische kwaliteit’.
Dat is een terugkerend probleem: ga je bij literatuur bijvoorbeeld uit van het spel met de taal of van de inhoud, – van vorm of vent? Of mag het allebei en kom je dan niet automatisch uit bij tijd- en contextgebonden criteria?
Of, zoals Marita Mathijsen in een nawoord bij een recente uitgave van Multatuli’s Max Havelaar het canonieke van dit boek onder meer verbindt met de rol van Multatuli: hij werd een ijkpunt van politiek correct gedrag. Ikzelf opteer overigens zelf voor contextgebondenheid.

Deze contextgebondenheid sluit aan bij de wat Paul Schnabel noemt ‘de symbolisering van een culturele en historische gemeenschap.’ Waarbij opgemerkt dat [ik citeer Schnabel] ‘in de Nederlandse historische canon overigens wel een interessante poging is gedaan om met thema’s als “slavernij” en “jodenvervolging” ook ruimte te maken voor schaamte en schuld.’ Wat niet wegneemt, dat de Groene Amsterdammer als gezegd toch met een ‘zwarte canon’ kwam.

Peter Hecht, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, hanteert in dit verband het begrip ‘opgerekte canon.’ Want, schrijft hij, ‘toen was daar ineens het verlangen naar een bredere canon die weinig of niets met kunst en kennerschap en een oordeel over kwaliteit te maken heeft. Het begrip werd opgerekt tot “het geheel van teksten, beelden, kunstwerken en gebeurtenissen dat het referentiekader is van een gedeelde cultuur of religie” en Rembrandt kreeg gezelschap van de Zilvervloot en Sinterklaas. De canon lijkt nu te zijn geworden wat een Nederlander kennelijk moet weten om zijn plaats in Nederland te verdienen.’ Of misschien, positiever gezegd: tot een lijst van erfgoed.

Ik heb de eerste bijdrage aan Boekman tot het laatst bewaard. Die eerste bijdrage is van Merlijn Schoonenboom. Hij maakt een onderscheid tussen canons en lijstjes die je ‘vroeger gewoon top-10 of top-40’ zou noemen, ‘maar sinds 2006 zonder schroom tot “canon” zijn verheven.’ Als voorbeeld noemt hij dan Komrij’s Canon uit 2008, ‘met 100 onontkoombare gedichten die iedereen in zijn bagage zou moeten meedragen.’ Hij zet ook zo zijn vraagtekens bij een canon die tegelijk open is voor discussie. Typisch Nederlands, vindt hij dat. Het zij zo.

Vroege Frank Martin

Frank MartinTijdens de uitzending van Podium Witteman op 26 april jl. bracht zangeres Cora Burggraaf met pianobegeleiding de eerste uitvoering van de door de weduwe van de componist, Maria Martin-Boeke in een la gevonden compositie Le roi a fait battre tambour uit 1916 van Frank Martin (zie foto). Op 13 mei zal in Winterthur (Zwitserland) o.l.v. Jac van Steen de première met orkest worden gegeven.
Ter gelegenheid hiervan herplaats ik enkele gedeelten uit een artikel over Martin dat ik schreef voor
Mens & Melodie (4/1980) onder de titel Het eclecticisme van Frank Martin.

 

Men heeft Frank Martin (1890-1974) wel een eclecticus genoemd. Marius Monnikendam meende dat Martins oeuvre is gebouwd ‘op een solide basis van nobel vakmanschap, maar op de keper beschouwd (…) een eigen stem [mist]’ (in: Nederlandse componisten van heden en verleden, p. 186). Maar is eclecticisme wel synoniem aan oppervlakkigheid en opportunisme?

Martins eclecticisme is een erudiete synthese van tonaliteit en de twaalftoonsmuziek van Arnold Schönberg en Alban Berg, en tevens van het Duitse en Franse idioom dat hem in zijn jonge jaren had aangetrokken en doorklinkt in de recent gevonden compositie. Erudiet omdat Martin blijk gaf van een grote veelzijdigheid, een grote kennis van andere zaken dan alleen muziek, naast een goede smaak en kritische zin.

Behalve de eenheid Duits-Frans idioom, treffen we bij Martin ook de eenheid theorie-praktijk en rationaliteit-gevoel aan. Daarnaast tonen met name de derde akte van Der Sturm, de Ballades en het oratorium Golgotha – dat is geïnspireerd op Rembrandts licht-donkerets De drie kruisen – een typerende synthese van lyriek en epiek.

In landen waar verschillende cultuurelementen naast elkaar bestaan, is het te verwachten dat deze op elkaar inwerken en samensmelten. Vaak gaat het dan om elementen van buitenaf die daarom opmerkelijk genoeg een des te grote aantrekkingskracht schijnen te bezitten. Bepaalde zaken werden uitgezocht (vandaar het – Griekse- woord ‘eklegein’ = uitkiezen) en in gunstige zin tot een nieuwe eenheid samengesmolten.

In Martins geboorteplaats Genève maakte hij meer dan met de Franse muziek kennis met de muziek van Bach, de Weense klassieken, Brahms, Richard Strauss en Mahler. Ook in het huis van dominee Charles Martin en Pauline Duval speelde de Duitse cultuur een grote rol. Op de vraag van J.-Cl. Piguet of Martin zich meer Frans dan Duits voelde, antwoordde hij: ‘Je peux répondre: ni l’un, ni l’autre’ (in: Entretiens sur la musique, p. 15).

‘Zwitserland’, schreef K.H. Wörner, ‘neemt onder de Europese muzieklanden in onze eeuw [lees: de 20ste eeuw, vS] een aparte plaats in. Zijn positie wordt evenzeer bepaald door de conservatieve houding als door de ontvankelijkheid voor het nieuwe (…). Alle componisten grepen aan wat hun geboden werd om het in hun persoonlijke opvatting te verwerken’ (in: Hedendaagse muziek in de Westerse wereld, p. 250). Tot een liedje zoals dat nu is gevonden aan toe.

Aus Liebe

Rembrandt_NachtwachtHet is maar hoe je het bekijkt. Volgens de organist Kees van Houten is Bachs Matthäus Passion opgezet in de vorm van een kruis. Op het middelpunt daarvan zit de verloochening door Petrus, de volgens hem mooiste aria Erbarme dich en het aansluitende koraal ‘Bin ich gleich von dir gewichen’ (nr. 38-40).

 

Maar je kunt de Matthäus ook vanuit een symmetrische opbouw bekijken en dan komt er iets anders uit naar voren. Dan staat een andere drieslag in het midden: het koraal ‘Wie wunderbarlich ist doch diese Strafe!’, het recitatief ‘Er hat uns allen wohlgetan’ en de aria ‘Aus Liebe’ (nr. 19-22). Als het goed is ervaar je dat ook tijdens een uitvoering: de liefde, om die as draait alles.

En dan licht de boodschap van de Matthäus op als het meisje op Rembrandts Nachtwacht, die immers qua vorm breder is geweest. Zij vormt dan het eigenlijke middelpunt, de eigenlijke boodschap van het schilderij.

Het is als met de vergelijking die een predikant in een dienst maakte. Op een streng protestantse school vroeg de juf aan Jantje waaraan hij moest denken bij een bruin beestje met een lange staart dat in de boom kruipt en beukennootjes eet. Jantje verzuchtte: ‘Het klinkt als een eekhoorntje. Maar het zal Jezus wel weer zijn.’ Zo is het volgens hem ook met het lijdensevangelie: het zal de liefde wel weer zijn. Ook, denk ik, volgens Bach en de Matthäus Passion.