De tweede helft

Onlangs verscheen mijn boek Tweespraak. Muziek in de gedichten van Anna Enquist (zie afb. rechts en link onderaan deze blog).
Hieronder treft u, om er een idee van te krijgen, een kort hoofdstuk aan. Over de bundel
De tweede helft (2000) van Anna Enquist.

1 De bundel
De omslag van deze bundel wordt gesierd door het bekende schilderij Snijden aan gras (1966) van Co Westerik[1]. Eerder koos Enquist al een doek van hem voor het omslag van haar debuutbundel, Soldatenliederen. Nu betreft het een grasspriet die in een vinger snijdt. De grasmat van een voetbalveld, Enquists geliefde sport waarover ze ook schreef, maar het is ook de snee die het leven in een eerste en tweede helft verdeelt.

Deze bundel is verdeeld in vijf afdelingen: ‘De plaatsen’, ‘Achteruit’, ‘De wegen’, ‘Vooruit’ (waarin het titelgedicht ‘De tweede helft’) en ‘Stilstand’.
In deze bundel staat slechts één gedicht over muziek: ‘Mozarts uitzicht’ [2]. Het is een gedicht in twee strofes van elk zeven regels (een septet), samen veertien regels.

Van Mozarts composities worden twee werken genoemd: het ‘Lacrimosa’ uit het Requiem en de opera Le Nozze di Figaro, maar ze staan niet onderaan het gedicht vermeld, als ‘bronvermelding’, zoals in Soldatenliederen, of als titel bovenaan, zoals ‘Erbarme dich’ (de aria uit Bachs Matthäus Passion), een klassiek sonnet in Jachtscènes, en zoals bij ‘Ik speel de Serenade van Suk’ in Een nieuw afscheid.

2 Mozarts uitzicht
Eerst het gedicht zelf. Het is een verhalend gedicht dat in twee strofen van elk zeven regels uiteenvalt en dat gaat over een gezin dat drie dagen de koortsige muzikant Mozart achterna loopt. Dit koortsige wordt uitgedrukt in de ritmische afwisseling van lange en korte klinkers: “Door Wenen” (r. 1, lang) en “muzikant achterna” (r. 2, kort), “traptreden” (kort) en “kroop” (r. 3, lang), “blote handen” (r. 4, kort) en “schoorsteen” (r. 6, lang), “Japanse vrouwen” en “Lacrimosa” (r. 9, kort), “koptelefoons” en “Spanjaarden” (r. 9), “floten de Figaro” (kort) en “schoolkinderen renden” (r. 10, lang en kort) “rond” en “muren” (r. 11, kort), “wangen” en “raam” (r. 13, kort en lang), “zagen wat gezien was: de Bloedsteeg” (r. 14, allemaal kort op Bloedsteeg na).

Als lieux de mémoires worden de traptreden beklommen, waar eens Mozart overheen rende. Om hen heen horen ze flarden muziek uit koptelefoons en in het gefluit van Spanjaarden. Ze zien kinderen die rond vitrines in hoogstwaarschijnlijk het Mozarthaus rennen, en ze zien wat Mozart eens zag: de Blutgasse, de Bloedsteeg bij het Mozarthaus.
Wat opvalt, is dat de ik-figuur dit allemaal niet alleen waarneemt, maar als onderdeel van een familie met de verwanten deelt, als gezamenlijke ervaring van leven (Le Nozze di Figaro) en dood (Requiem en Blutgasse). Al is het verhaal dat over de Blutgasse de ronde doet, namelijk de moord op Tempeliers (1312) die op deze plaats zou zijn voltrokken – overigens niet vermeld in het gedicht – een legende.

Dit brengt mij naar het door Enquist zeer bewonderde werk van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernard (1931-1989), over wie in haar Tegenwind een uitgebreid essay is opgenomen, gebaseerd op een ongepubliceerde en verloren gegane lezing[3]. Op een gegeven moment heeft Enquist het over Bernards “ontroerende roman Alte Meister”. Ze schrijft dat hij “troost kan zoeken en vinden bij de mensen tegen wie hij zich vroeger moest afzetten”[4]. “Het is”, schrijft ze, “alsof Thomas Bernard (…) zich een (…) bestaan heeft kunnen gunnen met zijn familie”[5].

In 2000 schreef ik een kort artikel over de “prachtige, korte roman Alte Meister, zijn meest humane boek”[6]. Een boek waarin de verhouding tussen beeldende kunst en muziek centraal staat, zoals literatuur en muziek in de onderhavige gedichten van Enquist. De hoofdpersonen, zaalwacht Insigler in het Kunsthistorisch Museum in Wenen en muziekfilosoof Reger spiegelen elkaar. Die spiegelingen zitten ook in de overpeinzingen over Francisco Goya (1746-1828) en Beethoven, natuur en kunst. Uiteindelijk blijkt dat Reger in de kunst vlucht om aan het leven te ontkomen. Hij gaat naar de oude meesters kijken (met name Tintoretto’s Portret van een man met witte baard) om verder te kunnen leven na de dood van zijn vrouw. Totdat hij op een gegeven moment ontdekt dat het allemaal leuk en aardig is om dat alleen te doen, maar dat het veel mooier is om dat met anderen samen te ondernemen. Het gaat hem niet om ‘een’ man met een witte baard op een schilderij, maar om een mens in levenden lijve.

Het is niet moeilijk deze conclusie specifiek te verbinden met het gedicht ‘Mozarts uitzicht’ van Enquist: het is mooi te kijken met de ogen van Mozart, maar veel mooier om dat samen met anderen, in dit geval het gezin van het lyrisch ik, te doen. Het doet pijn wanneer een deel daarvan – een echtgenote, een kind – is afgesneden.

[1] Zie: https://www.stedelijk.nl/nl/collectie/306-co-westerik-snijden-aan-gras
[2] Enquist, A. (2000). Gedichten 1991-2012, p. 271. Amsterdam: De Arbeiderspers.
[3] Anna Enquist, ‘De paardendeken’, in: Tegenwind, p. 115-125.
[4] Id., p. 123.
[5] Id., p. 125.
[6] Swol, E. van (2000). ‘Thomas Bernard: Alte Meister, in: De Rode Leeuw, nr. 120, 20 juni 2000, p. 8-9.

https://gopher.nl/shop/title.asp?id=14230
https://www.bol.com/nl/nl/p/tweespraak/9300000153232262/?bltgh=lpq0Rk1qttUDdizDVvFDDw.2_6.7.ProductPage

 

Een prachtuitgave

Wat een omslag ontwierp Martien Frijns voor Zeven omhelzingen van Friederike Mayröcker (1924-2021) in een vertaling van Ton Naaijkens! Om zomaar te nomineren voor het beste boekontwerp van (de eerste helft van) dit jaar.

De titel van de zeven gedichten, die afkomstig zijn uit de bundel von den Umarmungen (2012) van de Oostenrijkse dichteres, is opgeknipt in vier woorden, die elk op zich de inhoud van de gedichten raken. Met name ‘hel’ en ‘zingen’. Een hel is het, na de dood van haar levensgezel, de dichter Ernst Jandl (in 2000). Om over te zingen, want praten kan haast niet. Ze deed het eerder indirect, via de levens van de componisten Brahms, Clara en Robert Schumann (in: vom Umhalsen der Sperlingswand, 2011). Of was het ook hier Jandl, al werd diens naam niet genoemd?

In deze bundel heet hij voornamelijk eenvoudigweg HEM en ZIJN ‘smartvolle glimlach’ en ‘hand’. Het lyrisch ik wuift HEM na, in de lege (!) karos met brandende lantaarns aan weerszijden ervan. Het rijtuig voor de Sophiensäle, een concertzaal in Wenen, de stad waar ze woonden. De poort ervan komt vaker in de gedichten voor. Net als muziek, zoals in het laatste gedicht dat ze ‘uit eenzaamheid’ componeerde, ‘om ½ 5 des ochtends’.
Hier zijn het geen twee lantaarns, maar twee perenbomen die aandacht vragen. Bomen die vrucht dragen, zoals de gedichten van Jandl ons bijblijven.

Het gaat hier niet over zingen, maar over innig pianospel. Het lied komt (uiteraard, zou ik zeggen; zie het omslagontwerp) al in het eerste gedicht voor: ‘O Silvia’, waarmee wordt verwezen naar het gelijknamige lied van Franz Schubert. Het spookte in haar rond terwijl ze huilt en de winter tegen het raam tikt als een klok. De winter mede als symbool voor de ziel die in contact staat met de dode.
Het getik doet ook denken aan de witte handschoenen van de ruiter die in een ander gedicht tegen de ruit van de koets tikt, terwijl de vrienden wederom in de sneeuw staan en wuiven. Het lyrisch ik zoekt zichzelf, maar vindt het niet. Het is een stukje mee doodgegaan.

Een keer noemt de dichteres de initialen van Ernst Jandl, EJ, wanneer het over diens graf gaat: ucelli ucellini, een heel klein vogeltje dat uit z’n nest is gevallen. Het nest in een wit bloeiende appelboom.
Een andere kleur die veel opduikt, is groen. 1) Het groene aardewerk bord (‘den / grünen Steingutteller’), een groen laurierboompje, groene sneeuw, waterputgroen, groen water. Daarom zijn de groene foto’s van plant- en boomfragmenten van de natuurfotografe Ruth van Crevel (1926-2022) die in deze bundel zijn opgenomen zo treffend gekozen.

Een prachtuitgave ter gelegenheid van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2023 aan Ton Naaijkens. Later dit jaar wordt de volledige bundel van Mayröcker bij de Stichting M10boeken uitgegeven.

———

1) Zou hier ook nog ten diepste worden gerefereerd aan liederen van de Oostenrijkse componist Franz Schubert? De filosofe Susanne Langer wijst in haar Over de betekenis van muziek (uitg. LETTERWERK, Borgerhout, 2023) op diens lied ‘In Grün will ich mich kleiden’ en schrijft dan: ‘waar de woorden Mein Schatz hat’s Grün so gern’ (…) op een heldere en hoge frase gezet zijn, om onmiddellijk te worden herhaald in een lage en vlakke frase, die als een sombere ondertoon volgt’ (p. 144). Over zingen gesproken …

Friederike Mayröcker: Zeven omhelzingen
Vert.: Ton Naaijkens
Met nawoord
Foto’s: Ruth van Crevel
Uitg.:Stichting M10boeken
Pagina’s: 40
ISBN 978 94 93332 03 4
Prijs: € 15,–

Poulenc en Bellano

Elk jaar probeer ik een voor mij tot dan nog onbekend stuk muziek voor de passietijd te leren kennen. Zo kwamen afgelopen jaren onder meer voorbij: de Brockes Passion van Georg Friedrich Händel, Golgotha van Frank Martin, de Johannes Passion van Arvo Pärt, Deus Passus van Wolfgang Rihm en Der Tod Jesu uit 1755 van Carl Heinrich Graun (1703/1704-1759).

Dit jaar kwam er niets op mijn pad, tot het laatste concert in een abonnementsserie in het NTR ZaterdagMatinee. Het was aan de vooravond van Pinksteren dat er tijdens het concert door Polyphony o.l.v. Stephan Layton een kort koorwerk van Francis Poulenc (1899-1963, foto hierboven) klonk, voorafgegaan door Quatre motets (1938-’39) van dezelfde componist. Die motetten kende ik, maar zijn Salva regina (1941) niet. Daar draait het in deze blog om.

Francis Poulenc
Vreemd eigenlijk dat ik het stuk (nog) niet kende, want ik ben een liefhebber van de muziek van deze Fransman. Zijn muziek is voor mij het ultieme samengaan van eenvoud en diepgang, wereldlijk en geestelijk. Ik kan me herinneren dat ik bij mijn hoboleraar Leo van der Lek bedelde om Poulencs Sonate in te mogen studeren. Dat mocht uiteindelijk, maar eerst moest ik me door die van Paul Hindemith heen worstelen. En dat is andere koek.

Poulenc dus. Het stuk werd me een dag nadat ik uit Londen terugkeerde in de schoot geworpen. In Londen had ik de prachtige tentoonstelling met werk van Donatello (1386-1466), voorlopers, geestverwanten en navolgers bekeken in het Vicatoria and Albert Museum. Net als Poulenc een lieveling van me. Eigenlijk hebben ze wel wat met elkaar gemeen, bedenk ik me.

Donatello
Ik had me voor ik op reis ging ingelezen in de mooi uitgevoerde catalogus die bij de tentoonstelling hoort. Onder meer over recente inzichten m.b.t. de Lamentation over the Dead Christ (ca. 1470-’75) van Bartolomeo Bellano (1437/8-1496/7). Bellano werkte in zijn geboorteplaats Padua nauw samen met Donatello. Voor de kerk van Santissima Trinità maakte hij genoemd reliëf in marmer. We zien mensen met hun mond open. Het lijkt in eerste instantie – en dat heeft men lang ook zo geïnterpreteerd – of ze weeklagen. Op een man linksboven na, wellicht de schenker van het stuk, die onbewogen in gedachten lijkt verzonken. Nu wordt er, lees ik in de catalogus, over het algemeen gedacht, dat de mensen niet weeklagen maar zingen.

Terug naar Poulenc en zijn Salve regina voor gemengd koor. Volgens het programma-boekje bij het concert heeft de eenvoudige zetting van de woorden ‘het karakter van het gebed’, zoals de man op de Lamentatie van Bellano dat wellicht internaliseerde. Het is in beide gevallen van een eenvoud die diep raakt. Misschien juist dóór die eenvoud. En door die sopraanpartij die op een gegeven moment een halve toon hoger gaat dan je als luisteraar zou verwachten. Net als die ene man die afwijkt van het geheel en toch, net als de sopranen, deel van het geheel uit blijft maken.

Er wordt gezongen tot Maria, door

… ballingen, kinderen van Eva;
tot u smeken wij, zuchtend en wenend
in dit dal van tranen.

Zo mooi om kennis mee te hebben kunnen maken. Met Poulenc én met Bellano. Over de eeuwen heen geven ze elkaar een hand.

Opname van het Salve regina van Poulenc door het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Eric Ericson (1918-2013): https://www.youtube.com/watch?v=MspO4U3f0Iw

De ontwikkeling van ethiek

8WEEKLY vroeg aan de medewerkers, wat hun aanrader uit 2021 was (zie linkje hieronder). Ik dacht, na een dichtbundel van Jabik Veenbaas die echter al in 2020 was verschenen, aan het boek Morele vooruitgang in duistere tijden. Universele waarden voor de 21ste eeuw van de Duitse filosoof Markus Gabriel (Boom Uitgevers, 2021). Dit boek had ik gewonnen bij een actie van Filosofie Magazine en heb het met grote interesse gelezen. Omdat het onmogelijk is dit boek in een podcast bijdrage van ruim een minuut recht te doen, ga ik er in deze blog dieper op in: waarom is het dan een aanrader? Ook plaats ik er ondanks dat, toch enkele kanttekeningen bij.

Enkele begrippen
Om te beginnen: wat zijn universele waarden volgens Gabriel? Hij zegt: ‘Goed en kwaad zijn universele waarden: het goede is universeel moreel vereist – ongeacht groepslidmaatschap, cultuur, smaak, geslacht, klasse en ras – terwijl het kwaad universeel moreel verboden is.’ Gabriel gaat uit van het Verlichtingsdenken, dat hij nieuw leven in wil blazen. Verlichting is datgene dat volgens hem ‘helpt in dit soort duistere tijden. Ze veronderstelt het licht van de rede en daarmee ook een moreel verstand.’ Waar hij op aanstuurt, noemt hij een nieuwe verlichting, een moreel realisme, het ontdekken van vormen van nieuwe morele gedachten. Het boek is dan ook bedoeld voor lezers, ‘die bereid zijn om door middel van de rede tot een moreel oordeel te komen.’

Vooruitgang – een ander begrip uit de titel – is ook niet intrinsiek goed of kwaad. We mogen immers ‘nooit vergeten wat er in het Duitse Rijk is gebeurd, omdat het ons heeft laten zien dat de mens in staat is om systematisch radicaal kwaad te organiseren met behulp van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.’ Wat nodig is voor morele vooruitgang, is ‘een praktijk van vergeving, verzoening, verdraagzaamheid en voorzichtige, aftastende gesprekken.’

Onder morele vooruitgang schaart Gabriel onder meer ‘het opblazen van het systeem van stereotypen, zodat we ieder mens in de eerste plaats als mens kunnen onderkennen en erkennen.’ Covid-19 leidt volgens hem tot het onder druk verenigd zijn van de mensheid, waarmee hij echter de tweedeling die er ook door ontstaat helaas niet onderkend.
Morele vooruitgang wordt geblokkeerd door ‘nepnieuws, digitale bewaking, propaganda en cyberoorlogsvoering.’

Kernthema’s
Tot zover enkele begrippen uit de titel van het boek. De kernthema’s die Gabriel onder de loep neemt, zijn: realisme, humanisme en universalisme. Waar hij zich tegen afzet, zijn: waardenpluralisme, – relativisme en -nihilisme. Zo zet hij zich bijvoorbeeld af tegen de cultuurstrijd van Samuel P. Huntington, en stelt daar de ideeën van Nobelprijswinnaar Amartya Sen tegenover. Het postmodernisme is hem een doorn in het oog en hij noemt dat ‘willekeur’ en ‘onzin’.

Hij geeft hoog op van kunst en cultuur, omdat deze ‘onmisbaar [zijn] voor de ontwikkeling van onze ethiek. Zonder ficties en hun verspreiding in de samenleving is een morele opvoeding onmogelijk. Het is geen toeval’, schrijft hij, ‘dat totalitaire systemen de artistieke vrijheid beperken – ze willen de verbeelding van hun onderdanen aan banden leggen’. In het verlengde daarvan ziet hij geen enkele reden om tolerant te zijn tegenover intolerantie, geen enkele reden om in gesprek te gaan met radicale politici, ‘omdat de basisregels van een dergelijke discussie niet worden geaccepteerd binnen de ideologie van de gesprekspartner.’ Een mooi voorbeeld in Nederland is de weigering van de gemeenteraad in Amsterdam, die onlangs weigerde te discussiëren over de vergelijking van de sjoah en de coronamaatregelen. Er zou volgens raadslid Gertjan van den Heuvel (CU) hiermee een grens worden overschreden.

Immanuel Kant
Er staan prachtige stukken in het boek. Ik denk bijvoorbeeld aan Gabriels uitleg van Kants ‘beroemde strenge verbod op liegen’. Onlangs kwam het nog langs, toen NPO2 Extra de film Irrational Man van Woody Allen (2015) vertoonde. De hoofdpersoon, filosofieprofessor Abe Lucas, zette daar een vraagteken bij dat je vaker hoort, – in de woorden van Gabriel: ‘Stel we verbergen in een totalitaire dictatuur een vervolgde familie in de kelder en liegen tegen de politie wanneer die aan de deur staat en vraagt of we de familie in kwestie hebben gezien.’ Gabriel legt uit, dat ‘wie een onwaarheid vertelt om een gezin dat zich in de kelder verstopt te beschermen tegen een wrede, onrechtvaardige overheid, niet liegt, want het doel is (…) niet om een voordeel te behalen, maar om de veiligheid van het gezin te waarborgen.’

Duitsland enzo
Nu is het niet zo, dat ik het met alles wat Gabriel stelt eens ben. Zijn blik is mij soms wat te eng op Duitsland gericht, en dan krijg je een zin als: ‘Natuurlijk zijn er veel fraaie successen geboekt op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek: de uitvinding van de boekdrukkunst, de symfonieën van Beethoven …’. Oké dat eerste klopt, dat tweede niet – Beethoven schreef alleen zijn eerste twee symfonieën in Bonn, de rest in Wenen; hij wordt niet voor niets tot de Weense klassieken gerekend (Haydn, Mozart, Beethoven).
Minder storend is Gabriels voorliefde voor het Duitse idealisme, met Kant, Fichte, Schelling en Hegel.

Storend is wel weer zijn louter negatieve benadering van sociale media (‘zonder Twitter en Facebook zou Trump waarschijnlijk nooit president van de VS zijn geworden’, een rol die wellicht eerder geldt voor de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021), waar hij op andere plaatsen wel ontwikkelingen van meerdere kanten kan bekijken en wijst op eenzijdige mensbeelden als ‘het idee dat de geest identiek is aan neuronale processen, de homo economicus [en] de ontkenning van het bestaan van de vrije wil’. Smakeloze uitglijders als ‘De eenentwintigste eeuw zal het tijdperk zijn van de pandemie van de nieuwe verlichting als gevolg van globalisering’ en: ‘We moeten ons allen tezamen inenten tegen het mentale gif dat ons verdeelt’ vormen gelukkig een zeldzaamheid.

Tenslotte
Universele ethiek staat lijnrecht tegenover de moraal die de inmiddels overleden Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks in zijn boek Moraal (Uitgeverij KokBoekencentrum, 2020) beschreef, en waar ik eerder (kritisch) over blogde. Immers: monotheïsme is volgens Gabriel ‘geen geschikte basis voor een universele ethiek, omdat universele waarden geen goddelijke steun nodig hebben’. Als voorbeeld noemt hij allereerst het feit dat ‘er geen absoluut gebod [is] dat voorschrijft dat men moet glimlachen naar voorbijgangers. Toch verbetert de geluksbalans van de maatschappij als we ons voornemen om anderen en onszelf een prettig gevoel te bezorgen’. Voorts noemt hij het feit ‘dat men kinderen niet mag martelen’, wat ‘niet alleen een beslissing [is] van God waaraan men zich moet houden (…), maar een moreel feit dat met of zonder God geldt.’
De Tien Geboden acht hij niet ‘geschikt als basis voor welke ethiek dan ook (zelfs niet voor een christelijke ethiek die hoe dan ook niet kan bestaan, omdat een ethiek die christelijk zou zijn daardoor haar universele geldigheid zou verliezen)’. Over de zeven universele Noachitische of Noachidische geboden of voorschriften heeft Gabriel het helaas niet.

Rest echter gelukkig meer dan genoeg interessants om dit boek van harte aan te kunnen bevelen, zoals ik in de podcast van 8WEEKLY en hier uit de doeken deed. Een boek dat ik voor het overgrote deel met veel instemming en herkenning heb gelezen. Iets wat ik van het boek van Sacks helaas niet kon zeggen.

Markus Gabriel: Morele vooruitgang in duistere tijden
Vert. Huub Stegeman
Boom Uitgevers, 2021
ISBN 978 90 2443 663 7
Prijs: € 24,90

Linkje naar genoemde podcast van 8WEEKLY: https://open.spotify.com/episode/6QMHKvMo1Gy7w3oMAnKYKT?go=1&sp_cid=d23ca7030e6da31319547f3be4d68ee9&utm_source=embed_player_p&utm_medium=desktop&nd=1
Mijn bijdrage begint op 26’04”

Jan Dismas Zelenka

Op dinsdagavond 30 oktober, op de vooravond van Allerheiligen en Allerzielen, organiseert de Amsterdamse Sint Nicolaasbasiliek in samenwerking met De Nieuwe Philharmonie Utrecht (NPU) het Nationaal Allerzielen Concert. Allerzielen (‘de herdenking van alle zielen’) is de dag waarop in de katholieke kerk alle overledenen worden herdacht. Gedichten en muziek roepen herinneringen en beelden op van geliefden die er niet meer zijn en bieden troost voor de achterblijvers. Klanken die elk geloof of elke levensovertuiging overstijgen en die mensen verbindt. Dit jaar met werken van Bach, Vivaldi en Zelenka. 
Zijn Lamentaties of klaagzangen behoren tot de meest aangrijpende meesterwerken uit de Barok. Vivaldi’s ‘Stabat Mater’ verbeeldt het verdriet van Maria, die rouwt om het verlies van haar zoon Jezus. Bachs cantate ‘Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust’ geldt als een van zijn mooiste en meest aangrijpende cantates. Het programma wordt aangevuld met gedichten van de veelvuldig bekroonde dichteres Joke van Leeuwen.
Op 14 september 2017 hield ik een inleiding over de componist Jan Dismas Zelenka, die ik hier ter inleiding op het concert in de Sint Nicolaasbasiliek publiceer.

Inleiding
Het is opvallend, dat over leven en werk van de Boheemse componist Jan Dismas Zelenka, die lang heeft gewerkt aan het hof van Dresden (in het vroegere Oost-Duitsland), tot nu toe slechts één volwaardige biografie bestaat, geschreven door Janice B. Stockigt, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Melbourne. Ook dát is opvallend, want het betreft hier dus geen Tsjechische auteur of Duitse schrijver. In recensies wordt dit wel verklaard vanuit het gegeven dat dergelijke componisten, zoals ook Händel die in Duitsland werd geboren maar het grootste deel van zijn leven in Engeland heeft gewoond en gewerkt, in beide landen worden genegeerd. Waarom, is deels van praktische aard en deels cultureel bepaald. In de eerste plaats kan het moeilijk zijn om het bronnenmateriaal in verschillende vreemde talen te raadplegen, in de tweede plaats is het de vraag tot welke muzikale traditie de componist nu kan worden gerekend: de Boheemse of de Duitse, de Duitse of de Engelse? Daarbij komt ook nog dat wetenschappers primair in hun eigen land en taal publiceren en dat – in het geval van Zelenka – er sprake is van relatief jonge landen: Tsjechië en (herenigd) Duitsland. Ook speelt een rol dat Zelenka, in tegenstelling tot Händel, een rooms-katholiek componist was.
Stockigt heeft het voordeel dat ze zowel Tsjechisch als Duits beheerst en dus in staat is bronnenmateriaal in de originele talen te raadplegen. Bovendien schroomde ze niet om de rooms-katholieke context uitvoerig te belichten, door het Jezuïetenarchief in Dresden te raadplegen. Op die manier wordt voor het eerst dieper ingegaan op Zelenka als componist van kerkmuziek, waarbij ze in staat is diens grote originaliteit te belichten.
Bij het voorbereiden van deze inleiding heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het boek van Stockigt (2000).

Leven en werk
Jan Dismas Zelenka werd op 16 oktober 1679 in Launovice, ten zuid-oosten van Praag als zoon van een getalenteerd geslacht van Boheemse musici. De eerste lessen kreeg hij van zijn vader, die cantor-organist in Launovice was.
Op zijn 20ste schreef hij muziek voor een schoolopvoering, die helaas verloren is gegaan. Om zich muzikaal verder te bekwamen, werd hij naar Praag gestuurd, naar het Collegium Clementinum van de Jezuïeten (1704). Hier componeerde hij zijn eerste werken die wel bewaard zijn gebleven, zoals drie cantates.
In 1710 of 1711 was zijn opleiding voltooid en kreeg Zelenka een aanstelling als violonebespeler (vijfsnarige contrabas) aan het hof van Friedrich August I (August de Sterke) van Saksen en Polen te Dresden, een rooms-katholiek hof te midden van de Lutherse bevolking van Saksen. Voor de gezongen mis componeerde hij missen en andere geestelijke werken, maar hij was niet de eigenlijke kapelmeester, dat was Johann David Heinichen.
In Dresden heeft hij Bach en diens zoon Wilhelm Friedemann leren kennen. Bach beschouwde hem als een van de belangrijkste componisten van zijn tijd.
In 1715-1716 vertoefde Zelenka in het buitenland, onder meer voor het eerst in Wenen. Hij deed dit op kosten van het hof met de bedoeling zich nog verder te bekwamen. Zijn leermeester was Johann Joseph Fux, die hem vervolgens naar Italië stuurde om zich nog breder te bekwamen.
In Wenen componeerde Zelenka Sonates voor twee hobo’s en fagot met basso continuo. U zult versteld staan wanneer u ze hoort: extreem expressief, extreem moeilijk uit te voeren, briljant van karakter in de snelle delen, melancholisch in de langzame.

In 1719 ging Zelenka uit Italië, over Wenen (waar hij les gaf aan de beroemde fluitist/componist Johann Joachim Quantz), weer terug naar Dresden, waar een nieuwe hofkapel was gebouwd. Hij zou de stad nog een keer verlaten: in 1723 voor de kroning van Karel VI in Praag, speelde violone in een opera van Fuchs en dirigeerde eigen orkestmuziek.
Zelenka componeerde voor deze kerk onder meer 27 Responsoria voor de Stille Week (een responsorium is een wisselzang) voor 4 solisten, gemengd koor en basso continuo.

In de laatste jaren van de regering van Friedrich August I nam Zelenka veel het werk van de ziekelijke Heinichen over (hij leed aan tbc), zonder daar een cent extra voor te krijgen; hij werd gewoon betaald als violonebespeler.
In deze tijd veranderde ook de muzikale smaak aan het hof, onder meer door toedoen van de komst van een groep Italiaanse zangers en de componist Johann Adolf Hasse (1731). Uit deze tijd dateert ook een Te Deum (1731), dat waarschijnlijk is uitgevoerd op de dag na de geboorte van prinses Maria Josepha.

Zelenka bleef tot de dood van Friedrich August I (in 1733) aan de hofkapel verbonden. Hij had gehoopt dat hij na de dood van Johann David Heinichen (in 1729) deze zou opvolgen. Dat gebeurde echter niet, maar Zelenka nam wel al diens taken over. Als kapelmeester werd de 20 jaar jongere Hasse benoemd, die vooral als operacomponist bekend was. Wel werd Zelenka in 1735 ‘Kirchen-Compositeur’ en kreeg hij salarisverhoging.
Vanaf 1733 heeft Zelenka niet veel meer gecomponeerd, waarschijnlijk omdat zijn gezondheid achteruit ging. Hij stierf op 23 december 1745, toen de Pruisische troepen van Frederik II aan de poort van Dresden stonden.

Vraag
Ik brei nog een staartje aan dit verhaal, wat u misschien net zo zal verbazen als de muziek van Zelenka.
Behalve de muziek van Zelenka, kwam vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw ook die van Heinichen weer op muzieklessenaars te staan. Tot de herontdekkers van zijn werk behoort de violist/dirigent Reinhard Goebel. Ik heb een cd met de z.g. Dresden Concerti van Heinichen, uitgevoerd door Musica Antiqua Köln onder leiding van die Goebel. Opvallend is hoe Goebel zich in het begeleidende boekje over Heinichen versus Zelenka uitlaat. Ik citeer:

Het is misschien de uitkomst van persoonlijke voorkeuren waardoor de Tsjech Jan Dismas Zelenka sinds de jaren 70 van de vorige eeuw wordt gezien als een gewichtige tegenhanger van Bach. Zijn instrumentale werken zijn zonder twijfel imposant, maar nauwelijks representatief voor de zuivere stijl uit Dresden: hun broeiende, schijnbaar altijd gekunstelde stijl lijkt de uitdrukking te zijn van een diepe persoonlijke crisis. Het is nauwelijks verrassend dat August de Sterke er ook maar aan dacht om de door de Jezuïeten opgeleide Zelenka voor promotie in aanmerking te laten komen.
De protestant Heinichen is, aan de andere kant, de ideale knecht van de rooms-katholieke vorst (…). Waar Zelenka dwaalt in al zijn rationaliteit, gaan Heinichens emoties misschien met hem op de loop. Toch is het verbazingwekkend dat het nog steeds mogelijk is om in de versleten incrowd wereld Bach-Telemann-Händel een andere Duitse componist te vinden met originele, opmerkelijk persoonlijke eigenschappen. Heinichens composities zijn meesterwerken volgens opvattingen die vandaag de dag nog steeds gelden.

Zo kan ‘ie wel weer, zou ik zeggen. De vraag is nu: had August de Sterke gelijk of had Joh. Seb. Bach gelijk en waarom dan wel – of niet.

 

EEN BIJZONDERE UITVOERING OP EEN UNIEKE LOCATIE.
Voor meer informatie en kaartverkoop (tarieven: € 30 – € 35), zie: https://www.klassiekemuziek.nl/e/12174/nieuwe-philharmonie-utrecht-nationaal-allerzielen-concert-2018-amsterdam
 
NB: Met uw kaartaankoop draagt u bij aan de restauratie van de Amsterdamse Nicolaasbasiliek.

Fabuleuze Iván Fischer

Iván FischerWie het vandaag, 10 januari 2016 een beetje uitkiende, kon veel genieten van de door mij zeer bewonderde dirigent en componist Iván Fischer (1952, zie foto). Het begon met een aflevering van VPRO Vrije Geluiden, waarin Melchior Huurdeman Fischer volgde bij repetities met het Boedapest Festival Orchestra in Mahlers Zevende symfonie.

Alleen de openingsshots al: een strakke lijn in de lucht dirigerend, die werd beantwoord door een vibratoloze, al even strakke lijn in de solotrompet. Maar het draaide bij Fischer vooral om de extatische Finale (Rondo) die volgens hem niguns (joodse liederen zonder tekst) in zich bergt, evenals een elegant menuet en Oostenrijkse jodelmuziek. Maar alles, volgens hem, even oprecht.

De trompet kwam ook terug in een deel uit Fischers eigen Deutsch-Jiddische Kantate, evenals een al even oprechte herinnering aan in dit geval Bach. Gezongen door de dochter van Fischer: de geweldige zangeres Nora. De componist zelf beschouwt het als collagemuziek.

Een ontroerend moment in de documentaire was toen Fischer een typoscript van Thomas Mann liet zien dat in de oorlog door een vriend van zijn inmiddels op 95-jarige leeftijd overleden vader aan de familie in bewaring was gegeven en dat zij terug moesten geven als de vriend uit het concentratiekamp terug zou komen. Hij kwam niet terug, maar Fischer bewaarde het.

’s Middags dirigeerde Fischer voor de derde keer op rij het Koninklijk Concertgebouworkest in het Amsterdamse Concertgebouw in een programma met werken van Beethoven voor, en Mozart na de pauze. De openingsakkoorden van Beethovens ouverture Die Geschöpfte des Prometheus (de komst van Prometheus?) klonken in hun felheid en kracht haast als een eerbetoon aan Nikolaus Harnoncourt, die onlangs te kennen gaf niet meer te zullen optreden. Niet toevallig, want Fischer is in Wenen twee seizoenen Harnoncourts assistent geweest.

Het Vijfde pianoconcert van Beethoven sloot met de al even dramatische akkoordenopening letterlijk en figuurlijk haast naadloos aan op de ouverture. Opvallend waren de tegendraadse accenten in het tweede thema van het eerste deel en het aangezette martiale karakter van het eerste thema, dat haast vooruitliep op de Mahlersymfonie die we ’s ochtends op de televisie hebben kunnen zien. Pianist Jean-Yves Thibaudets stijl sloot wonderwel aan op die van Fischer. Prachtig waren de kleuringen die hij in zijn toucher aanbracht: dan weer helder en parelend, dan weer donker en dreigend, terwijl Fischer een fagot op een pauk uitlichtte.
Typisch Fischer waren ook de brede strijkersklanken in het thema van het tweede deel van het concert, als benadrukte hij passen van de pelgrims in dit op een Oostenrijkse hymne gebaseerde gegeven, en het zonder aanloopje genomen extatische gedeelte voor de reprise; waarlijk collagemuziek!

Het gedeelte na de pauze was als gezegd geheel ingeruimd voor muziek van Mozart: de Maurerische Trauermusik en de drie jaar later geschreven Jupitersymfonie. Buitengewoon mooi gekozen: in Mozarts Trauermusik wordt in het middendeel een in dit geval gregoriaanse hymne geciteerd. Dit werk werd net als bij Beethoven voor de pauze snel gevolgd door het laatste stuk op dit concert: de eenenveertigste en laatste symfonie van Mozart met de beroemde fuga-finale, waar Fischer al op vooruitliep door contrapuntische strijkerspassages in het eerste deel uit te lichten. Fabuleus.

Oude meester uit Oudewater

David_Maagd onder de MaagdenWie als dagjesmens, of tijdens vakantie Oudewater bezoekt, zal vreemd opkijken: op zesentwintig verschillende plaatsen hangen grote trespa-platen met afbeeldingen van schilderijen van Oudewaters oude meester Gerard David (ca. 1455-1523, zie afb. links achteraan op Maagd onder de maagden). In het kader van het 750-jarig bestaan van Oudewater, midden in het Groene Hart van Holland, hangen ze er als een openluchtexpositie.

Gerard David werd in Oudewater geboren, leerde het vak in Haarlem, en vervolgens Gent of Leuven – daarover bestaat geen duidelijkheid – en vestigde zich als meester-schilder in Brugge. Een paar jaar verbleef hij in Italië, waar de stijl van dat land uit die tijd duidelijk vat op zijn werk kreeg.
Zijn naam is onder kenners en liefhebbers vooral bekend omdat hij het landschap niet meer als een decor voor religieus werk weergaf, maar als een zelfstandig onderwerp.

Zijn werk is over heel de wereld verspreid, en je zou om het te zien moeten reizen naar – uiteraard – Brugge, maar ook naar Wenen, Boedapest, Madrid, München, Berlijn, Parijs, Rouen, Antwerpen en Brussel, en verder weg: naar Philadelphia, New York, Pasadena en Cleveland. In Nederland valt werk van hem te bewonderen in Boijmans van Beuningen (Maagd en kind zittend in een landschap) en het Mauritshuis (Boslandschap) – toevallig wel twee werken die het landschap belichten.

Wat we in Oudewater op ware grootte te zien valt, is met zorg over de verschillende muren in de stad verdeeld. Wie de rondleiding aan de hand van een bij het Toeristisch Informatie Punt (Leeuweringerstraat 10) verkrijgbare boekje loopt, zal opvallen dat de schilderijen niet chronologisch zijn opgehangen, maar dat eerder is geprobeerd ze thematisch bij het pand aan te laten sluiten. Het Altaarstuk van St. Michaël – waarmee de openluchtexpositie begint – hangt bijvoorbeeld aan de buitenmuur van de Oudkatholieke kerk, die is gewijd aan St. Michaël. Het is ook de kerk waar David werd gedoopt.
Een ander voorbeeld is het Oordeel van Cambyses, een tweeluik dat hangt aan de muur van het Stadhuis. Toepasselijk, omdat schepenkamers van 15de eeuwse stadhuizen vaak werden voorzien van schilderijen met als thema de rechtspraak.

Een ander gegeven waardoor deze openluchtexpositie interessant is, is het feit dat verschillende panelen die over de hele wereld verspreid zijn geraakt, hier weer bij elkaar zijn gebracht. Een voorbeeld in dit verband is het Cervana altaarstuk, waarvan onderdelen in Genua en Parijs terecht kwamen. Het bestaat uit zeven panelen, waarvan er uiteindelijk nog twee ontbreken. Dit is overigens een werk waarop de Italiaanse invloed zichtbaar is in onder meer de licht-donkerwerking en een heftiger dramatiek dan op de Vlaamse stukken.

Tot en met 19 september zijn er, naast deze expositie, nog andere evenementen die een bezoekje aan Oudewater de moeite waard maken. Zie: http://www.oudewater750jaar.nl

Van storm tot ijzige wind

BeethovenTwee kamermuziekconcerten achter elkaar, afgelopen zondagmiddag en maandagavond in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Koninklijk Concertgebouw: Kamermuziek op Zondagmiddag en Kleine Zaal Melange. Twee concerten met opmerkelijke overeenkomsten, al was dit niet zo ‘gepland’. Twee werken van Beethoven (zie afb.) uit dezelfde ontstaansperiode (1801 en 1800), die hij schreef in opdracht van graaf Moritz von Fries uit Wenen. En een thematiek die in elkaar overliep: ‘Der Sturm’ in het Strijkkwintet in C op. 29 van Beethoven en een ijzige wind in de Eerste vioolsonate in f op. 80 (1938-1946) van Sergej Prokofjev.

Als het wel was ‘bedacht’, werken uit eenzelfde jaar en vergelijkbare thematiek, zouden er dan meer bezoekers zijn geweest? In ieder geval op zondagmiddag liet het aantal concertgangers te wensen over. En wat maandagavond betreft mogen we blij zijn dat Omroep MAX zoveel concerten rechtstreeks uitzendt. Voor mensen met een kleine beurs, voor mensen die (’s avonds) de straat niet meer op durven en voor mensen die aan huis gebonden zijn: fijn!

Beethovens Strijkkwintet in C, met zijn stijlcitaten van opera’s van Mozart in het laatste deel, een Presto, kreeg een prachtige uitvoering door Amsterdam Sinfonietta Soloists. Mooi op elkaar ingespeelde solisten die een hecht kwintet vormden en er zichtbaar plezier in hadden.

Ook de Sonate in a op. 23 van Beethoven, die violiste Liza Ferschtman en pianist Enrico Pace op maandag speelden, kreeg een topuitvoering. Wat zeg ik: mooier heb ik hem misschien wel nooit eerder gehoord. Ook hier twee geweldig op elkaar ingespeelde musici. Indrukwekkend was het hoe Ferschtman soms zonder vibrato speelde, wat bepaalde passages ijzingwekkend over deed komen. Dat kan deze verre van vrolijke sonate wel hebben.

In haar gesproken toelichting op de Eerste sonate van Prokojev verwees de violiste naar bepaalde ijzingwekkende (‘een ijzingwekkende wind’) passages hierin. Ze schetste de context van het ontstaan van deze sonate, ten tijde van Stalins terreur. Een groots werk, al even indrukwekkend gespeeld.

Een mooi begin van de nieuwe week met twee concerten die een grotere context schiepen. Onbewust gepland, maar in hart en hoofd van in ieder geval één toehoorder tot bewustzijn en samenhang gebracht.

Schönberg en Jansons

Schoenberg_zelfportret_bruinMariss Jansons gaf bij zijn afscheid als vaste dirigent van het Koninklijk Concertgebouw-orkest (KCO) te kennen, dat hij graag de Gurrelieder van Arnold Schönberg (zie zelfportret links) had willen dirigeren. Directeur Jan Raes van het KCO heeft inmiddels bekend gemaakt dat dit er zeker van komt; Jansons komt als conductor emeritus terug. Mét de Gurrelieder, dit laatromantische werk van Schönberg uit 1900/1911. Reden genoeg, nu de aandacht even naar deze componist uitgaat, om een gedeelte uit een artikel in Quadraatschrift (december 1998) hieronder opnieuw te publiceren.

Volgens Tom van Dorp en Eveline Nikkels heeft Schönberg in zijn opera Moses und Aron in muzikaal opzicht ‘een stap terug gemaakt, van de absolute positie die Schönberg – ook op gezag van Schopenhauer – haar toekende als belichaming in zichzelf van de Taal der Wereld, naar een medium via welk gestreefd wordt uitdrukking te geven aan het Absolute – een streven dat intrinsiek onvolkomen is.’ Au, dat doet pijn!
Wat Schönberg deed, is het verwerpen van de idealistische filosofie, net als de filosoof Franz Rosenzweig. Dat is geen stap terug, maar een stap vooruit.

Ik werd in deze opvatting van het ‘nieuwe’ bevestigd door de tentoonstelling Joden in Wenen rond 1900: een cultuur van contrasten die in 1998-1999 was te zien in het Joods Historisch Museum (JHM) te Amsterdam. Het doel van die tentoonstelling was namelijk dat de bezoeker zich bewust zou worden ‘van een constructie van de werkelijkheid.’ In die opzet was het JHM en het Jüdisches Museum Wien, waarmee werd samengewerkt, wat mij betreft geslaagd.

Desondanks. Want de cadeaus die Arnold Schönberg meenam naar een geënsceneerde avond in de harmonieuze, classicistische woning van het echtpaar Paula en Richard Beer-Hofmann aan de Hasenauerstrasse 59 in Noordwest Wenen, ver van de buitenproportionele gebouwen in de binnenstad, ademen nog niets van de omslag die zijn werk ademt na 1933, toen Schönberg in een synagoge van Parijs terugkeerde tot het jodendom. Het kernwoord na deze omkeer is ‘ethiek.’ Een woord dat op vele, uitgebreide – en soms op onmogelijke hoogten bevestigde – tekstbordjes op de tentoonstelling terugkwam.

Wat Schönberg voor de muziek betekende, was Alfred Loos met zijn zuivere vormen voor de architectuur (onder andere in het ontwerp van een villa voor Alexander Moissi, 1923) en Karl Kraus voor de taal. Omgekeerd respecteerde Kraus Beer-Hofmann vanwege diens ethische beginselen, integriteit, anti-nationalistische gevoelens en de openheid waarmee hij voor zijn joodse identiteit uitkwam.

De Wiener Moderne boden met andere woorden niet louter een esthetische kijk op de wereld, maar mijns inziens vooral een ethische. Dat was hun bijdrage aan de (Weense) kunst aan het begin van de vorige eeuw.