Je weet niet wat je overkomt

Ramsey Nasr, de schrijver en toneelspeler, is op een of andere manier een man naar mijn hart. Neem nu weer zijn uitspraak in een interview met Sandra Kooke in Trouw, 2 april jl.): ‘Je staat voor een kunstwerk en bent sprakeloos. Iedereen heeft in een museum weleens een liefde opgevat voor een bepaald schilderij. En er zijn werken, van Rothko of Donatello misschien, waarbij je gewoon niet weet wat je overkomt.’

Donatello (1386-1466) – ja! Ik kan me de eerste keer dat ik een werk van hem zag nog herinneren als de dag van gisteren. Het was in 1980 en ik liep een (opgeheven?) museum in Oslo binnen, recht op een buste van een oude man van Donatello af. Ik werd niet alleen verliefd op de man, maar wist inderdaad niet wat me overkwam.

Ik had drie jaar ervoor in de Onze Lieve Vrouwekerk in Brugge Madonna met kind van Michelangelo (1475-1564) gezien (foto links). Het deed me eerlijk gezegd niet veel. Een geïdealiseerde Maria die je droef aanstaart, een uit de kluiten gewassen kind. Nee, dan de Donatello in Oslo: een doorgroefde, oude mannenkop, zo uit het leven gegrepen.

Ondertussen had ik al elke kans aangegrepen om werk van laatstgenoemde te zien. Twee jaar later al in het Wäinö Aaltonen museum in Turku (Finland): Firenzen renessanssi. Een Amerikaan kwam naar me toe en vroeg of hij dit echt moest zien. Ik heb hem op het hart gedrukt deze kans inderdaad te grijpen. Jammer genoeg weet ik niet wat hij ervan vond, want ik ben hem uit het oog verloren.
Wel dat ik de (Finse) catalogus kocht, en in de jaren negentig van de vorige eeuw bij een antiquariaat een in Gotisch schrift gedrukte uitgave over Donatello van Alfred Gotthold Meyer uit 1908. Zo ver gaat de liefde!

Neem als voorbeeld de reliëfs op preekstoelen van Donatello in de San Lorenzo te Florence (foto rechts). Het verschil met de Maria van Michelangelo is duidelijk, en verduidelijkt denk ik ook waarom ik hem hogelijk waardeer. Maria kijkt de toeschouwer niet aan, maar heeft een hoofddoek over haar gezicht, waardoor het gezicht zelf in de schaduw valt. Haar verdriet is niet te zien, maar wordt verborgen. Je mag als toeschouwer zelf aan het werk om het verhaal in te vullen en aan te voelen, zoals bij de oude mannenkop in Oslo.

In 2003 zag ik uiteindelijk de Pietà van Michelangelo in de Sint Pieter te Rome. Ik moest eerlijk bekennen dat Michelangelo misschien tóch een maatje groter is dan Donatello, maar ik houd het er eigenlijk liever op dat ze allebei gewoon anders zijn.

Zonder het een niet het ander

Het verhaal gaat dat de jonge Michelangelo een beeld van een faun maakte dat mooier was dan mooi. Toen Lorenzo il Magnifico de’ Medici dit beeldhouwwerk had gezien, stoorde hem dit zó dat hij vond dat Michelangelo een tand uit de mond ervan moest slaan.

Het verhaal gaat verder en meldt dat Michelangelo na een vuistslag van Torrigiano, die zijn neus iets had geplet, alleen nog maar ultramooie beelden wilde maken, zoals de Pietà in de Sint-Pieter in Rome (zie afb. hierboven), die werd toegeschreven aan de beeldhouwer Gobbo uit Milaan.

Je zou ín dit verhaal kunnen leggen dat de gekromde Lorenzo zich stoorde aan de schoonheid van een faun, dat Michelangelo met zijn misvormde neus alleen nog naar schoonheid streefde en boos was op het feit dat Cristoforo Solari, ‘Gobbo’ (de gebochelde) in eerste instantie als maker van zijn Pietà doorging.

De beroemde schilder-schrijver Giorgio Vasari vermeldt in zijn boek De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (1550/1568) alle hiervoor genoemde voorvallen – sec, en binnen een bepaalde context: Lorenzo de’ Medici was Michelangelo’s broodheer, dus volgde Michelangelo diens raad op. De Pietà was het eerste kunstwerk dat hij het waard vond om van zijn naam te voorzien.

Wat de Pietà betreft, voegt Vasari er nog aan toe dat ‘niemand ergens dermate fraaie leden en een zo kundig vervaardigde tors’ zou kunnen vinden als bij deze Christusfiguur. Een tors die volkomen afwijkt van een houten crucifix dat een andere beeldhouwer, voor Michelangelo, namelijk Donatello voor de Santa Croce in Florence had gemaakt (zie afb. rechts). Donatello’s vriend Filippo Brunelleschi moest wat glimlachen en zei ‘dat het hem toescheen dat Donatello een boer aan het kruis had gehangen, en niet een lichaam van Jezus Christus, die (…) in ieder opzicht de volmaakte mens ooit geboren’ was. Filippo maakte als tegenhanger voor de Santa Maria Novella in Florence een crucifix naar dit ideaalbeeld. Misschien valt hier wel een theologisch diepere laag in te ontdekken, op de manier zoals de theologe Dorothee Sölle Christus als een Zuid-Amerikaanse boer beschreef.

Ik denk inmiddels dat het je heel voorzichtig moet zijn om zowel biografische als theologische gegevens als achtergrond voor diverse verklaringen aan te voeren. Michelangelo vond zijn faun gewoon niet zo geslaagd en zijn Pietà met zijn ‘kundig vervaardigde tors’ bij uitstek wél, aldus vermeldt Vasari. Donatello schijnt gezegd te hebben dat het Filippo vergund was Christusbeelden te maken, zoals hij min of meer boeren beeldhouwde.

Als je dicht bij de beelden zelf blijft, komt hier het verschil tussen realisme (Donatello) en idealisme (Michelangelo) naar voren. Uiteraard ligt daar een wereldbeeld onder, maar dit wordt niet primair gedicteerd door misvormingen van opdrachtgevers, zichzelf of een collega-beeldhouwer, maar is vóór alles het gevolg van een technisch kunnen of niet-kunnen, zodat uiteindelijk vorm en inhoud elkaar bevestigen. Want daar draait in de kunst uiteindelijk toch alles om.

‘Laten zien dat iets lelijk is, daar is geen kunst aan’, schrijft Marijn Sikken een beetje kort door de bocht in een blog op de website van Literair Nederland (20 november 2018). ‘Laten zien dat er tussen allerlei ellende schoonheid te vinden is, vergt niet alleen mentale maar ook literaire kracht.’ En dat geldt dus niet alleen voor literatuur, maar ook voor beeldende kunst. Maar wel in combinatie: zonder het een niet het ander.

Eerder gepubliceerd in Wervelingen (winter 2004), en hier aangevuld met de laatste alinea. Wordt met toestemming overgenomen.

Literatuur

Giorgio Vasari: De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten. Uitg. Contact, Amsterdam.

Drieluik uit Noorwegen

Dit wordt weer eens een drieluik Dit keer naar aanleiding van drie dingen die mij tijdens een vakantie in Noorwegen afgelopen week aan het denken zetten. Het eerste was een opmerking van de rooms-katholieke voorganger David Earl Cooper tijdens een van de missen aan boord van de Koningsdam (foto Els van Swol), het lezen van het boekje Bron in je brein van de vrijzinnig protestantse theoloog Wim Jansen (uitg. Meinema) en een bezoek aan Kube, het kunstmuseum van Ålesund, waar in Fire Martyr (2014) van Bill Viola zag.

1.
David Cooper zei, in het verlengde van de Bijbeltekst die op een dag centraal stond (Mattheus 23), dat het hem primair gaat om het altaar en pas daarna om het brood en de wijn die erop staan, want ‘die komen eruit voort’. Het brood en de wijn zijn in eerste instantie voor hem ook ‘spiritual food’ en dan pas het lichaam en het bloed van Christus – of, voor protestanten, het brood uit de hemel en de wijn van het Koninkrijk.
Misschien vermoedde Cooper hetzelfde als Jansen in zijn boek verwoordde: ‘Een stil licht achter de dingen’. Of, even verder, ‘een diepe eerbied voor die geheimzinnige, verborgen aanwezigheid’.
Ik kan me dat zomaar voorstellen, als ik aan het mooiste altaar denk dat ik ooit zag: de eenvoudige stenen tafel (!), zonder welke opsmuk dan ook die Donatello maakte en die staat in de Pazzi-kapel in Florence. ‘God’, zegt Jansen, ‘is ook een afgeleide, net als ikzelf’, net als het brood en de wijn voor Cooper.

2.
Zoals het altaar vooraf gaat, gaat voor Jansen ook het ‘bidden vooraf aan religie en ligt eraan voorbij’. Of, even verder, zoals meditatie door hem wordt gezien als ‘een noodzakelijke fase die aan bidden vooraf gaat’.
Toegepast op het altaar met de brood en de wijn, kun je dit vergelijken met een citaat van de Noorse schrijver/avonturier Erling Kagge dat Jansen geeft: ‘Ik stond op het punt om mijn eten te verslinden, maar Börge stelde voor om niet alles in één keer op te eten en te wachten. Om even in stilte naar het eten te kijken’. Dat is het moment waarop het laken van het brood wordt gehaald en het servet van de beker met wijn: om in stilte naar het eten en drinken te kijken en er dan ook maar één hapje en één slokje van te nemen. Als voorsmaak.
Als Jansen zegt, dat het moment waarop hij de zee ziet, ‘een gebed op zich is’, dan denk ik aan het moment waarop ik het altaar van Donatello zie: ‘Mijn hart springt ervan op’. Telkens weer. Een moment dat je de kapel anders doet verlaten dan dat je er binnen ging, omdat je van binnenuit werd bewogen, geraakt. ‘Al deze dingen’, concludeert Jansen, ‘vormen niet alleen een opmaat tot, maar zijn ook al bidden’.

3.
Het is ook een boekje dat verwarring schept, wellicht omdat het niet altijd even consistent in zijn denken overkomt wanneer je uitgaat van de ondertitel: Bidden tot de God in wie je niet gelooft. Verwarring schept ook het kunstwerk van Viola dat ik zag, meerdere keren achter elkaar. Een zwarte man zit op een stoel te mediteren of te bidden. Eerst valt er één vlammetje op de grond, en dan nog eentje dat meteen weer dooft. Steeds vallen er meer. Alles om de man heen, de hele wereld, staat in brand. Op een gegeven moment wordt het te warm onder zijn voeten en doet hij de ogen open. Hij kijkt je aan. De vlammen klimmen aan zijn stoelpoten omhoog. Uiteindelijk rest een vlammetje. Dan dooft het licht. De uitleg is aan de toeschouwer. En daarbij moet je voor een keer het begeleidende bordje aan de muur laten voor wat het is.

Toegift
Eenmaal thuis valt mij een vertaling toe van de parasja die ’s middags tijdens een leerdienst in het Gast-huis centraal staat (zie afb., ontwerp Kees Voordouw). Adriaan Boer, hoofdredacteur van het Gast-huismagazine waarin ik op z’n tijd ook iets schrijf, stuurt mij zijn werkvertaling hierover uit Torah as a Guide to Enlightenment van rabbi Gabriel Cousens toe. Hieruit citeer ik het volgende, dat mij in het kader van dit drieluik bijzonder raakte: ‘Eén les omvatte het aanbieden van de eerste vruchten op het altaar, wat elementaire dankbaarheid aan God demonstreert (…). Het diende ook als een rituele herinnering aan het volk van de bron van hun oogst, wat hen op hun beurt hielp een bepaald niveau van nederigheid in stand te houden. Het aanbieden van de eerste vruchten was ook gerelateerd aan de eenheid van de relatie van het seculiere met het spirituele (…). Het spirituele gaf betekenis aan het seculiere en het seculiere gaf betekenis aan het spirituele (…). Om het land binnen te gaan, moesten de mensen de spirituele wereld samenvoegen met de fysieke wereld in hun bewustzijn, en op die manier zouden ze vrucht dragen in het land Israël (…). Dit wordt verder geactiveerd door onze ervaring van onszelf als goddelijke wezens die stralen met de aanwezigheid van God van binnen, die heerlijk versterkt wordt door mitswot en gebed. Wanneer we rondlopen, vervuld met de aanwezigheid van God, worden we door God geleefd op elk moment van ons leven en daardoor worden we blij gevuld met de niet causale liefde, tevredenheid, vreugde, vrede, eenheid en mededogen van het goddelijke dansen in het centrum van onze harten.’

Maya-expositie in Assen

Maya'sHet Drents Museum bereidt een bijzondere archeologische tentoonstelling voor: een grote Maya-expositie van maart tot september 2016.
Circa 150 objecten uit Midden-Amerika zullen te zien zijn in Assen, dus niet uit collecties van Europese musea, maar van de bron (Mexico en Guatamala) zelf. Bijna alles wat in 2016 in Assen te zien zal zijn, is niet eerder in Europa te zien geweest.
Ter gelegenheid hiervan herplaats ik hier een artikel over de Maya’s dat ik schreef voor In formatie (juli/augustus 1998).

Van 24 september-24 december 1993 was in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel de expositie ‘Maya-Metropolen’ te zien. Een schitterende én schokkende tentoonstelling tegelijk.
Schitterend was vooral het pottenbakkerswerk uit de laat-klassieke periode (ca. 1000 na Chr.). Dit werk raakte het wezen – was een Ding an Sich op de manier zoals ik dr. Chana Safrai dat eens heb horen omschrijven: als iets dat kleur geeft aan het bestaan.

Schokkend waren vooral de vele beeldjes van verminkte mensen, mensen met voorhoofden die vanaf de geboorte, als het voorhoofd nog week is, waren ingedrukt. ‘De Maya’s waren wreder dan wij denken’, meldde een televisiedocumentaire die in de tentoonstellingsperiode door de BBC werd uitgezonden.
Maar het waren niet alleen de verminkte voorhoofden die aan het denken zetten. Het waren ook de beeldjes van mismaakte mensen die, op een andere manier dan het pottenbakkerswerk, indruk maakten.

Het is natuurlijk makkelijk om ‘de rijke verbeelding en creatieve vrijheid’ uit de klassieke Maya-periode te vergelijken met ‘het Westers naturalisme’ uit de gotiek en renaissance, zoals in de TELEAC-cursus ‘Op zoek naar de bronnen van onze beschaving’ werd gedaan. Van daaruit kun je de lijn doortrekken naar de talloze mismaakten die in dezelfde periode aan de westerse hoven tot vermaak dienden.

Komt daarmee de wereld van de Maya’s dichterbij? Op het eerste gezicht niet, want het blijft een vreemde wereld. En bovendien: ontdoe je met zulke en andere vergelijkingen, zoals met de pyramides van Egypte, de cultuur van de Maya’s niet van haar eigen waarde? Wat iets anders is dan cultureel relativisten doen: het zover gaan dat walgelijke praktijken uit een andere cultuur, of het nu gaat om voorhoofd- of clitorisverminking, boven elke veroordeling verheven worden geacht.

Maar in tweede instantie brengt zo’n vergelijking ons die vreemde wereld toch dichterbij. Was ook iemand als Donatello, de grote beeldhouwer uit de vroeg-renaissance, er niet op uit om mensen naturalistisch weer te geven, zoals de oude mannenkop in de Nasjonalgallerie van Oslo? Niet ‘mooi’, volgens onze door de Griekse beeldhouwkunst beïnvloede kijk op het menselijk lichaam, maar in alle waarachtigheid.

Misschien was dat het wel dat bij de Maya-kunst indruk maakte: mismaakte mensen als wezen-in-zichzelf, als Mensch en niet als mislukte afgeleiden. Wie zal het zeggen. Over ruim een jaar krijgen we in Assen een herkansing om onze geest te scherpen.

Naschrift                                                                   

In Assen (zie foto Ati de Zeeuw, rechts) speelt,
nadrukkelijker dan ik me van Brussel kan her-
inneren, maïs een grote rol, ook in de bijzondere
vormgeving van de tentoonstelling. Verminkte
mensen komen er niet of nauwelijks in voor,
of het zouden penisverminkingen moeten zijn
en de rol van het bloed dat daarbij vloeit. En
onthoofdingen die verliezers van een bepaald
balspel ten deel vielen. Van dwergen (kleine
mensen) wordt de haast goddelijke status
vermeld. Wat rest is een voor alles esthetische
indruk.