Wát een avond …

Tien jaar nadat de ‘koningin van de barokviool’, Rachel Podger, voor het laatst in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw optrad, betrad zij deze gisteravond weer. Dit keer samen met Kristian Bezuidenhout. Het was de bedoeling dat hij een fortepiano uit de collectie van Edwin Beunk zou bespelen, maar uiteindelijk vonden beide er nog steeds even jeugdig uitziende musici dat de klank van een klavecimbel voor de muziek van Joh. Seb. Bach, Händel en Carl Ph. E. Bach beter volstond.

Het was allemaal doordacht wat ze deden – de keuze van de instrumenten en de opbouw van het programma dat voor en na de pauze een andere sfeer ademde. Heel raak gedaan. Maar dat wil niet zeggen dat het niet spontaan overkwam. Ze hadden duidelijk plezier in het samen spelen en het elkaar op z’n tijd verrassen. Én in de dialoog met de zaal.

Retorische accenten in Händels Sonate in D HWV 371 werden door Podger visueel, met het gezicht naar de zaal, ondersteund. Uit haar gelaatsuitdrukking kon je zien of het om een vraag of een antwoord ging; ik zag even het ? en ! in mijn bladmuziek van Händel, erbij gezet door mijn blokfluitleraar. Bij een geestig, puntig gespeeld slot van een sonate, zoals Bachs tweede sonate in A BWV 1015, keek Podger schalks de zaal in wat uiteraard gelach tot gevolg had.
Het was prachtig wat ze deden. Neem alleen al die wandelende bas in de linkerhand van Bezuidenhout in diezelfde tweede sonate, schitterend non legato gespeeld.

Na de pauze was ook het woord aan Carl Ph. E. Bach, maar hier had ook de ervaring in de zaal met de opbouw van het programma haar werk gedaan; het stuk werd ingeruild door de sonate in g BWV 1020 die Johann Sebastian in zijn Leipziger tijd waarschijnlijk samen met zijn zoon had geschreven. Van Carl Ph. Emanuel klonk ook de sonate in b Wq. 76.

Met een blik op de cartouche met de naam Bach in de Kleine Zaal en een de zaal tot stilte dwingende houding, speelden beide musici tot slot een eigen bewerking van Bachs koraalprelude Christ lag in Todesbanden BWV 625. Heel ingetogen, heel intens. De zaal was inderdaad muisstil, maar er was niet veel voor nodig om tot een toegift te dwingen. Dat werd een deel uit Carl Ph. Emanuel Bachs Sonate Wq. 71. Gelukkig ook intens en ingetogen, want de betovering mocht niet meer worden doorbroken. Ook daar was over nagedacht. Wát een avond …

‘Wonderschone vertolking’

Al eerder heb ik op deze blog geschreven dat ik elk jaar probeer een voor mij nog onbekend stuk muziek voor de Passietijd te leren kennen. Zo kwamen afgelopen jaren Golgotha van Frank Martin, de Johannes Passion van Arvo Pärt en Deus Passus van Wolfgang Rihm voorbij.
Dit keer had ik mijn oog laten vallen op een uitvoering van de Brockes Passion (1715/1716) van Georg Friedrich Händel, in het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ. Volgens de seizoenbrochure met Highlights Oude Muziek beloofde dit ‘een wonderschone vertolking’ te worden ‘door Concerto Copenhagen, internationaal een van de meest interessante en vernieuwende barokorkesten.’

Dat was, om met de deur in huis te vallen, niet teveel gezegd. Het ademloos, stil luisterend publiek in een jammerlijk maar half gevulde zaal (de balkons waren leeg) beleefden een bijzondere Goede Vrijdagavond. Om meteen maar met het achttien koppige orkest onder leiding van de als altijd exuberant dirigerende klavecinist Lars Ulrik Mortensen te beginnen: wat hier technisch en interpretatief gebeurde grensde aan het ongelooflijke. De solohobo in een aria van Petrus (Heul, du Fluch der Menschenkinder) wist waarlijk een schreeuw te imiteren, de solocello in het accompagnato van de Gelovige Zielen wist ‘die kalten Felsen’ zo koud als maar mogelijk voor te schilderen.

De solisten deden hier geen van allen aan onder, en het kleine braampje dat de stem van sopraan Maria Keohane na de pauze vertoonde zij haar helemaal vergeven. De evangelistenpartij was in handen van de Engelse tenor Ed Lyon, de Jezuspartij werd gezongen door Peter Harvey. Met name de tenor leek soms te denken: als Händel zelf dan zo weinig aan toonschilderingen doet, dan doe ik het wel: krähete der Hahn kwam er aardig dicht in de buurt zonder over de schreef te gaan. Peter Harvey bezorgde mij kippenvel op het moment dat hij in een van de recitatieven zong: ‘Mein Freund, sag’ op het moment dat hij even aarzelend inhield tussen Mein en Freund (Judas).
De negen solisten tezamen zongen ook krachtig alle koorpartijen, waarbij het leek alsof de stemmen van de twee counters – waaronder de Nederlander Daniël Elgersma – wat werden weggedrukt.

Wat de koorpartijen betreft: de koralen zijn in deze Passion in vergelijking tot die van Bach in de minderheid, en ook anders. In het eerste, Ach, wie hungert mein Gemüte, vielen bijvoorbeeld de korte orkestrale tussenspelen op. De aria tussen de Dochters Zion en de Gelovige Zielen in het tweede deel met zijn ‘kommt’ en ‘Wohin?’ was een moment dat tekstueel aan Bach deed denken. Echt Händel was bijvoorbeeld de aria ‘Heil der Welt’ die vooruit liep op de Messiah (1741) terwijl enkele inzetten zonder begeleiding, zoals het recitatief ‘Wo flieht ihr hin?’ deden denken aan enkele oratoria van Händel waarin hij dit ook doet. En dat levert dan meteen momenten op, waarop je op het puntje van je stoel gaat zitten. Stilletjes, want zelfs het omslaan van het tekstboekje in de zaal gebeurde geruisloos.

Wat niet wegneemt dat na de stilte die Mortensen aan het eind afdwong, en zelfs de violisten geregisseerd hun strijkstokken tergend langzaam lieten zakken, direct daarna werd onderbroken door een ovationeel applaus waarbij de solisten stuk voor stuk werden toegejuicht als betrof het een operaopvoering. En dat was wel een beetje inherent aan zowel de muziek van Händel als de uitvoering ervan.
Zo kan ik weer een in dit geval bijzonder dramatische Passion aan mijn lijstje toevoegen: op tekst van de Duitse dichter Berthold Heinrich Brockes Der für die Sünden der Welt gemarterte und sterbende Jesus.

El Niño in ZaterdagMatinee

Al jaren heb ik de gewoonte om in de passietijd een stuk passiemuziek te beluisteren dat ik nog niet kende. Die gewoonte zou zich wel eens kunnen gaan uitbreiden richting Advent. In ieder geval was vandaag de ‘aftrap’ met El Niño van de Amerikaanse componist John Adams (zie foto). Het werd als oratoriumversie (zonder filmbeelden) uitgevoerd in de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was er al eens eerder te horen geweest, onder leiding van de componist, maar die uitvoering heb ik gemist. Die schade heb ik nu ingehaald.

De magistrale uitvoering was vandaag in handen van het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor (ingestudeerd door Peter Dijkstra) en het Nationaal Kinderkoor (ingestudeerd door Wilma ten Wolde) onder leiding van Markus Stenz. De zonder uitzondering sterke solistenbezetting bestond uit: Joélle Harvey (sopraan), Jennifer Cano (mezzosopraan), Aubrey Allock (bariton), Daniel Brubeck, Nathan Medley en Brian Cummings (countertenoren).

Adams vertelt het verhaal van het kindje (El Niño), en zijdelings ook de storm die naar die naam luistert, vanuit het perspectief van moeder Maria. Hij gebruikte hiervoor niet alleen de klassieke Bijbelteksten uit het Nieuwe Testament, aangevuld met enkele Oudtestamentische teksten, zoals die in één geval ook door Händel werd getoonzet in diens Messiah (‘For thus saith the Lord’), maar ook teksten uit apocriefe Bijbelverhalen en enkele hedendaagse Spaanstalige gedichten.
Daarmee tilt hij het verhaal van de geboorte van het kind Jezus naar een niveau van de geboorte van ‘een’ kind in het algemeen, dat hij als telkens weer een wonder omschrijft.

In de opbouw van het tweedelige werk, dat in 2000 in Parijs in première is gegaan, vielen mij om te beginnen de orkestrale inleidingen op de verschillende, in totaal veertien onderdelen op. Vaak gaat het om toonschilderingen, zoals wanneer sprake is van aartsengel Gabriel, die wordt aangekondigd door een soort nerveus vleugelgefladder in de strijkers. Of de revolutionaire Lofzang van Maria, die wordt ingeleid met wat wel een serie hamerslagen lijkt.

Maar hoe verder het werk vorderde, hoe meer viel mij op dat er, als een diepere laag, sprake is van een dialectische werking. Niet alleen qua instrumentatie, die ronduit geraffineerd is, en waarin zenuwachtigheid binnen een mum van tijd wordt afgewisseld door een lyrische lijn, maar door de tegenstellingen die ook in de tekst voor komen en worden uitgebuit. Heden en verleden staan zo tegenover elkaar (ook in de remiscenties aan bijvoorbeeld de koebellen bij Mahler), maar worden opgeheven met het oog op de toekomst. Bijvoorbeeld in het door vijfenveertig bloedmooi zingende meisjesstemmen gezongen slotkoor, zoals ik het maar zal noemen: het beroemde gedicht Een palmboom van Rosario Castellanos, de Mexicaanse dichteres en ambassadeur in Israël. Hierin buigt een palmboom door de wind en knielt zo om het kind te aanbidden, als in een gebaar van gebed voor de (komende) Messias. Prachtig!

Nederlandse première om door een ringetje te halen

andrea-marcon handel

Deze weken wordt muziekminnend Nederland maar verwend met Händel.
Bij de Nationale Opera & Ballet in Amsterdam wordt momenteel met veel succes het oratorium Jephta geënsceneerd op de planken gebracht, in het NTR ZaterdagMatinee klonk vanmiddag Händels serenata Parnasso in festa per li sponsali di Teti e Peleo HWV 73 (1734) voor Anne van Hannover en Willem IV van Oranje. Geen opera en geen oratorium dus, maar iets daar tussenin. En nota bene de Nederlandse première. In een vol Concertgebouw, en prachtig doorgegeven door NPO Radio 4; ik hoorde het stuk op de radio. Mooi hoe in deze geluidsregie sommige partijen die in de zaal wellicht wat minder duidelijk te horen zullen zijn geweest, werden uitgelicht. Zoals bijvoorbeeld de blokfluiten in de aria Nel spiegar).

En nu ik toch bezig ben complimentjes uit te delen, mag nog iemand die meestal in de schaduw blijft ook in het zonnetje worden gezet: degene die de solopartijen voor deze uitvoering castte. Neem wat dit betreft als voorbeeld de stem van Orfeo, wiens lamento in het tweede deel één van de hoogtepunten van de middag was: de Zuid-Koreaans-Amerikaanse counter Kangmin Justin Kim. In het programmaboekje stond het er niet bij, maar het was ongetwijfeld zijn debuut in de Matinee.

Oude getrouwen waren dirigent Andrea Marcon (foto links), La Cetra Barockorchester en Vokalensemble Basel die een hoog niveau bereikten. Koor en orkest zongen en speelden met zowel een enorme vaart (de ouverture!) en uitgelatenheid (Sciogla al ballo met tamboerijn) als met een mooie, bezonken rust. Wat het eerste betreft was prachtig – om nog maar weer eens een voorbeeld te noemen – hoe de hobo’s ‘instapten’ in het koor Ecco ne dà stimolo onor in het eerste deel.
En wat het tweede, de rust betreft, kan worden gewezen op de onbegeleide gedeeltes waarin de solisten kans kregen hun partij mooi uit te zingen, zoals Cloride (de Duitse mezzo Silke Gäng; ook voor ’t eerst in het Matinee?) in Tra sentier uit het tweede deel.
En dan hebben we ’t nog niet eens over het koor gehad, dat een toonbeeld was van doorzichtige, krachtige en prachtige zang.

Over het geheel genomen werd niet alleen met een enorme vaart én bezonken rust gezongen en gespeeld, maar ook het feit dat de solisten niet langer meer wars zijn van vibrato viel weer op.
Standaard in dit soort historisch geïnformeerde uitvoeringen (er werd zelfs gespeeld uit een kritische uitgave die nog niet eens in druk is verschenen), is de rijke bezetting van de basso continuo-groep en de prachtige kleuring die oude instrumenten kunnen bereiken met de zangpartijen, zoals Mars, de enige lage stem in dit werk (de Spaanse bas Ismael Arróniz) met de lage strijkers in zijn aria uit het eerste deel.
Ook verhalend zingen viel vanmiddag te beluisteren, zoals bij Apollo (de Australische countertenor David Hansen) en Euterpe (de Italiaanse mezzosopraan Francesca Ascioti). De kernachtige Zweedse sopraan Jenny Högström (Calliope) verdient tenslotte ook vermelding.

Een Nederlandse première om door een ringetje te halen!

Bij het overlijden van Pieter Steinz

Pieter SteinzAfgelopen maandag overleed op 52-jarige leeftijd redacteur, boekenliefhebber en oud-directeur van het Nederlands Letterenfonds Pieter Steinz (zie foto) aan ALS. Hieronder ter In Memoriam een iets aangepast artikel dat ik eerder over één van zijn 23 boeken schreef.

Pieter Steinz, recensent en chef Boeken van NRC Handelsblad, is bekend geworden door succesvolle boeken als Lezen &cetera en Het web van de wereldliteratuur. Samen met schrijver en gitarist Bertram Mourits schreef hij Luisteren &cetera: ‘het web van de  popmuziek in de jaren zeventig’.

Volgens hetzelfde beproefde recept: 25 klassiekers, ingeleid en ingebed in ‘platenwebben’ van (muzikale) invloeden en suggesties om verder te luisteren. En evenveel stukken over genres en onderwerpen.
De verbanden die worden gelegd, gaan vooral uit van muziekhistorische verwantschap. Zoals ik destijds de cd-uitgaven van NM Classics en Composers’ Voice voor de Vrienden Nederlandse muziek in een context plaatste: Voor als u van Händel houdt (Hellendaal), Voor als u van Ravel houdt (Escher), Voor als u van Schumann houdt (Verhulst) enz.
Het is aan de lezer/luisteraar inhoudelijke dwarsverbanden te leggen. En hoewel Bertram Mourits desgevraagd stelt bij de gelegde verbanden ‘meer op de muziek dan op de tekst te hebben gelet’, erkent hij dat ‘de twee natuurlijk soms wel samenhangen.’ Hij noemt dan twee voorbeelden. [i]

Muziek en …
Het eerste gaat een richting uit waarin docenten denken aan de tot dit jaar jaarlijks gegeven muziekweek van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, zoals Gerard van der Leeuw. Namelijk ‘muziek en …’.  In dit geval om te beginnen natuurlijk het voor de hand liggende ‘filosofie.’ Mourits mailt dan: ‘Een belangstelling voor filosofie [om daar bij te blijven, EvS] wordt [ook] gevonden bij “art rock”, “symfonische rock” of “progrock”.’ De laatste stroming komt door zijn conceptalbums, waarbij de nummers allemaal over eenzelfde thema gaan en samen vaak een verhaal vertellen, in de buurt van het concept van Mourits en Steinz. Zij gaan uit van ‘het idee dat een plaat een geheel is.’ Sterker nog: dat ‘elk liedje een essentieel onderdeel vormde van een nieuwe kunstvorm: het Album’ (p. 11).
Het tweede voorbeeld pakt, zoals Mourits in dezelfde e-mail stelt, anders uit: ‘Een fascinatie voor [bijvoorbeeld, vS] de dood is te vinden in de “murder ballads” van vroege countrymuzikanten, maar ook bij heavy metal of sombere new wavemuziek.’
Ik zet daar twee voorbeelden van inhoudelijke verwantschap met betrekking tot het thema dood naast.

Remember
Het eerste betreft de tentoonstelling Remember me in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem (MMKA, 21 november 2010 tot 16 oktober 2011). Door de cirkelvormige tentoonstellingsruimte kon de bezoeker als het ware een levenscyclus doorlopen. Er werd, alleen al in de naam van de tentoonstelling, onder meer verwezen naar de beroemde aria When I am laid in earth (Remember me …) uit de opera Dido and Aeneas van Henry Purcell.

En route
Het tweede voorbeeld haakt aan bij het concert En Route – Kamermuziek Thomas Adès in het kader van het Holland Festival op 18 juni 2011. Een concert dat werd samengesteld door (het stond (ter)echt op het programma) Hans Ferwerda; over een concept gesproken! Ook hier een levensweg die eindigde aan de Lethe (een doodsrivier) of met een ontluikende roos, in beide gevallen (Adès’ strijkkwartet Arcadiana en het 2e harpconcert, Through thorns van Per Norgard) gezet als een soort koraal. [ii]

In het tweede geval is dus niet alleen sprake van muziekhistorische of vormtechnische verwantschap (een koraal), maar ook van een inhoudelijke, net als in het eerste voorbeeld in Arnhem. Daarmee is het &tcetera uit de boektitels van Steinz c.s. ruimer opgevat.
Dat is interessant voor niet alleen museumcuratoren en muziekprogrammeurs (ArtEZ kent in Arnhem een master Muziekprogrammering), maar ook voor (muziek)bibliothecarissen als tegenwicht tegen het zogenaamde retail concept waarbij voornamelijk op (verkoop)trends wordt ingespeeld.
‘Eigenlijk,’ schrijft Mourits, ‘zijn de mogelijkheden eindeloos. En streeft iedere muziekliefhebber naar een eigen “luisteren &cetera” in zijn of haar collectie.’

Receptie
En in zijn/haar receptie. Daarvan geef ik tot slot een voorbeeld dat mij overkwam bij een Robeco Zomerconcert, op 31 juli 2011 in het Amsterdamse Concertgebouw. [iii] Het programmablad, geschreven door Marco Nakken, wees de weg door dit concert van het Deens strijkkwartet.

Fuga’s en canons bij Haydn (Strijkkwartet op. 64 nr. 5) en de Denen Hans Abrahamsen (Derde strijkkwartet) en Carl Nielsen (Strijkkwartet in F gr.t. op. 44), een – jawel! – koraal bij zowel Abrahamsen als Nielsen. Met overal herinneringen aan volksmuziek; Haydn stond er al bekend om, Abrahamsen maakt gebruik van flarden.
Die fuga’s, canons, koralen en volksmelodieën brengen je in een bepaalde mood. Niet in de laatste plaats door het slotstuk van het concert: een Scandinavische volkssuite, samengesteld en gearrangeerd door primarus Runge Tonsgaard Sorensen. En de toegift: een met uitzondering van de cellist staand gespeeld Zweeds koraal.

Het was alsof de musici de luisteraars een boodschap mee wilden geven, gelijk de eerste viool aan het begin van het eerste deel van het Strijkkwartet van Haydn: ‘Boven de op het land zwoegende boeren fladdert hoog in de lucht de kwinkelerende leeuwerik’ (Nakken). Iedereen mag zelf concluderen wat die boodschap kan zijn. Zoals ‘iedere muziekliefhebber streeft naar een eigen “luisteren &cetera”.’

Betekenisgeving
Op die manier met concerten, tentoonstellingen, collecties thuis en in de bibliotheek omgaan, zou wel eens het nieuwe concertproces, museumproces en het nieuwe bibliotheekproces kunnen zijn waar we zo naar op zoek zijn. Het nieuwe luisteren, kijken en lezen waarbij het om ‘betekenisgeving’ draait en niet louter om bezoekers- en/of uitleencijfers.
Dit gaat verder dan het ‘in the mood’ van Steinz en Mourits. Maar begint er wel mee. Alleen daarom al is het lezen van dit boek aanbevelenswaard. Om Steinz’ denken levend te houden.

Pieter Steinz en Bertram Mourits: Luisteren &cetera. Het web van popmuziek in  de jaren zeventig. Uitg. Contact (ISBN 978 90 254 36186). € 19,95

[i] In een e-mail aan mij, d.d. 21 juli 2011.

[ii] Zie in dit verband een artikel van Markus Rathey in I.A.H. Bulletin Nr. 33/2005, p. 241-254 o.d.t.: ‘The Chorale in the Concert Hall; Archeologie of a Paradigm Change.’

Händels eerste oratorium op NPO Radio4

Emmaneulle HaïmHändel

Gelukkig zijn er enkele radiozenders (Omroep MAX, NTR, AVROTROS) die muziekliefhebbers als tegenwicht tegen de vele sportuitzendingen op de televisie, en ter afwisseling van heerlijke detectiveavondjes, rechtstreeks of een paar dagen later laten (mee)genieten van wat buitenlandse muziekfestivals deze zomer bieden. Vanavond was op NPO Radio4 een afgelopen woensdag gemaakte opname in het Théâtre de l’Archeveché (Aix-en-Provence) van Händels eerste oratorium Il Trionfo del tempo e del disinganno te beluisteren. In een uitvoering door solisten en Le Concert d’Astrée onder leiding van Emmanuele Häim (zie foto rechts), de ideale dirigent voor dit repertoire.

Het stuk ontstond in 1707 en beleefde zijn première onder leiding van concertmeester Arcangelo Corelli in Rome. Hij wist – gaat het verhaal – geen weg met de oorspronkelijk Franse ouverture, maar zal zijn hart zeker hebben opgehaald aan het slot van het eerste deel, een chaconne gelijk die ook in zijn eigen vioolsonates voorkomt. Al werd die in de onderhavige uitvoering in het kader van het Festival d’Aix-en-Provence gevolgd door een filmfragment uit Ghost dance. Een ingreep die we onlangs ook in het Muziekgebouw aan het IJ meemaakten bij een concert door het Nederlands Kamerkoor.

Vier protagonisten spelen de hoofdrol: La Bellezza (de schoonheid), Il Piacere (het plezier), Tempo (tijd) en Disinganno (ontluistering). Bellezza werd vertolkt door de stersopraan Sabine Devieilhe die dan wel haar schoonheid heet te verliezen, maar dit compenseerde door ijzingwekkend en trefzeker gezongen hoge noten. Piacera werd gezongen door de in dit festival debuterende Franco Fagioli, een countertenor met een enorm vibrato dat soms vreemd contrasteerde met het pittig en dan weer ingetogen maar in ieder geval strak spelende orkest. De rol van Tempo was in handen van de een enkele keer als heldentenor opererende Michael Spyres en Disinganno tenslotte stond op naam van de Italiaanse contralto Sara Mingardo, die indruk maakte door haar mooie, donkere stemgeluid.

Hoewel sommige aria’s bekend zijn uit latere oratoria, en in het eerste deel zelfs vooruit wordt gelopen op de latere orgelconcerten die als onderbreking van het verhaal werden gespeeld, had ik dit vroege oratorium van Händel nog niet (volledig) gehoord. Het is fijn daartoe door de omroep in staat te zijn gesteld!

Verrassende barokmuziek

Handel_Ontdekking KoopmanEr gebeuren nog steeds verrassingen, al gaat het om zogeheten ‘oude muziek.’ Neem het concert door het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir vanmiddag in het Amsterdamse Concertgebouw. Een concert dat begon met een prachtig Concerto grosso op. 7 nr. 6, Il pianto d’Arianna (1741) van Locatelli dat ik me niet kan herinneren eerder te hebben gehoord.
Een prachtig concerto met vioolsolo (Catharina Manson) en rijk bezette basso continuo-groep met Ton Koopman aan het klavecimbel.

En dan hebben we het nog niet eens over de eerste uitvoering in de moderne tijd van een vroege versie van de cantate Tu fedel? tu constante? van Händel (ca. 1706, zie afb.) uit de grote bibliotheek van Koopman, met sopraan Yetzabel Arias Fernández als soliste en een klein begeleidingsensemble. Op en top Händel. De zangeres zong soms, zoals in één van de aria’s, als een schallende hobo – en de hobo speelde als een zangstem. Prachtig om die eendracht te horen.

Het derde en laatste werk voor de pauze was mij ook onbekend: de lijdenscantate Wo gehet Jesus hin? (1739) van Christoph Graupner, van wie 46 cantates bewaard zijn gebleven. Bas Klaus Mertens bleek nog niets aan zeggingskracht te hebben verloren (‘Zum Leiden’ in het accompagnato waarmee de cantate opent).

Na de pauze volgde een iets bekender werk: het Osteroratorium BWV 249 (1725) van Joh. Seb. Bach. Maar wat heet: de vraag blijft waarom de Matthäus bekender is dan de Johannes Passion of de Hohe Messe en dit werk ook relatief onbekend is. Mooi was hoe Koopman koor en orkest (wat een klasse!) in het ‘Kommt, eilet und laufet’ even inhield om ze daarna des te sneller op weg te laten gaan. Iets soortgelijks deed de viool in de aria ‘Seele, deine Spezereien’ zodat een mooie eenheid ontstond.
Al met al een prachtig concert met relatief onbekende barokmuziek, het NTR ZaterdagMatinee waardig.

Bij tijd en wijle adembenemend

Lorenzo GhielmiDe afwisseling tussen enkele orgelconcerten van Georg Friedrich Händel en een paar Concerti grossi van Arcangelo Corelli vanavond in een concert door het in 2005 opgerichte La Divina Armonia onder leiding van Lorenzo Ghielmi  (zie afb.) in Tivoli Vredenburg Utrecht was méér dan om-en-om uitvoeringen. Neem de twee hobo’s in het Orgelconcert op. 7 nr. 1, die als orkestinstrumenten (verdubbeling van de strijkersstemmen) minder pregnant naar voren kwamen dan we gewend zijn. Maar … op momenten dan weer juist meer concerto grosso-achtige solopartijen bliezen. Een inhoudelijke overeenkomst was geboren met Corelli’s Concerto grosso op. 6 nr. 3, dat na de pauze werd gespeeld.

In het Concerto grosso op. 6 nr. 9 van dezelfde Corelli konden we de strijkersklank ten volle bewonderen: sierlijk, stuwend, swingend en – eerlijk is eerlijk – soms op de grens van wat mooi is. Gewaagd haast.
De hobo’s noemde ik al, maar ook de fagot verdient aparte vermelding, zoals diens klank in het openingsdeel van het eerder genoemde orgelconcert buitengewoon fraai kleurde met de orgelklank.

Een groot kistorgel met pedaal, met veel verve en vol smaakvolle improvisaties bespeeld door Lorenzo Ghielmi, de nestor van de Italiaanse uitvoeringspraktijk van oude muziek.
Mooi was hoe zijn solopartij zich als het ware losmaakte van het statige en puntige begin van Händels op. 6 nr. 6 en hoe hij binnenkwam in het laatste deel van op. 7 nr. 3. Bij tijd en wijle adembenemend. Mooi ja.

Theodora van Händel in NTR ZaterdagMatinee

Theodora_NTR ZaterdagMatineeIn mijn boekenkast staat een boekje over de geschiedenis van het oratorium van E.W. Schallenberg, waarin ook enkele pagina’s worden gewijd aan Händels voorlaatste oratorium (1749): Theodora. Het gaat over de geschiedenis van een christin die slachtoffer is van de christenvervolgingen in het vierde-eeuwse Antiochië onder Diocletianus en uiteindelijk uit de kerker wordt bevrijd door Didymus. Samen met hem sterft zij de marteldood. Volgens de auteur van dit boekje ‘zijn er te weinig tegenstellingen, vooral in tempo; het langzame overheerst te zeer’.

Wie gisteren naar het NTR ZaterdagMatinee ging met dit beeld, kwam bedrogen uit. Het waren niet zozeer de langzame tempi die opvielen, als wel de ingetogenheid van met name van de tweede en derde akte die indruk maakte en beklijfde. En dat komt niet alleen Händel toe, maar ook de Frans-Amerikaanse dirigent William Christie die deze sfeer uit de noten naar boven haalde en benadrukte.

Maar gelukkig had de auteur van mijn boekje ook oog voor de ‘solozangen met bijzonder verzorgd accompagnement, terwijl ook de vaak onderschatte koren aparte schoonheid bezitten’. Dat kun je wel zeggen. En ook hier gold: wat een solisten, waarbij de sporadische uithalen van tenor Kresimir Spicer met de mantel der liefde kunnen worden bedekt. Ze zijn hem vergeven.

Om de koorzang extra naar voren te halen, belangrijk als deze is, haalde Christie de ruim twintig leden van het koor van Les Arts Florissants letterlijk naar voren, tot voor het orkest. Dat gaf, met de actie die de solisten ten toon spreidden, aan de uitvoering iets van een semi-scènische opera. Teruggrijpend op de enscenering van Stephen Langridge in het Parijse Théâtre des Champs-Elysées.
Het orkest verrichtte wonderen van schoonheid. Zoals een fagot extra oplichtte, prachtig kleurde en zo een extra accent aanbracht: magistraal.

Terug naar mijn boekje en de solisten. De auteur noemt onder meer het slotduet van Theodora (Katherine Watson, sopraan) en Didymus (Philippe Jaroussky, countertenor). Dat klonk inderdaad als was het ‘overgoten van bovenaardse glans’. Maar dat gold eigenlijk meteen al vanaf de eerste inzet van Didymus, een solo gezongen passage waarbij de uitverkochte zaal de adem inhield. En vergeet het eerste duet niet! En de andere solisten: mezzosopraan Stéphanie d’Oustrac (Irene, gezellin van Theodora), bas-bariton Callum Thorpe (stadhouder Valens) en tenor Sean Clayton (bode).

Een enorme ovatie kon niet uitblijven. En terecht. We hebben Theodora naar waarde leren schatten. Mede dank zij een grandioze uitvoering.