Een soort strijdkreet

Een poosje geleden sprak Radna Fabias bij VPRO Boeken met Jeroen van Kan over haar debuutbundel Habitus. Het was een gesprek dat indruk maakte en dat ik daarom heb onthouden. Het ging over theses en antitheses, licht en donker, man en vrouw. Zonder dat het tot syntheses kwam, reikte ze wel naar een zekere eenheid. Maar dat lukte niet altijd, en die imperfectie is goed.

Ongeveer in dezelfde tijd van dit televisie-interview las ik een gesprek met Björn Schmelzer, curator in residence van het Festival Oude Muziek (FOMU 18) in Utrecht (foto Jimmy Kets). Wat hij met zijn Antwerpse vocaal ensemble Graindelavoix wilde gaan doen, legde hij uit, was ‘de tegenstelling tussen het hoge en het lage, tussen het astrale en het monsterlijke van het leven zelf in een muziekuitvoering laten horen (…). Craquelure in de stemmen, imperfectie, dat doet iets met de luisteraar’, aldus Schmelzer. ‘Goede kunst is kunst die de imperfectie omhelst (…). Het is menselijkheid durven toelaten. Dat is het hoogste wat een kunstenaar kan doen. Een zanger die de grain de la voix, het “gruis van de stem” durft te laten horen: daar gaat het om.’

Ook bij Fabias, die het literatuurfestival Winternachten 2019 mede opende en waar ik nu eerst naar terugkeer alvorens op grond van zowel haar werk als dat van Graindelavoix een conclusie te formuleren.

Radna Fabias
Fabius debuteerde met de hiervoor genoemde bundel Habitus die de C. Buddingh’-prijs kreeg voor het beste debuut. In een van de vele interviews die hierna volgden (met Roelof ten Napel van Klecks in samenwerking met De Optimist), vertelde ze dat ze op een avond een keer een essay voordroeg over ‘zwarte, feministische poëzie’. Ze uitte hierin haar ‘grote dorst voor stemmen die op onbeschaamde wijze de menselijke feilbaarheid bezingen’. Ze had het in deze lezing ook over Morgan Parker, en vertelde over diens laatste bundel There are more beautiful things than Beyoncé:

In het comfortabel zijn met haar feilbaarheid ligt haar heldendom.

Nog een andere inspiratiebron passeerde in genoemd interview de revue: Danez Smith, die Fabias een paar keer hoorde voordragen tijdens Poetry International. Zij stelde ‘minder sexy zaken als vernietiging, gebrokenheid, verdriet, moedeloosheid en niet-weten’ aan de orde, wat Fabias als een verademing had ervaren.

Ze vraagt zich af of dit bij het emancipatieproces behoort, als ‘een vorm van individuele emancipatie’ in een wereld waarin ‘het er best vaak toe doet wie je bent, waar je vandaan komt en hoe je eruit ziet. Je geaardheid, je gender, je gezondheid, je sociaal-economische startpositie etc. (…) De trots waar we het over hebben is ook een reactie op een leven met die obstructies’ aldus Fabias. Een trots die ‘wellicht ook een bezwering is van aangeprate minderwaardigheid. Een verkapte poging te bewijzen dat je die plek verdient? Een overcompensatie? Een poging tot tegenspreken/ontkennen? Een soort strijdkreet? Zelfbehoud? Een soort affirmatie?’ Ze voelt zich in de wereld thuis als de middelste van de driedelige matroesjka poppetjes: ‘de reële, kwetsbare, complexe, niet gecensureerde positie’.

Grandelavoix
De weg leidt weer terug naar Graindelavoix en Björn Schmelzer. Een ensemble dat met ‘stemmen die op onbeschaamde wijze de menselijke feilbaarheid’ bezingt. Als een soort strijdkreet, om Fabias te citeren. Ze lijken afscheid lijkt te nemen van een haast gecensureerde, over-esthetische stijl van muziek maken die de CD industrie heeft gecreëerd: glad en foutloos. Terwijl we volgens Fabias feilbaarheid zouden moeten kunnen vieren. ‘Wat’, vraagt ze zich af, ‘als ik daarin menselijkheid, rijkdom, schoonheid, kracht en poëzie zie?’

Zij roept op om ons niet te laten ‘leiden door de “smaakvolle” norm. Wees waakzaam voor het enkel etaleren van eruditie en “goede smaak”.’  Ze lijkt daarbij Grandelavoix aan haar zijde te hebben. Althans in mijn oren.

Drieluik op zondag (II)

1.
In een andere blog, op een andere website wees ik al eerder op een mooi boek dat ik op het moment van schrijven wilde gaan lezen en nu ook daadwerkelijk mondjesmaat lees: Camus. De filosoof en de romancier van de Vlaamse filosoof Maurice Weyembergh (https://www.literairnederland.nl/het-eindejaarslijstje-2017-van-els-van-swollijstje-van-els-van-swol/). Vanmorgen was in alle vroegte het tweede hoofdstuk aan de beurt: ‘De mens die zichzelf schept en tot mythe maakt in De mythe van Sisyphus.’

Daarin citeert Weyembergh Camus (zie foto): ‘Hoe moeilijk het ook is, ik zou nooit ontrouw willen zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’  Het zijn volgens hem twee polen die ‘elkaars tegengestelden zijn én elkaar aanvullen.’ De mens moet volgens Camus in de woorden van Weyembergh ‘zijn eigen lotsbestemming ter hand nemen door zijn eigen verhalen te vertellen, door zijn eigen mythen te bedenken.’ Camus stond een wereld voor ‘die verdriet en wreedheid zoveel mogelijk uitbant, sociale gerechtigheid realiseert, en tegelijkertijd het individu maximale vrijheid laat zichzelf te scheppen.’ Het is volgens hem zinloos om de spanningen tussen het een het ander, tussen licht en donker, tussen schoonheid en de vernederden ‘te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Het gaat om een ‘dialectiek zonder synthese’, om ‘aanvaarden en verwerpen.’ En zo ontstaat er volgens hem ‘op den duur dan iets waarvoor het op deze aarde de moeite loont te leven, iets zoals bijvoorbeeld deugd, kunst, muziek, dans, rede, geest, iets dat tot een metamorfose leidt, iets verfijnds, iets krankzinnigs, iets goddelijks.’ Op die manier herhaalt en imiteert de mens op zijn best de schepping van God.  ‘In zo’n mate dat niemand verschil ziet tussen de danser en de dans.’

2.
Een uurtje of wat later bevond ik mij in het gehoor van de Vrije Gemeente in Splendor, bij een lezing van Katja Rodenburg (zie foto) over het thema ‘Duende – licht en donker, zon en maan.’ Over haar schreef ik al eerder hier een blog.
Ook zij had het over ‘kunst, muziek, dans, rede, geest’ en over een flamencozanger die dertig van de veertig keer niet dát gaf wat je zou willen. En de tien keer dat hij het wél deed, was het alsof hij niet zelf zong, alsof – om met Camus te spreken – niemand meer het verschil hoorde tussen de zanger en het gezang. Een gezang waarin eeuwen her meezongen, dat door het donker heen tot het licht was gekomen. Zoals de filosofie van Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), over wie ik ook al eerder een blog schreef. Misschien was de zang niet mooi in de zin van de esthetica, maar gewoon – denk ik verder – maar ‘waar’ of ‘waarachtig’ in de zin van Camus: één moment van balans waarin recht werd gedaan aan zowel de schoonheid als de vernederden die de flamenco in Cadiz, aan de rafelranden van het bestaan, bezingt. Een dialectiek van aanvaarding én verwerping, waarin het leven zelf (met Nietzsche) een kunstwerk is geworden.

3.
Even later bezocht ik een straat verder het eerste deel van de dubbeltentoonstelling over Ferdinand Bol en Govert Flinck, twee meesterleerlingen van Rembrandt. In het Rembrandthuis (nog t/m 18 februari a.s., zie affiche). Het tweede deel, dat ik al eerder zag, valt te zien in het Amsterdam Museum.
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk wat Katja Rodenburg, en pianist Maurice van Schoonhoven ook al benadrukten: duende vind je niet alleen in de flamencodans en –zang, maar in alle kunstvormen. Schoonhoven demonstreerde dit in enkele rake – en prachtig gespeelde – keuzes, met om te beginnen twee etudes op. 25 van Frédéric Chopin, halverwege in onder meer met de Prelude op. 32 nr. 12 van Rachmaninoff en tenslotte met twee etudes (op. 2 nr. 1 en op. 8 nr. 12) van Skrjabin.

Maar ook al kijkend naar met name een tafereel, van respectievelijk Rembrandt en Ferdinand Bol, probeerde ik iets van duende terug te vinden: Tobias en de engel, een verhaal dat in de deuterocanonieke of apocriefe boeken kan worden teruggevonden. Een verhaal (en gaat het volgens Camus niet om het vertellen van verhalen, om wat Bergson volgens Weyembergh ‘de fabulerende functie’ noemt?) over Tobit en Tobias.
Tobit, oud en blind, heeft in het verleden een kleine schat achtergelaten bij iemand in Medië, en stuurt zijn zoon Tobias op pad om die op te halen. Op zijn reis ontmoet Tobias aartsengel Rafaël, die hij echter niet herkent. Rafaël helpt Tobias om de schat naar zijn vaders huis terug te brengen. Bovendien geneest Tobias, met de gal van een vis die hij samen met Rafaël heeft gevangen, zijn vaders blindheid. Een deel van de schat wordt als aalmoezen weggegeven.
Ik herkende in dit schilderij verschillende (verhalende en beeldende) elementen van de duende: het verleden (de oude man, de achtergelaten schat) speelt er altijd in mee, het licht (het weer kunnen zien van Tobit) komt dóór het donker (de blindheid) heen, je moet altijd blijven zoeken naar ‘het’ moment (de schat die achtergelaten is), de vernederden (in de woorden van Camus) worden bij het verhaal betrokken en krijgen aalmoezen.

Misschien is het de engel op beide schilderijen die symbool voor de duende staat: bij Bol daalt hij uit het donker neer, als de inspiratie voor een kunstenaar (wat we allemaal zijn: levenskunstenaar), bij Rembrandt stijgt hij op (zie afb.), om weer nieuwe inspiratie te halen. Als een doorgaand proces, wat leven heet. Want volgens Camus ‘gaat het uiteindelijk om één ding, “z’n taak mens te zijn” uitoefenen.’ Ik zou haast zeggen: Mensch te zijn – uit één stuk, niet als een synthese maar dialectisch. Licht en donker. Schokkend, zei één van de mensen die de lezing van Rodenburg bijwoonde.