Filosofie voor leiders

Filosofie voor leiders : van opvoeders tot opvolgers : met wijsgeren en eindbazen Beauvoir, Machiavelli, Nietzsche, Trump, Poetin en Plato / hoofdredactie Coen Simon ; redactie en eindredactie Hannah Achterbosch, Alexandra van Ditmars, Tim Oudshoorn. – Nijmegen : Filosofie NL Media B.V., [2021]. – 99 pagina’s : illustraties ; 27 cm ISBN 8719992599

Filosofie Magazine kwam in 1992 voor het eerst uit en is in bijna dertig jaar uitgegroeid
tot een populairwetenschappelijk tijdschrift over publieksfilosofie voor een geïnteresseerd lezerspubliek. In ‘Specials’ worden de beste artikelen gebundeld over thema’s als Verlichting, Verlangen, Vrouwelijke denkers en nu over Filosofie voor leiders. In interviews, boekbesprekingen en artikelen komt het thema voorbij in verschillende uitingsvormen: opvoeding, koningschap, politie, bureaucratie en
charisma. En denkers van Plato, Machiavelli, Kant, Nietzsche en Simone de Beauvoir tot
Agnes Heller. Auteurs zijn onder meer Leon Heuts, Joep Dohmen, Maarten Meester,
Ivana Ivanovic en Stine Jensen. Met talrijke illustraties; uitgave in iets kleiner dan A4-
formaat.

Cop. NBD Biblion, Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (III)

Opgedragen aan ds. Kees Zwart, die op 8 mei a.s. als interim-predikant afscheid neemt in Amsterdam-Noord en mij met zijn hieronder genoemde preek tot dóórdenken aanzette.

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte me. Waarom heb ik in drie opeenvolgende blogs uitgelegd. In de eerste ging ik in op het artikel, in de tweede kwam ik zelf aan het woord als ervaringsdeskundige en in deze derde ga ik tenslotte in op de troost die filosofie, theologie en literatuur kunnen bieden.

Vier vormen van troost
We zagen in de eerste van deze drie blogs, dat Lammert Kamphuis in het interview met Fleur Jurgens vier vormen van troost noemt die de filosofie kan bieden:

  1. Het lezen van filosofische teksten
  2. Relativering
  3. Aanvaarden van het lot
  4. Verlichting vinden in het uitzicht op betere tijden

Het hoeven echter niet perse filosofische teksten te zijn. Met, wederom Virginia Woolf, denk ik ook aan gedichten. Daarop kun je blijven kauwen, ze sturen je gedachten, uit je pijnlijke lichaam weg, richting je hoofd.

Bijbelteksten in de lijdenstijd
Zo kun je ook groeien aan Bijbelteksten en de uitleg daarvan. Dat overkwam mij in de lijdenstijd, toen tijdens een kerkdienst werd gelezen uit Jacobus (Jac. 1: 19-27) en Johannes (Joh. 15: 1-8). In het eerste gedeelte staat de spiegel voor Tenach, in het tweede is dat de wijnstok, de ware wijnstok. De landsman (God) snoeit de ranken, opdat zij meer vrucht dragen (vs. 3). Opdat de Tenach tot zijn recht komt, recht wordt gedaan.

Dat is de gebruikelijke uitleg, maar in de preek van ds. Zwart die ik hoorde, klonk ook iets anders door waarin die twee teksten met elkaar werden verbonden. Een voorzichtige vraag die ik de dag erna ook las in het nieuwste boek van (inderdaad een filosoof) Jos Kessels: Het raadsel van de speelman (ISVW Uitgevers, 2021). In het hoofdstuk ‘Snoeien’. Concreet vraagt de ik-figuur zich af, of ‘je ook jezelf in vorm kunt snoeien’ (p. 106). De tuinman in dit hoofdstuk vindt het ingewikkeld, de predikant vond het ook, maar toch werd de vraag als gezegd voorzichtig gesteld.

De waarde van woede
Alle verdorde takken op een hoop gooien en verbranden en dan de ranken laten groeien aan de wijnstok. Het is even slikken, maar biedt het uiteindelijk ook niet iets van troost? Een opdracht om aan jezelf te werken. Zo hoorde en las ik het. Is het de loutering waar Wim Dubbink het over had? Op z’n minst verlichting in de hoop, het uitzicht op betere tijden.
Snoeien uit woede en die als een energie ten goede aanwenden, denk ik. Want woede is, met de woorden van Nico Koning uit wiens nieuwe boek De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid (uitg. Damon, 2022) ik in de vorige blog al citeerde, ‘veranderwoede’ en staat in een ‘waardevolle traditie’ (p. 11).

Aanvaarden van het lot (punt 3 van Kamphuis) is niet het je ergens passief bij neerleggen, maar juist hard werken zei een andere predikant eens. En ook hij verwees naar een gedicht. Van Jacqueline van der Waals in dit geval (zie foto rechts). Een ander dan onderstaand gedicht, maar toch. Van der Waals was een vrouw die leed, en uiteindelijk overleed, aan een maagzweer. Zij schreef dit gedicht over snoeien:

De herdersfluit

Eens ging ik langs het lage riet,
Dat ruischen kan en anders niet,
Toen, langs mijn pad, een herder kwam,
Die één van deze halmen nam,
En dien besnoeide en besneed,
En maakte tot zijn dienst gereed.
Door dit gekorven rietje, dat
Als dood hij in zijn handen had,
Dien stemmeloozen stengel zond
Hij straks den adem van zijn mond,
En, als hij blies, zoo zong het riet,
En, als hij zweeg, verstomde ‘t lied:
De zoete, pas ontwaakte stem
Bestond en leefde slechts door hem.
Zoo gaf ik gaarne wensch en wil
In ‘s Heeren hand en hield mij stil.

Zoo dan, als door een rieten fluit,
Bij zwijgend eigen stemgeluid,
Gods adem door mij henen blies,
Hoe groote winst bij kleen verlies!

(uit: Nieuwe verzen, 1910)

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (II)

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte mij. Waarom leg ik in drie opeenvolgende blogs uit. In de eerste ging ik op het artikel zelf in, in deze tweede ben ik aan het woord als ervaringsdeskundige. En in de derde ga ik tenslotte in op de troost van filosofie, theologie en literatuur.

De pijn zelf
Allereerst die pijn. Ja, die gaat gepaard met verdriet om het feit dat je niet gewoon door kan gaan zoals je de meeste tijd min of meer gewend bent. Verdriet omdat alles even wordt stilgezet en je veel kunt vergeten. Daar bovenop komt dan meestal woede, de ervaring van machteloosheid. Betekenis of de vraag daarnaar is niet aan de orde – want die is er gewoon niet. Het is zinloos en leidt tot niets. Of zoals Lieke Marsman een keer (5 april jl.) raak tweette: ‘Gisteren was ik moe, vandaag ben ik weer gewoon woedend’.
Even iets meer over die woede. Ik lees in het onlangs uitgekomen boek De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid van Nico Koning (uitg. Damon, 2022) dat ‘met woede in principe niets mis [is]. Ik zal hier niet meezingen in het koor van hedendaagse denkers die woede nog steeds als een te overwinnen negatieve emotie beschouwen’ schrijft hij (p. 11) en daar ben ik mee.

Biedt het lezen van een tekst van bijvoorbeeld Schopenhauer dan verlichting? Nee – ik herken mij op zo’n moment hooguit in het luisteren naar de Symfonieën voor strijkers van Carl Ph. E. Bach. Sturm und Drang, de woede van een jonge hond. Clemens Romijn schrijft in een toelichting op één van die symfonieën, die in E gr.t. Wotq. 182 nr. 6, dat het hierin gaat om ‘wisselende stemmingen, abrupte wendingen en gewaagde harmonische “excursies”‘(in: Preludium, april 2022, p. 76). Ik hoor het als kijk ik in een spiegel.

Als ik al een filosofische tekst zou lezen, bijvoorbeeld van Montaigne, dan speelt het feit dat hij ook aan enorme pijnen leed op de achtergrond mee. Dáárin vind ik ‘die verbindende dialectiek’ eerder dan wanneer ik lees ‘over iets wat jezelf aangaat, of wat zich heel dicht om je heen afspeelt’, zoals Elte Rauch schrijft in de uitgave met Virginia Woolfs beroemde Over ziek zijn, aangevuld met ‘Hoe gaat het met je?’ van de eerder genoemde Lieke Marsman, en Mieke van Zonnevelds ‘Gods ruïne’ (Uitgeverij HetMoet, 2020, p. 10).

Loutering?
Is er sprake van loutering en een nieuw begin, zoals Dubbink in Filosofie Magazine meende (zie blog 1)? Nee – je hoopt dat het snel over is en weer een poos weg blijft. Daarna ga je weer over tot de orde van de dag. Je draagt de ervaring met je mee, maar je draagt de ervaring niet uit. Want het is maar de vraag of je iemand daarin volledig begrijpt.

Dat blijkt zelfs uit het verhaal dat een andere ervaringsdeskundige, Amanda Kluveld, in haar boek Pijn (De Arbeiderspers, 2007) vertelt over haar oudtante Toos. ‘Zij had’, schrijft ze (p. 35), ‘een ziekte die gepaard ging met pijnaanvallen. Ik weet niet aan welke kwaal ze leed, want ik was heel klein. Wat mij wel is bijgebleven, is dat mijn tante zichzelf tijdens zo’n aanval herhaaldelijk met brandnetels sloeg.’ Kluveld legt dit uit als het verdrijven van de demon, het monster van de pijn. Apart, voor een Zeeuwse boerin, meent de auteur, maar iemand die dit boek voor mij uit de bibliotheek leende, heeft er met potlood in de kantlijn bijgezet: ‘substitutie’. Ik denk dat hij/zij het beter heeft begrepen: wanneer je naast erge pijn een andere vorm van erge pijn zet, gaat de aandacht niet alleen meer naar de eerste uit, maar wordt deze verdeeld. En zo relatief minder hevig.

Blijft nog steeds de vraag wat nu troost. Een mooi boeket bloemen? Om daarbij in gedachten te vertoeven, zoals Virginia Woolf schreef? Zoals bijvoorbeeld de Pioenrozen van Yve du Bois (zie foto rechtsboven)? Volgens een folder van supermarkt Aldi staan pioenen immers ‘symbool voor liefde, geluk en gezondheid’. Op troost ga ik verder in in de derde en laatste blog in deze korte serie.

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (I)

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte mij. Waarom zal ik in drie opeenvolgende blogs uitleggen. In deze eerste ga ik in op het artikel zelf, in de tweede kom ik aan het woord als ervaringsdeskundige en in de derde en laatste ga ik in op de troost van filosofie, theologie en literatuur.

Definitie van lijden
‘Het kenmerk van lijden [is] nu juist dat het niet valt op te lossen’, zegt Wim Dubbink, bedrijfsethicus en voorzitter van de vakgroep filosofie aan de Tilburg University in het artikel. En hij definieert om te beginnen wat hij onder ‘lijden’ verstaat: ‘Een ervaring van machteloosheid en onrechtvaardigheid (…). Het komt bovenop pijn en het verdriet, als een extra aandoening’.
De vragen die vervolgens worden gesteld, komen in het vaarwater van de theologie: ‘Wat is de betekenis van mijn lijden?’, ‘Wat is rechtvaardigheid?’ Al benoemt Dubbink het bij uitstek als filosofische vragen. De volgende filosoof die Jurgens interviewt, Lammert Kamphuis, ziet het zelfs als filosofie van de straat, of misschien eerder: van de agora, want hij heeft veel op met de Stoïcijnse insteek: ‘Richt je op die dingen waar je controle over hebt en je zult met gemoedsrust en vrij door het leven gaan’. De definitie van lijden is daarmee naar mijn idee toch weer een beetje uit het zicht verdwenen en wel erg gemakkelijk opgelost.

Waarbij de filosofie kan helpen
Kamphuis stelt vervolgens, dat ‘waarbij de filosofie (…) kan helpen, is dat we onszelf in het lijden ook nog eens onnodig kwellen door straffende oordelen óver ons lijden’. Ik ben het met deze overigens eerder theologische insteek met hem eens, al neemt hij het in een volgende stellingname weer wat terug. Dat is op het moment dat hij het heeft over de Oostenrijkse neuroloog en psychiater Viktor Frankl, die in zijn De zin van het bestaan schreef dat hij ‘door betekenis aan zijn lijden te geven (…) de mens zijn vrijheid kan demonstreren’.

Kamphuis biedt in zijn Filosofie voor een weergaloos leven vier vormen van troost die de filosofie kan bieden:

  1. Het lezen van filosofische teksten, bijvoorbeeld van Schopenhauer
  2. Relativering, zoals de Stoïcijn Epictetus deed (Vrij en onkwetsbaar)
  3. Aanvaarden van het lot, zoals Boëthius deed (De vertroosting van de filosofie)
  4. Verwachting vinden in het uitzicht op betere tijden

Lijden niet reduceren
Dubbink heeft met zulke posities moeite, blijkt uit het vervolg. Je moet het lijden serieus nemen en niet reduceren tot ‘pijn en verdriet’. Lijden is kwellend en onbegrijpelijk. Ook de Stoïcijnen kan hij niet volgen, want zij ontkennen elke vorm van emotie. Het best te begrijpen vindt hij nog de visie van Frankl. Alleen hij heeft eigenlijk recht van spreken, gezien zijn ervaringen in vier concentratiekampen. Met een kanttekening: lijden kun je niet instrumenteel maken, begrijpen. Waaruit Dubbink met Ricoeur de conclusie trekt, dat ‘het lijden dus misschien gewoon iets is wat gebeurt en stomweg niet te begrijpen is!’ Hoe weinig bevredigend dit ook is.

Doordenkend komt hij dan uiteindelijk uit bij de filosoof Helmuth Plessner, de eerste filosoof die het lichaam centraal stelde, volgens de auteur van dit artikel, hoewel ik toch ook meteen aan zijn tijdgenoot Merleau-Ponty moet denken. Dubbink zegt: ‘Plessner heeft een interessante visie ontwikkeld op lachen en huilen. Op het moment dat mensen in huilen uitbarsten, capituleert hun denken en is het lichaam aan zet. Dat sluit mooi aan bij wat lijden is. Het is een geestelijk gevoel, dat een ander kenvermogen aanspreekt op het niveau van het lichaam. Met die gedachtegang is te ontsnappen aan de vraag naar betekenis of zin, zonder het lijden meteen helemaal onbegrijpelijk te maken.’

Een filosofie van de troost
Tenslotte komt Dubbink uit bij zijn collega Donald Loose, die ‘in dit verband spreekt van  “een filosofie van de troost”. Doordat het lichaam antwoordt in al zijn beperktheid, huilt en om troost vraagt, zal het denken moeten accepteren dat het is uitgespeeld. Die loutering door en van het lichaam biedt ruimte voor een nieuw begin.’ Hij komt dan weer terug op de Plessner van ná de oorlog, die zich ten doel stelde een boek te voltooien.

Daarmee raakt het abstracte denken over lijden aan het concrete leven van mensen die lijden ondergingen of ondergaan. Tot die laatste groep behoor ik, die – om het in proportie te zien – pijn lijdt, om het zo te omschrijven. Soms erg, soms niet of nauwelijks, maar altijd op de loer liggend. Tot op zekere hoogte een praktijkgeval van een ervaringsdeskundige dus.
Kan ik me in die verschillende stellingnamen vinden? That’s the question. Voor deel 2.

De ontwikkeling van ethiek

8WEEKLY vroeg aan de medewerkers, wat hun aanrader uit 2021 was (zie linkje hieronder). Ik dacht, na een dichtbundel van Jabik Veenbaas die echter al in 2020 was verschenen, aan het boek Morele vooruitgang in duistere tijden. Universele waarden voor de 21ste eeuw van de Duitse filosoof Markus Gabriel (Boom Uitgevers, 2021). Dit boek had ik gewonnen bij een actie van Filosofie Magazine en heb het met grote interesse gelezen. Omdat het onmogelijk is dit boek in een podcast bijdrage van ruim een minuut recht te doen, ga ik er in deze blog dieper op in: waarom is het dan een aanrader? Ook plaats ik er ondanks dat, toch enkele kanttekeningen bij.

Enkele begrippen
Om te beginnen: wat zijn universele waarden volgens Gabriel? Hij zegt: ‘Goed en kwaad zijn universele waarden: het goede is universeel moreel vereist – ongeacht groepslidmaatschap, cultuur, smaak, geslacht, klasse en ras – terwijl het kwaad universeel moreel verboden is.’ Gabriel gaat uit van het Verlichtingsdenken, dat hij nieuw leven in wil blazen. Verlichting is datgene dat volgens hem ‘helpt in dit soort duistere tijden. Ze veronderstelt het licht van de rede en daarmee ook een moreel verstand.’ Waar hij op aanstuurt, noemt hij een nieuwe verlichting, een moreel realisme, het ontdekken van vormen van nieuwe morele gedachten. Het boek is dan ook bedoeld voor lezers, ‘die bereid zijn om door middel van de rede tot een moreel oordeel te komen.’

Vooruitgang – een ander begrip uit de titel – is ook niet intrinsiek goed of kwaad. We mogen immers ‘nooit vergeten wat er in het Duitse Rijk is gebeurd, omdat het ons heeft laten zien dat de mens in staat is om systematisch radicaal kwaad te organiseren met behulp van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.’ Wat nodig is voor morele vooruitgang, is ‘een praktijk van vergeving, verzoening, verdraagzaamheid en voorzichtige, aftastende gesprekken.’

Onder morele vooruitgang schaart Gabriel onder meer ‘het opblazen van het systeem van stereotypen, zodat we ieder mens in de eerste plaats als mens kunnen onderkennen en erkennen.’ Covid-19 leidt volgens hem tot het onder druk verenigd zijn van de mensheid, waarmee hij echter de tweedeling die er ook door ontstaat helaas niet onderkend.
Morele vooruitgang wordt geblokkeerd door ‘nepnieuws, digitale bewaking, propaganda en cyberoorlogsvoering.’

Kernthema’s
Tot zover enkele begrippen uit de titel van het boek. De kernthema’s die Gabriel onder de loep neemt, zijn: realisme, humanisme en universalisme. Waar hij zich tegen afzet, zijn: waardenpluralisme, – relativisme en -nihilisme. Zo zet hij zich bijvoorbeeld af tegen de cultuurstrijd van Samuel P. Huntington, en stelt daar de ideeën van Nobelprijswinnaar Amartya Sen tegenover. Het postmodernisme is hem een doorn in het oog en hij noemt dat ‘willekeur’ en ‘onzin’.

Hij geeft hoog op van kunst en cultuur, omdat deze ‘onmisbaar [zijn] voor de ontwikkeling van onze ethiek. Zonder ficties en hun verspreiding in de samenleving is een morele opvoeding onmogelijk. Het is geen toeval’, schrijft hij, ‘dat totalitaire systemen de artistieke vrijheid beperken – ze willen de verbeelding van hun onderdanen aan banden leggen’. In het verlengde daarvan ziet hij geen enkele reden om tolerant te zijn tegenover intolerantie, geen enkele reden om in gesprek te gaan met radicale politici, ‘omdat de basisregels van een dergelijke discussie niet worden geaccepteerd binnen de ideologie van de gesprekspartner.’ Een mooi voorbeeld in Nederland is de weigering van de gemeenteraad in Amsterdam, die onlangs weigerde te discussiëren over de vergelijking van de sjoah en de coronamaatregelen. Er zou volgens raadslid Gertjan van den Heuvel (CU) hiermee een grens worden overschreden.

Immanuel Kant
Er staan prachtige stukken in het boek. Ik denk bijvoorbeeld aan Gabriels uitleg van Kants ‘beroemde strenge verbod op liegen’. Onlangs kwam het nog langs, toen NPO2 Extra de film Irrational Man van Woody Allen (2015) vertoonde. De hoofdpersoon, filosofieprofessor Abe Lucas, zette daar een vraagteken bij dat je vaker hoort, – in de woorden van Gabriel: ‘Stel we verbergen in een totalitaire dictatuur een vervolgde familie in de kelder en liegen tegen de politie wanneer die aan de deur staat en vraagt of we de familie in kwestie hebben gezien.’ Gabriel legt uit, dat ‘wie een onwaarheid vertelt om een gezin dat zich in de kelder verstopt te beschermen tegen een wrede, onrechtvaardige overheid, niet liegt, want het doel is (…) niet om een voordeel te behalen, maar om de veiligheid van het gezin te waarborgen.’

Duitsland enzo
Nu is het niet zo, dat ik het met alles wat Gabriel stelt eens ben. Zijn blik is mij soms wat te eng op Duitsland gericht, en dan krijg je een zin als: ‘Natuurlijk zijn er veel fraaie successen geboekt op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek: de uitvinding van de boekdrukkunst, de symfonieën van Beethoven …’. Oké dat eerste klopt, dat tweede niet – Beethoven schreef alleen zijn eerste twee symfonieën in Bonn, de rest in Wenen; hij wordt niet voor niets tot de Weense klassieken gerekend (Haydn, Mozart, Beethoven).
Minder storend is Gabriels voorliefde voor het Duitse idealisme, met Kant, Fichte, Schelling en Hegel.

Storend is wel weer zijn louter negatieve benadering van sociale media (‘zonder Twitter en Facebook zou Trump waarschijnlijk nooit president van de VS zijn geworden’, een rol die wellicht eerder geldt voor de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021), waar hij op andere plaatsen wel ontwikkelingen van meerdere kanten kan bekijken en wijst op eenzijdige mensbeelden als ‘het idee dat de geest identiek is aan neuronale processen, de homo economicus [en] de ontkenning van het bestaan van de vrije wil’. Smakeloze uitglijders als ‘De eenentwintigste eeuw zal het tijdperk zijn van de pandemie van de nieuwe verlichting als gevolg van globalisering’ en: ‘We moeten ons allen tezamen inenten tegen het mentale gif dat ons verdeelt’ vormen gelukkig een zeldzaamheid.

Tenslotte
Universele ethiek staat lijnrecht tegenover de moraal die de inmiddels overleden Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks in zijn boek Moraal (Uitgeverij KokBoekencentrum, 2020) beschreef, en waar ik eerder (kritisch) over blogde. Immers: monotheïsme is volgens Gabriel ‘geen geschikte basis voor een universele ethiek, omdat universele waarden geen goddelijke steun nodig hebben’. Als voorbeeld noemt hij allereerst het feit dat ‘er geen absoluut gebod [is] dat voorschrijft dat men moet glimlachen naar voorbijgangers. Toch verbetert de geluksbalans van de maatschappij als we ons voornemen om anderen en onszelf een prettig gevoel te bezorgen’. Voorts noemt hij het feit ‘dat men kinderen niet mag martelen’, wat ‘niet alleen een beslissing [is] van God waaraan men zich moet houden (…), maar een moreel feit dat met of zonder God geldt.’
De Tien Geboden acht hij niet ‘geschikt als basis voor welke ethiek dan ook (zelfs niet voor een christelijke ethiek die hoe dan ook niet kan bestaan, omdat een ethiek die christelijk zou zijn daardoor haar universele geldigheid zou verliezen)’. Over de zeven universele Noachitische of Noachidische geboden of voorschriften heeft Gabriel het helaas niet.

Rest echter gelukkig meer dan genoeg interessants om dit boek van harte aan te kunnen bevelen, zoals ik in de podcast van 8WEEKLY en hier uit de doeken deed. Een boek dat ik voor het overgrote deel met veel instemming en herkenning heb gelezen. Iets wat ik van het boek van Sacks helaas niet kon zeggen.

Markus Gabriel: Morele vooruitgang in duistere tijden
Vert. Huub Stegeman
Boom Uitgevers, 2021
ISBN 978 90 2443 663 7
Prijs: € 24,90

Linkje naar genoemde podcast van 8WEEKLY: https://open.spotify.com/episode/6QMHKvMo1Gy7w3oMAnKYKT?go=1&sp_cid=d23ca7030e6da31319547f3be4d68ee9&utm_source=embed_player_p&utm_medium=desktop&nd=1
Mijn bijdrage begint op 26’04”

Ik denk dus ik ben ik

Ik denk dus ik ben ik : filosofen over de ziel en de selfie : met Baudrillard, Boeddha, Descartes, Damasio, Freud, Lacan en Verhaeghe / hoofdredactie Coen Simon ; redactie ; eindredactie Hannah Achterbosch, Femke van Hout, Friso van der Meer, Tim Outshoorn ; medewerkers Geertje Dekkers, Marc van Dijk, Marianne M. van Dijk, Alexandra van Ditmars, Elma Drayer, Annette van der Elst, Erno Eskens, Claudia Galgau, Anne Havik, Jeroen Hopster, Stine Jensen, Marco Kamphuis, Jannah Loontjens, Frank Meester, Florentijn van Rootselaar.

Filosofie Magazine kwam in 1992 voor het eerst uit en is uitgegroeid tot een populairwetenschappelijk tijdschrift over wat publieks-filosofie wordt genoemd. De huidige hoofdredacteur is Coen Simon. In ‘specials’ worden de beste artikelen uit Filosofie Magazine verzameld over thema’s als Verlichting, Vrouwelijke denkers, De vrije wil en nu over ‘de ziel en de selfie’. De ziel was in 2012 het thema van de Maand van de Filosofie. In het voorwoord wordt 1839 (de eerste foto van de mens) als ijkpunt genomen. Een beperking, al gaat Martine M. van Dijk in haar bijdrage terug tot de oude Griekse denkers, waardoor het geheel een wat meer contextueel kader krijgt. Voor de rest zijn het meer actualiteitsgevoelige onderwerpen die aan bod komen, in acht interviews naar aanleiding van een boek, vijf boekbesprekingen en vijf artikelen. Hierin
komen filosofen voorbij van Descartes tot Baudrillard en psychoanalytici als Freud, Lacan en Verhaeghe. Dat is uiteraard een tijdschrift eigen. Wanneer de stukken oorspronkelijk verschenen, is informatie die ontbreekt. Iets kleiner dan A4-formaat.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Deep listening

‘Luisteren’ heet de eerste column die essayist en filosoof Miriam Rasch schreef voor Filosofie Magazine (juli/aug. 2021). Zij schrijft dat ze ‘best wat beter [zou] willen luisteren’. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd, want op dezelfde dag dat ik deze column las, hoorde ik iets totaal verkeerd.

Wat was het geval. Tijdens een kerkdienst werd een opname gedraaid van een ‘lied om te luisteren’: ‘Ik val niet uit Zijn hand’, uit Psalmen voor nu. Ik hoorde de eerste regel van het derde couplet aldus:

 

Mijn God, U vult mijn mond, U vult mijn beker

Later las ik in de orde van dienst, dat de tekst luidt:

Mijn God, u vult mijn bord …

Heel wat platter (letterlijk en figuurlijk) naar mijn gevoel, inclusief associaties met een ‘calvinistische spruitjeslucht’ om Janine Abbring in de eerste aflevering van VPRO Zomergasten van dit jaar te citeren, maar ja: zo stond het er.

Rasch haalt vervolgens een column aan van haar collega Eva Meijer (in: Trouw, 15 september 2020) onder de kop: ‘Luisteren is minder moeilijk dan je denkt’. Meijer, schrijft Rasch, ‘haalt (…) accordeonist Pauline Oliveros [zie foto] aan, die een jaar lang naar de A luisterde’. Ze gaat hier verder niet op in, maar Meijer deed dat tot op zekere hoogte wél. Gelukkig heeft zij het over de ‘accordeonist en [vet, EvS] componist’ Pauline Oliveros (1932-2016), die een deel van haar leven wijdde aan deep listening. Oliveros heeft Sonic meditation ontwikkeld. Ze luisterde inderdaad een jaar lang naar de toon A.

U moet weten, dat dit niet zomaar een toon is; het is de toon (van de hobo) waar het hele orkest voor een concert op af-stemt, de meest zuivere, de meest reine toon zou je kunnen zeggen. Oliveros, – schrijft Meijer – meent dat luisteren ‘noodzakelijk is om je houding te kunnen bepalen, ook je politieke houding, om als jezelf door het leven te kunnen gaan’.

Rasch begon haar column met: ‘Laat ik beginnen met een liefdesverklaring’. En ze eindigde met: ‘Laat ik beginnen met een liefdesverklaring’. Aan vreemden, aan die wat Meijer omschrijft als ‘experimentele muziek’ van Oliveros denk ik er achteraan.

Oliveros, die in Nederland onder muziekkenners en -liefhebbers geen onbekende is (ze won in 1962 de prestigieuze Gaudeamus Prijs) gaf in 2016 een Ted-talk over het verschil tussen horen en luisteren: https://www.youtube.com/watch?v=_QHfOuRrJB8
Subjectiviteit speelt erbij een rol en (culturele en sociale) context. Misschien, zei iemand die ik op dat ‘mond’ en ‘bord’ vertelde, had de schrijver wel trek … En zag niet het beeld voor zich wat ik bij ‘mond’ zag: een stukje brood, matze of ouwel dat je mond vult. Misschien is luisteren toch minder moeilijk dan je denkt, als je er niet van alles bijhaalt.

 

Link naar de column van Miriam Rasch: https://www.filosofie.nl/luisteren/

‘Niet normaal’

Jannah Loontjens schrijft in het maartnummer 2021 van Filosofie Magazine een mooie bijdrage onder bovengenoemde titel. Het gaat over de film One Flew over the Cuckoo’s Nest die haar aan het denken heeft gezet. Het gaat over ‘gekken’ die veroordeeld worden, krankzinnigheid die ‘vrijwel altijd als een bedreiging [wordt] ervaren. Afwijkend gedrag valt buiten de structuur van het normale; het is onvoorspelbaar en dus eng’. In mijn gedachten zag ik weer de beelden voor me bij het Amsterdamse Centraal Station en in de stadsbus. Ik schreef er een column over voor Literair Nederland (11 oktober 2017), die ik hier n.a.v. het artikel van Jannah Loontjes zowel deels als aangevuld herneem.

Op het immens drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station loopt een lange heer met de klep van zijn pet over zijn ogen getrokken. Als extra bescherming tegen de zon en wat al niet meer doet hij ook nog eens zijn hand voor de zijkant van zijn gezicht. Een fractie later haalt hij met de vuist van zijn andere hand uit naar mensen om hem heen. Daarbij maakt hij passen als stond hij in een boksring. Iedereen wijkt verschrikt uit en de man vervolgt zijn weg. Ik heb niet meer gekeken op wat voor manier.

Terug zat ik in de bus achter een mijnheer die de stang voor zich angstvallig omklemde, een aktetas op schoot stevig vasthield en heen en weer wiegde. Opeens viel het kwartje of kwam ik althans op het idee van wat het zou kúnnen betekenen, de boksende en wiegende man, mij ingegeven door een interview met de filosoof en psychiater Paul Moyaert.
Moyaert zou de boksbewegingen van de lange heer ongetwijfeld beschrijven als een omgang met zijn waanzin, als het op zijn manier meedansen met het leven.

Op de grond van een gebeurtenis die Arthur Japin beschrijft in zijn roman Vaslav denk ik verder. Kyra, de hoofdpersoon van dit boek, komt op een gegeven moment in contact met een jongen van een jaar of achttien die aan luchtdirigeren doet; ze bestaan tussen twee haakjes echt, luchtdirigenten – ik heb er eens een ontmoet, een serieuze man die dit beoefende in bejaardenhuizen e.d.. En dat niet alleen – terug naar Japin – de jongen bracht zelf ook muziek voort, ‘inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam.’ Hij zoemde en piepte, fluite, trommelde en knarste ‘voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.’

Muziek speelt ook in de film die Loonjens beschrijft een rol. Elke dag wordt op de mannenafdeling van een inrichting dezelfde grammofoonplaat van een wals gedraaid. ‘Het vriendelijke, maar toch dwingende ritme van de wals symboliseert de kalme structuur die hoofdzuster Ratched voor ogen staat.’ Het tegenovergestelde was echter het gevolg: ‘angst, lethargie en zelfdestructie’.

‘Die neuriënde, waggelende, wiebelende mensen proberen in hun ritme te komen. Dat is wat het is’ aldus Moyaert. Ze doen het zelf, en hoeven daarbij niet – door zuster Ratched of door ons – worden geholpen. We moeten het ritme ook niet verstoren. Uitwijken mag, maar dan om ze de ruimte te geven.

Een boude stelling of twee

Ik had er in een vorige blog al even aan geroken, aan het essay Kinderen van Apate dat Alicja Gescinska schreef voor de Maand van de Filosofie. Meteen had ik het gekocht, want ik mag haar boeken, en blog in Filosofie Magazine, graag lezen. Daarvan heb ik hier al eerder getuigd.

Het ging ook lang goed. Mooi en helder werden de redenen ontvouwd die tot de teloorgang van waarheid hebben geleid. Er werd fraai toegewerkt naar het begrip ‘waarachtigheid’ en ‘waarachtig leven’, naar oprechtheid (tegenover anderen) en authenticiteit (tegenover jezelf). Ach ja, er werd een sneer uitgedeeld richting metafysica (gewauwel), maar daar stond dan weer een mooi stukje over Levinas tegenover.1)

Toch ging het ergens mis, helemaal mis als je het mij vraagt. Op driekwart van het boek haalt de auteur een ‘bekende frase’ van Socrates aan. Dat wil zeggen: ‘Een niet gereflecteerd leven is niet waard geleefd te worden’. Gescinska constateert, dat dit ‘een boude stelling is’. Daarom is het goed eerst op zoek te gaan naar de context waarin Socrates dat zei.

Kort samengevat: hij verkondigde het vrije denken, diende de staat en verachtte het volk. Iedereen moest zelfstandig kunnen denken. ‘Iedereen’ was in zijn tijd natuurlijk de vrije man in de Griekse stadstaat. Geen – zoals Gescinska ze omschrijft – mensen die ‘hele dagen op het land moeten ploegen en door het leven moeten ploeteren’.

Het gaat helemaal fout, als ze even verderop schrijft dat ‘iemand pas vrij is om iets te doen wanneer hij daartoe in staat is’. Die ploeger op het land is vrij om te denken, want hij kán denken; dat heet positieve vrijheid, maar iemand met een verstandelijke beperking kan niet zo ver komen. Toch kun en mag je mijns inziens niet zeggen ‘dat een zekere mate van kritische reflectie en introspectie voorwaarde [is] voor een zinvol, waardevol, moreel en te verantwoorden leven’, want dan begeef je je op een hellend vlak, en waar je dan uiteindelijk uitkomt, krijg ik niet uit mijn pen.

Zelfrealisatie vindt Gescinska niet alleen bij de oude Grieken terug, maar ook bij christelijke denkers. Dat zal ongetwijfeld, maar ik vind daar ook andere noties terug. Die van de onvolmaakte mens, van wie alleen wordt verwacht dat hij zijn best doet. Die helemaal niet toekomt aan zelfreflectie, omdat de verstandelijke middelen hem/haar daartoe ontbreken, maar die binnen de gegeven mogelijkheden het hoogst haalbare probeert te bereiken.

Ik las een blog van een kerkganger die met Pinksteren 2019 in een dienst terecht kwam ‘tussen (…) oude, jonge, zieke en gezonde mensen’ en dan concludeert dat ‘dit is waar het eigenlijk om gaat’ en dat ‘dit is waar de geest van Pinksteren voor staat’.

Aan het begin van haar essay wijst Gescinska op het boek The Death of Truth (2018) van Michiko Kakutani, waarin deze betoogt dat onder meer ‘de teloorgang van de rede’ onze tijd kenmerkt. Misschien, voeg ik daar – ook een boude bewering – aan toe, soms ook de geest. Mevrouw Gerscinska, wat liet u mij dit keer in de steek!

1) Hoe anders spreekt Wouter Klouwen over metafysica in zijn bijdrage aan de feestbundel In de ruimte van de openbaring (uitg. Kok Kampen, 1999, p. 51-60). Hij spreekt over ‘de bijzondere orde waarin het geloof begrepen dient te worden: niet onmiddellijk “ontologisch”, en ook niet “metafysisch”, maar ànders ….’. Hij komt dan uit bij het begrip geloof-waardigheid van de Naam.

 

Alicja Gescinska: Kinderen van Apate
Over leugens en waarachtigheid
Lemniscaat
ISBN 978 90 477 1244 2
Prijs: € 4,95

Adolph Menzel en de Maand van de Filosofie

Iedere muziekliefhebber kent het beroemde, fraaie schilderij van Frederik de Grote, fluit spelend in Sanssouci (afb. rechts bovenaan), maar weinig mensen zullen de naam van de maker in hun geheugen hebben opgeslagen: Adolph Menzel (1815-1905). Ik ook niet.

Adolph Menzel
Ik kan me niet herinneren hem tegen te zijn gekomen tijdens mijn studie (in de vuistdikke kunstgeschiedenis van H.W. Janson ontbreekt zijn naam), of tijdens mijn zoektocht naar ‘mensen met een rugprobleem’ bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD) in Den Haag, hoewel er wel een mooie litho die Jan Veth van hem maakte in de collectie is opgenomen. Dat laatste komt wellicht omdat Veth Menzel niet naar de werkelijkheid weergaf, en zijn kromme rug en kleine gestalte (hij was 134 centimeter) verdoezelde, zodat er ook geen trefwoord in die richting aan de litho werd toegekend.

Ik werd op zijn spoor gezet, doordat de broers Maarten en Vincent van Rossem in een televisie-uitzending (1 juni jl.) vanuit de Alte Nationalgalerie in Berlijn op hem ingingen. Maarten wees onder meer naar een zelfportret van Menzel, de ‘dwerg die altijd boos kijkt’ en naar zijn De balkonkamer (1845, afb. links bovenaan), wat één van zijn lievelingsschilderijen bleek te zijn. Menzel was naar zijn mening een ‘gezellig soort olieverfschetser’ die vooruit liep op het impressionisme, dat altijd aan Frankrijk wordt toegeschreven. Hadden de schilderijen van Menzel iets met Duits nationalisme te maken? ‘Geen reet!’ riep Van Rossem, en hij beende weg.

Het grappige is, dat Melchior de Wolff in een recensie van een expositie met het werk van Menzel in Musée d’Orsay in Parijs (1996) in de Volkskrant erop wees, dat de spiegel op ‘geen enkele manier klopt. Dat de rugleuning van die ene stoel wordt weerkaatst, is vanuit het standpunt van de toeschouwer nog wel aannemelijk, maar de gespiegelde suggestie van een beddensprei en de in een lichte lijst gevatte tekening, zijn met alle meetkunde van de wereld niet met de ruimtelijke constructie van de kamer in overeenstemming te brengen’. Maarrrrrr: ‘Het feit dat er in die spiegel van alles te zien is, maakt van Das Balkonzimmer een beter schilderij, ongeacht de constructiefout’.

Maand van de Filosofie
Dit voert ons naar de Maand van de Filosofie. Om te beginnen naar het thema ‘imperfectie’, of – zoals een essay van Alexandra van Ditmars in Filosofie Magazine (juni 2020) in de inhoudsopgave wordt genoemd – ‘Perfect imperfect’. Een persoonlijk essay over een schrijfster die het schrijven ervan maar voor zich uit schoof, omdat ze ‘bang was dat het niet goed genoeg zou worden’. Ze bespreekt drie boeken: van Brené Brown (De moed van imperfectie), Paul van Tongeren (Leven is een kunst) en Haenim Sunim (Houden van dingen die niet perfect zijn). De ondertitel van laatstgenoemd boek luidt: ‘Compassie voor jezelf en anderen’. Het is te hopen dat Menzel dat ook voor zichzelf had, ondanks een ‘constructiefout’.

Het tweede thema dat in het kader van Menzel en de Maand van de Filosofie boven komt drijven, is ook afkomstig uit de hiervoor genoemde recensie van Melchior de Wolff: waarheid. De Wolff schrijft: ‘Het opmerkelijke van Menzel is dat hij (…) een groot ontwikkeld instinct bezat voor wat de waarheid zou kunnen noemen, of de werkelijkheid, en dat hij tegelijk doordrongen moet zijn geweest van alle subjectieve en objectieve standpunten die ten aanzien van de werkelijkheid konden worden ingenomen.’ Uiteindelijk is dit, volgens De Wolff, een filosofisch probleem dat met het impressionisme centraal begon te staan, maar ‘die term bestond ook nog niet’.

Ik moet hierbij tenslotte denken aan het essay van de Maand van de Filosofie, Kinderen van Apate. Over leugens en waarachtigheid van Alicja Gescinska. Het gaat daarin niet zozeer over het verspreiden van fake news, maar de intenties waarmee dat gebeurt. Die zijn volgens de schrijfster de vloek van de tijd. Zij heeft het liever over waarachtigheid, over de intentie waarmee iets wordt gezegd (we horen hier de invloed van Immaneul Kant!).
En dan zijn we terug bij de omschrijving die Maarten van Rossem aan Adolph Menzel meegaf: ‘een dwerg die altijd boos kijkt’. Een omschrijving die heel wat minder elegant is dan ‘mensen met een rugprobleem’, een omschrijving die een medewerker van het RKD bezigde en die we er maar in moeten houden.