Seminar met Susan Neiman

De filosofe Susan Neiman krijgt steeds meer bekendheid in Nederland. Recent verscheen haar boek Verzet en rede in tijden van nepnieuws, waarvan ik de Duitstalige, oorspronkelijke versie op deze blog reeds besprak. Op 27 oktober a.s. spreekt zij tijdens de speciale pitstopsessie Design uw verandering van Filosofie Magazine, in Eindhoven. Ter gelegenheid daarvan neem ik hier enkele biografische notities over haar over zoals ik die schreef voor mijn MA-scriptie.

Susan Neiman werd in 1955 geboren in een joods gezien in Atlanta, de hoofdstad van de zuidelijke staat Georgia in de Nieuwe Wereld. Zowel de stad waar de Ku Klux Klan twee jaar na haar geboorte de synagoge vernietigde, als de plaats waar Martin Luther King het licht zag en met profetische gedrevenheid streed voor sociale gerechtigheid voor de zwarte bevolking in de Verenigde Staten. Kortom: een stad van onverdraagzaamheid én hoop.

In haar autobiografische notities Slow fire geeft Neiman aan dat haar voorouders uit Rusland en Polen kwamen.[1] Hierbij vermeldt ze niet of zij behoorden tot het aan de Verlichting verwante haskalah-jodendom of tot het meer mystieke Chassidisme. Het eerste ligt in de lijn der verwachting; Neiman noemt zichzelf een “Non-Jewish Jew”, naar de titel van een essay van Isaac Deutscher (1907-1967).[2] Deutscher muntte deze term voor humanistisch-joodse denkers. Neiman beschouwt zichzelf primair als een denker in de traditie van de Verlichting, en met name Immanuel Kant (1724-1804), al ontkent zij niet dat de Verlichting in het algemeen en de rede in het bijzonder hun beperkingen hebben en als filosofische doordenking van het kwaad ontoereikend zijn. De filosofie zal om die beperkingen geheel of gedeeltelijk op te kunnen heffen, in gesprek dienen te gaan met de literatuur en de daarin verwoorde filosofische concepten. Een opvatting, waarmee Neiman aansluit op een uitlating van haar eerste filosofiedocent aan de universiteit van Cambridge: “Philosophy compared to doing midrash”, dat wil zeggen: de doorgaande, Talmoedische dialoog die we ook in Neimans werk tegenkomen.[3]

In 1986 promoveerde Susan Neiman aan de Harvard University bij John Rawls (1921-2002) op een monografie over Immanuel Kant. R.W. Munk heeft gewezen op de affiniteit van de niet-joodse filosoof Kant met het joodse denken.[4] Door het noemen van de naam Kant zijn wij aangekomen bij de voornaamste filosofische inspiratiebron van Neiman die hier niet mag ontbreken.

Immanuel Kant
Het tweede boek van Neimans hand, dat verscheen na het eerdergenoemde Slow fire, gaat over deze filosoof uit Königsberg (Pruissen): The unity of reason: rereading Kant (1994).
In het boekje In het zicht van de galg voert Thomas Mertens in een essay Kant terecht op als Neimans “belangrijkste intellectuele metgezel”.[5] Aldus, vervolgt Mertens, bekent zij zich “tot het perspectief van de Verlichting”.[6] Dat wil zeggen dat Neiman trouw aan Kant (…) weet dat de Verlichting een permanente opgave is. Haar alternatief bestaat erin te benadrukken dat alle religies fundamentalistische trekken hebben, waarin de nadruk ligt op gehoorzaamheid aan een externe autoriteit, maar ook rationele trekken waarin de menselijke capaciteit om te redeneren niet als een bedreiging van de autoriteit van God wordt beschouwd maar als een belangrijk onderdeel van de menselijke gehoorzaamheid.[7]

Als voorbeeld noemt Mertens het door Neiman veelvuldig in verband met het kwaad geciteerde verhaal van het zogeheten offer van Abraham oftewel de binding van Isaac (Genesis 22). Neiman ziet in Abrahams bereidheid om zijn enige zoon aan God te offeren pure gehoorzaamheid.[8] Net als haar leermeester Rawls neemt Neiman het individu dat persoonlijke keuzes maakt tot uitgangspunt van haar denken. Rawls maakt echter, in tegenstelling tot Neiman, een duidelijk onderscheid tussen religie en filosofie. Neiman spreekt in haar boek Evil in modern thought in dit verband zelfs van het feit dat filosofie zonder theologie en literatuur slechts komt tot “fragmentarische antwoorden”.[9]

Dialoog
De dialoog die Neiman aangaat, met het joodse (Verlichtings)denken – an sich al niet alleen de eeuw van de ratio maar ook de eeuw van de dialoog – en met Kant, gaat verder bij het Einstein Forum in Potsdam, waar zij als directeur werkzaam is. Dit is een klein ontmoetingscentrum in een voor Albert Einstein gebouwd huis. Zij ziet “het Einstein Forum als een salon in de traditie die teruggaat op de salons van Berlijn en Parijs ten tijde van de Verlichting. Destijds gingen daar de belangrijke intellectuele impulsen vanuit, niet vanuit de universiteiten”.[10]

Ter illustratie van het belang dat Neiman aan de dialoog toekent, is haar visie op de Kneipe (kroeg) als verschijnsel in Berlijn. Hierin komen ofwel (neo)nazi’s samen om het donkere verleden levend te houden, ofwel wordt er over de toekomst gediscussieerd, over de wereld zoals deze idealiter zou kunnen zijn; eenzelfde tweeslag tussen onverdraagzaamheid en hoop als in Atlanta wordt aangetroffen.[11] Neiman beschouwt de Kneipe als een van de kenmerkende concepten van Berlijn. Dit zegt overigens ook veel over haar ontwikkeling tot publieksfilosoof: filosofie voor het volk.

Ook in haar hoofdwerk, Evil in modern thought: An alternative history of philosophy kiest Neiman duidelijk voor de dialoog. Uitgaande van een kantiaanse positie kiest zij daarbij vooral de dialoog met Hannah Arendt (1906-1975). De moraal werkt zij verder uit in haar boek Morality. A guide for grown-up idealists (2008), in het Nederlands vertaald als Goed en kwaad in de 21ste eeuw (tweede druk; 2009). In de Nederlandse titel is de voorafschaduwing van Neimans volgende boek helaas weggevallen: Why grow up? (2014), in de Nederlandse vertaling: Waarom zou je volwassen worden?

Denken
Uit de Nederlandse titel van Evil in modern thought (Het kwaad denken) blijkt duidelijker dan in de oorspronkelijke titel Neimans verwantschap met het werk van Hannah Arendt die ze ook veelvuldig citeert. ‘Denken’ verwijst naar Arendts Thinking (uit: The life of the mind, 1977). Volgens Arendt is denken een van de voorwaarden om zich van het kwaad te onthouden. De vraag is echter, of denken toereikend is.

Hierbij kunnen overigens meteen al drie dingen worden aangetekend. In de eerste plaats dient nadrukkelijk te worden gesteld, dat het om logisch denken gaat; het correct uit gegeven beweringen (premissen) een bepaalde conclusie trekken.[12] In de tweede plaats erkent Neiman, dat de ratio haar beperkingen heeft. Hierbij wijst zij naar de eerste zin van Kants Kritik der reinen Vernunft.[13] In de derde plaats staat hier haar geschiedopvatting tegenover die uit Het kwaad denken spreekt. Neiman definieert geschiedenis namelijk als categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen”).[14] Geschiedenis wordt op deze manier door haar als vooruitgangsgeschiedenis gezien.

We kunnen concluderen, dat Neiman in dialoog gaat met het vooruitgangs- en het Verlichtingsdenken en met Kant, dat zij aansluit bij de Torah en – in haar geval in sterkere mate, net als Kant – bij Job en is geïnspireerd door grote denkers als Arendt en schrijvers die zij bewondert, zoals Jean Améry (1912-1978) en Albert Camus (1913-1960) en recent Marilynne Robinson (1943).[15] Hierbij kan tenslotte worden opgemerkt dat de ratio bij Kant zowel slaat op denken (het Latijnse ratio) als de hiervoor veelvuldig genoemde notie van gesprek (het Griekse oratio), met God, zoals Abraham deed, maar ook in kritische zin met jezelf.[16]


[1]
Susan Neiman, Slow fire. Jewish notes from Berlin (2e druk; New Orleans 2010) (1e druk New York 1992) 51.
[2] Isaac Deutscher, ‘The Non-Jewish Jew’, The Non-Jewish Jew and Other Essays (New York 1968) 25-41.
[3] Neiman, Slow fire, 2. Zie voor het cv van Susan Neiman haar website: http://susan-neiman.de/docs/cv.html (geraadpleegd 3 januari 2016).
[4] Reinier Munk, ‘Kant en Cohen’, Joodse filosofie & Verboden wetenschap (Vrije Universiteit Amsterdam, 30 oktober 2002). Hierbij moet met name worden gedacht aan het hiervoor genoemde haskalahjodendom. Jonathan Sacks gaat in zijn boek To heal a fractured world (Nederlandse vert.: Een gebroken wereld heel maken (Vught 2016)) in op de overeenkomsten en de verschillen tussen Kant en het jodendom (p. 195-196).
[5] Thomas Mertens, ‘”Aan de deur”, Kant gelezen door Susan Neiman’, In het zicht van de galg. Helden en het kwaad (Budel en Nijmegen 2006) 56-69.
[6] Id., 57.
[7] Id., 59.
[8] Men kan zich afvragen of deze visie juist is. Het gaat hier eerder om het vertrouwen (emoena) van Abraham in God.
[9] Neiman, Evil in modern thought, 11. Neiman, Het kwaad denken, 29.
[10] Verbij, ‘”Moraal is het beste middel tegen het kwaad’”, 15.
[11] Vergelijk met Immanuel Kants morele onderscheid tussen de wereld zoals zij is en zoals zij zou behoren te zijn (Mertens, ‘”Aan de deur”’, 60).
[12] Hoezeer Neiman hier belang aan hecht, blijkt ook uit haar recente pamflet Widerstand der Vernunft. Ein Manifest in postfaktischen Zeiten (Salzburg en München, 2017) waarin ze stelt dat een basiscursus logisch denken ons veel “Wirrwarr” zou kunnen besparen (p. 49). Nederlandse vert.: Verzet en rede in tijden van nepnieuws (Rotterdam 2017).
[13] “Auf welche Art und durch welche Mittel sich auch immer eine Erkenntnis auf Gegenstände beziehen mag, es ist doch diejenige, wodurch sie sich auf dieselbe unmittelbar bezieht, und worauf alle Denken als Mittel abzweckt, die Anschauung”. Immanuel Kant, Kritik der reinen Vernunft. G. Hartenstein ed. (Leipzig 1868) 55. Uitspraak door Neiman gedaan in de lezing ‘Art and Enlightenment. Old-fashioned thoughts for the 21st century’, Akademie van Kunsten-lezing (Het Trippenhuis Amsterdam, 18 november 2015).
[14] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.
[15] Neiman, ‘Art and Enlightenment’.
[16] H. Procee, Immanuel Kant en het volle leven (Budel 2004) 67-68.

http://www.filosofie.nl/pitstop

 

Hannah Arendt

Elke maand belicht Filosofie Magazine één grote filosoof wiens leven en werk van grote invloed zijn geweest. Deze maand is dat Hannah Arendt. De redactie van Filosofie Magazine selecteerde de belangrijkste boeken. Haar drie in het Nederlands vertaalde werken (Denken, Oordelen en Willen) besprak ik alle drie voor NBD Biblion (zie elders op deze blog). Voor de Open Universiteit Nederland schreef ik in 2013 een werkstuk over haar. De inleiding neem ik hieronder als blog over.

Het belangrijkste boek van Hannah Arendt is The human condition (De menselijke conditie, 1958). Oorspronkelijk had zij het Amor Mundi willen noemen, liefde voor de wereld. In dit boek werkt Arendt haar ideeën uit over een actief leven (vita activa) in de publieke sfeer. Dit leven plaatst zij tegenover de vita contemplativa, het beschouwende leven dat in de westerse filosofie vanaf Plato de boventoon voert. “Haar liefde voor de wereld was bijna een moreel appèl”, zegt de filosofe Susan Neiman in een televisie-interview, “om er op één of andere manier aan bij te dragen dat hij niet ontspoort, anders verraden we de volgende generatie.”[1]

Arendt onderscheidt in The human condition drie menselijke activiteiten: arbeid, werk en handelen. Het eerste behelst het leven an sich, het biologische proces van de wieg tot het graf alsmede de eerste levensbehoeften, en – volgens de uitleg van Heinz Paetzold (Universiteit van Kassel) – uiteindelijk de plaats van de mens in de consumptiemaatschappij.[2] Een maatschappij die onder kritiek wordt gesteld. Werken slaat op de wereld der dingen, producten van kunst en cultuur, en handelen voltrekt zich tussen mensen en is de conditie voor iedere vorm van politiek samenleven – woorden en daden ineen.

Wat hier ontbreekt, is dus het denken, de bron van alle waarheid die men meende te vinden in het Idee of “het transcendente Woord Gods.”[3] Denken maakte Arendt tot onderwerp van wat zij ooit “een soort tweede deel van De menselijke conditie” noemde: Thinking (Denken, 1971).[4] Dit denken “relateert ons aan de wereldse zaken in het heden zoals we daarmee geconfronteerd worden, en produceert via de verbeelding voorstellingen of ‘nabeschouwingen’ waar de andere geestvermogens mee kunnen werken.”[5]

Alle drie de geestesvermogens (denken, willen en oordelen) vallen niet los van elkaar te zien en zijn net als arbeid, werk en handelen op elkaar betrokken. Zonder dat het één ten dienste staat van het ander. Elke vorm van instrumentaliteit is vreemd aan het denken van Arendt. “Zij gaat er namelijk van uit dat het instrumentele handelen alles van zijn intrinsieke waardigheid berooft; het vernietigt elke permanente betekenis en leidt tot een ‘ontwaarding van alle waarden’; het ondermijnt aldus de objectiviteit, de duurzaamheid en de stabiliteit van de woonvorm, die [ze] wereld noemt.”[6]

Bovenstaande gedachtegang en het aansluitende citaat leiden regelrecht naar de uitspraak uit De crisis in de cultuur die mij aanzette tot het onderzoek:

Kathedralen werden gebouwd ad maiorem gloriam Dei (tot meerdere glorie van God); hoewel ze als bouwwerken zeker de noden van een gemeenschap dienden, kunnen deze behoeften hun verfijnde schoonheid nooit verklaren – ze konden evenzeer door een banaal bouwsel gediend worden. Hun schoonheid transcendeerde alle behoeften en maakte deze kathedralen door de eeuwen heen duurzaam. Maar terwijl de schoonheid, zowel de schoonheid van een kathedraal als deze van om het even welk seculier gebouw, noden en functies transcendeert, nooit overschrijdt zij de wereld, al is de inhoud van het werk toevallig religieus.[7]

[1] Susan Neiman in: Ikonhuis. De Nieuwe Wereld. Talkshow met Colet van der Ven (3 mei 2015).
[2] Heinz Paetzold, ‘Arendt en Kant. Politieke filosofie in cultuurfilosofisch kader’ in: Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) (Budel 2002) 64.
[3] Elisabeth Young-Bruehl, Het belang van Hannah Arendt (Amsterdam 2007) 84.
[4] Idem, 161.
[5] Idem, 185-186.
[6] Antoon Van den Braembussche, ‘De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger’ in: Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa (Budel 2002) 94.
[7] Arendt 1995, 49-50. Interessant is dat Arendt het hier ook over noden heeft. Ook dan gaat het om het overschrijden van dingen die ons overkomen. Daardoor kon transcendentie een sterke kracht ter overleving zijn in de concentratie- en vernietigingskampen, waar kunst voor sommige gevangenen troost bij uitstek was. Zie: Nico Rost, Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945 (De Bilt, 2015).

The poetry of forms

Van 20 mei t/m 17 september a.s. toont het Kröller-Müller Museum werken van Hans Arp, volgens NRC Handelsblad (11 mei jl.) ‘een groot beeldhouwer: ingehouden zinnelijke stijl, spannend oeuvre. Zijn vrouw Sophie Taeuber-Arp was een nog groter kunstenaar, maar waarom is zij minder bekend dan haar man?’

In het lentenummer 2009 van Wervelingen schreef ik n.a.v. enkele beeldhouwwerken van Arp die ik toen zag. Met toestemming van de redactie herplaats ik die column hier n.a.v. bovengenoemde tentoonstelling als blog.

Op de tentoonstelling The Vincent Award 2008 in het Stedelijk Museum CS in Amsterdam was werk te zien van de Engelse beeldhouwster Rebecca Warren. Acht sculpturen van ongebakken klei op een sokkel: authentieke, robuuste en soms groteske, aan de natuur ontleende vormen. Volgens het Stedelijk Museum Bulletin (2008/02, p. 21) doen ze onder andere denken aan het werk van Rodin en Degas.

Maar de bronzen Grote torso (1957) van Hans Arp op de tentoonstelling Heilig Vuur in de Amsterdamse Nieuwe Kerk (t/m 1 april 2009) deed mij er evenzeer aan denken.
Als je hier omheen loopt, zie je de suggestie van een menselijke rug. Verre van recht en met tal van vetkwabben. Het zijn vormen die ook Arp ontleende aan de natuur. En eigenlijk is het ook nog eens een rehabilitatie van de filosofie van de oude Plotinos. Zoals het feit dat vanaf juli 2009 ook weer kromme komkommers, gebogen wortels en ander ‘vreemd gevormd’ fruit in de winkelschappen mag liggen een overwinning is op allerlei regelgeving van de Europese Unie.

In tegenstelling tot Pythagoras, die een torso pas mooi vond als het een mooi gevormd, zeg symmetrisch lichaam weergaf, vond Plotinos een beeld pas mooi als het bezield was, gemodelleerd naar het werkelijke, niet altijd volmaakte leven. Als het beeld lijkt te bewegen ook, zoals de zee op een schilderij van Wolkers of de sneeuw op één van Zandvliet.
Dit geeft aan de schilderijen en aan de beelden van Warren en Arp een spirituele schoonheid. Daarom verdient de torso van laatstgenoemde ook een plaats op de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk.

Paul Boon verbond in een historisch profiel over Plotinos in Filosofie Magazine (10/2008) de volgende conclusie: ‘Het romantische verlangen naar een vrije en ongebonden schoonheid daalt in de twintigste eeuw neer in de ervaring van alledag. We weten dat schoonheid aan empirische regels gebonden is. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat we symmetrie zeer aantrekkelijk vinden. Tegelijkertijd vinden we symmetrische gezichten en goed geproportioneerde lichamen ook een beetje saai. Omdat ze voldoen aan een algemene regel van schoonheid zijn ze inwisselbaar. Daarom herkennen we ook heel goed de boodschap van een film als Little Miss Sunshine: dit meisje is objectief gesproken niet mooi. Maar is ze daarom lelijk? Nee want ze heeft “uitstraling.” Ze heeft iets – iets bijzonders’ (p. 55). Net als de beelden van Rebecca Warren en Hans Arp. En Sophie Taeuber-Arp.

De lege ruimte

Afgelopen zondag werd in veel kerken ongetwijfeld Jesaja 35:1-10 gelezen, over de woestijn die zich zal verheugen, de dorre vlakte die vrolijk zal zijn en de wildernis die zal jubelen en bloeien. Een tekst die, zoals ds. Jessa van der Vaart in de Amsterdamse Oude Kerk zei, toont ‘hoe de wereld is bedoeld.’

’s Middags bezocht ik het festival ‘De verhalenvertellers’ van Filosofie Magazine in de Amsterdamse Tolhuistuin. Eén van de lezingen die ik bijwoonde, werd gegeven door de hoofdredacteur hiervan, Leon Heuts, bij wie ik in 2014 een filosofieweek bij de ISVW in Leusden volgde (zie elders op deze website).
Hij hield een mooie inleiding over de begrippen ‘logos’ en ‘mythos.’ Zoekend en tastend nam hij ons mee naar een vergezicht als in Jesaja. Hij noemde dit de ‘lege ruimte’ en nam als voorbeeld wat volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman de bemiddeling is tussen hoe de wereld is en hoe die zou moeten zijn met de woorden van Angela Merkel: ‘Wir schaffen das!’, later in de middag aangevuld met ‘Yes we can!’ van Barack Obama.

Voor mijn geestesoog verschenen twee fresco’s van Ambrogio Lorenzetti (ca. 1290-1348) in het Palazzo Pubblico in Siena die een uitweg bieden tussen ‘logos’ en ‘mythos’, die tonen hoe de wereld is en bedoeld is, die kunnen bemiddelen tussen filosofie en verhaal:

Aan de ene kant is een slecht bestuur dat tot kwaad leidt verbeeld: crudelitas (wreedheid), proditio (verraad), frous (bedrog), furor (woede), divisio (verdeeldheid) en guerra (oorlog). In het midden staat het goede bestuur, die als het goed is een schild is voor de zwakken in de samenleving, met: pax (vrede), fortitudo (kracht), prudentia (behoedzaamheid), magnanimitas (ruimhartigheid), temperantia (gematigdheid) en justitia (justitia). En daarboven staan geloof, hoop en liefde.
Het tweede fresco van Lorenzetti  betekent tot op de dag van vandaag, met en zonder extra dimensie, een appèl dat tot navolging oproept.[2]

Op grond van het gehele kunstwerk kun je stellen dat de schilder de wereld afbeeldde hoe deze is én hoe deze zou moeten zijn. Dat laatste kan worden geoefend in het wat Heuts de ‘lege ruimte’ noemde en Theo Witvliet het ‘ lege midden’, de plaats (makom) waar de dialoog plaatsvindt en ratio en emotie een verbond aangaan. De plaats waar volgens de historicus Philipp Blom (1970), gepromoveerd op de dialogische denker Martin Buber en auteur van onder meer The wars within (Londen 2014), de hoop zetelt.[3]

[1] Zie: Marc-Alain Ouaknin, De 10 geboden (Vught 2016), waarin het begrip ‘interpretatie’ centraal staat.

[2] Voor mij mag hier de titel van een ander boek dialectisch worden ingevuld: Ab Harrewijn, Bijbel, Koran, Grondwet. Gesprekken over godsdienst en politiek (Amsterdam 2002). Vergelijk met een uitspraak in een college van Piet Jonkers, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg, ‘De vrijheidsopvatting van Hegel’ (Open Universiteit Nederland, 9 april 2011, Heerlen). En dus aangevuld met een mythische dimensie.

[3] “De leegte die wij hebben heet hoop”, Philipp Blom in een vraaggesprek met Paul Witteman (Buitenhof, 4 december 2016, NPO1).

Een lege kerk?

Thomaskerk_overzichtVoor de presentatie van het boek Kerkinterieurs in Nederland op 20 juni jl. in de Amsterdamse Thomaskerk, waren twee van de negen schilderijen van Yve du Bois weggehaald: Eendracht en Scheuring heetten ze haast symbolisch. Op geen één foto met een overzicht van de volle kerk waren ze te zien. Je kunt erover speculeren waarom. Mooi natuurlijk, die vele mensen. Zo’n tweehonderdvijftig. Maar het moest niet al te gedateerd over komen, met die tijdelijke tentoonstelling in beeld. En mooi natuurlijk, de kale muren van deze kerk. Die moest je extra laten uitkomen.

Het doet een beetje denken aan de interieurfoto’s van de honderd kerken die Arjan Bronkhorst vastlegde. Ja zeker – ook dat van de Thomaskerk. Er komt geen mens op voor, alsof er ’s zondags geen kerkdiensten worden gehouden. Ook dit valt wel te begrijpen: het gaat ze in dit boek primair om de interieurs, die door vijftig specialisten worden beschreven. En gelukkig: tijdens de presentatie werd wel de hoop uitgesproken dat de honderd in beeld gebrachte kerken hun religieuze functie kunnen behouden.

Ik moest er allemaal aan denken toen ik in het recente nummer van Filosofie Magazine (nr. 7/8, juli/aug. 2016) een kort interview las met kunstenares Tjits van der Kooij. Zij geeft aan dat ‘vervreemding’ het thema van haar schilderijen is. ‘Ik heb een distantie gecreëerd met een nadrukkelijk lineair perspectief; dat benadrukt mijn rol als buitenstaander.’ Ik zag wat foto’s van Bronkhorst voor me, en kon een vergelijking niet onderdrukken. ‘Er komen ook nooit mensen voor in mijn schilderijen; ik vind dat het sterker werkt als je je realiseert dat jij de enige bent die dit ziet.’ Daar kan ik me iets bij voorstellen.
Zoals de nieuwe predikant van de Oude Kerk in Amsterdam, Jessa van der Vaart op een vraag over het door de vragensteller vermeende verschil tussen liturgie en pastoraat antwoordde, dat een preek heel pastoraal kan zijn, en zij soms bij het schrijven ervan een recent gesprek met één persoon voor ogen had. Het zal voor hem/haar werken alsof de preek speciaal voor hem is bedoeld.

En daarmee zijn we weer terug bij de functie die een kerkgebouw heeft. Er te staan voor mensen in deze tijd. Inclusief op zijn tijd schilderijen die ze wat te zeggen hebben. En daarvoor neem je geen boek ter hand, maar ga je er als het even kan gewoon naar toe.

 

Kerkinterieurs in Nederland. Red.: Albert Reinstra, Marc de Beyer en Pia Verhoeven. Uitg. W Books.

http://www.tjitsvanderkooij.nl/

De foto hierboven toont de Thomaskerk in Amsterdam tijdens de intrededienst van ds. Evert Jan de Wijer. Rechts zijn de panelen van de tentoonstelling te zien die toen in de kerk stond.

Grenzen én openheid

Het naderen van een brug_Bentz van den Berg

Eén van de mooiste boeken die ik afgelopen tijd las, en recenseerde voor Literair Nederland, is Het naderen van een brug van Roel Bentz van den Berg. De schrijver komt aan het woord in het recente nummer van Filosofie Magazine (april 2016).
In hetzelfde nummer staat een interview met politiek geograaf Henk van Houtum over het thema van de Maand van de Filosofie: grenzen.

Ik realiseer me dat je het boek van Bentz van den Berg ook zo kunt lezen zoals hij Van Houtum het asielzoekerscentrum in Heumensoord beschrijft: niet als een grensgebied tussen leven en dood, zoals in de roman, maar als een soort permanente wachtplek voor asielzoekers: ‘Een niemandsland, tussen twee grenzen in, waar mensen buiten de gemeenschap apart worden gehouden.’ De grens is als de brug in de roman: wij (levenden, autochtonen) aan de ene kant van het water of de weg, zij (de doden, asielzoekers) aan de andere kant ervan.

Zink_Van ReybrouckSoms bepaalt de loop van water de grens. Maar veel vaker is dat de strijd om natuurlijke rijkdommen. David Van Reybrouck schrijft erover, en noemde zijn boekje zelfs naar die rijkdom: Zink, een uitgave ter gelegenheid van de Boekenweek 2016. Een essay over Neutraal Moresnet, een mini-staatje (1816-1919). Drie kaartjes in het boekje geven de in de loop van de tijd gewijzigde grenzen ervan aan. De inwoners hebben zelf ‘geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn’ hen overgestoken, telkens weer, ‘zo vaak als een klompje zinkerts is gesmolten.’ Zouden asielzoekers zichzelf ook zo zien en ervaren?

Mijn geliefde oud-buurvrouw uit Leeuwarden is de grens overgestoken tussen leven en dood. Maar ook tijdens haar leven stak ze al vele grenzen over, haar tijd vooruit. Ze paste niet in het keurslijf van poetsende huisvrouw en toog al in de jaren vijftig van de vorige eeuw naar de grote stad om alleen op een terrasje neer te strijken. Ze stond open voor alles om zich heen: andere mensen, andere meningen, andere gewoonten.
‘Heb een open blik. Nederland is zo in zichzelf gekeerd’ riep Jelle Brandt Corstius de kiezers in De Wereld Draait Door op aan de vooravond van het referendum over Oekraïne. Dat zou mijn oud-buurvrouw zich niet twee keer hebben laten zeggen!

De vrijheid van de grens_SchefferDe discussie gaat er nu over of grenzen en openheid haaks op elkaar zouden staan. Een discussie die ontbrandde naar aanleiding van een ander essay, dat Paul Scheffer voor de Maand van de Filosofie 2016 schreef en het pamflet dat de Filosoof des Vaderlands, Marli Huijer, daar samen met hoogleraar ethiek Martin van Hees in Trouw tegenin bracht.
Of zoals Stan Verdult in een blog stelde: beide ‘kunnen en dienen naast en met elkaar te bestaan en zullen tot één afgewogen manier van omgang met vluchtelingen moeten leiden: zowel grenzen stellen (wie en wanneer wel of niet) als met open armen (en graag flink genereus) ontvangen.’ En, denk ik: vooral ópvangen.

 

http://spinoza.blogse.nl/log/anderen-ontmoeten-met-gebalde-vuisten-of-met-open-handen.html

Een ‘bucklicht Männlein’

Das undatierte Archivbild zeigt den deutschen Schriftsteller Thomas Mann. Der "größte deutsche Epiker des 20. Jahrhunderts" wurde vor 125 Jahren, am 06.06.1875 in Lübeck geboren. Schon sein erster Roman "Buddenbrooks" (1901) machte ihn weltberühmt. Weitere wichtige Werke sind "Tod in Venedig" (1912), "Der Zauberberg" (1924) und "Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull" (1954). 1929 wurde er mit dem Literatur-Nobelpreis ausgezeichnet. Als Kritiker der Nationalsozialisten emigrierte er 1933 in die Schweiz, später in die USA, wo er 1944 die amerikanische Staatsbürgerschaft erhielt. dpa (nur s/w; zu dpa Themenpaket "Thomas Mann" am 29.05.2000)Walter Benjamin

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (februari 2016) staat een ‘Historisch profiel’ van Walter Benjamin (1892-1940, foto rechts). Hierin citeert de auteur, Martin de Haan, een veel door Benjamin geciteerde omschrijving over een ‘bucklicht Männlein’ uit Des Knaben Wunderhorn. Het gebochelde mannetje dat voor pech in ons leven zorgt. Hij brengt dit, met Hannah Arendt, die het eerder deed, in verband met de vraag of Benjamin zelf niet aanstuurde ‘op zijn eigen pech, om maar niet nuttig te hoeven zijn?’ Naar aanleiding hiervan neem ik hieronder een eerder in Wervelingen gepubliceerde column (herfst 2008) over, waarin het mannetje ook figureert.

Onlangs las ik dat de schrijver Thomas Mann (foto links) iedereen die in zijn buurt kwam alleen maar bekeek met de ogen van een schrijver op zoek naar personages. Of dat hem helemaal recht doet (zie die fijnzinnige versie die Georg Lukács over hem geeft in Sunschrift 92) waag ik te betwijfelen, maar de rugpatiënten die Mann in zijn roman De Buddenbrooks ten tonele voert, lijken in eerste instantie meer tot op de spits gedreven karikaturen dan geloofwaardige personages. Of grotesken die we ook uit de beeldende kunst kennen, zoals de kleine mensen in Dr. Faustus.

Daar gaan we dan. Makelaar Sigismund Gosch ‘betreurde oprecht geen bochelaar te zijn’ (Buddenbrooks, p. 145). Gosch, een vrijgezel, was uiterlijk ‘een boosaardige, gemene, interessante en vreeswekkende karakterfiguur’ maar innerlijk eerlijk en goedmoedig. Een dialectiek die we tussen twee haakjes ook tegenkomen bij de zieke, stervende moeder in Die Betrogene.
En dan is er de bekende Sesemi Weichbrodt, die een pension had waarin zij adolescenten opleidde. Zij is naar de werkelijkheid getekend, en hád een kromme rug. Behalve vrijgezel was ze in de roman boosaardig en gemeen.
Vervolgens komt Johannes Buddenbrook, Hanno, ten tonele. Het jongetje dat droomt van het gebochelde mannetje uit Des Knaben Wunderhorn dat een beetje griezelig is (ook hij), slechte dingen uithaalt en tenslotte vraagt of men hem in gebed wil gedenken (p. 375).
Om nog maar te zwijgen van de jongste bediende van het kantoor van Thomas Buddenbrook, ook al zo krom als een hoepel en schuw als wat.
Tenslotte is er de organist van de Marienkirche in Lübeck, Edmund Pfühl, die – het valt te raden – op z’n minst ‘wat hoge schouders’ heeft.

In de roman van Thomas Mann lopen dus aardig wat mensen met een min of meer kromme rug rond. Misschien omdat er, als realiteitswaarde, in die tijd, begin 20ste eeuw, nog niet veel aan kon worden gedaan. Maar vooral, lijkt het, als symbool van het decadente, het burgerlijke. Mann wilde dit tegenover het intellectuele plaatsen. En dan staan – vrij naar de eerder genoemde Georg Lukács – ‘verminkte (…) persoonlijkheden’ (Sunschrift, p. 20) tegenover ‘estheties (…) aantrekkelijken’ (p. 22).

Maar aan het voorkomen van Sesemi Weichbrodt geeft Thomas Mann aan het eind van zijn boek een aparte draai: ‘Toen echter kwam Sesemi Weichbrodt aan tafel overeind, zo hoog ze maar kon. Ze ging op haar tenen staan, rekte haar hals uit, klopte op het tafelblad, en de muts trilde op haar hoofd. ‘Het is zo!’ zei ze met al haar kracht en keek iedereen uitdagend aan.
Daar stond ze, triomferend in de goede strijd die ze haar hele leven lang tegen de verzoekingen van haar leraressenverstand had gevoerd, gebocheld, nietig en bevend van overtuiging, een kleine, straffende, geestdriftige profetes’ (p. 616).

En zo geeft Mann aan Weichbrodt het profetische elan mee ‘zoals aan het slot van duistere Shakespeare-tragedies een Richmond of een Edgar naar voren komt die aanduidt dat het niet de wereld is die is vergaan maar slechts een bepaalde maatschappelijke wereld en dat die zal worden opgevolgd door een nieuwe, betere wereld’ (Lukács, p. 183).
Thomas Mann zegt zo via Weichbrodt, die het laatste woord heeft, dat het decadente voorbij gaat en er hoop is op een betere toekomst. Even heeft, en geeft, zij zicht op een wereld zonder pijn en narigheid.

Literatuur:
Thomas Mann: De Buddenbrooks. Vert. Thomas Graft. Uitg. De Arbeiderspers, 2006 (Modern Klassiek)
Georg Lukács: Thomas Mann. Socialistiese Uitgeverij Nijmegen, 1975 (Marxisme en kultuur)
Martin de Haan: Walter Benjamin: al het nuttige is betekenisloos, Filosofie Magazine 24 (2016) nr. 2 (febr.) 54-60.

Van de ISVW naar de OU en terug

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfree

Het denken van de inmiddels overleden oud-Denker des Vaderlands, René Gude (zie foto, Sarah Wong) wordt nog steeds levend gehouden. Op 28 januari a.s. vertelt ds. Trinus Hibma over hem in het Huis van de Levenskunst (Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam). In maart 2013 schreef ik onderstaande, hier iets aangepaste bijdrage aan het Liber Amicorum t.g.v. het afscheid van Gude als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden.

 

Het kan verkeren! We schrijven 2000 rond wanneer ik deelneem aan de zomercursus ‘Leven en werk van Benedictus de Spinoza’. De tweede cursus die ik aan de ISVW volg; over de eerste straks meer. En niet de laatste, dat zal wel duidelijk zijn.
Ik had een cursus Inleiding in de filosofie gedaan bij de Open Universiteit en wist me niet goed raad met die Spinoza. De (eerste?) zomercursus over hem in Leusden kwam dan ook als geroepen; ik wilde proberen te achterhalen waar die haat-liefde voor hem nu vandaan kwam. Totdat de Vereniging Het Spinozahuis uitweek naar Barchem, heb ik (zo’n beetje) alle cursussen over Spinoza in Leusden verstouwd.

Doordat ik die basiscursus aan de OU had gevolgd, voelde ik me inmiddels zekerder van mezelf en dorst me vaker in Leusden te vertonen. Met enige regelmaat kom ik er een weekend of soms een week genieten, want dat is het, met volle teugen. Alleen de boslucht al! En de heerlijke diners – niet te versmaden! En al jaren bekende gezichten in de keuken, wat leidt tot een verheugd weerzien. Toen ik jaren geleden eens een jaar verstek liet gaan, werd ik zelfs gebeld met de attente vraag of er soms wat was. Kom daar maar eens om bij een ander cursusinstituut! Dat zegt óók iets over de manier van directievoeren!

Niet dat ik in die tijd contact had met René Gude. Ik moet zelfs bekennen dat ik bij de ISVW nooit een cursus van hem heb gevolgd… Dat kwam pas bij de OU, toen hij een college over René Descartes gaf (zie: http://elsvanswol.nl/?p=1426). Wat een docent bleek hij te zijn! Toen hebben we ook pas voor ’t eerst elkaar de hand geschud. En ik kreeg een vriendelijke glimlach cadeau. Echt met elkaar van gedachten wisselen, dat hebben we pas in 2012 gedaan toen René (zo noem ik hem in dit verband) als deelnemer (!) aanschoof bij een deel van een cursus van Frans de Haas. De Haas kende ik ook van de OU en zijn naam lokte mede.

Ondanks het feit dat ik niet of nauwelijks contact met René Gude als docent en directeur heb gehad, zijn mijn vervolgstappen op het terrein van de filosofie ondenkbaar zonder hem en de ISVW.
Ik schreef het al: er was een eerste cursus die ik er volgde, nog voor die over Spinoza. Dat was een succescursus, begreep ik: die van Jan Keij over Emmanuel Levinas. Daarna heb ik heel wat cursussen over Levinas gevolgd: van het (Leerhuis) Tenach & Evangelie, VU Podium, de Vrije Gemeente … Eenkennig ben ik niet, maar de ISVW is altijd mijn honk gebleven.

Het heeft er zelfs toe geleid dat ik een bachelor scriptie voor de OU over diezelfde Levinas schreef; dat zou René Gude vast niet hebben vermoed, maar het zou hem ongetwijfeld blij hebben gestemd. En dat doet mij weer goed. Immers: de basis voor dit alles ligt bij de ISVW, ‘zijn’ ISVW.
Elke keer dat ik daar terug hoop te komen, zal ik met een beetje weemoed denken aan de gesprekken die we in de afgelopen jaren hebben gemist, want ‘alles begon met een goed gesprek’ kopt Filosofie Magazine van maart 2013 boven een artikel van zijn hand. Maar ik zal vooral denken aan hetgeen hij me, met de ISVW en persoonlijk, heeft gegeven. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Narcissus

AfsluitdijkTwee interessante gesprekken in De wereld draait door van 12 mei jl. Matthijs van Nieuwkerk interviewde om te beginnen Jesse Klaver, de nieuwe voorzitter van GroenLinks. Niets mis met zijn voorganger, Bram van Ojik, maar het jeugdige enthousiasme gepaard aan ambitieus optimisme nam me, overigens al eerder, voor hem in.

Het glas is niet half leeg (‘vier zetels maar’, probeerde Van Nieuwkerk nog realistisch), maar half vol.

Het tweede gesprek was met minister Schulz van Haegen en kunstenaar Daan Roosegaarde. De Afsluitdijk bestaat ruim tachtig jaar. Wat Roosegaarde onder meer gaat doen, is de stenen tegen de zijkant (zie foto) van een zilverkleurige laag voorzien, zodat ze het licht weerkaatst zoals een schilder als Ruysdael dat ooit in de Gouden Eeuw moet hebben gezien en schilderde, en zoals dat na alle inpolderingen en dergelijke is verdwenen.

Er was een overeenkomst tussen beide interviews: de blik vooruit, waarbij het idealisme dat in ‘Den Haag’ een zachte dood gestorven lijkt te zijn (Rutte staat zich er zelfs op voor geen visie te hebben), weer nieuw leven wordt ingeblazen. De blik vooruit, zodat de Afsluitdijk er na ruim tachtig jaar weer tegen kan, zonder dat de waterkering op een populaire manier wordt ‘opgepimpt’ maar waar het aloude Hollandse licht weer, hoe zal ik het zeggen, op wordt gehaald.

Maar er is méér. A.D. Nuttall schrijft in een schitterende studie over Shakespeare, Shakespeare the Thinker (2007) over het verschil tussen ‘kwalitatieve’ en ‘kwantitatieve’ identiteit. Wanneer we de Afsluitdijk tachtig jaar geleden op foto’s zien, of die van nu, zien we dezelfde dijk. Maar de Afsluitdijk van nu is niet meer dezelfde zoals hij op ons over komt, zoals terecht door Roosegaarde werd gezegd. Het enige dat kwantitatief hetzelfde is gebleven, is de Waddenzee en het IJsselmeer. Maar ook hier is er kwalitatief een verschil door de veranderde lichtinval. Roosegaarde probeert die terug te vinden, als – om een vergelijking van Nuttall aan te halen – Narcissus zijn spiegelbeeld.

Mensen neigen als Narcissus naar zelfzucht, zegt de filosofe Martha Nussbaum in een interview (in: Filosofie Magazine, mei 2015), maar we moeten ‘onze verbeelding gebruiken om ons te verbinden met een grotere gemeenschap (…). Het idee van de natie, mits dat op de juiste wijze was geconstrueerd, hielp om de geest naar buiten te richten.’
Daarom mogen we er trots op zijn dat Roosegaarde het licht probeert te reconstrueren zoals het eens was. Over verbeelding gesproken! Maar ook op Nederlanders die in het buitenland helpen in de strijd tegen het water.

De Descartes van René Gude

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeFilosofie Magazine kwam met wat zij noemen een ‘extra dik bewaarexemplaar’ (mei 2015): René Gude in Memoriam. Het artikel van Daan Roovers opent met de zin: ‘Ik kan leven met onzekerheid. Dat heb ik van Descartes geleerd.’ Dit brengt mij in gedachten terug bij een college over Descartes, dat René Gude (zie foto) in 2010 gaf voor de Open Universiteit.
Mijn aantekeningen werk ik hieronder uit. Ter nagedachtenis aan een fijne leermeester, ‘de man die de filosofie een gezicht gaf.’

Gude begint te zeggen dat hij bij zijn denken de ‘autobiografische methode’ gebruikt, net als Descartes zelf. Gebaseerd op het thema van de OU-cursus: vrijheid. Het gaat er dus om hoe zij tot het concept ‘vrijheid’ zijn gekomen.

Tijdens zijn studie sociale geografie stelde Gude zich twee vragen:

1. hoe verhoudt deze wetenschap zich ten opzichte van andere vormen van wetenschap
2. wat is mijn statuur als deskundige.

Hij kwam erachter, dat hij gewoon filosofie aan het bedrijven was, want:

1. wat is wetenschappelijke kennis?
2. hoe deel je de wetenschappen in?

Descartes heeft rechten gestudeerd, maar geneeskunde was zijn fascinatie. Die wetenschap was toen nog niet zo ver ontwikkeld als moderne wetenschap. Dat wilde hij verbeteren. Door een opleiding voor artsen te starten die door een betere wetenschap de mensheid beter kan dienen. Pragmatisch dus. En dan pas artsenij in praktijk te brengen.

Descartes kwam naar Nederland, waar de verdeeldheid was georganiseerd, eerder dan dat je kan spreken van tolerantie. De ene na de andere universiteit schoot uit de grond.
Hier dacht Descartes zijn nieuwe methode van wetenschap veiliger en eerder te kunnen slijten dan aan de Sorbonne. Om die reden ging hij later door naar ‘het land van de beren’: Zweden.

Wat houdt vrijheid nu bij hem in? In de eerste plaats zelf denken, een eigen fundament vinden, niet alleen de traditie volgen. Hij wilde een inventieve methode ontwikkelen, die niet alleen van lezen uitging, maar ook het oog op de wereld richtte.
De kern is dan: aansluiten bij de twijfel die je hebt, bij alledaagse vragen die je tot de bodem uit wil zoeken. Dat heet filosofie. Er staan je twee dingen te doen:

1. vallen en opstaan
2. metafysische meditatie loslaten op kennis.

Descartes koos voor de tweede methode. En begon te twijfelen, door in het te onderzoeken probleem te stappen en zich af te vragen: Wat zou betrouwbare kennis kunnen zijn?
Dit is methodisch een enorme breuk in de constatering dat je kennis hebt opgedaan, zonder deze methode of structuur. De vraag is vervolgens: Wat is daarbinnen dan waar en wat niet? Je kunt weer twee dingen doen:

1. doorgaan met positief benoemen wat goed is, omdat …
2. of je afvragen of er inzichten bestaan die 100% betrouwbaar zijn.

Descartes zelf gaat nog harder twijfelen. En wel expres. Hij doet een twijfelexperiment. Het risico bestaat, dat er geen echte wetenschappelijke kennis mogelijk blijkt, neemt hij daarbij voor lief. Een andere mogelijkheid is, dat je ‘iets’ vindt dat je niet onderuit kunt halen.

Descartes presenteert niet zijn bevindingen, maar hoe hij daartoe is gekomen. Dus door van het begin bij de conclusie te geraken, en door van de conclusie weer terug te keren naar het begin. Je kunt de weg (voie) volgen van de

1. orde synthetique (bewijzen)
2. analytique (aantonen).

Je moet alle stappen zelf mee kunnen maken. Of niet …
Descartes wil je mee zien te krijgen: ‘Dat heb ik nu ook.’ Hij biedt tenslotte een methode in zijn Meditationes. Hij twijfelt alles weg: alles dat via de zintuigen is waargenomen, is het meest waarschijnlijk (voorstelling in ons denken), maar tegelijk verdacht:

1. droomexperiment voldoet niet aan criterium van 100% zekere kennis
2. kwaadwillende geest – zelfs wiskunde voldoet niet meer.

Dan ligt de conclusie voor de hand dat alles betwijfelbaar en hoogst onzeker is. Maar één ding staat vast: niet de inhoud is weg, want je weet dat je er moet zijn om überhaupt te kunnen twijfelen (Ik denk dus ik ben). Telkens wanneer je dit zegt, is het waar.

Waarheid is wanneer wat je zegt samenvalt met wat je ermee bedoelt; de voorstelling past op datgene wat je bedoelt (adequate kennis). Er zijn dan twee categorieën:

1. dat wat niet samenvalt met een zaak
2. deel dat wél samenvalt.

Je wilt die delen groter maken. Dat betekent óók dat het niet meer onzinnig is om naar wetenschap te zoeken, naar betrouwbare kennis.
Er is een principe, een vast punt van waaruit je vertrekt: kennis van

1. het denken. Is beperkt, maar maakt deel uit van een deel dat méér belooft. Kom je door eigen inspanning.
2. kennis van lichamelijkheid. Deze geef je aan in termen van uitgebreidheid en gestalte. Het blijft waar als je materiële eigenschappen wegdenkt (lengte, breedte, diepte als berekening van de voorstelling van een lichaam).

Hier begint het dualisme van Descartes zich te ontwikkelen. Met mentale processen (denken) en somatische processen (lichamelijkheid) komt Descartes zo bij de geneeskunde uit. Respectievelijk psychologie en somatiek. De arts onderscheidt deze: heeft iemand mentale problemen of lichamelijke? Eigenlijk was Descartes volgens Gude dus psychiater vanuit de huidige stand van zaken geredeneerd.

Wat is dan uiteindelijk vrijheid? Er is sprake van keuzevrijheid, denkvrijheid en beslissingsvrijheid. Maar: de vrijheid is beperkt. Vanuit jouw perspectief, jouw startpunt, kun je vaststellen of iets betrouwbaar is of niet. Dát is de vrijheid die je hebt. En dat mag je leven noemen.

Dat heeft René Gude ons voorgeleefd. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.