Vladimir Jankélévich: ‘Een curiosum’

De Pools-Vlaamse filosofe Alicja Gescinska heeft wat met het werk van de filosoof Vladimir Jankélévitch (1903-1985). Zijn naam duikt vaak bij haar op, het laatst in een column in het aprilnummer van Filosofie Magazine. Hij was, schrijft ze daar, ‘een curiosum in het intellectuele landschap van naoorlogs Frankrijk. De muziek- en moraalfilosoof was een einzelgänger. Bij de existentialisten zocht hij geen aansluiting, evenmin bij de conservatieve personalisten. Met de postmodernisten had hij weinig tot niets gemeen. Hij had geen school, geen volgelingen. En hij schreef en dacht in een unieke, onnavolgbare stijl die misschien het best als poëtisch filosoferen omschreven kan worden.’

Een mooie karakteristiek van de filosoof wiens werk ik ook volg, vanaf het moment dat ik in 1992 zijn biografie over Ravel kocht (1959) en jaren later het boek Het onzegbare en het onuitsprekelijke van Ronald Commers kocht. Dat was inmiddels in 2005. Via een avond over ‘Filosofie en kunst: over stilte in de muziek & het denken in het theater’ van Felix & Sofie in Felix Meritis, vijf jaar later. Tot nu, wanneer ik zijn naam weer regelmatig tegenkom in columns, essays en boeken van Gescinska.

Jaël Kraut
Tijd om mijn aantekeningen van die avond in Felix Meritis erbij te pakken en hier als blog te brengen. Omdat Jankélévich meer aandacht verdient en nu dank zij Gecinska gelukkig ook weer krijgt.
De avond werd geopend met een lezing door de filosofe Jaël Kraut (nu werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam), die aan een proefschrift werkte onder de titel From Silence to Muteness (2010). Daarin onderzocht ze diverse perspectieven op stilte in relatie tot muziek. Haar lezing ging daarover.

Ze begon met te zeggen dat haar ideeën met betrekking tot het belang van stilte zijn gebaseerd op die van Jankélévich. Hij onttrekt zich aan wat Levinas het onethische van muziek noemt. Ethisch is de confrontatie met de a/Ander. Met kunst kun je volgens Levinas geen dialoog hebben, want het representeert. Hierin is hij een iconoclast.
Als voorbeeld hoe je er anders tegenaan kunt kijken, noemt ze de opera Pelléas et Mélisande van Claude Debussy, waar Jankélévich op ingaat. Debussy neemt breuken in zijn muziek op. Alles valt in de opera naar beneden, zoals op een gegeven moment een ring. Dan valt de stilte, wat zij assassination noemt, dat wil zeggen het geweld van wegstervend geluid.
Een andere filosoof, Adorno, pleit voor onesthetische muziek, muziek die moet schuren. Dus niet de stilte van bijvoorbeeld 4’33” van John Cage, want Cage is anti-muziek volgens haar.

Er is ook muziek die ons niets meer zegt, die zin ontbeert. Dit noemt Kraut verstomming (muteness). Als voorbeeld noemt ze Metastasis voor 61 instrumenten van de componist Xenakis. Dit is volgens haar een objectivistische constructie, dat werd gespeeld bij de opening van het Philipspaviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel.

Fenomenologie
In 2007, nog enkele jaren voor ze haar proefschrift voltooide, schreef Jaël Kraut een essay in het tijdschrift Phenomenology (2007, p. 425-441). Hierin werkt ze haar ideeën over subjectivisme en objectivisme in de muziek verder uit. De aleatorische muziek van een Xenakis leidt volgens haar tot de eliminatie van muziek zelf. Adorno stelt een uitweg uit deze lege muziek voor en pleit voor een herstel van de subjectieve elementen, maar aangezien zijn idee van subjectiviteit dubbelzinnig is (soms is het universeel, soms beschouwt hij het vanuit een objectief standpunt, dat wil zeggen, als psychologisch, willekeurig en in tegenstelling tot objecten), faalt zijn argumentatie. In tegenstelling tot de objectivistische notie van subjectiviteit, stelt Kraut in haar artikel een fenomenologische lezing voor van de antinomieën (tegenspraken die geen paradoxen zijn) waarmee hedendaagse muziek wordt geconfronteerd, door Adorno’s willekeurige subject te vervangen door het universele a priori van transcendentale subjectiviteit.

Daarmee had ze haar lezing in Felix Meritis ook besloten, maar toen kon ik het nog niet helemaal duiden. Inmiddels weet ik, dat je met die transcendentale subjectiviteit (Husserl) ook uitkomt bij de trouwring die Mélisande in Debussy’s opera in het water laat vallen: zij valt en reikt tegelijkertijd naar boven; Mélisande staat voor de ziel. Over een antinomie gesproken.

Doorvragen

In hetzelfde nummer (oktober 2019) van het tijdschrift Ophef (omslagtekening De Amstelkerk in Amsterdam, gezien door Karel Fr. Wenckebach, rechts) waarin Hans Schravesande een recensie publiceerde over mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek over Henk Vreekamp, verscheen ook een artikel van Marcel Poorthuis onder de titel De Hebreeuwse mythe, een contradictio in terminis? Misschien komt dit aan de ene kant deels tegemoet aan de wens van Schravesande om ‘door te vragen, zowel naar de bedoelingen van Vreekamp als van Van Swol’, hoewel het aan de andere kant duidelijk is, dat Vreekamp het niet over de Hebreeuwse mythe had.

Mythe
Het begint er al mee, dat Schravesande constateert dat Vreekamp ‘weinig definieert, of verschillende, uiteenlopende beschrijvingen heeft van begrippen en ideeën’, terwijl Poorthuis tamelijk aan het begin van zijn stuk zich – zoals hij zelf zegt – waagt aan een definitie: mythe is ‘een narratief, gesitueerd in een oertijd, betrekking hebbend op de verhouding tussen mens en het goddelijke, waarin op de wijze van een verklaring (die niet causaal moet worden opgevat) actuele menselijke ervaringen over dood en leven, schuld en heil, in een oerbegin wordt gesitueerd, maar met universele en paradigmatische pretentie’. Een definitie die ook opgaat voor de mythes die Vreekamp beschrijft, en die hij met de filosoof Hermann Cohen ‘als het domein van de heidenen beschouwde’ (Poorthuis).
Vreekamp had er weet van dat de heiden verbonden was met zijn land, met de woorden van Schravesande ‘het Veluwse heidendom verkende door daar blootsvoets de zandpaden te volgen’. Zandpaden die bij hem overigens pars pro toto stonden voor de zandgronden in Israël. ‘De aarde trouw blijven’, zou hij met de door Poorthuis geciteerde woorden van Nietzsches Zarathustra gezegd kunnen hebben. En ook hier zou dan doorgevraagd kunnen worden, op de manier die Rinse Reeling Brouwer in een artikel in hetzelfde nummer van Ophef doet: ‘We zijn geschapen in de gelijkenis van het zaad, dat in de donkere akker valt, bestemd om dicht te blijven bij de aarde, waar de graven zijn. We zijn betrokken op de pijn van wie verdwenen, vervolgd, weggerukt zijn, maar we aanvaarden dat, voorbij alle zonde en geweld, het sterven tot de goede schepping behoort’ (p. 22-23), waaraan Reeling Brouwer de sterfelijkheid van de aarde koppelt, waarvan Vreekamp ook getuigde in zijn laatste preek, een dag voor zijn dood, die in mijn boek is opgenomen en waaraan Schravesande ook refereert.

Mystiek
Dan komt in Poorthuis’ artikel een link met de mystiek, zoals ook in mijn boekje. Poorthuis haalt Martin Buber aan en definieert met hem de mystiek als ‘de ontmoeting met het goddelijke’. Poorthuis vervolgt met de joodse rationalisten, die ‘de kabbala als groteske getallengoochelarij zagen’, terwijl Vreekamp in zijn latere werk – volgens Schravesande, maar ook al eerder – ‘aandacht en sympathie (…) heeft voor de Kabbala, die hij als onmisbaar ziet voor een volwassen joods-christelijke ontmoeting’.
Hier zou je inderdaad mogen doorvragen – wellicht was je dan met Poorthuis uitgekomen op het gegeven dat zowel Buber als Vreekamp ‘zich veeleer aan de Romantiek verplicht wist[en]  dan aan de Verlichting’. Met als kanttekening dat het geheim van Vreekamp eerder in beide lag; hij was zowel een alfa- als een bèta-man. 1)
Schravesande duidt zijn theologie aan als ‘biografische theologie’. Als je hierover doordenkt, en een ander artikel in Ophef erbij betrekt, namelijk dat van Jaco Zuurmond (‘Onze verantwoordelijkheid zou ons zwaar moeten wegen’), dan stuit je op de vraag of Vreekamp wat had met de zogenaamde George-Kreis. Leden die in navolging van de dichter Stephan George breken met het ‘doorgeslagen rationalisme’ met historisch onderzoek en ‘hun vertaal- en interpretatiewerk verbinden met de authentieke en charismatische kracht van de historische auteurs’.

Mysterie
Misschien kunnen we ook concluderen, dat zijn geheim lag in zijn bevindelijke orthodoxie, ‘met soms baanbrekende vergezichten’ (Schravesande). De vraag is dan tenslotte of ‘het “mysterie” Henk Vreekamp nog kan en zal blijven aanspreken’ (idem)? Ik heb er gezien reacties op en gesprekken over mijn boekje goede hoop op!


1) In dit verband denk ik aan een interview met Jos Kessels in Filosofie Magazine (okt. 2019). Hij heeft het over muziek, de kunstvorm die Henk Vreekamp ook zo na aan het hart lag. Kessels zegt op een gegeven moment: ‘Muziek heeft geen verwijzing, maar wel gedachte-inhoud, die bestaat uit mythen [vet EvS], fantasiebeelden (…). Het is een soort wiskunde van het gevoel’. Over doordenken gesproken …

Op zijn plaats vallen

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (juli/augustus 2019, zie foto rechts) staat een interessant interview met emeritus-hoogleraar kunst en techniek Petran Kockelkoren over mythen en techniek. Ik las dat met bijzondere aandacht, omdat ik me daar de laatste tijd voor mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek (zie foto links) over Henk Vreekamp ook mee heb beziggehouden. Met name met Noordse en Germaanse mythen.

Eigenlijk zou je mythisch denken met de onlangs overleden Hongaarse filosofe Ágnes Heller (1929-2019) een ‘antropologische grondhouding’ kunnen noemen. Er is immers sprake van voorouders, taal, streek en religie als startpunten. Al dan niet geconstrueerd, als een invented tradition, zoals soms bij Vreekamp, die haast als een antropoloog keek naar de vele landen en volken die hij samen met zijn vrouw Marjo bezocht.
Zo keek hij ook naar de Veluwe. Ik beschreef dat als een pars pro toto; Ede stond bij hem zeg maar voor Eden.

Hun oudste zoon, Leonhard, mailde mij pal voor de presentatie van het boekje in Amsterdam een andere invalshoek die dit aanvult: ‘Ik zoek (…) een reden waarom hij [zijn vader, EvS] de Veluwe nodig heeft gehad om te overleven en structuur aan te brengen in zijn gedachten en roeping. Zonder de Veluwe viel het niet op zijn plaats. Was het te groot om onder woorden te brengen.’

Of, zoals Kockelkoren het in het genoemde interview met Maurice van Turnhout zegt: ‘Het mythische wereldbeeld helpt je om de wereld bewoonbaar te maken’.
Mythen zijn dan niet iets om in te geloven, dat wist Vreekamp als theoloog als geen ander. Ze zijn haast om te doen, vindt Kockelkoren. Hierbij moest ik denken aan een van de andere kinderen Vreekamp, Cunera, die bij de presentatie van zijn boek Als Freyja zich laat zien (31 oktober 2013 in de Grote Kerk van Epe) als Freyja verkleed de kerk binnenkwam.

Kockelkoren kijkt met een mythische blik naar techniek, Vreekamp ging door de mythen heen richting mysterie en mystiek, met de mysterie in het midden, als middelpunt. Niet iedereen kan daarin meegaan en dat hoeft ook niet. Maar ‘ongelooflijk rijk en interessant’ (Kockelkoren) is het wél. Dat valt niet te ontkennen.

 

https://www.de-veluwenaar.nl/2016/10/15/hier-willen-staan/

René Gude over René Descartes

René Gude over René Descartes / René Gude ; redacteur: Florian Jacobs. – 1e druk. – Leusden : ISVW Uitgevers, [2019]. -122 pagina’s : portret ; 18 cm ISBN 978-94-925384-8-2

Wie verwacht dat dit boek een systematische inleiding is tot leven en werk van de filosoof René Descartes (1596-1650) komt bedrogen uit. Wat het wél is, is een smaakmaker die uitgaat van de enorme kennis én de liefde die René Gude (1957-2015) voor de Franse filosoof had. Voor hem was het denken van de man die vooral bekend werd door zijn idee van scheiding van lichaam en geest en zijn wetenschappelijke methode, nog lang niet passé. Gude schreef erover en werd er kort voor zijn dood door Erno Eskens over geïnterviewd. Eskens was gedurende enkele jaren Gudes opvolger als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte. Gude, bij het grote publiek bekend geworden als Denker des Vaderlands, verstaat als geen ander de kunst filosofie helder en duidelijk over te brengen. Aan de orde komen thema’s als: kortzichtigheid, kritisch optimisme, huilen en permanente verandering. Bevat naast de artikelen (onder meer overgenomen uit Filosofie Magazine) en het interview tevens een
samenvatting van Descartes’ Meditaties. Pocketformaat; normale druk.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Tussenpositie

Met veel genoegen leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Dit bracht me op het idee om elders, in een huis naast een kerkje (zie foto), iets soortgelijks te willen doen met gedichten. Maar dat bleef bij een idee dat primair werd afgewezen, nog los van praktische consequenties. Het waarom daarvan vormt de aanleiding tot deze blog.

Ik denk dat het niet zo’n goed plan werd gevonden, omdat bij ‘gedichten’ ten onrechte alleen aan moeilijke teksten werd gedacht die bij de beoogde deelnemers niet zouden landen. Hoewel er in dat mooie Zaanse huisje voor een vergadering wel een gedicht wordt gelezen, en na een gezamenlijke maaltijd ook. Daar begint mijn secundair opborrelende verbazing.

In een column van dichteres Ellen Deckwitz (in: NRC Handelsblad, 10 januari jl., dat ik doorgestuurd kreeg van enkele vakantie vierders) lees ik als conclusie: ‘Het is een troost dat Nederland misschien minder bang is voor gedichten dan ik dacht’. Daarbij kun je ook aan de hoge verkoopcijfers en hoge plaats in de Top10 denken van Lévi Weemoedts bundel Pessimisme kun je leren! Maar ook – en dat wil ik hier doen – aan een tussenpositie die gedichten in kunnen nemen tussen het moeilijke dat ze blijkbaar aankleeft en het light verse van een Weemoedt.

De term ‘tussenpositie’ is mij ingegeven door een inleiding over ‘Kunst en het onzegbare’ door dichter/historicus Jan de Bas tijdens een lezing voor Helikon in Utrecht, de middag nadat de column van Ellen Deckwitz verscheen. Al bedoelde hij er wat anders mee, namelijk een positie tussen metafysica en het fysieke in, toch ben ik zo vrij het woord hier te kapen.

Die middag kocht ik voor een prikje een mooie bundeling columns en enkele artikelen van De Bas (overgenomen uit: Chroom, Trouw, Hollands Maandblad en Filosofie Magazine): Artikelen des Gedichts (1997) – een variant op de 12 Artikelen des Geloofs. Wat De Bas doet, is hetzelfde als wat ik had willen doen: mensen enthousiast maken voor gedichten. Ik had bijna geschreven: ‘dichtkunst’, maar dat riekt misschien al weer teveel naar een (te) gedegen bespreking ervan. En dat wilde ik niet, en dat doet De Bas ook niet.

Nee, het gaat me misschien net als ik in een recensie van genoemde bundel die ik las in het literaire tijdschrift Chroom (maart 2002), ‘om poëzie als levenshouding, als middel om leven en geloof op een acceptabele manier aaneen te smeden’. Maar dat niet alleen: ook om leven in deze wereld op een acceptabele manier aaneen te smeden; ook in die zin wil ik een tussenpositie innemen. En tenslotte gaat het ook, net als bij het muziekclubje, om een goed gesprek.

Ik vervolg die weg zelf, want dat is het, dat leerde ik in Utrecht ook van Jan de Bas. En hoop dat er af en toe iemand meeloopt, of dat ik op z’n tijd met anderen mee op kan lopen. Bijvoorbeeld tijdens een leerhuisochtend of –middag van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Dat zou fijn zijn.

Hard hout

In Filosofie Magazine (oktober 2018) staat een column van Thijs Lijster, universitair docent kunst- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen (zie foto, afkomstig van de RUG) onder de kop ‘Hard feit?’ Hij stelt dat er een roep is naar de Waarheid en een afkeer van ‘relativisten en sociaalstructivisten- en deconstructivisten als Rorty, Latour en Derrida’.

Lijster moet denken aan een boek dat hij in zijn studententijd las: Death and Furniture van de hand van Derek Edwards, Malcolm Ashmore en Jonathan Potter. De titel verwijst naar de twee wapens van een realist: het slaan en kloppen op meubels (‘BAM! Kijk, deze tafel is toch echt – een “hard” feit’) en de dood (‘Als je van een berg springt, ben je toch gewoon dood?’).

De drie auteurs laten ‘echter zien dat geen van deze argumenten de constructivist van zijn stuk zal brengen’, aldus Lijster. Het gaat om argumenten. ‘De tafel op zichzelf is geen weerlegging van het relativisme; die moet daarvoor eerst opgetuigd worden met betekenis, een betekenis die de realist eraan geeft (de tafel “betekent” hardheid’).’ Het andere wapen, de dood, laat ik hier rusten.

Ik moest toen ik deze column, die eindigt met de constatering dat we zelf de feiten moeten maken, hetgeen ‘onderzoek, onderhandeling, overtuiging’ vergt, denken aan een verhaal dat ik enkele weken terug hoorde. Het ging over een cursus waarin jonge kinderen werd geleerd, dat een stuk hout helemaal niet zo hard hoeft te zijn als het er uitziet. De kinderen werd geleerd dat ze, met geloof in zichzelf, een stuk hout zomaar doormidden kunnen slaan. Ze mochten niet eerder van de cursus af, als ze het niet op z’n minst een keer was gelukt.

Hout staat hier net zomin als de tafel bij Lijster voor hardheid. Ook hier werd het stuk hout opgetuigd met een betekenis die eraan werd gegeven. Maar dan een andere dan in de filosofie. Namelijk die van het geloof, in eerste instantie in zichzelf maar misschien – begreep ik – ook steeds wel een stapje verder: geloof in datgene dat áchter het stuk hout ligt, namelijk vertrouwen (pistis in het Grieks, emoena in het Hebreeuws). ‘Een ander register, een andere dimensie’ noemde Beatrice de Graaf het (bij De wereld draait door, 8 oktober jl.). Het is ‘de hoop op datgene dat je niet kunt weten, maar waarop je vertrouwt’.

Zou dat het verschil zijn tussen de houten tafel en het stuk hout op de tafel? Tussen filosofie en geloof? Het zou zomaar kunnen.

https://www.filosofie.nl/nl/artikel/50115/thijs-lijster-hard-feit.html

Florentijn van Rootselaar – Filosofisch veldwerk

Filosofisch veldwerk : grote filosofen van nu over leven in barre tijden / Florentijn van Rootselaar ; met een
voorwoord van Stine Jensen. – Utrecht : Klement, [2018]. -127 pagina’s ; 22 cm. – Interviews eerder
verschenen in gewijzigde vorm in Trouw en Filosofie Magazine. ISBN 978-90-868723-2-9

De titel van deze vijftien gebundelde interviews, die eerder in Filosofie Magazine en dagblad Trouw verschenen, is raak gekozen. Het betreft namelijk niet alleen veldwerk van de auteur, eindredacteur van Filosofie Magazine en jurylid van de Socrates Wisselbeker, maar ook van de geïnterviewde filosofen, die stuk voor stuk komen met een nieuw perspectief of opvatting over de klimaat- en andere problemen van onze Aarde en onze tijd, zoals fake news. Dat geeft de interviews een gemene deler, hoe uiteenlopend de denkers, dertien mannen en slechts twee vrouwen, ook zijn. Onder hen Zygmunt Bauman en Martha Nussbaum (onder de noemer ‘Vloeibare
wereld’), Bruno Latour en Peter Sloterdijk (‘Wereldcrisis’), Roger Scruton en Michael
Puett (‘Betoverde wereld’). Voor een lezerspubliek dat ook inziet dat we er – opvallend
uit de mond van filosofen – met louter rationeel denken niet komen; we hebben ook
verbeelding en verhalen nodig. Aan dit boek is een website gelinkt: www.filosofie.nl/veldwerk. Een belangwekkend boek voor iedereen die het beste voor
heeft met de alleszins bedreigde Aarde en de problemen die daarmee samenhangen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Twee verschillende taalspelen

Op 19 maart 2016 hield Paul Juffermans (foto rechts), die ik altijd graag mag horen spreken, een lezing voor de Vereniging Het Spinozahuis ‘over de vermenging en scheiding van theologie en politiek’ in Spinoza’s Theologisch-Politiek Traktaat (TTP). Tijdens de a.s. studieweek van de Vereniging, 23 t/m 27 juli in Barchem, staat het onderwerp eveneens op de rol. Ook in zijn proefschrift (in een handelseditie in 2003 uitgegeven door Damon) had hij al een onderzoek gedaan ‘naar de verschillende betekenissen van religie in het oeuvre van Spinoza’.
Nu kwam, als nummer 112 van de Mededelingen vanwege het Spinozahuis, Juffermans’ studie over ‘Spinoza’s dubbele deconstructie in het Theologisch-Politiek Traktaat’ uit. Veel zal de lezer daarvan inmiddels bekend voor komen, maar voor wie dat niet geldt, hier een bespreking.

Juffermans geeft in zijn inleiding aan, dat de TTP uit twee delen bestaat: een theologisch en een politiek deel. In het eerste deel gaat het over de scheiding tussen filosofie en theologie, in het tweede over wat Juffermans noemt de  ‘deconstructie van de kerk als een zelfstandig politieke macht van de staat’.

In het eerste deel gebruikt Spinoza filosofische en theologische begrippen door elkaar, waarbij het volgens Juffermans diens bedoeling is ‘de betekenis van theologische termen’ te ontmantelen. Het gaat immers om ‘twee waarheidsdomeinen, die van de rede aan de ene kant en die van de openbaring en het geloof aan de andere kant’. Daaruit volgt ‘de deconstructie van de kerk als zelfstandige politieke macht’.

Juffermans onderkent een paradox in deze scheiding. Hij wijst daarbij op ‘voor de rede ontoegankelijke attributen uit het portret van God’.  Hij doelt daarbij op de voorstelling van God als bijvoorbeeld barmhartig en rechtvaardig, voorbeelden die hij verderop noemt. Spinoza erkent wat de filosofie betreft alleen de rede, en voor de theologie vroomheid. Dat laatste houdt moreel handelen in, waarmee Spinoza in feite – voeg ik toe – aansluit op het joodse denken en het Hebreeuwse woord dabar dat zowel woord als daad betekent.

Juffermans stuit hierbij op een paradox, die – vul ik ook hier aan – overigens al in de Bijbel voor komt bij bijvoorbeeld het begrippenpaar chèsed ve emet (genade en waarheid), respectievelijk een theologisch en een filosofisch begrip in de betekenis die Spinoza er in zijn sensus verus (authentieke betekenis) aan zou hechten, hetgeen hij in een brief aan Willem van Blijenbergh ‘twee verschillende taalspelen’ noemt: ‘narratieve taal en die van definities, begrippen, bewijzen en redeneringen’.
Daarom kan de theologie niet dienen als grondslag voor het ontwikkelen van politieke filosofie. Laat staan dat de kerk een zelfstandige politieke macht kan vormen, een staat binnen een staat.

Juffermans komt tot wat hij noemt ‘Enkele conclusies’. Hij stelt dat ‘Spinoza (…) de “waarheid” van de godsdienst’ situeert ‘op het morele vlak’ en dat ‘men hier de betekenis van de term (…) zou moeten omschrijven als morele waarachtigheid’. Om echter in de volgende conclusie te stellen dat ‘door de deconstructie van de theologie als domein van waarheid en haar herleiding tot een praxis van vroomheid’ de grondslag van een theologische twist als tussen remonstranten en contraremonstranten in Spinoza’s tijd wordt ontnomen.

Wanneer Juffermans stelt dat Spinoza door de scheiding van kerk en staat in twee zelfstandige domeinen, ‘zich bij uitstek een modern filosoof toont’, zou ik graag dóór willen denken: de kerk is dan weliswaar geen staat binnen de staat, en valt wanneer bepaalde rituelen in strijd komen met de wet terecht onder het staatsgezag, maar al in de tijd van Spinoza waren er predikanten die zich verzetten tegen de slavernij en heden ten dage als Vluchtelingenkerk, als opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, is het een groot goed wanneer de kerk zich tegen het wanbeleid van de staat kan keren. God zij dank, zou ik zeggen.

Met alle respect voor ‘het behoud van al die verworvenheden en vrijheden, aan het ontstaan waarvan zij [Spinoza en andere tolerantiedenkers uit de tijd van de Verlichting]  een belangrijke bijdrage hebben geleverd, aldus Juffermans, denkend aan de vrijheid van godsdienst en meningsuiting: het zou toch leuk zijn als Ruben Endedijk en Michiel Zonneveld ook wat het laatste aspect betreft in de huid van Spinoza kropen en hem daarover interviewden, zoals zij dat onlangs deden met betrekking tot de klimaatverandering (in: Filosofie Magazine, juni 2018, p. 12-13). Ik ben benieuwd wat daar dan uit zou komen.

De tussensfeer

Momenteel lees ik het nieuwste boek van Joke J. Hermsen, Rivieren keren nooit terug. Op een gegeven moment heeft zij het over het feit dat je ‘altijd een of ander “tussen” moet opzoeken.’ Daarbij moest ik onwillekeurig denken aan lezingen van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy en Luuk van Middelaar tijdens de Dag van de Filosofie (2010) in Tilburg. Ik schreef daar eerder over in Wervelingen (herfst 2010) – een column die ik hier met toestemming overneem.

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy heeft in zijn essay De Indringer, dat hij schreef na een harttransplantatie gevolgd door kanker, over ‘een constante veruiterlijking’ van zichzelf. Hij wordt opgemeten, gecontroleerd, getest. Terwijl, zegt Nancy, ‘de felste vijanden’ van binnen zitten: ‘oude virussen, die zich altijd al schuil hielden’, en protheses, moeren, bouten en staven.
Ik moest hieraan denken tijdens niet alleen de lezing die Nancy hield tijdens de Dag van de Filosofie, 24 april 2010 in Tilburg, maar ook tijdens de daaropvolgende lezing van Luuk van Middelaar, met zijn boek De Passage naar Europa winnaar van de Socrates Wisselbeker 2010.
Van Middelaar heeft het in zijn boek over een ‘binnensfeer’ (de Europese instellingen) en een ‘buitensfeer’ (nationale staten). Maar ook over een zogenaamde ‘tussensfeer’ (de Europese Raad), waarin mensen elkaar ontmoeten en gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Om dat laatste nu gaat het mij hier: de tussensfeer.

De buitensfeer

Maar eerst de buitensfeer. Met enig afgrijzen las ik hoe Wilma de Rek en Bert Wagendorp in een artikel (in: de Volkskrant, 27 maart 2010, overgenomen in Filosofie Magazine nr. 3/2010) spraken over ‘een oud, volledig kromgetrokken mannetje’ en over een ‘gebocheld exemplaar’ [vet van mij, vS].
Hier is de veruiterlijking, het geëx-poseerd zijn oftewel het bloot-gesteld zijn aan de blikken van een ander waar Nancy het over heeft, op een treurige manier weergegeven.

De binnensfeer

Het spel dat Nancy tijdens zijn lezing speelde met de inhoud van het woord ‘beyond’ is bij De Rek en Wagendorp afwezig. Nancy ziet in dit woord de definitie van wat filosofie volgens hem moet zijn oplichten. Iets dat ‘sensible’ is, ‘sense’ geeft. Datgene ook dat ‘sensitive’ is. En dan vat Nancy het woord ‘beyond’ niet op als iets metafysisch, maar in ontologische zin, als leer van het zijn.
De Rek en Wagendorp hebben het over ‘een mannetje’ en een ‘exemplaar’, maar kunnen zich er niets wezenlijks bij voorstellen. Als zij dat wel zouden kunnen, zouden zij om te beginnen de buitensfeer verruilen voor de binnensfeer. Een sfeer die in de bijbel in overdrachtelijke zin ‘met ontferming bewogen’ wordt genoemd – wat dan letterlijk staat voor de ingewanden die gaan rammelen bij het zien van bijvoorbeeld ‘een oud, volledig kromgetrokken’ of ‘gebocheld’ medemens. Over wie vervolgens een zegenspreuk wordt uitgesproken, zoals Eliyahu Sidi (Parijs, 1936) op een serie gouaches toonde die in het Joods Historisch Museum te zien waren tijdens de tentoonstelling Count your blessings (14 februari t/m 24 mei 2010).

De tussensfeer

Nog een stap verder en we komen in de tussensfeer terecht, waarin zieken en gezonden, jong en oud, blank en zwart elkaar werkelijk ontmoeten en met elkaar in gesprek komen en naar oplossingen zoeken voor problemen die met een ziekte of handicap samenhangen.
Dit is het perspectief van het werkelijk samenleven in een stad zoals Van Middelaar die in Tilburg indirect schetste. En wat – vul ik aan – Hermsen ook bedoelt.

Ietsje meer

‘Zet twee Spinozisten bij elkaar en je hebt ruzie’ zei Erno Eskens (programmadirecteur en uitgever bij de ISVW in Leusden) tijdens zijn lezing ‘Spinoza op de kaart’ tijdens de bijeenkomst Filosofie op de kaart, 20 oktober jl. in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Of – wat netter -: zet twee Spinozisten bij elkaar en je hebt drie meningen. Waarna Eskens kort en to the point liet zien dat je Spinoza kunt lezen als een materialist of als een meer religieus denker.
Eskens is geen Spinozist en ik ook niet, al volg ik al jaren alles wat met de filosoof te maken heeft zoveel mogelijk op de voet (over op de kaart zetten gesproken …). En op ruzie ben ik al helemáál niet uit. Toch wil ik enkele kanttekeningen bij Eskens’ lezing plaatsen, om een en ander recht te doen en recht te zetten. Ik volg het betoog.

De ban
Eskens begon uiteraard in Amsterdam – waarmee ik deze reactie ook weer zal afsluiten. Relatief uitgebreid kwam de verbanning uit de Sefardische gemeenschap aan de orde (1656). Gesteld werd dat de handel van fruit (lees: zuidvruchten e.d.) door Spinoza’s vader in gevaar kwam. Nu was zijn vader al twee jaar daarvoor overleden, en was zijn handel in handen van zijn zoons, hetgeen overigens soms mede in verband met de ban wordt gebracht, als zou Spinoza door het niet aanvaarden van de erfenis het vijfde Bijbelse gebod (‘Eer je vader en je moeder’) hebben overtreden.
Gesteld werd vervolgens dat wel is geprobeerd de ban ongedaan te maken, maar niet waaróm dit tot nu toe niet is gelukt. Het uitgebreid voorlezen van de banvloek en deze omissie maakte dat voor mijn gevoel de verhouding in dit verband een beetje zoek was.

De Ethica
Uiteraard liet Eskens Spinoza’s hoofdwerk, de Ethica niet onvermeld. Daarbij hield hij ‘de dikke pil’ in de lucht. Dat wil zeggen: de Boom-uitgave, zo dik door het uitgebreide notenapparaat, het nawoord, de vele voetnoten en tekstkritische aantekeningen. Mijn uitgave van de Wereldbibliotheek oogt al heel wat bescheidener…
Zo’n pil schrikt de niet met Spinoza’s werk bekende toehoorder ongetwijfeld af, nog los van de niet genoemde, geometrische opzet van het boek. Belangrijker is mijns inziens dat de Ethica tot op de dag van vandaag veel mensen nog steeds inspireert. Dit bleek onlangs nog uit de dichtbundel Eeuwig leven van Atze van Wieren (uitg. IJzer, 2017).

Den Haag
Vervolgens kwam Eskens uitgebreid te spreken over Den Haag, waar volgens hem het huis waar Spinoza woonde (aan de Paviljoensgracht) nog steeds valt te bezoeken. Een gewaarschuwd pelgrim of liefhebber van lieux de mémoire telt voor twee: op dit moment is dat, onder meer vanwege de herinrichting van het archief en de bibliotheek, niet mogelijk, maar ik hoop met Eskens dat dit spoedig wel weer het geval zal zijn.
En dan kwam de eeuwige verwarring over Spinoza’s graf weer boven water. Er staat weliswaar een steen achter de Nieuwe Kerk op het Spui, maar echt: het eigenlijke huurgraf is in 1738 geruimd. Dezelfde fout maakte de spreker ook in zijn overigens heldere, korte artikel over Spinoza in Filosofie Magazine (4/2011, p. 26-27).

‘Een Spinozawandeling zou leuk zijn’, merkte Eskens op, schrijver van een Filosofische Reisgids waarvoor hij een paar keer reclame maakte. Wel, aan zo’n wandeling kun je al sinds enkele jaren onder leiding van Jossi Efrat deelnemen!
En passant zouden we dan volgens Eskens een blik in de Gevangenpoort kunnen werpen, waar Coornhert (zie afb. rechts) gevangen heeft gezeten. Ervaring leert mij, als Coornhertliefhebber, dat dit vergeefse moeite is; je moet als je een blik wil werpen op de ruimte waarin Coornhert zat, onverbiddelijk de hele excursie volgen…

Rol Koninklijke Bibliotheek
Eskens besloot zijn inleiding met een kreet die mij uit het hart is gegrepen: Spinoza letterlijk op de kaart van, in zijn geval Den Haag zetten, kan niet zonder een actieve inbreng van de Koninklijke Bibliotheek, de gastheer van deze middag. Zoiets geldt überhaupt voor de noodzakelijke transitie en transformatieslag die bibliotheken zouden moeten maken om te overleven, maar dit terzijde.

In dit verband is het belangrijk op te merken dat op 7 juli jl. in de Openbare Bibliotheek Amsterdam werd aangekondigd, dat men daar voornemens is een speciale Spinozabibliotheek onder te brengen. En dat mag van mij, in het verlengde van de voorgaande opmerking, best ietsje meer zijn dan een traditionele bibliotheek, en iets soortgelijks als de Erasmuszaal in de Bibliotheek Rotterdam, waar ik me eens een middag heb ondergedompeld.
‘Leuke anekdotes, die willen we horen’ aldus Eskens. Maar daarbij hoeft het wat mij betreft niet te blijven.