Eric W. Ockeloen – Geluk kun je leren

Geluk kun je leren : filosofie van het neomoralisme / Eric W. Ockeloen. – 1e druk. – [Amsterdam] :
bravenewbooks.nl, [2016]. – 287 pagina’s ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-02-15678-2

Er bestaan veel visies op ‘geluk’. De gedragsfilosoof Eric W. Ockeloen bespreekt in zijn
in eigen beheer uitgegeven debuut geluk als een vorm van gelukzaligheid, die je kunt leren. Hij doet dit vanuit de door hemzelf ontwikkelde filosofie van het Neomoralisme: de samenhang tussen gedrag op velerlei domeinen die antwoorden biedt op
levensvragen. Hij stelt compassie, (zelf)respect, empathie, mededogen, onbaatzuchtigheid, zorgzaamheid en plezier tegenover opportunisme,
onwelvoeglijkheden, hedonisme en egocentrisme. Daarbij baseert hij zich op causale
verbanden tussen verschillende disciplines op grond van zijn eigen levensloopervaring.
Dit levert een wat onevenwichtige caleidoscoop aan informatie op, waarbij je op
sommige punten meer diepgang zou wensen en op andere punten enige beperkingen.
Hiermee schiet de auteur zijn doel, gereedschappen aan te reiken om jezelf te
ontwikkelen, voorbij.

COp. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De vreugde van het inzicht

Op driekwart van het boek Spinoza en de vreugde van het inzicht beschrijft Kees Schuyt de ruwweg twee tegengestelde lezingen van Spinoza in het algemeen en diens Ethica in het bijzonder: ‘Een naturalistische (lees: natuurwetenschappelijke) interpretatie versus een emanciperend-bevrijdende interpretatie, die vanuit een modern-humane mensvisie het zelfbepalende individu centraal stelt.’
Schuyts denken zou je onder de tweede manier van lezen kunnen scharen, wat hij verderop omschrijft als ‘een bevrijdingsfilosofie, die mensen kan leren welgezind en soms zelfs met vreugde van het leven te genieten.’ Hij schrijft over inzicht dat richting geeft ‘aan ons eigen actieve handelen’  en ‘als richtsnoer voor de inrichting van de samenleving en een democratische staatsvorm.’

Tegenover deze heldere, compacte omschrijvingen staan soms woordkeuzes die hiermee in strijd zijn, of op z’n minst een andere achtergrond verraden. Niet zozeer van de auteur, maar in algemene zin, zoals: ‘goede werken’ voor ‘actief handelen’, wat eerder rooms-katholiek overkomt, terwijl de ‘twee gedaanten waarin God/Natuur voorkomt (naturans en naturata) haast de triniteitsleer van de kerk nadert. Dit kan in beide gevallen bij de monist en de met het joodse denken vertrouwde Spinoza niet de bedoeling zijn.

Daar staan gelukkig ook de vele passages tegenover die het als moeilijk te kenschetsen denken van Spinoza verhelderen. Kort en krachtig, als gezegd, zoals: ‘Het wezen van de mens is in redelijkheid streven naar eenwording met God. Het middel daartoe is kennisverwerving’ of: ‘Het hóógste goed, dat bestaat in de vereniging van de ziel met God en van de mens met God. Door kennis de allerhoogste liefde bereiken; dat is de liefde voor God, die eeuwig en onvergankelijk is. Is men tot dit inzicht gekomen, dan ervaart men gelukzaligheid, dan wordt men een fundamentele instemming met het bestaan.’ En: ‘vrijheid (…) wordt gevoed door karaktervorming en uitgedrukt in een bepaalde wijze van leven of in een levenshouding.’

Gelukkig neemt Schuyt mijns inziens afstand van de opvatting dat Spinoza een determinist was in de huidige betekenis van het woord en de vrije wil geheel ontkende. Zelfs dat hij het beter zou hebben geweten dan huidige hersenwetenschappers als Swaab met zijn boek De vrije wil bestaat niet. Of, zoals Schuyt het zelf verwoordt: ‘Mensen [hebben] de mogelijkheid tot een bepáálde mate van vrijheid, vrijheid als zelfbepaling, specifiek verbonden met de richtlijnen van rede en redelijkheid, leren inzien en daarnaar proberen te leven.’ Dit geldt volgens Schuyt alleen voor mensen, want noodzakelijk leven volgens de eigen natuur gaat alleen op voor God/Natuur (brief aan Schuller, oktober 1674).
Schuyt geeft terecht aan dat Spinoza’s idee van het zogenaamde parallellisme tussen stof en geest (liever: de twee gelijktijdig rollende kanten van een muntstuk) in de neurologie en neurofilosofie inmiddels achterhaald zijn beschouwd.

De auteur van dit boek was voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, in welke hoedanigheid ik hem een keer heb ontmoet en gesproken. Op het terrein van Spinoza is hij een liefhebber in de goede zin van het woord; de vreugde van het inzicht spat soms van de pagina’s af, bijvoorbeeld in een omschrijving naar aanleiding van het derde deel van de Ethica: ‘Heerlijk om te lezen’ of van het vierde deel: ‘Een genot om te lezen.’
Elders beschrijft Schuyt hoe bij Spinoza is uitgekomen: een boek van Terrence des Pres over de rol die de conatus (in de vertaling van Spruyt een ‘dynamisch, evenwicht zoekend ontwikkelingsbeginsel’) ‘speelde bij het overleven in de werkkampen van de Sovjet-Unie en in de concentratiekampen van nazi-Duitsland.’ Hiermee nuanceert hij tevens het conatus-begrip, omdat Spinoza de hoop die overlevenden beschreef juist wantrouwde, en daar troost voor in de plaats stelde.

Dit maakt zijn boek tot een sympathieke en geëngageerde studie. Een enkele keer met dermate lange, ingewikkelde zinnen die je een paar keer moet lezen om te begrijpen wat de schrijver bedoelt, zoals: ‘Deze tegenstellingen worden nu met een uitdrukkelijker doel beschreven en geanalyseerd, namelijk om te laten zien, enerzijds ….’ enz. enz. Ook de structuur had mijns inziens wat strakker gekund.
Een voorbeeld van zo’n sympathiek overkomende en geëngageerde passage betreft die waarin de auteur afstand neemt van de hedendaagse, relativistische uitleg van goed en kwaad. Schuyt stelt dat natuurlijk kwaad (een aardbeving) dicht bij moreel kwaad kan liggen (oliewinning die willens en wetens plaatsvindt).

Het boek is geen hagiografie, wat blijkt uit een zinsnede over de Politieke Verhandeling: ‘Onder de uitvoerige en regelmatig saaie bespreking van de aristocratische staatsvorm dreigt eveneens de hoofdboodschap verloren te gaan’, al zou een goede redacteur behalve de ingewikkelde zinnen eenvoudiger maken ook hier goed werk hebben kunnen verrichten door het overbodig overkomende woordje ‘eveneens’ te schrappen. Hoezo: eveneens?
Ook uit Schuyt kritiek op het essentialistische denken van de zeventiende eeuw: ‘Spinoza leidt de essentie van “de” vrouw af uit de natuur, maar in feite volgde hij de heersende sociale gewoonten en gebruiken van zijn tijd’, wat hij niet als een excuus ervaart.
Uit zijn (persoonlijke) conclusies blijkt dat Schuyt kanttekeningen bij zowel Spinoza’s denken als de receptie daarvan niet schuwt, die hij soms als hij ‘te rigide, te stellig of te dogmatisch’ ervaart.

Dit boek is uitermate geschikt voor zowel lezers die willen kennismaken met Spinoza’s denken als voor lezers die daarmee al wat vertrouwd zijn, voor wat Schuyt de ‘conversation of mankind’ noemt. Wat tevens inhoudt dat hij ook heel wat kritiek te verduren zal krijgen …

Kees Schuyt: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Uitgeverij Balans, Amsterdam (2017), ISBN 978 94 600 34060, € 34,95

Commentaar op deze blog is te vinden op: http://bdespinoza.blogspot.nl/2017/07/els-van-swol-besprak-kees-schuyts-boek.html#comment-form

De naaste aan tafel

Katerina Belkina_Late SupperDeze foto van Katerina Belkina heet Late Supper – maar één letter verschil met Last Supper. Maaltijd en laatste avondmaal. De titel geeft meer dan de iconologie aanleiding om beide, maaltijd en laatste avondmaal, in elkaars verlengde te zien. Net als in het gedicht De disgenoten van Ida Gerhardt:

 

Het simpele gerei,
het brood, dat is gesneden,
de stilte, de gebeden –
Want de avond is nabij.

Uit tranen en uit pijn
dit samenzijn verkregen:
bij sober brood de zegen
twee in ùw naam te zijn.

Waar aan de witte dis
uw teken wordt beleden
verschijnt Gij – : ‘ zij vrede.’
gij Brood – gij Wijn – gij Vis.

De sfeer die van de foto uitgaat, is er inderdaad één van vrede, van gemoedsrust ook. Het zijn beide handen die het hem doen; net niet helemaal gevouwen, als in een gebed, maar rustend op de houten tafel. Het is geen gemoedsrust in de stoïcijnse, voor alles passieve betekenis van het woord (apatheia), maar in de manier waarop Spinoza het woord opvatte: als een activiteit mede. Nog even en de handen gaan over in ofwel een gebedshouding, of in het breken van het brood. De tafel is bereid.

Het is zoals de Belgische kunstenaar Jan Fabre het in een interview voor Canvas omschreef, namelijk dat hij alleen maar vanuit ‘gelukzaligheid’ (bij Spinoza synoniem voor gemoedsrust) kan werken, communiceren en medewerkers inspireren. Alleen maar uit gelukzaligheid kunnen eten en drinken kan niet als je er geen weet van hebt dat je hand in de wereld méér te doen geeft dan alleen dat. In de opdracht het brood voor elkaar te breken.

Aan deze tafel is geen disgenoot zichtbaar. Maar er ligt wel een vork, dat simpele gerei,  klaar – om het aloude joodse verhaal over het verschil tussen hemel en hel bewaarheid te laten worden. In de hel zitten mensen met gestrekte armen die niet kunnen buigen. Zij kunnen het eten zo niet naar hun mond brengen. In de hemel zitten weliswaar ook mensen met gestrekte armen, maar zij worden geholpen door degene die naast hen zit. Het woord ‘naast’ krijgt zo een diepere betekenis, gelijk de maaltijd op deze foto in Gallerie Zakirova (Heusden aan de Maas).

De vooorjaarstentoonstelling in deze gallerie, ter begeleiding van Bachs Matthäus Passion, is tot en met 27 maart 2016 te bezichtigen. 

www.Zakirova.com