Een lieu de mémoire in Amsterdam

Mijn moeder woonde tijdens de oorlog met dat deel van haar familie die nog niet uit huis was (haar vader overleed in 1942) in een woning pal bij het Amsterdamse Museumplein, waar toen, – en ook nog geruime tijd na de oorlog -, vier bunkers van de Duitse bezetters stonden. In het gebouw waar nu het Amerikaanse consulaat is gehuisvest, woonde Hans Böhmker, vertegenwoordiger van rijkscommissaris Seyss Inquart.
Geen leuke buurt en ook nog eens het uitzicht van Etty Hillesum gedurende 1941-1943 vanuit haar kamer aan de andere kant van het huizenblok waar mijn grootouders woonden, aan de Gabriël Metsustraat, gescheiden door een grote binnentuin. Ze hebben de achterkant van het huis (Hillesums kamer lag aan de voorkant) kunnen zien.

Dat huis, een lieu de mémoire, dreigt nu te worden gesloopt. Het uitzicht is nu anders. Er staat een monument voor alle omgekomen Sinti en Roma in de Tweede Wereldoorlog en een voor de vrouwen van Ravensbrück. Ze zijn in gedachten met elkaar verbonden, die monumenten en het huis waar Hillesum woonde.
De nieuwe appartementen die op deze gewilde locatie ongetwijfeld zullen worden gebouwd, zullen ondanks die context vast gretig aftrek vinden; er zijn nog steeds genoeg mensen die ze kunnen betalen, maar dat is een ander verhaal.

Als ik uit de tram naar het Concertgebouw stap, werp ik altijd een blik op het huis waar Hillesum woonde of ga, als het mooi weer is, even op het bankje er tegenover zitten. Er is een schildje aan de muur bevestigd waarop staat dat ze er woonde. Het is tastbaar. Dat gebeurt nu even niet, gedurende coronatijd, maar het moet het zo blijven: kunnen zien waar zij haar Dagboeken schreef, waar ze leefde.

Er komen nog steeds veel uitgaven op de markt naar aanleiding van wat Etty Hillesum aan het papier toevertrouwde; een paar daarvan heb ik gerecenseerd voor NBD Biblion en zijn onder dat tabblad op deze blog terug te vinden. Er verschijnen ook nog steeds gedichten naar aanleiding van haar werk, zoals onlangs een van René van Loenen op muziek van Marijn Slappendel, waarin regels staan als:

Je liet je niet verleiden
tot vijandschap of haat.
Je zocht in kille tijden
de mens achter het kwaad,
een sprankje waardigheid,
een klein begin van spijt.

Het zijn woorden die veel mensen inspireren en het zou een onbegrijpelijke daad zijn als het huis waarin zij leefde en haar geest hangt tegen de grond gaat. Daarom heb ik de petitie om hiertegen te ageren getekend. En ik kreeg er verschillende reacties op.

De fractievoorzitter van het CDA van Stadsdeel Zuid was het met mij eens en ging zelfs een stap verder, die ook al even door mij heen was gegaan, maar weer verworpen: ‘Wij bekijken de mogelijkheden om hier een museum te vestigen over het leven en werk van Ettty Hillesum’.
De voorzitter van het Stadsdeel Zuid verwees mij naar https://www.amsterdam.nl/nieuws-oud-zuid/start-procedure-aanwijzing-monument/

(Aanvulling 20 mei 2020: zie een recent artikel in het Parool over de stand van zaken: https://www.parool.nl/amsterdam/huis-etty-hillesum-voorlopig-gered-van-sloop~b6350988/)

Dat kennen we …

Een van mijn bibliotheekstages deed ik jaren en jaren geleden bij een faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Een van de hoogleraren die – hoe opmerkelijk! – af en toe een praatje met mij maakte, was een hoogleraar ethiek. Van de bibliothecaris had ik al eens gehoord, dat hij vond dat de Verkeerswet in de collectie moest worden opgenomen, want dat was óók ethiek: geen voorrang nemen maar voorrang verlenen. Sindsdien bedank ik elke weggebruiker die mij voorlang verleent met een opgestoken hand. Een klein kind op een fietsje deed het me onlangs exact na. Een komisch gezicht.

Een soortgelijke situatie doet zich nu tijdens de coronacrisis voor. En hoe anders wordt daar door iedereen op gereageerd. Ik bedoel met name hoe concertzalen, schouwburgen en bioscopen met de restitutie van al gekochte entreekaartjes omgaan. Dat verschilt enorm. De meeste houden zich aan het op 9 april jl. gepresenteerde ‘Bewaar je ticket, geniet later’, waarin ook is opgenomen dat als je op een verschoven datum niet kunt, er twee opties zijn: of je doneert je geld of je krijgt het terug.

Niet iedereen haakt aan bij dit initiatief. Van een bioscoop kreeg ik zonder meer mijn geld teruggestort. Was geen twijfel over mogelijk, en de Nationale Opera en Ballet kwam met zelfs vijf opties: doneren van het volledige bedrag, of een deel ervan, het geld laten omzetten in een tegoedbon (voucher), het laten verrekenen met een abonnement voor komend seizoen of het laten restitueren.

Maar de mail waarmee onlangs een kleine zaal kwam, schoot mij in het verkeerde keelgat. Waarom? Omdat het me deed denken aan die voorrangsregels: je krijgt voorrang, je neemt het niet. Maar ik krijg helemaal niets, ze lijken alles te gaan nemen. Lees maar:

‘We moeten er definitief van uitgaan dat alle in dit seizoen geplande voorstellingen naar het nieuwe seizoen verplaatst worden. Per voorstelling krijgt iedereen die kaartjes gekocht had bericht met daarin de nieuwe datum. In principe zullen alle voorstellingen in het seizoen 2020/2021 alsnog gespeeld worden en daarom worden de betalingen niet gerestitueerd. In het nieuwe seizoen hopen we vooralsnog eind augustus weer gewoon open te kunnen gaan, wellicht met wat veiligheidsvoorzieningen maar wel met hetzelfde aantal stoelen.’

Zo die zit. Ik snap de moeilijke positie van alle theaters, ook – en misschien vooral – van kleintjes, met hun minimale personeelsbezetting. Immers: elders in het land is er al een omgevallen. Maar dit, nee dat kan echt niet.

Ik ben benieuwd naar wat [vet van mij] die veiligheidsvoorzieningen zullen behelzen. Enkele strepen op de vloer om een route door de smalle, monumentale gang aan te geven? Stoplichten in die gang? Een plastic spatscherm bij de koffiecounter/kassa? Geen cash aannemen, wat eigenlijk al overal is geaccepteerd? Maar opgepakt zitten in een kleine zaal met ruim honderd stoelen, zonder ruimte ertussen, is voor iemand die tot de kwetsbare bevolkingsgroepen behoort verre van een fijn en veilig vooruitzicht. Los van het feit of het maar de vraag is of hiermee geen regels van de regering en de RIVM overtreden gaan worden en of ik op die nieuwe datum kan, ziet het ernaar uit dat ik mijn geld linksom of rechtsom kwijt ben. Want zo voelt het; niet als een minimale donatie die ik vooral de optredende kunstenaars overigens graag had gegund, maar als iets wat niet zo netjes is: graaien in mijn portemonnee zonder daar toestemming voor te vragen. Het gebaar daarvoor kennen we inmiddels maar al te goed.

Misschien – laat ik me tenslotte nog van een mildere kant zien – moeten we dit mailtje lezen vanuit een woede van de directie van het zaaltje richting WVC; een minister die in het televisieprogramma M zit te glunderen en te popelen tot ze het woord mag nemen om, eh, een al even minimale toezegging te kunnen uitspreken, maar eigenlijk de kaalslag die onder Halbe Zijlstra is ingezet afmaakt als je eerlijk bent. Geld dat misschien niet eens bij zo’n ongesubsidieerd zaaltje als dit terecht komt. Misschien wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Laten we ’t hopen. Misschien ….

 

Afbeelding bij deze blog van een mogelijke opstelling van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) in  grote bezetting (ontleend aan een mail van het KCO, 29 april 2020).Op de parterre, in de vlakke zaal van het Concertgebouw, met het publiek twee aan twee op de balkons en het podium, met telkens anderhalve meter ertussen. De vraag is dan hoe ze alleengaanden naar een concert gaan plaatsen … Carré – die ook gaat samenwerken met de Kleine Comedie en Theater Bellevue – heeft daar overigens al wel over nagedacht, en komt met wat de directeur noemt ‘solo seats’. Zo blijft er altijd wel wat te wensen over … Sterkte, zalen, met het proactief nadenken!

 

Het voelende brein

De serie jaarlijkse lezingen met nabesprekingen over Spinoza’s Ethica door de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum is inmiddels over de helft. We zijn ondertussen bij deel vijf van de Ethica aangekomen. Diezelfde Vereniging heeft op 20 februari jl. de zilveren erepenning – de hoogste onderscheiding – uitgereikt aan Spinozablogger Stan Verdult.
Beide evenementen tezamen, de eerste lezing over deel vijf van de Ethica door emeritus hoogleraar Herman De Dijn en het heugelijke feit dat Verdult de zilveren erepenning kreeg, gaven mij aanleiding tot deze blog.

Artikelen in Preludium
Om te beginnen zou je dat vijfde deel, met een gedeelte uit de ondertitel van een boek van Antonio Damasio over Spinoza, samen kunnen vatten als ‘het voelende brein’.
Die constatering van Damasio leidt mij namelijk om te beginnen naar een aantal artikelen in het tijdschrift Preludium (maart) van het Amsterdamse Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Wat niet vreemd is, omdat Verdult in zijn blog met enige regelmaat schrijft over muziek uit met name de renaissance en de barok, al dan niet gerelateerd aan Spinoza.

Het gaat om drie items. Het eerste betreft een interview door René van Peer met dirigent Alain Altingoglu. De dirigent zegt dat hij opereert ‘met een mengeling van intuïtie en kennis’ (p. 27). Het tweede item is een interview van Rahul Gandolahage met de leden van het Busch Trio. Primarius Mathieu van Bellen zegt daarin iets wat aan ons thema raakt: ‘Je hebt eigenlijk twee hoofdparameters in muziek: aan de ene kant moet je de muziek structureel begrijpen (…). Aan de andere kant moet je de muziek emotioneel begrijpen’ (p. 48). Het voelende brein dus. En het derde item tenslotte is een toelichting die Michel Khalifa schreef bij het Pianokwintet van de componist Thomas Adès. Hij schrijft daarin dat Adès ‘ernaar streeft zijn notenmateriaal zo logisch te ordenen dat subjectieve expressie en objectief vakmanschap hand in hand kunnen gaan’.

Drie kennissoorten
Los van definitiekwesties (Altingoglu zal onder intuïtie wellicht iets anders verstaan dan Spinoza), valt in alle drie de stukken in Preludium op, dat er sprake is van ‘mengeling’, ‘aan de ene en de andere kant’ en ‘hand in hand gaan’. In die mengeling gaan de drie kennissoorten die Spinoza benoemt (verbeelding, ratio en intuïtie) hand in hand, en is er dus sprake van wat De Dijn een soort parallellisme noemt. Of zoals Piet Steenbakkers tijdens zijn lezing over het derde deel van Spinoza’s Ethica zei: ‘kennis wordt een affect’. De Dijn meent dat stelling 20 uit het vijfde deel van Spinoza’s Ethica door Nico van Suchtelen verkeerd is vertaald. Daar, in het deel waarin intuïtie en amor intellectualis Dei (verstandelijke liefde jegens God) de hoofdtoon voeren, lezen we:

Deze liefde jegens God kan noch door nijd, noch door ijverzucht worden ontwijd, maar  zij wordt juist des te sterker, hoe méér mensen wij ons ons onder éénzelfde band van Liefde met God verbonden denken.

Volgens De Dijn zou je hier op grond van het Latijn ‘verbeelden’ moeten lezen. Ze hangen aan elkaar, aldus De Dijn. Hij zoekt zijn ‘bewijslast’ vaak in gedichten, onder andere in die van Leo Vroman; Stan Verdult blogde erover (zie link onderaan deze blog). Ik deed dat overigens onlangs ook, met enkele regels uit een gedicht van Maud Vanhauwaert.

Intellect en intuïtie
Maar ik zoek het, net als Verdult, ook graag in muziek. De drie artikelen in Preludium wezen mij de weg. En – als toegift – een recensie van de CD Double Solo van pianist Stevko Busch en altsaxofonist Paul van Kemenade (in: Trouw, 28 februari 2020) door Mischa Andriessen, onder de kop ‘Een combinatie van intellect en intuïtie’. Niet ‘Duo’ maar ‘Double Solo’. De twee musici doen allebei, zoals De Dijn het wellicht zou noemen, adequaat en in samenspraak ‘hun ding’.
Elke keer als ze optreden weer anders, want dat is niet alleen inherent aan jazzmuziek, maar aan elke goede uitvoering van welke muziek dan ook. Zoals De Dijn ook weer elke keer iets nieuws in de Ethica vindt. Ook nu maakte hij ons daar deelgenoot van.

Vooruitblik
De laatste lezing dit jaar wordt volgende week zaterdag gegeven door Paul Juffermans [vervalt i.v.m. maatregelen t.a.v. het coronavirus]. Hij zou het tweede gedeelte van het vijfde deel uit de Ethica behandelen en onder meer over het begrip eeuwigheid bij Spinoza spreken.
Herman De Dijn gaf daar al een voorzetje van. Eeuwigheid, definieerde hij, is een perspectief in de tijd. Ik veerde daarom op, toen ik zondag 1 maart tijdens het televisieprogramma Podium Witteman de IJslandse pianist Vikingur Ólafsson Le rappel des oiseaux (1728) van Jean-Ph. Rameau hoorde spelen, met zijn kenmerkende rusten. Ter toelichting daarop zei hij, dat de tijd daarin stopt. Ja – even voel je daar de eeuwigheid zoals Spinoza dat wellicht bedoelde. In het hier en nu.

 

http://blog.despinoza.nl/log/leo-vroman-spinozistisch-dichter.html

Le rappel des oiseaux van Rameau, gespeeld door Matthias Havinga op het Ahrendorgel in de Bovenkerk van Kampen: https://www.youtube.com/watch?v=pTwSt4prp9M

Alle goede dingen bestaan in drieën

Je moet maar durven: bijna anderhalf uur achter elkaar, zonder pauze, geconcentreerd afwisselend op een moderne- en een barokviool met darmsnaren louter onbekende solostukken uit heden en verleden spelen. Met nog een toegift na. Isabelle Faust deed het gisteravond in een verre van volle Kleine Zaal in het Amsterdamse Concertgebouw. Een concert voor fijnproevers dus.

Ik begin met de toegift. Want nadat deze meestervioliste zonder allures al alles had gegeven wat ze muzikaal en technisch in huis heeft (en dat is al zoveel!), bestond ze het in drie kleine stukjes van de Italiaanse barokcomponist Platti nog wat toe te voegen: stokvibrato.
Dat technische kunnen liep uiteen van ‘normale’ flageoletten en glissandi, dubbelgrepen en pizzicati, dicht bij de kam strijken (Rochberg), tot gelijktijdig spelen en zingen, het zowel met de rechter- als de linkerhand plukken aan de snaren en het met een pen in de rechterhand tussen die snaren bewegen om zo een tremolo-achtig effect te bewerkstelligen (Holliger). En laten we wel zijn: niet uit effectbejag, maar er technisch volslagen boven staand om zo de muziek optimaal over het voetlicht te brengen.

Die muziek begon met verschillende delen uit composities als de Caprice Variations van George Rochberg (1918-2005) en de Amusements op. 18 van Louis-Gabriel Guillemain (1705-1770), ging over naar drie driedelige werken van Heinz Holliger (1939), dat was opgedragen aan Isabelle Faust, Joh. Georg Pisendel (1697-1755) en George Benjamin (1960), om te eindigen met de Passacaglia in g C 105 van Heinrich Ignaz Franz von Biber (1644-1704). En die driedelige toegift dus.

In interviews had de violiste erop gewezen, dat ‘de oude stukken opeens veel moderner klinken en de eigentijdse werken juist minder modern aandoen’. Dat was zeker het geval. In het Vivace uit de cyclus van Rochberg, klonken de herhalingen bijvoorbeeld anders, door het toepassen van een andere frasering, zoals we ook uit de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk van barokmuziek kennen. En het volgende deeltje, een Molto adagio, klonk als een tweestemmige meditatie die ook, althans qua sfeer, zo uit de barokmuziek kon zijn weggelopen. Alleen is het daar dan vaak – zoals in de stukjes van Guillemain – om een quasi tweestemmig contrapunt te suggereren.

Maar er gebeurde nog iets. In de programmatoelichting was er ten aanzien van Guillemain al op gewezen, dat hij variaties schreef op bekende volksmelodieën. Faust had er duidelijk lol in, maar die volksliedachtige muziek kwam ook in de veel serieuzere Drei kleine Szenen van de Zwitserse hoboïst/dirigent/componist Heinz Holliger (1939) terug. Drie stukjes die hij schreef na de dood van zijn vrouw. Met name in het laatste deel, een Musette funèbre, waarin een drone (aanhoudende toon als van een doedelzak) wegstierf.
Er was ook méér dat de gespeelde werken op formeel niveau verbond: een Allegro molto naar Weberns Passacaglia op. 1 (Rochberg), een Ciacconina (Holliger) en de Passacaglia van Von Biber.

Uit dit alles samen kan zonder moeite worden geconcludeerd, dat Faust er diep over had nagedacht hoe ze zo’n uitdagend programma vorm moest geven. Zo ontstond er een spanningsboog waarop je op scherp stond of verstild in je stoel zat. Mooi is dat.
Het laatste concert dat de violiste in de driedelige serie Spotlight zal spelen, is op 1 mei a.s.. Met een programma rond Schönbergs Verklärte Nacht. Ook niet te versmaden.

Te groot voor een sterveling

Twee blogs naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek, De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van Maxim Februari. Enkele dagen later werd bekend dat aan hem de C.C.S. Croneprijs werd toegekend voor zijn oeuvre, en een week later dat hij de P.C. Hooftprijs 2020 zal ontvangen.
Ik volg de gang van Februari’s lezing en blijf bij enkele opmerkingen die mij raakten stilstaan.

Deze eerste keer bij Fay Weldons Letters to Alice, een boek waar Februari zich wel vaker over uitspreekt. Weldon heeft het over wat Februari ‘de ziel van het boek’ noemt: erotische bedwelming, angst en beven. Dat is waarom veel schrijvers niet lezen of lezen voor zich uit schuiven: het is te groot. We mogen volgens Februari immers niet vergeten, dat de roman één van de grootste ontdekkingen van de mensheid is, net als de symfonie.

Ik herken die angst ook – een logisch bruggetje – in mijn muziekbeleving. Toen ik tijdens mijn studie in Amsterdam met een vriendin op kamers woonde, luisterden we af en toe, samen of afzonderlijk, naar de weinige grammofoonplaten die we hadden meegenomen. Eén van haar was de Sinfonia concertante in Es gr.t. KV 364 van Wolfgang Amadeus Mozart (1779).
Ik hoorde het stuk niet graag en het was die opmerking van Weldon/Februari die me op het spoor zette van het waarom.

Een opmerking die in dezelfde week, op donderdag 12 december door een rechtstreekse uitzending vanuit het Amsterdamse Concertgebouw (door Mezzo) werd bevestigd. Het waren de geweldige solisten, violiste Isabelle Faust en altvioliste Tabea Zimmermann met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van de door mij zeer geliefde dirigent Iván Fischer die de Sinfonia concertante speelden.
Met een ongekende diepgang en retorische accenten, geweldig begeleid door een orkest waarvan de leden op het puntje van hun stoel zaten, net als ik voor de buis.

Clemens Romijn schreef in Preludium, het muziekmagazine van Het Concertgebouw en het Concertgebouworkest, in een toelichting: ‘De gebruikelijke zonnige sfeer van het genre ademt het werk niet. Het Andante in c klein doet zelfs bijzonder droef en klaaglijk aan’. Dat hij daarbij er toch biografische achtergronden bij haalt, doet aan deze constatering niets af. Het werk was voor een adolescent op kamers gewoon te groots, dat is mijn conclusie die nu telt.

Dit is, zoveel jaren later anders en de grootste uitvoering, door ‘twee verschillende zielen, de viool en de altviool’ (Fischer in een pauze-interview), van een dialoog pur sang is niet langer iets om nog angst voor te hebben, maar dat je zoiets groots toch niet al te vaak moet horen (of lezen), is iets dat ik Weldon na moet geven. Daar is een mens nu eenmaal niet tegen bestand.

Judas Maccabaeus van Händel in NTR Zaterdagmatinee

Het was een rake keuze voor het tweede concert in de serie Groot Omroepkoor & Friends van de NTR Zaterdagmatinee: Judas Maccabaeus (1746) van Georg Friedrich Händel. Immers: het oratorium eindigt met het lichtfeest, de verovering en reiniging van de Tempel (164 voor de gewone jaartelling), Chanoeka, dat dit jaar valt op 22 tot en met 29 december. Op de christelijke kalender is dat vierde Advent en Kerstmis.

Het begon ook (zo) mooi: de uitvoering ervan door Capella Cracoviensis onder leiding van Jan Tomasz Adamus. Een mooi ingetogen gespeelde ouverture met de voor de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk karakteristieke ‘buikjes’ (zwellinkjes), gevolgd door een prachtige koorinzet: ‘Mourn’. Omfloerst gezongen haast.

Maar Adamus kon dit verwachtingsvolle begin, zeker voor de pauze, niet helemaal volhouden en waarmaken. Als het al zijn bedoeling was het geheel op te bouwen, dan werd hij in ieder geval na de pauze geholpen door Händels muziek zelf.

Eerst het eerste bedrijf, waarin overigens genoeg viel te genieten. Bijvoorbeeld van de uitgebreide continuo-bezetting die met veel fantasie werd ingevuld: theorbe, klavecimbel, kistorgel en cello. Neem de gebroken akkoorden op het moment dat er sprake is van het uitblazen van de laatste adem, of de afwisseling tussen vrijheid (verklankt door orgel) en vrede (klavecimbel).

Dan valt op, dat op momenten dat je ’t wel zou verwachten, er – met uitzondering van de krachtige tenor Joshua Ellicott – toch wel erg weinig pit in zat en dat de dirigent weinig communiceerde met de solisten, waarvan er één nota bene, de bas Sebastian Szumski, een al even krachtige invaller was voor de ziek geworden Peter Harvey, er in zijn aria ‘With pious hearts’ duidelijk en tevergeefs op aanstuurde. Adamus gaf geen thuis.

Met deze aria zijn we al in het tweede bedrijf beland, waarin opviel dat de over de gehele linie puike solisten rijker werden in de wijze waarop ze overigens spaarzame, stijlvolle versieringen aanbrachten. Het betrof naast de al genoemde tenor en bas de sopraan Rebecca Bottone en de mezzosopraan Marta Wryk.
Ook de instrumentatie was in het tweede en derde bedrijf rijker: traverso’s, hoorns, trompetten en pauken. Het koor (‘Ah! Wretched Israel’) leek ook (nog) meer op dreef en ingezongen, zonder de paar vreemde uithalen die soms in het eerste bedrijf uit de toon vielen.

Al met al een wat wisselvallige uitvoering met prachtige momenten die ik niet licht zal vergeten.

‘Het was hilarisch’

Volgens mijn radio- en televisiegids zendt Stingray Classica NL aanstaande zaterdagavond om 20.30 uur een concert uit onder leiding van dirigent Mikko Franck (1979, Tallinn). Over deze dirigent van l’Orchestre Philharmonique de Radio France schreef ik in zomer 2003 een stukje in Wervelingen, dat ik hier naar aanleiding hiervan met toestemming en enigszins aangevuld herplaats.

                ’t Is nu [bijna] zestig jaren
dat uit d’hemels kwam gevaren
eene ziele wijs en vrom
in een lichaam scheef en krom.
Deze ziele was een’ ziele,
die van boven tot aan d’hiele,
heel uw corpus heeft (vervuld,
zelfs uw allerscheefste bult).
Want het zijn uw’ zielekrachten
omdat [hun] veel plaatse ontbrak.
G’hebt bijna nu zestig jaren
met den knobbel rond gevaren
in uw kerk en in uw kluis
als een slekke met haar huis.

Dat is een gedeelte van een spotdicht dat wonderbaarlijk genoeg uit dezelfde pen komt (en over dezelfde lichamelijke misvormde seminarieknecht gaat!) als

                Welzalig is de sterveling,
die nooit in kwade wegen ging,
maar die zijn leven, dag en nacht,
Gods wet bewaard en heeft betracht.

Uiteraard, maar helaas, heeft Guilielmus het laatste gedicht van Guido Gezelle nooit gelezen , maar is het eerste, dat volgens Gezelle’s biograaf Michel van der Plat ‘een wrede indruk maakt’, hem wellicht wel onder ogen gekomen.

Een heel gedicht ophangen aan Guilielmus ‘scheeve romp’ en ‘dikke kromme bult’ doet denken aan een verslag van een concert dat Kasper Jansen schreef voor NRC Handelsblad. Een verslag van een concert door het Australian Youth Orchestra onder leiding van Mikko Franck, die overigens geen ‘dikke kromme bult’ heeft. ‘Mikko Franck’, schrijft Jansen, ‘is in ruime mate voorzien van het omvangrijke ego dat veel dirigenten kenmerkt’. Oké, het kan verkeren. ‘Hij wist al heel jong dat hij wilde dirigeren en dat doet hij nu ook (…). Franck lijkt daarvoor nauwelijks geschikt. Hij is niet alleen klein van stuk, maar ook zijn gestel werkt niet mee. Zijn rug is zwak en dat is kennelijk niet het enige.’ Jansen vervolgt met een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop Franck de trap in het Amsterdamse Concertgebouw afdaalde, zittend dirigeert en af en toe overeind komt.  ‘Het was hilarisch’, concludeert hij.

Er zijn meer dirigenten die ‘wandelingetjes naar de rechterkant van de lessenaar maken’, maar dat wordt in een recensie meestal niet eens (meer) vermeld. Eventjes lijkt het stuk van Jansen een recensie te worden, wanneer hij ingaat op de gespeelde werken, maar hij kan het toch niet laten en besluit met de volgende zinnen: ‘Ook op zijn dirigeerstoel voelde Franck zich niet lekker. Hij moest telkens weer zijn rug rechten, zijn haar ordenen en verzitten. Geen wonder dat Franck zo blij was dat het was afgelopen’.

Wie op internet naar andere recensies van optredens van Franck zoekt, komt onder andere terecht bij Culturekiosque (http://www.culturekiosque.com/klassik/features/orchestraconductors.html).  Het is de beruchte, vlijmscherpe Norman Lebrecht die hier enkele zinnen aan ‘jonge dirigenten’ wijdt. Hij vermeldt ook in één zin en één moeite door Francks slechte rug en grote ego, maar gaat vervolgens in op diens eerste compact discs en benoeming tot dirigent van het Orchestre National de Belgique. Francks optredens in België zullen moeten bewijzen of Franck zich niet teveel pretendeert. Dat is inmiddels het geval; zie de agenda van Franck voor de komende tijd (link onderaan).

Inmiddels wist Vesa Sirén in dezelfde tijd (ca. 2003) op de site Virtual Finland te melden dat Franck als ‘één van de meest beloftevolle jonge dirigenten’ werd beschouwd ‘sinds de doorbraak van Simon Rattle’. Dááraan is het te danken dat Franck dat jaar zijn debuut maakte bij de Berliner Philharmoniker en het jaar daarna bij de New York Philharmonic en daar inmiddels ook vaak is teruggevraagd. Inmiddels heeft hij onder meer de Zesde symfonie van Tsjaikovsky op cd gezet. De symfonie die hem, volgens Sirén, troost én oefenstof bood als hij als kind weer eens een periode in het ziekenhuis lag. Hier lag het begin voor het klinkend resultaat dat telt. En daar ging Kasper Jansen jammer genoeg niet of nauwelijks op in.

Ik ben daarom benieuwd naar de tv-uitzending aanstaande zaterdag met muziek van Maurice Ravel, want ik geloof niet dat Franck na het optreden in het Amsterdamse Concertgebouw en misschien ook ‘dankzij’ de recensie van Jansen nadien nog in Nederland te horen is geweest, maar des te meer in het buitenland.

 

https://bachtrack.com/find-concerts/performer=mikko-franck

Alles klopte

Alles klopte. Punt. Daarmee zou ik kunnen volstaan wat betreft het concert dat violiste Isabelle van Keulen (foto links, Nikolaj Lund) en pianist Ronald Brautigam (foto rechts, Marco Borggreve) gisteravond in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw gaven in het kader van de BankGiroLoterij Zomerconcerten, maar daar kom ik natuurlijk niet mee weg. Daarom: daar gaan we dan met een wat uitgebreidere beschrijving.

Om te beginnen de samenstelling van het programma. Voor de pauze een stuk uit de Duitse romantiek, de Eerste vioolsonate van Robert Schumann (1851) en de Eerste vioolsonate van Gabriel Fauré (1876) die in Frankrijk een eigen stijl ontwikkelde. De eerste sonate staat in a kl.t., de tweede in A gr.t. als waren Van Keulen en Brautigam bezig een eigen Wohltemperierte Clavier op te zetten, waarin dit immers ook gebeurd.
Na de pauze was eenzelfde soort opeenvolging te horen: een van de Drie mythes van de Poolse componist Karol Szymanowski (1915) en de weergaloze vioolsonate in A (!) van César Franck.

Dan natuurlijk het samenspel van de twee musici die even weergaloos was, zoals ze door de jaren heen op elkaar zijn ingespeeld en niet alleen elkaar aanvoelden, maar ook de stemmingswisselingen in de muziek weergaven en technisch boven alle moeilijkheden verheven zijn. Dan weer stevig in de snaren grijpend, zoals in het begin van Schumann, of zonder vibrato een frase spelend en aan het eind deze éven een duwtje gevend. Een ‘buikje’ zou men in de authentieke uitvoeringspraktijk zeggen. Dan weer stevig in de toetsen grijpend en dan weer een fluweelzacht toucher. Hier waren topmusici aan het werk.

Er volgde uiteraard een toegift, een delicaat stukje muziek: Mélancolie, van César Franck dat de uitverkochte zaal muisstil aanhoorde. Het Concertgebouw vermeldt dergelijke toegiften gelukkig altijd op de website. Tenslotte was er een bescheiden bosje bloemen in cellofaan plastic. Behalve dat ze wel erg bescheiden waren, kan zo’n verpakking anno 2019 eigenlijk niet meer. Toch?

Bijzonder werd soms gewoon

In Preludium, het muziekmagazine van het Concertgebouw & Koninklijk Concertgebouworkest van deze maand, staat bij een interview met hem een foto van dirigent en klavecinist William Christie afgedrukt. Hij is geheel in het zwart gekleed, inclusief het zwarte polsbandje van zijn horloge en zwarte schoenen. Maar nog nét boven die schoenen piept het rood uit van een sok.

Op verschillende momenten tijdens zijn debuut met het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) deze Palmzondag, met Bachs Johannes-Passion, moest ik aan dit détail denken; het leek wel kenmerkend voor deze uitvoering met het KCO, het Nederlands Kamerkoor en in het kielzog van Christie meegekomen vocale solisten, waarvan er slechts één, de countertenor Iestyn Davies die gaandeweg groeide, eerder met het KCO had opgetreden.

Puike solisten, daar valt verder niets op af te dingen of je zou het ook hier in de détails moeten zoeken; een Christuspartij (Alex Rosen) die in de hoogte soms wat hees klonk, een Evangelist (Reinoud Van Mechelen) die consequent Jüden zong in plaats van Juden.
Een verrassend openingskoor ook, dat je meteen op scherp zette. Niet alleen door de enorme vaart die erin zat (het hele eerste deel was met een half uurtje al bekeken …), maar door de onrust die eruit spraak die de toon zette voor wat volgde.

In mijn omschrijving klinkt al een zekere reserve door. En die had ik ook. Natuurlijk, er waren mooie contrasten als in het pak en de sokken van Christie. Bijvoorbeeld in de tenoraria ‘Ach, mein Sinn’ met de wat pathetisch zingende tenor Anthony Gregory tegenover een strak gespeelde begeleiding.
Maar soms waren die contrasten ook helemaal weg, en werd het zelfs een tikkeltje saai, zoals in het basarioso ‘Betrachte, meine Seel’’. Hier waren om wat voor reden dan ook de viole d’amore vervangen door veel minder omfloerst klinkende violen (Liviu Prunaru en Henk Rubingh). En die theorbe (Thomas Dunford), ja, die hadden we inmiddels de hele Johannes door al als onderdeel van de zwaar bezette basso continuogroep gehoord … Door de arpeggi (gebroken akkoorden) die hierop veelvuldig klonken, misten de recitatieven bovendien de strakheid die je er meer in zou willen horen. Het enige contrast kwam in genoemde arioso door de contrafagot (Maxi Vera Vera, volgens mij geen lid van het KCO).

Een contrafagot die naast de contrabas (Pierre-Emmanuel de Maistre) sterk aanwezig was. Bijvoorbeeld in de buikjes op onder meer de laatste noot (fermate) van de koralen, die na vaak behoorlijke vertragingen vóór die laatste noten, werden gezongen door het Nederlands Kamerkoor, ingestudeerd door Peter de Groot. Je moet ervan houden, van die buikjes. Mij klinken ze wat gedateerd, al zijn ze getuige enkele andere uitvoeringen van barokmuziek die ik onlangs hoorde weer helemaal terug van weggeweest.

Reserves, ja, helaas toch ook, waardoor naar mijn gevoel het bijzondere dat de Johannes-Passion onder meer qua bezetting aankleeft tot iets meer gewoons werd gemaakt. In plaats van andersom, wat je theologisch toch eigenlijk meer zou verwachten.

Drieluik bij de zevende kruiswegstatie

Jezus valt voor de tweede maal

1.
Afgelopen week liep ik op een avond van metrostation Vijzelgracht richting Leidseplein, met als doel onderweg in The Small Museum – twee mededelingenkastjes van de voormalige Vrije Gemeente (thans Paradiso) – pen- en inkttekeningen van Paul van Dongen die deel uitmaken van Troubled Waters, Art Stations of the Cross te bekijken.

De linker verbeeldt het Oordeel (2012), de rechter het Verrijzen (2013, zie afb. links, ontleend aan de website van de kunstenaar). De eerste toont ons volgens de catalogus ‘mensen die vallen, misschien doordat hun een te zware last werd opgelegd’. Het is een choreografie ‘met naakte manfiguren die samen de val, het bestaan zonder vaste grond, de reddeloosheid uitdrukken’. Aan de rechterkant van de deur, in het andere kastje (waarin op het moment dat ik er langs liep het tl-licht overigens kapot was, wat overigens niet deerde), worden mensen getoond die ‘weer opkrabbelen, zoals ook Jezus opstond na zijn val’.

2.
In de loop van de week lees ik in Preludium, het muziekmagazine van Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO, april 2019) een dubbelinterview dat Thea Derks had met dirigent David Robertson en componist Nico Muhly, die allebei meewerken aan een nieuwe theaterproductie van Dood in Venetië naar de novelle van Thomas Mann (4, 5, 7, 8, 10, 11 en 13 april a.s. in Koninklijk Theater Carré). Robertson dirigeert het KCO, Muhly componeerde verbindende muziek.
Muhly heeft het in het interview over Charon (de veerman van de onderwereld), die ‘staat voor de dood en het afdalen naar een steeds diepere duisternis. Het is een cyclus van vierenveertig akkoorden, die steeds in een andere variatie terugkeren (…). Het is alsof je eindeloos naar beneden valt’, net als op het Oordeel van Van Dongen.

3.
Weer enkele dagen later valt mij een recensie-exemplaar toe van de essaybundel Pijnlijk mooi. Lijden en schoonheid in de christelijke kunst (uitg. Skandalon) die ik voor de website 8weekly.nl zal bespreken. Anne-Marie Bos, verbonden aan het Titus Brandsma Instituut, schreef er een bijdrage in over een kruiswegstatie van Titus Brandsma (1942). Bij de zevende statie benadrukt hij volgens haar ‘niet het “weer opstaan”, maar het “weer vallen”.’ De herhaling van de val is, als in de vierenveertig akkoorden van Muhly, de vernedering in de vernedering. Het gaat Brandsma niet, zoals bij Van Dongen, om het Verrijzen, maar over bidden, het ‘ons steeds weer bemoedigen in ogenblikken van zwakte en vlucht van het lijden’.

Toegift
Aan het eind van de week hoor ik een mooie uitleg van het slot van het Bijbelboek Genesis (Gen. 50:22-26). De rouw om de dood van in dit geval Jozef, die blijft staan, terwijl er toch de zekerheid is dat God naar Zijn volk zal omzien en het uit de ballingschap zal voeren. Zoals Van Dongen beide naast elkaar laat staan: het Oordeel en het Verrijzen, de val en de opstanding, terwijl Muhly en Brandsma het bij het vallen houden. In de wetenschap dat er nog meer komt, dat er nog meer staties volgen. Zo vervolg ook ik mijn route langs de staties die deze veertigdagentijd in Amsterdam zijn te zien.

www.thesmallmuseum.nl
http://paulvandongen.com/
www.artstations.org
www.skandalon.nl