Nieuwe collectiepresentaties en meer

Voor de website 8weekly.nl heb ik onlangs twee nieuwe collectiepresentaties bezocht en besproken, in Boijmans Van Beuningen te Rotterdam (door Carel Blotkamp) en in het Stedelijk Museum te Amsterdam (door Margriet Schavemaker naar een idee van Beatrix Ruf): http://8weekly.nl/special/collecties-opnieuw-etalage-gezet/
De eerste wil je vooral goed laten kijken, dwars door de tijd heen, en de tweede bestaat uit leermomenten en is chronologisch van opzet. Daar waar Rotterdam een grote tijd omspant (van 1300 tot nu), beperkt Amsterdam zich tot de periode vanaf 1880 tot nu. Op die manier sluiten beide presentaties onbedoeld op elkaar aan.

Het zijn niet de enige Nederlandse musea die niet lang na elkaar met nieuwe collectiepresentaties komen; voor 8weekly zal ik binnenkort de nieuwe presentaties in ‘Hof’ en ‘Hal’ (tezamen het Frans Halsmuseum in Haarlem: de centrale museumvestiging en De Hallen bij de Grote Kerk) bekijken en bespreken.
Deze afspraak is vers van de pers, of er rolt alweer een aankondiging van een nieuwe collectiepresentatie in mijn e-mailbox: van Rijksmuseum Twenthe in Enschede, ‘Ars Longa, Vita Brevis; het menselijk leven in negen episodes.’ Daar gaat men (Josien Beltman) weer anders te werk in vergelijking tot Rotterdam en Amsterdam – meer, krijg ik de indruk, een beetje zoals in Haarlem. Al staat daar uiteraard de kunst van Frans Hals en reacties daarop van hedendaagse kunstenaars centraal, en zijn het in Enschede negen kunstenaars die reageren op de totale collectie van het Rijksmuseum Twenthe, die loopt van de Gouden Eeuw tot nu.
In Twenthe gaat het – lees ik in een persbericht –‘niet om de autonomie van de kunst, maar om de betekenis van de kunst voor mensen. Rijksmuseum Twenthe is het “Museum van de Verbeelding”, want het is de verbeelding waarmee wij vorm en betekenis geven aan de wereld om ons heen.’

Een van de kunstwerken, Die Treppe van Peter Zegveld, is geplaatst tegenover het 16de eeuwse doek De toren van Babel van Hendrik van Cleve. Volgens het persbericht gaat de installatie van Zegveld (foto G.J. van Rooij, links boven) ‘over de wilskracht maar ook het onvermogen van de mens (…). De trap in dit werk reikt hoog, naar de hemel, maar de menselijke figuur die Zegveld erop projecteert zit gevangen in zijn val.’

De verbeelding gaat met mij aan de haal. En wel aan de hand van een nieuwsbrief die enkele dagen eerder tussen mijn e-mails zat. Daarin stond een afbeelding van een zwarte inkttekening van Mathilde de Vriese (zie afbeelding rechts boven), die binnenkort in het Dorpshuis van Badhoevedorp exposeert (http://www.dezamenhof.nl/agenda/expositie-in-het-dorpshuis-duivendrecht). Wat we zien is een menselijke figuur die fier boven op een hoge golf staat. Het is tegelijk een boom, met vogels op de takken.
De tekening vormt voor mij het contrapunt van de installatie van Zegveld – en doet me denken – al is De Vriese boeddhist – aan Psalm 8: 5-9:

5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Indien gij niet wordt als de kinderen
6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8 Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
9 Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.
10 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

De mens kan diep vallen (vs. 5), al is hij aan de andere kant ook niet minder dan een engel (vs. 6) – het is een chiasme (X, kruisvorm). Of, zoals ik lees in het eerder genoemde persbericht: ‘Het mysterie en het verlies daarvan, vrijheid en verbondenheid, de wilskracht en het onvermogen: onze realiteit wordt doorsneden door contradicties. De wereld waarin wij leven is fundamenteel tweeslachtig en de verdeeldheid die wij ervaren is onophefbaar.’

Chiasma luidt ook de titel van een orkestwerk van de Oostenrijkse Thomas Larcher dat het Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons gisteren voor het eerst in Nederland, in het Amsterdamse Concertgebouw speelde. Hij schreef in een toelichting, geciteerd in Preludium, onder meer dat het chiasme voor hem een methode is om ‘in de muziek heterogene elementen tegenover elkaar te stellen, ze in relatie te brengen, ze daardoor telkens te veranderen en in sommige gevallen ook tot een vorm samen te voegen.’ Wat we hoorden is ‘EEN hele wereld in zijn onverenigbaarheid, met zijn moorddadige veranderlijkheid, met zijn tederheid en schoonheid, zijn wreedheid en zinloosheid.’ Wat bij mij beklijfde was het uitdovende slot, met alleen een accordeon te midden van het grote orkest. Als die ene boom, die ene mens.

Karl Amadeus Hartmann bij KCO

Op 12 en 13 april a.s. zal het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) in het Amsterdamse Concertgebouw o.l.v. Daniele Gatti met als solist Leonidas Kavakos het Concerto funèbre (1939, revisie 1959) voor viool en strijkorkest van Karl Amadeus Hartmann (1905-1963) spelen. In Preludium, het programmablad van het Concertgebouw en het KCO staat een lezenswaard artikel over Hartmann van de hand van Carine Alders, dat mij eraan deed denken dat ik zelf, in 1977, voor Mens & Melodie ook een artikel over Hartmann heb geschreven. Dit neem ik hieronder over.

Toen Karl Wörner in zijn Hedendaagse muziek in de Westerse wereld schreef dat het oeuvre van Karl Amadeus Hartmann ‘nauwelijks buiten de Duitstalige gebieden bekend (is) geworden’, kon hij niet vermoeden dat juist de expressieve kant van Hartmann – een neo-expressionist die de laat-romantiek nimmer verloochende – leidde tot een nieuwe belangstelling voor diens oeuvre (…).

Het mag eigenlijk geen verwondering wekken, dat juist in het land waar zo’n Bruckner- en Mahlercultus heerst, Hartmann zo langzamerhand op z’n merites wordt beoordeeld. Wilfried Zillig heeft reeds gewezen op het getuigeniskarakter dat Hartmanns werk gemeen heeft met dat van Mahler. Zijn oeuvre is, zoals Hartmann zelf schreef, ‘een getuigenis (…) niet van vertwijfeling en angst voor die macht [het nazisme, EvS], maar als tegenactie.’[1]

Tot zijn eerste getuigenissen behoort de Eerste symfonie voor alt en orkest naar gedichten van Walt Whitman (1819-1892). Het van Mahler vervulde, laat-romantische karakter van Hartmanns muziek komt met name naar voren in het centrale van deze in de jaren 1937-1940 gecomponeerde symfonie, dat zuiver instrumentaal is. Het in-treurige thema wordt door de solo-altviool voorgedragen.
Niet minder expressief is Hartmanns Concerto funèbre. Mede door het koraal als inleidend largo – overigens terugkomend tegen het slot – staat dit concert het dichtst in de buurt van het beroemde ‘Herinnering aan een engel’, i.c. het vioolconcert van Alban Berg. Het koraal is een Tsjechische hymne, ook bekend uit Smetana’s Má Vlast (Tábor, Blanik), al gebruikte Hartmann het vanzelf hier – na de annexatie van Sudetenland (1938) – als een elegie. Het scherzo van dit concert heeft een bijtend sarcasme, van een soort dat in later werk bijna zal neigen tot vrolijkheid. In dit verband denk ik aan de fuga uit de Derde symfonie (1948-’49) en het laatste deel uit de Vijfde symfonie (1950).

In de latere composities is sprake van een hardheid van klank die doet denken aan het werk van Igor Stravinsky, en een grotere, architectonischer opbouw die – hoewel nog steeds op het eerste gehoor rhapsodisch-improviserend aandoende – strak geordend is (eerste deel Zesde symfonie, 1951). Ook de massieve instrumentatie, die soms aan Bruckners orkestbehandeling doet denken, heeft – ter wille van de helderheid – plaats gemaakt voor een klassiek klankideaal (Achtste symfonie en de onvoltooid gebleven Gesangsszene voor bariton en orkest). Zo ontbreken in de Vijfde symfonie zowel de hoorns als de altviolen, terwijl ook de celli en contrabassen niet langer melodievoerend zijn (vergelijk met de contrabassolo uit de Derde symfonie) doch als basinstrument worden gebruikt.

De tijd is aangebroken dat de overschatting van Mahler daalt in het voordeel van het onderschatte oeuvre van Hartmann, de componist die met de zelfkritiek van een Gerrit Achterberg had kunnen zeggen: ‘Met dit gedicht vervalt het vorige, ik blijf mijn eigen onderhorige.’

[1] In: Kleine Schriften, Mainz 1965.

Mensen tot rede zingen (II)

In het tijdschrift voor hartstochtelijke theologie, Ophef, verscheen een artikel van mijn hand over de getallensymboliek bij Joh. Seb. Bach (nr. 1/18, p. 27-31). Met toestemming van de redactie neem ik dat op deze blog in twee delen over. Hieronder het tweede deel.

 

Semantische symboliek
Het meest voor de hand liggende, maar in de literatuur het minst gesignaleerde uiting is het gegeven dat Bach series composities schreef als een zestal. Zoals bijvoorbeeld de zes Brandenburgse concerten, zes solosonates en –partita’s voor viool, zes Engelse en zes Franse suites voor klavecimbel, zes triosonates voor orgel, zes Schüblerkoralen voor orgel enz.. Waarbij terzijde kan worden opgemerkt dat het hier om zowel wereldlijke als geestelijke muziek gaat, hetgeen een ander verhaal is dat ik hier dan ook verder laat rusten. Zes staat als semantisch symbool (de tweede laag die Werckmeister onderscheidde) voor volkomenheid, zoals in Middeleeuwse kerken de middenbeuk van de zijbeuken wordt gescheiden door twee maal zes scheibogen, links en rechts, die tezamen het hiervoor genoemde symbolische getal twaalf vormen (de kerk, de twaalf stammen van Israël, de twaalf apostelen). Deze symmetrie komt later in dit artikel nog terug.

Kabbalistische symboliek
De kabbalistische symboliek leidt tot de meest speculatieve invullingen. Zoals Honders al omschreef, gaat het hierbij om het aantal maten, aantal stemmen, aantal tonen en aantal inzetten van een stuk. Volgens Joh. Reuchlin (1455-1522) gaat deze vorm van kabbalistiek terug op de Alexandrijnse theologie (in: De verbo mirifico, 1494 en: De arte cabálistica, 1517).
De theoloog Ad de Keyzer (1952), verbonden aan het Titus Brandsma Instituut voor de studie van spiritualiteit in Nijmegen, geeft in zijn omvangrijke boek Bachs grote Passie enkele structuurvoorbeelden van de Matthäus-Passion. Hij verdeelt zijn hoofdstuk onder in onder meer een symmetrische structuur en een structuur gebaseerd op getallen.
Wat het eerste betreft wijst hij op de kruisvorm waarin de passie zou zijn geconcipieerd. ‘De staander en de dwarsbalk van het kruis zijn aaneengehecht via nr. 16 maat 6-9, waarin Jezus zegt: Wahrlich, ich sage dir: In dieser Nacht, ehe der Hanh krähet, wirst du mich dreimal verleugnen, en nr. 38 maat 26-30, waarin Petrus dachte an die Worte Jeus, da er zu ihm sagte: Ehe der Hanh krähen wird, wirst du mich dreimal verleugnen. Beide schriftgedeelten “kruisen” elkaar “op een zeer bijzondere manier, ze worden als het ware aan elkaar vastgenageld”.’[i] Keyzer vervolgt met: ‘Proberen we, met Van Houten [die samen met Marius Kasbergen enkele boeken over de getallensymboliek bij Bach publiceerde, EvS], de betekenis van deze gekruiste perikopen te vinden, dan levert de getalsymboliek het volgende op: “Het fragment met de tekst van Petrus Ich kenne des Menschen nicht is in Bachs toonzetting van het lijdensverhaal het 88e Bijbelfragment. 88 is de getalswaarde van het woord Creutz (3+17+5+20+19+24) (…) Tellen we de ingevoegde vrije werken mee in de nummering, dan is Ich kenne des Menschen nicht in de totale Matthäus-Passion het 112e stuk. 112 is de getalswaarde van het woord Christus (3+8+17+9+18+19+20+18). Wellicht wilde de componist door middel van deze getallen op ondubbelzinnige wijze duidelijk maken dat Petrus met zijn derde definitieve verloochening degene, die hij beweerde niet te kennen (…) Christus (…) symbolisch aan het Creutz nagelde”.’

Symmetrische structuur
Wat de symmetrische structuur van de Matthäus-Passion betreft, die aansluit op de Middeleeuwse kerkbouw waarover hiervoor sprake was, kom ik tot een andere conclusie dan de organist Kees van Houten, die – deels in de voetsporen van de musicoloog en musicus Hans Brandts Buys en wellicht in theologische zin aansluit bij iemand als K. Schilder[ii] – het symmetrische midden in het eerste deel van de passie legt tussen de twee koralen nr. 15 (Erkenne dich, mein Hüter) en nr. 17 (Ich will hier bei dir stehen), namelijk een recitatief waarin Jezus van Nazareth de verloochening door Petrus aankondigt.
Daar tegenover heb ik in een artikel in Bekirbénoe eens betoogd, dat – wanneer je de Matthäus-Passion als een drieluik beschouwt – het middenpaneel bestaat uit wat mijns inziens de essentie van het verhaal én de Bijbelse boodschap is.[iii] “Het wordt gevormd door drie (!) nummers: het koraal Wie wunderbarlich, het arioso Er hat uns allen wohlgetan, en de (…) aria Aus Liebe will mein Heiland sterben – een verstilling die in tegenstelling met de machtige koren uit zowel het linker- als het rechterluik (“de joden”) des te duidelijker uitkomt.’

Conclusie
Als deze aria op topniveau wordt uitgevoerd, zoals destijds jaarlijks door de inmiddels overleden sopraan Arleen Augér in het Amsterdamse Concertgebouw, dan wordt niet alleen meteen duidelijk dat deze aria het hart vormt van de Matthäus, maar ook dat het op die manier een prachtige, diepgaande exegese biedt die ver uitgaat boven wat woorden vermogen te zeggen.
Tevens vormt het een weerlegging van een klacht die men ten aanzien van getallensymboliek nog wel eens verneemt, namelijk dat je die symboliek niet kunt horen. Dat laatste is overigens maar zeer ten dele waar: het thema B-A-C-H, Bachs handtekening in noten, kan immers door een geoefend oor wel degelijk worden herkend. Het feit dat de gematria hiervan veertien is, kan bovendien worden teruggevonden in het gegeven dat het veertiende onderdeel van Bachs cantates altijd zijn ‘persoonlijke geloofsbelijdenis’ uitdrukt. Iets dat op zijn beurt ook makkelijk valt te herleiden, zelfs als er geen notenmateriaal is overgeleverd. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor het veertiende nummer uit de Köthener Trauermusic. De tekst hiervan is een vers uit Psalm 68: Wir haben einen Gott.[iv]
Ook mensen die het idee niet meer kunnen beamen dat Jezus van Nazareth stierf uit liefde voor onze zonden, zouden zich in Bachs liefde voor God kunnen vinden. Je zou deze zelfs tot op zekere hoogte, vanuit de rationele vorm van getallensymboliek, kunnen vergelijken met de amor intellectualis dei van Spinoza. In die zin heeft Bach ook ons moderne mensen anno 2018 nog steeds veel te zeggen. Of, in de bewerking van Psalm 68 door Huub Oosterhuis:

wij zingen mensen tot rede
wij allen, vreemde bekenden,
komen tot rust, neuriën vrede.[v]

 

Noten:
[i] Ad de Keyzer, Bachs grote Passie. Een spiritueel-liturgische benadering van de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach (Baarn en Antwerpen 2015) 67-68 met een citaat uit: K. van Houten, ’Ich kenne des Menschen nicht.’ De kruisvorm in de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach (Boxtel 1998) 18.
[ii] K. Schilder, Tusschen ‘ja’ en ‘neen’ (Kampen 1929).
[iii] Els van Swol, “De Matthäuspassion van Joh. Seb. Bach.” In: Bekirbénoe 35 nr. 4 (april 1993) 2-5.
[iv] Els van Swol, Dialoog in muziek. De joodse invloed op de westerse muziekgeschiedenis (Katwijk 1997) 29-32.
[v] Huub Oosterhuis, 150 psalmen vrij (Utrecht 2011) 114.

Miserere


Aan de vooravond van de Nationale Holocaustherdenking werd gisteren in het Amsterdamse Concertgebouw het
Miserere van Nicoló Jommelli (1714-1774) uitgevoerd door het Ghislieri Choir o.l.v. Giulio Prandi, dat daarmee – en met een Mis van Pergolesi en het Dixit Dominus van Vivaldi, begeleid door het eigen Consort – een geweldig debuut in het Concertgebouw maakte.
Het kon niet anders of in de tekst van het
Miserere (Psalm 51) klonk een voorafschaduwing van de Holocaustherdenking. Vandaar dat ik op de dag zelf een collage bied van enkele vertalingen van deze psalmtekst.

Wees mij genadig, God, in uw trouw,
u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,
was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.

Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Ik ben niet in zonde verwekt
rotte vrucht van de schoot van mijn moeder
ik ben aangestoken door verrotting
ik heb de zieke plekken opgezocht
en mij laten besmetten.
Het is niet af te wassen, het is
onder mijn huid gaan zitten
in mijn hersenpan gekropen,
opereer me.

Schep een rein hart, o God! En vernieuw in het
binnenste van mij een vasten geest.
Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw
Heiligen Geest niet van mij.
Geef mij weder de vreugde Uws heils en de vrij-
moedige geest ondersteune mij.
Zo zal ik dan den overtreders Uw wegen leren; en de
zondaars zullen zich tot u bekeren.
Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God
mijns heils! Zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vro-
lijk noemen.
Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof
verkondigen.

Ik weet: offers zult gij niet verkiezen,
bracht ik brandoffers – gij wees ze af;
mijn offer aan God: mijn berouw,
een berouwvol en nederig hart
zult gij, God, niet als te gering zien.

Doe wèl aan Sion naar uw welbehagen,
bouw de muren van Jeruzalem.

U die de waarheid weet aan wie niet weet:
zie mij of ik zie.

 

Vers 3-6: Nieuwe Bijbelvertaling
vers 7-11: 150 psalmen vrij, Huub Oosterhuis
vers 12-17: Statenvertaling
vers 18-19: vert. Ida M. Gerhardt en Marie H. van der Zeide
vers 20: NBG-vertaling
vers 21: De Psalmen in de bew. van Lloyd Haft

Louter symfonisch repertoire door Münchener Philharmoniker

Na het Boedapest Festival Orkest was het gisteren de beurt aan de Münchener Philharmoniker om in het Amsterdamse Concertgebouw op te treden in het kader van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten. Zij kwamen onder leiding van Valery Gergiev, hun chef-dirigent vanaf seizoen 2016-2016, met louter symfonisch repertoire: de Derde symfonie van Joh. Brahms (foto links) voor de pauze, en Ein Heldenleben van Rich. Strauss (foto rechts) erna; ‘een held op sokken’ noemde J. Reichenfeld het eens in een recensie.

Vooral het laatste werk vereist een grote orkestbezetting; het orkest paste nauwelijks op het podium: eerste violisten links, met daarachter de contrabassen, tweede violisten rechts met daartussen in de andere strijkers en daarachter, zoals gebruikelijk, hout- en koperblazers en slagwerk.
In tegenstelling tot het orkest uit Boedapest ‘zoefen’ de contrabassen hier niet, leggen ook niet zozeer een basis voor de orkestklank, maar mengen zich met het geheel, zoals alle groepen opvallend fraai tezamen zorgen voor een homogene orkestklank.

Die orkestklank heeft een enorme draagkracht, ook in de opvallend mooie, zacht gespeelde passages. Dit geldt ook voor de instrumentengroepen afzonderlijk. De blazers voegen daar een groot, rond en warm timbre aan toe, als geheel maar ook in mooie solopassages in beide werken. Dit geldt ook voor de vioolsolo in het werk van Strauss door concertmeester Lorenz Nasturica-Herschcowici.
Met dit werk waagden zij zich overigens in het hol van de leeuw; de componist droeg immers zijn compositie op aan het Concertgebouworkest en Willem Mengelberg.

Wat buitengewoon is, is het feit dat Gergiev, met zijn kenmerkende, fladderende handbewegingen, voortdurend een doorzichtige orkestklank nastreeft. Tot in de luidste passages aan toe weet hij dit te bereiken. Slechts een sporadische keer is een inzet wat onafgewerkt, maar dat zijn maar een kleine smet op dit door de volle zaal hogelijk gewaardeerde concert.

Er volgen nog drie concerten in deze serie, waaronder nog twee met orkesten van Duitse bodem: het Gewandhausorchester Leipzig en de Berliner Philharmoniker. Mooi vergelijkingsmateriaal!

Excellent!

Al eerder heb ik me hierover uitgelaten: ik ben een bewonderaar van dirigent Daniele Gatti. Afgelopen week bleek maar weer eens waarom. Het was tijdens het lunchpauzeconcert op woensdag, in het Amsterdamse Concertgebouw. Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde er onder zijn leiding enkele delen uit Mahlers Eerste Symfonie. Deze was gisteren op de vroege avond op NPO Cultura ook te horen, gespeeld door hetzelfde orkest maar onder een andere dirigent: Daniel Harding.
Woensdag ging het eigenlijk om een openbare repetitie, maar alles werd zonder onderbreking achter elkaar doorgespeeld. Met slechts één woord van Gatti als commentaar: ‘Excellent!’ En terecht, want dat was het ook.

De vergelijking met Harding is interessant. Onder diens leiding klonk de symfonie als uit één doorgaande beweging met vloeiende overgangen. Engels sophisticated zou ik bijna willen zeggen. Gatti pakte het – op één overeenkomst: het Vader Jacob-thema werd niet door solo-contrabas maar door de hele bassectie gespeeld – heel anders aan: de verschillende stemmingen gingen niet in elkaar over, maar bleven dialectisch naast elkaar staan. Met mooie, veelzeggende rusten ertussen en prachtig verstilde pianissimo-passages waarin het geheim van de symfonie als het ware voelbaar werd maar waarin de dialectiek niet werd opgelost.
Ik ben benieuwd of dit ook geld voor Bruckners Negende symfonie, die morgenmiddag in het Zondagmiddagconcert op NPO Radio4 valt te beluisteren. Een opname van 7 januari jl. De Eerste van Mahler komt in mei op de lessenaars terug: op 11 mei a.s..

In ieder geval deed Gatti’s opvatting van Mahler mij denken aan de filosofie van Albert Camus.[1] Maurice Weyembergh schrijft in zijn boek Camus. De filosoof en de romancier dat Camus de werkelijkheid ziet, waar Plato en Sartre ‘uiteindelijk maar de helft van de dingen, de een de schoonheid, de ander het walgelijke’ zien. Camus is, schrijft hij, ‘niet blind voor het dubbele karakter.’ Hij kan niet om de ‘spanning’ van de twee tegenovergestelde polen heen. Hij wilde, schrijft Weyembergh, ‘nooit ontrouw zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’ Hij vond het ‘zinloos de spanningen te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Dialectiek zonder synthese inderdaad, als bij Gatti.
En toch is er sprake van wat Levinas het ‘heilige dat doorfiltert in de wereld’. Dat heeft hij van Heidegger, ‘die de dingen in hun wezen wilde laten en open wil blijven staan voor het mysterie’, gelijk Mahler. Gatti heeft dit hoorbaar gemaakt. En hoe.

 

[1] Op 1 februari a.s. begint bij de Volksuniversiteit Amsterdam een cursus o.d.t. Amor fati: liefde voor het lot die gegeven wordt door Dries Boele. In deze cursus in de vorm van een workshop zal Camus ook aan de orde komen: http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=10035

Top-10 concerten 2017

Hieronder de tien concerten uit het afgelopen jaar die mij het meest zijn bijgebleven.

150 Psalms
Tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, dat ik praktisch elk jaar voor een of meer concerten ‘aandoe’, werd een tweede, klein festival georganiseerd: de 150 Psalmen uitgevoerd door vier verschillende koren: het Nederlands Kamerkoor (foto: Foppe Schut), het Amerikaanse Choir of Trinity Wall Street, de Tallis Scholars en de publiekslieveling Der Norske Solistkor. Een geweldige ervaring om meegemaakt te hebben.

Fiumarathon
In het kader van November Music in ’s-Hertogenbosch, stond een hele dag de muziek van oud-collega Anthony Fiumara centraal. Ik blogde er op deze site al over. Een belevenis van jewelste!

Mariavespers
Tijdens het Holland Festival werd in de Gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek dit meesterwerk van Monteverdi uitgevoerd in een coproductie met De Nationale Opera. Niet alleen de uitvoering op zich was geweldig, door Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon, maar ook de sculptuur van Berlinde De Bruyckere waaromheen alles zich afspeelde.

Abdel Rahman El Bacha
Deze meesterpianist, die naar mijn idee veel te weinig bekend is, speelde op 1 april in de Serie Piano van het Muziekgebouw aan het IJ 72 preludes van Bach, Chopin en Rachmaninov. Een marathonconcert met twee pauzes, maar voor mij had het nog wel even door mogen gaan!

Chiaroscuro Kwartet
De kennismaking met dit kwartet was er een van de hoogste orde: op oude instrumenten speelden zij werken van Haydn, Fanny Mendelssohn en – met Ronald Brautigam aan de fortepiano – Schumann. Een verrassing, na het tegenvallende eerste concert in de serie Kleine Zaal Melange in het Amsterdamse Concertgebouw.

Budapest Festival Orkest
Wat een orkest, dat speelde in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw in Amsterdam. Ook nog eens onder leiding van Iván Fischer, die ik zeer hoog heb. Zoevende contrabassen – waar hoor je dat nog meer? In werken van Bach, Mozart (met pianist Emanuel Ax) en Tsjaikovski.

Koninklijk Concertgebouworkest
Ik heb in deze column niet onder stoelen of banken gestoken, dat ik blij ben met de nieuwe chef-dirigent van het KCO: Daniele Gatti. Tijdens de Robeco Summer Nights speelde het orkest onder zijn leiding een programma met Wolfgang Rihm (IN-SCHRIFT), een groot hedendaags componist wiens carrière ik zo goed mogelijk probeer te volgen, en Anton Bruckner (Negende symfonie). Grandioos.

Akademie für Alte Musik Berlin
Tijdens de Robeco Summer Nights, in het kader waarvan ik altijd wel enkele concerten bezoek, speelde de door mij zeer geliefde violiste Isabelle Faust met de Akademie für Alte Musik Berlin een heel Bachconcert. Inclusief een Sinfonia van Carl Ph. Emanuel.

De troost van Stabat Mater
In de Serie Oude Muziek van het Muziekgebouw aan het IJ voerden PRJCT Amsterdam met Rosemary Joshua (sopraan) en Maarten Engeltjes (countertenor) onder meer het Stabat Mater van Pergolesi uit, afgewisseld met een voordracht van P.F. Thomése uit diens boek Schaduwkind. Het werk van Pergolesi blijft indrukwekkend.

Glen Dempsey
Tijdens de zomer mag ik altijd graag overal en nergens orgelconcerten bezoeken. Eén sprong er dit jaar voor mij uit: door Glen Dempsey uit Cambridge, op 12 juli in de Basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam. Hij speelde er met veel stijlgevoel werken van Joh. Seb. Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Reger, Franck en Brahms.

‘Twijfel en waarschuwing’

Zoals een curator door zijn keus van beeldende kunstwerken deze met elkaar in gesprek laat gaan, gelijk Carel Blotkamp nu in de zalen van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, zo kan een programmeur van klassieke muziek hetzelfde doen. En dat kan soms grandioos uitpakken, zoals gisteravond in het Concertgebouw in Amsterdam.

Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van chefdirigent Daniele Gatti speelde voor de pauze In-Schrift (1995) van Wolfgang Rihm (afb.rechts) en na de pauze de Negende symfonie (‘Dem lieben Gott’) van Anton Bruckner (afb. links). Een gewaagde keuze, zo op de een na laatste Robeco Summernights, al was het buiten meer herfst. Al even compromisloos als Claudio Abbado, die het stuk uit 1995 destijds met de Berliner Philharmoniker op een promenadeconcert in de Royal Albert Hall speelde. In januari komend jaar herhaalt Gatti het programma in een reguliere serie van het KCO.

Je kunt er drie dingen over dit concert zeggen. Natuurlijk kun je het stuk van Rihm beschrijven zoals Thea Derks het in de programmaflyer deed: met reminiscenties aan een oceaanstomer die statig deint, terwijl waterdruppels op de boeg uiteenspatten. Maar net zoals zij twee muzikale lagen over elkaar hoort schuiven, zo hoor ik die ook. Maar dan anders.
Rihm schreef zijn stuk voor een uitvoering in de San Marco in Venetië, dus als – zoals een aankondiging van de aanstaande uitvoering door het KCO tijdens de Berliner Festspiele/Musikfest Berlin het verwoordde – ‘symfonische muziek die in een sacrale ruimte ter wereld kwam.’ Oftewel ‘christelijke spiritualiteit in geconcentreerde vorm, zonder woorden, over de jongste dag en hemelse schoonheid, en dat alles in een wereldlijke omgeving par excellence tot uitdrukking gebracht.’

En dan luister je ten tweede toch anders naar het prachtige, serene en recitatief-achtige gedeelte in de lage strijkers (de hoge ontbreken), of naar de zes (!) trombones die koraalachtige, al even donkere melodieën spelen die doen denken aan Und es werd eine Finsternis uit Rihms Deus Passus. Of naar de spectaculaire solo voor zes slagwerkers (woodblocks), van een woordloze ‘twijfel en waarschuwing’ die door het hoofd blijft rondzingen, ons wakker schudden, ‘bezit van ons nemen, trommelen, echoën, knellen… simpelweg ons martelen’, zoals Anđelko Vuletić ergens in zijn roman Wraak schrijft.

En: dan luister je tenslotte ook heel anders naar de Negende symfonie van Bruckner. Enkele karakteristieken die Thea Derks hierover schreef, kun je zo 1:1 terugvertalen naar Rihm: akkoorden en hoornsignalen in het eerste deel, stampende ritmiek in het tweede, serene passages en kreten van de trombones in het derde. Om nog maar te zwijgen over de ‘ten hemel stijgende melodieën’ van de violen die doen denken aan de ten hemel stijgende flatterzunge-passages in de drie fluiten bij Rihm, en het feit dat zowel Rihm als Bruckner hun werk eindigen met ‘etherische’ klanken. In de twee harpen (Orpheus en David?) bij Rihm, in de fluiten en hoorns bij Bruckner.

Ik kon niet anders naar Bruckner luisteren dan met Rihm in het achterhoofd, en ik kreeg de indruk dat Gatti de symfonie ook vanuit diens moderne insteek benaderde (dissonanten voor een Luftpause kregen extra nadruk). Zo werden beide stukken wat Wolfgang Schreiber eens over In-schrift schreef: ‘Een gedicht van lyrische en tegelijk wilde schoonheid, van een diepe afgrond.’ De topuitvoeringen van beide werken waren idem dito, van een indrukwekkende schoonheid en afwerking. Daarbij vergeten we dan even de ouverture Euryanthe van Carl Maria von Weber die aan het programma was toegevoegd, en die mij helaas niet kon bekoren.

Op 5 juni volgend jaar speelt de Berliner Philharmoniker onder leiding van Simon Rattle de negende van Bruckner in het Amsterdamse Concertgebouw, gecombineerd met de première van een werk van de Deen Hans Abrahamsen. Op papier een al even interessant programma!
En voor wie nog eens een stuk van Rihm aan de Amsterdamse Van Baerlestraat wil horen: op 3 maart 2018 speelt de NDR Elbphilharmonie onder leiding van Thomas Hengelbrock de Nederlandse première van
Remiszenz.

 

De woestheid van de wereld

In het schitterend uitgevoerde boek De geest uit de fles van de filosoof Ger Groot, over ‘hoe de moderne mens werd wie hij is’, zit een hoofdstuk onder de titel ‘Geschiedenis en de woestheid van de wereld.’ Het zou zomaar als toelichting hebben kunnen dienen bij het Robeco SummerNights concert van vanavond in het Amsterdamse Concertgebouw, waar het Radio Filharmonisch Orkest optrad onder leiding van de door mij zeer gewaardeerde dirigent Markus Stenz. Een heel programma zonder solistische medewerking.

Groot begint zijn hoofdstuk met het beschrijven van wetenschappelijke ontdekkingen uit wat wij later de moderne tijd zijn gaan noemen. Hij noemt onder meer de naam van de bioloog Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788), waarmee we in het Frankrijk waarmee het concert opende zijn aangekomen.
Het concert begon namelijk met de ouverture Le cahos uit het ballet Les Eléments (1737) van de Franse componist Jean-Féry Rebel uit dezelfde tijd en omgeving. Net als Leclerc schetst Rebel in dit geval met noten de wording van de aarde, van de elementen wel te verstaan. Niet uit de chaos zoals die in het Bijbelse Genesisverhaal wordt verteld, maar de chaos van de Griekse filosofen. Stenz moet zich als pleitbezorger van de hedendaagse muziek thuis hebben gevoeld in deze haast atonale klanken van Rebel. In ieder geval was het een spannend begin van een opmerkelijk concert, het tweede in de Robeco SummerNights.

Wie nu mocht denken dat het concertprogramma de lijn van Groot volgt, en uitkomt bij de preromantiek met bijvoorbeeld de Zesde symfonie van Beethoven (foto rechts), die de natuur van na de chaos wordt toonzette, kwam bedrogen uit. Of liever gezegd: wachtte een verrassing, met Beethovens Vijfde, de noodlotssymfonie. Of de symfonie van het verzet tegen het noodlot, zoals de paukenist toonde die in een kamporkest het klopmotief van het begin als protest zachtjes door de verplichte muziek heen speelde.
Het Radio Filharmonisch Orkest liet onder Stenz een prachtige, ritmisch sterk geprofileerde tocht van donker naar licht horen. Net als bij Rebel paarde Stenz een zekere lichtheid van klank aan nadrukkelijk donkere accenten.

Na de pauze werd de opzet van het programma min of meer herhaald. Begonnen werd met Die Vorstellung des Chaos uit Haydns oratorium Die Schöpfung , dat nog eens duidelijk liet horen wat een geweldig orkest het Radio Filharmonisch Orkest toch is.
Het slot van het concert ging naadloos over van Haydn (foto links) naar, net als in het hoofdstuk van Groot, de Sacre du printemps van Igor Stravinsky, een ballet dat in de omschrijving van Groot ‘een onverholen hulde brengt aan de rauwe, heidense rite waarin een jonge maagd geofferd wordt aan de aarde.’ En hij vervolgt: ‘De chaos is alomtegenwoordig geworden, de oerkrachten hebben vrij spel in hun gewelddadige anarchie, het sublieme van een ongetemde natuur is klank geworden.’
Stenz wist zowel de anarchie als het sublieme in Stravinsky’s Sacre op een voor hem kenmerkende manier over het voetlicht te brengen: simultaan, waardoor je op ’t puntje van je stoel zit: wat gebeurt hier? Een gedenkwaardige avond kortom, dat was het!

Een gedeelde wereld

De achtdelige VPRO-serie Made in Europe, gebaseerd op het gelijknamige boek van Pieter Steinz, is 12 februari van start gegaan. De ondertitel van het boek luidt: De kunst die ons continent bindt. In de introductie op de serie wordt de Vijfde symfonie van Mahler (zie foto links) genoemd. Dat zet aan ’t denken. En of er in de serie, met als thema’s rebellie, religie, de vrije vrouw, verbeelding, de duistere kant, verlangen, vernieuwing en idealen nog op teruggekomen wordt, merken we vanzelf. De vraag ligt er, en presentator Dimitri Verhulst zegt in een interview met Katja de Bruin (in de VPRO Gids van deze week) ook niet helemaal zeker te weten ‘of wij die vraag’ naar wat Europa bindt ‘degelijk hebben beantwoord.’ Om eraan toe te voegen: ‘Misschien hoeft dat ook niet. Een filmmaker hoeft niet altijd een antwoord te bieden, misschien is de vraagstelling ook al tof.’

Die Vijfde symfonie van Gustav Mahler blijft door mijn hoofd zingen. Niet alleen letterlijk, maar ook als geestverschijning. Zoals het vanmiddag op NPO Radio4 was te horen in het stuk Boundless (Homage to L.B.) van de componist Joey Roukens (geb. 1982, foto rechts), het derde stuk dat hij schreef voor het Koninklijk Concertgebouworkest, dat het de afgelopen week twee keer uitvoerde onder leiding van Alan Gilbert. L.B. staat voor Leonard Bernstein, een jeugdheld van Roukens. In een kort interview voorafgaand aan de radio-uitzending, vermeldde de componist dat Bernstein als dirigent de kijk op Mahler (daar is hij weer …) heeft veranderd. En zo werd naar mijn idee zijn Homage niet alleen een hommage voor de componist, maar ook voor de dirigent Bernstein.

Het stuk van Roukens bestaat uit drie delen: een energiek Manically (met een citaat uit Bernsteins Anniversaries), een Glacially als middendeel, waar Carine Alders in haar toelichting in het programmablad van het Koninklijk Concertgebouworkest en Concertgebouw, Preludium, niet op ingaat, en Propulsively met ‘flarden rock, techno en jazz.’
Juist in dat tweede deel meen in de geest van Mahler te ontwaren. Gekneed door de handen van een Nederlands componist, in herinnering aan de dirigent die zijn symfonieën zo weergaloos over het voetlicht wist te brengen. Een Amerikaanse dirigent met Pools-joodse roots.

De muziek van Mahler mag dan volgens Steinz een bindende factor in Europa zijn, ik denk dat het nog verder gaat. Zou het niet zo kunnen zijn dat die symfonie (1901-1904) een bindende factor is voor de hele wereld, aan deze kant en de overkant van de Oceaan? Dat is ook een vraag die het overdenken waard is. Ook ik heb niet meteen een kant-en-klaar antwoord, maar wel een vermoeden. En dat is misschien al heel wat.

 

http://www.vpro.nl/programmas/made-in-europe.html