Het Koninkrijk Gods

Bij uitgeverij Aspekt verscheen het boek De Grande Finale van Anton Wessels, over de Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran. Dit boek is gebaseerd, oftewel een uitwerking van een cursus die de theoloog Wessels in 2018 gaf voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Ik woonde deze cursus bij en heb er aantekeningen van gemaakt. De aantekeningen van één ochtend, 17 november 2018, de tweede over ‘Wie zeggen de joden, christenen en moslims dat ik ben?’, heb ik hieronder als blog uitgewerkt.

De eerste keer, op 3 november 2018, had Wessels het Evangelie van Marcus als uitgangspunt genomen; het is het enige evangelie dat de Koran ook als zodanig erkent. Eén van de bronnen die Wessels benoemde, is het boek Marcus als tegenevangelie van Egbert Rooze (uitg. Halewijn, 2012).
Twee weken later vervolgde Wessels zijn betoog met Marcus 8, dat begint met de notie van de Mensenzoon. Jezus is huiverig voor de titel ‘Messias’, want dat zou tegen Rome en Pilatus ingaan.[1] Mensen-zoon geeft een verhouding weer: die tussen mens en Zoon.

Deze notie dien je in de context van het Oudtestamentische boek Daniël te plaatsen, waar dit woord ook belangrijk is (Daniël 7:13). De Willibrordvertaling is in dit verband belangrijk. De Mensenzoon vertegenwoordigt de menselijke heerschappij ten opzichte van alle dieren die worden genoemd. De vier grote dieren zijn de vier koninkrijken die de aarde zullen beheersen (vs. 17).

Het Koninkrijk Gods is met kracht gekomen, lezen we in Marcus 9:1. Het zijn de zachte krachten die zullen winnen. Het is geen spektakelstuk. Maar wat dan wel?
Het Koninkrijk is gekomen met de dood van Jezus aan het kruis (verleden tijd!). Dat is een onthullend, openbarend moment en een appèl om Hem te volgen, het kruis op te nemen en anderen te redden.

Dit is een herverstaan, of een opnieuw verstaan van het Evangelie en de Koran. De komst van het Koninkrijk zet zich door op een niet-gewelddadige manier. Het proces gaat verder in de Koran, zoals Kronieken Koningen opnieuw probeert te lezen.
Het kernverhaal blijft echter Exodus, het op weg gaan naar een nieuwe aarde. Dan kunnen joden, christenen en moslims samen Pasen vieren.

Het zijn de teksten van Henriëtte Roland Holst (over de zachte krachten), het zijn liederen (van Mozes en Mirjam) en de poëzie van een Willem Barnard (‘Een mens te zijn op aarde’) die ons helpen de Schriften te verstaan: Tenach, Evangelie en Koran.

Anton Wessels: De Grande Finale
De Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran
Uitgerij Aspekt
ISBN 9789463388924
Prijs: € 35,–

 

Met dank aan Anne-Marie Visser die mij op deze uitgave attent maakte.

[1] Iets soortgelijks vertelde ds. Paula de Jong tijdens een Bijbelkring in de Nieuwendammerkerk te Amsterdam: zinsneden als ‘Zie, dat gij niemand iets zegt’ (Marcus 1:44) en: ‘En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken’ (Marcus 3:12) hebben ook met onder andere angst voor de Romeinen te maken.

 

Nissen in- en uitlopen

Fra Angelico: De opstanding

Ik voelde me bedroefd en goed
(M. Vasalis, Fanfare-corps)

Pasen 2020 is weer achter de rug.1) Veel grote woorden werden er gesproken. Corona zou onze werkelijkheid doorbreken, zoals Jezus de werkelijkheid doorbrak. En ik zet er, geschokt als ik erdoor was, maar een groot woord tegenover: voor mij neigt dit naar onzindelijk denken. Ik heb liever een predikant die zegt: Ik weet het niet. Ik zou er echt eerst nog eens goed over moeten nadenken en die rust heb ik nu niet.

Toch vallen je wel brokjes toe, en die wijzen allemaal een beetje naar waar ik de afgelopen week op heb lopen broeden. Ik las om te beginnen ergens, dat de rooms-katholieke kerk het idee om aan de veertien staties een vijftiende, van de opstanding toe te voegen (de Paasstatie), lang heeft verworpen. Ik moest daarbij denken aan de veelvuldig geuite opmerking dat het zo jammer is dat Bach zijn Matthäus Passion eindigt met de dood van Christus. Ik heb daar altijd tegenin gebracht, dat die scherpe dissonant in de fluiten in het slotkoor oplost: het is een glimp van de opstanding. Een visioen van iets dat nog waar moet worden. Stille Zaterdag zit er nog tussen alvorens het Paasmorgen wordt.

Niet dat ik nu de coronacrisis ga vergelijken met Stille Zaterdag of een dal tussen twee bergen: die van ‘de eerste berg’ van een rijk leven ten koste van veel en velen, en de tweede met een andere relatie met de wereld, zoals David Brooks doet in zijn boek De tweede berg, toen er overigens nog geen sprake was van de huidige crisis. Ik hou het liever bij die berg uit Psalm 121:

En dan kijk ik op, kijk speurend.
Al die bergen!
Wie kan hier nog helpen?
(vert. Gert Bremer)

Nee, ik denk aan twee snippers tekst die mij toevielen. En misschien is dat ook een antwoord op de vraag die Coen Constandse stelde in een artikel naar aanleiding van mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek over Henk Vreekamp: Het is een typische theologische niche-markt geworden, dat Kerk-en-Israëlwerk. ‘Hoe dieper je de nis inloopt, hoe fundamenteler de inzichten en hoe sterker de overtuiging van het eigen gelijk (…). Zijn er ook nog mensen die de nissen in en uitlopen, en in andere delen van het gebouw inzichten komen halen en brengen?’ (in: In de Waagschaal, april 2020).

Wat ik als eerste snipper vond in een hoek van zo’n nis, is een Korantekst (immers geënt op zowel het Oude- als het Nieuwe Testament) die de islamoloog Noor Asrami deelde: ‘Moeilijkheden komen hand in hand met verlichtingen’. En de tweede snipper, die ik weer in een andere nis aantrof, was er een naar aanleiding van het woordje ‘verduren’ dat Augustinus al gebruikte, en de theoloog Charles Mathewes opnieuw. ‘”Verduren” (…) betekent niet dat je passief wordt, maar dat je attent bent op de dingen die je vandaag kan doen, zonder dat je kan weten hoe het allemaal gaat uitpakken, zonder dat je het naar je hand kan zetten’, aldus James Kennedy in een column in Trouw (11 april 2020). Om te besluiten met: ‘Tegelijkertijd leef je in verwachting’.

Ik wil de Matthäus Passion volgend jaar weer beluisteren, en dan niet alleen betwetering wijzen op die dissonant aan het eind die toch echt oplost, maar lernen. Luisteren, ernaar speuren of er in die Passion nog méér stukjes, meer brokjes zitten die in alle ellende hand in hand komen met verlichting. Ze lichten misschien soms, heel even op. Dat is al genoeg.

 

1) Tijdens de overdenking van ds. Sytze de Vries tijdens het morgengebed in de Domkerk (Utrecht) op 19 april jl., wees hij erop dat hij iemand had horen zeggen dat ‘Pasen weer achter de rug is’, maar dat dit zou moeten zijn: ‘Pasen is geweest’. Waarvan akte: https://www.kerkomroep.nl/#/kerken/21581 

Zingen als in Bethlehem

Paasmorgen in de Dom in Utrecht. Predikant: ds. Sytze de Vries, organist: Jan Hage.
Na de preek zongen we als tafellied Gij, in ’t hemels licht verheven op tekst van Sytze de Vries (naar Philipp Brooks) en een Engelse melodie (uit: Het liefste lied van overzee I). We zongen vers 1, 2, 4 en 5 en organist Jan Hage speelde het derde vers. Hiervan luidt de tekst:

Gij zocht heil in het geringe,
gaf aan kleine mensen stem.
Hoor de engelen, zij zingen
nu als toen in Bethlehem.
Halleluja,
met de hemel ingestemd!

En wat deed Hage? Hij weefde door zijn solo een Kerstliedje. Mensen keken verrast op en om, anderen die het wellicht was ontgaan hierop attenderend. Hage’s vondst verhoogde de feestvreugde van Pasen.

Maar er zat nog een laag onder, ingegeven door de tekst. Ik moest denken aan een preek die Sytze de Vries in 2011 hield in de Oranjekapel, ook in Utrecht; ik had toen een abonnement op zijn preken, want in de Oranjekapel was ik toen op Kerstmorgen 2011 niet.
Ik citeer:

Hij zal hangen aan een boomstam,
als Gods goede vrucht aan de levensboom,
het kruis, dat – zo wil een heel oude traditie –
van hetzelfde hout gemaakt is als de krib, de voederbak.

In gedachten hoorde ik ook het koraal Wie soll ich dich empfangen uit de eerste cantate uit Bachs Weihnachtsoratorium meeklinken. Op de melodie die we herkennen als O Haupt voll Blut und Wunden. Ook zoiets wonderlijks.

Een predikant heeft iets meer woorden nodig dan een dichter. Een organist als Jan Hage en een componist als Joh. Seb. Bach kunnen de notie zelfs tegelijk laten klinken. Prachtig toch!

Drieluik uit Utrecht

Witte Donderdag

Aan het begin van de veertigdagentijd dit jaar hoorde ik in een dienst in mijn wijkkerk een gastpredikant die een lofzang afstak op de ontluikende lente: op de krokussen en de sneeuwklokjes. Zij wees op verschillende soorten tijd: de wereldlijke en de kerkelijke kalender. In de kerk keren we in de veertigdagentijd juist naar binnen. Om daarna, met Pasen, volop op te bloeien.

1.
Welk boek, leek mij, kon ik op de drie dagen van Pasen (Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag) beter lezen dan Lente (uitg. De Geus) van Karl Ove Knausgård? De Noorse auteur verhaalt erin over de lente in het Zweden waar hij woont, over zijn ontluikende kleine kinderen en hoe hij naar binnen keert door de zorgen over zijn vrouw Linda, die wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Gaandeweg Witte Donderdag bedacht ik me, dat ik net zo goed Knausgårds Liefde had kunnen herlezen met zijn ‘Hun hel is jouw hel, hun hemel is jouw hemel’.

2.
Dat inzicht kwam om te beginnen op tijdens de Paaslezing ‘De inspiratie van het lijden’ van Helikon in Utrecht. Deze dubbellezing werd gegeven door kunsthistoricus Paul Bröker en filosoof Laurens ten Kate.
Een van de schilderijen waarvan een afbeelding werd getoond, was een Laatste Avondmaal van Holbein de jonge. De meeste discipelen zijn erop zijn egoïstisch met zichzelf bezig, zonder al teveel relatie met de serene Christus. Bij Leonardo da Vinci’s Laatste Avondmaal (St. Maria delle Grazie, Milaan) zijn ze echter met Jezus bezig en delen hun gevoelens; Zijn hel is onze hel, Zijn hemel is onze hemel. Op het Isenheimer altaar van Grünewald tenslotte lijkt het of God met de discipelen mee lijdt. Er is geen wanhoop of ontzetting, maar troost. Er is, aldus Ten Kate, sprake van wat in de rooms-katholieke leer ‘dubbele identificatie’ wordt genoemd: zonde (moordenaar) en reiniging (slachtoffer).
Aan het eind van zijn lezing maakte de spreker een zwenking naar het thema ‘liefde’. Hij deed dat aan de hand van een kort stukje van componist Giovanni Legrenzi (1626-1690) op de cd Via crucis van ensemble l’Arpeggiata van Christina Pluhar:

Dit hart dat ooit blij was,
voelt zich nu gebroken door verdriet.

Het gaat dan volgens Ten Kate over het lijden in het algemeen en liefde in de ruime betekenis van het woord.
Het deed denken aan het boek van Knausgård, die in de tijd dat zijn vrouw in het ziekenhuis lag, ‘steeds dezelfde muziek draaide, Queens of the Stone Age, zo hard dat het pijn deed, want binnen in mij deed het pijn en op de een of andere manier hielp de harde agressieve muziek, als een soort tegendruk’ (p. 73).

3.
Het boek van Knausgård en de lezingen ’s middags werkten ’s avonds bij mij door in de dienst in de Domkerk. Voorganger was ds. Sytze de Vries, organist Jan Hage met medewerking van de Domcantorij onder leiding van Remco de Graas.
Het begon al met het Ubi caritas uit de Musica pro Deo van Maurice Duruflé (1902-1986):

Waar liefde en eensgezindheid is, daar is God.
De liefde van Christus heeft ons verenigd.
Laat ons juichen en ons in Hem verblijden.
Laten wij de levende God vrezen en beminnen.
En elkaar met een oprecht hart liefhebben.

Het ging verder in de preek, waarin ik een mooie definitie van zonde hoorde: ‘geweigerde solidariteit’. Ik zag het beeld van Holbein de jonge weer voor me, met hun ‘statische lichamen; zet je je lichaam in beweging, dan beginnen ook je gedachten zich te roeren’ (Knausgård, id.).
Het is een verschuiving van een andere definitie die ik Sytze de Vries eens hoorde geven tijdens een leerhuis, jaren geleden in Amsterdam, die me altijd is bijgebleven en mee resoneerde met zijn tegendeel bij Duruflé: zonde is datgene waar God niet aanwezig is of wil zijn.

Misschien vormen deze ervaringen, al lezend in Knausgård, luisterend naar Laurens ten Kate en Sytze de Vries, kijkend naar verschillende schilderijen van het Laatste Avondmaal en luisterend naar Legrenzi en Duruflé, tezamen een antwoord op een deel van een vraag die in de tentoonstelling Moed in het Utrechtse Centraal Museum (t/m 30 juni a.s.) wordt gesteld: ‘Is compassie exclusief verbonden aan theologische beelden, verhalen en ervaringen?’ Nee dus.

Met het Liedboek op weg naar Pasen

Ich folge dir gleichfalls mit freudigen Schritten,
und lasse dich nicht, mein Leben, mein Licht.

Dat zijn woorden aan het begin van Bachs Johannes Passion die dit jaar bij mij extra beklijfden. Dat komt in de eerste plaats omdat ik een andere veertigdagentijd heb doorgebracht dan ik vijftien jaar lang deed in de Amsterdamse Oude Kerk. Nu was de Nieuwendammerkerk mijn stekje, en daar werden andere accenten gelegd dan ik gewoon was. Er werd letterlijk een nieuw licht op de zo vertrouwde teksten (wat heet) geworpen. En in de tweede plaats kwam het omdat een schilderij, tempera op doek, van Eugène Brands in het Cobra Museum voor moderne kunst in Amstelveen, Rising Sun (1964) indruk op mij maakte (zie foto)

Eerste zondag van de Vastentijd
Ik had zelfs soms de associatie met een Adventscyclus. Dat kwam door de nadruk op het woordje ‘licht’ dat elke dienst op een of andere manier naar boven kwam; een heb ik niet bijgewoond,  omdat ik op de verjaardag van vrienden elders kerkte, en ik mistte het meteen.

Het drempellied – ja dat is elke zondag hetzelfde, ook in de 40-dagentijd. Op een tekst van Sytze de Vries en een melodie van Willem Vogel wordt gezongen:

Die de morgen ontbood
en het licht hebt geroepen,
zegen ons ook met uw licht!

Maar toen kwam het, op wat de orde van dienst omschreef als de ‘1e zondag in de Vastentijd’: een Kerstlied, 482:1 en 2:

Er is uit ’s werelds duistere wolken
een groot licht stralend opgegaan –
wie wonen in het diepste donker,
zij zullen in het zonlicht staan.

Mijn aandacht was er meteen helemaal bij: wat gebeurt hier, wat mooi!
En toen kwam lied 600, dat volgens de indeling van het Liedboek bij de drie dagen van Pasen past:

Licht, ontloken aan het donker,
licht, gebroken uit de steen,
licht, waarachtig levensteken,
werp uw waarheid om ons heen!

Weer een lied uit de Oude Kerkgemeente, op een tekst van Sytze de Vries en een melodie van Willem Vogel.

En na de lezing uit Tenach zongen we lied 601, een bekend lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomen:

Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
koud, één voor één, en ongeborgen,
licht overdek mij, vuur mij aan.

We bleven een beetje om die liederen voor de drie dagen van Pasen heen cirkelen, toen na de lezing uit het Nieuwe Testament lied 598 werd gezongen:

Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft,
vuur dat nooit meer dooft.

Na de preek en het orgelspel namen we lied 518 op onze lippen:

Hoe helder staat de morgenster,
en straalt mij tegen van zover,
de luister van mijn leven.

Een lied dat de vorm heeft van een Avondmaalsbeker: een kelk, een smaller stuk en een voet.
En tot slot zongen we weer een Kerstlied:

Komt ons in diepe nacht ter ore:
de morgenster is opgegaan,
een mensenkind voor ons geboren
‘God zal ons redden’ is zijn naam.

Het laat zich raden dat in de preek het woord ‘morgenster’ een grote rol speelde, van Jezus als morgenster tot de in oud vuil scharrelende morgensterren in de straten van Amsterdam.

Tweede zondag van de Vastentijd
De nadruk op ‘licht’ kwam ook in de tweede zondag terug, zodat een mooie cyclus werd gesponnen. We zongen aan het begin lied 221, een morgenlied:

Zo vriendelijk en veilig als het licht,
zo als een mantel om mij heen geslagen,
zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht,
ik roep zijn naam, bestorm Hem met mijn vragen,
dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
Wil mij behoeden en op handen dragen.

Na het Kyrie zongen wij lied 834, voor op de levensreis:

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!

En het kinderlied had als tekst:

In het stralend witte licht
zien wij even wie hij is;
Jezus, Gods geliefde Zoon.
Kyrie eleison.

Na de preek en het orgelspel zongen we lied 760, een lied voor de voleindigingstijd, waarvan het laatste couplet ook weer baadt in het licht:

Als in het vorstelijk licht
voor uw gezicht
wij blinkend staan
met witte waarheid aangedaan.

Na de hier altijd wat gedragen sfeer van het Heilig Avondmaal, was het slotlied opmerkelijk vrolijk – met ook weer een herinnering aan Kerstsferen. Een lied van Jaap Zijlstra op de melodie Daar juicht een toon dat de wijkpredikant was toegespeeld tijdens een zangmiddag. Het slotcouplet hiervan luidt:

Dat is geloof, al zien wij niet,
we zingen in de nacht ons lied,
een glans licht over het bestaan,
de dag van onze Heer komt aan!

Vierde zondag in de veertigdagentijd
We sponnen de vastentijd (nu op de orde van dienst veertigdagentijd genoemd) na een onderbreking van een dienst door een oud-wijkpredikant verder. Met na het Kyriegebed lied 834, ook een lied voor op de levensreis volgens de indeling van het Liedboek:

Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht.

En na de eerste lezing, uit Jozua 4 zongen we ‘rond de schriften’ (Liedboek) lied 313 met zinsneden als:

Gods woord is ons een licht,
en elk die in vertrouwen
daarnaar zijn leven richt,
die zal er in aanschouwen
des Heren aangezicht.

Het licht is er, maar we moeten nog wel – steeds dichter tegen Goede Vrijdag aan – door het donker, stil het kruis dragen, achter de Heiland aan. Want

Leven is lijden
niet te vermijden
onmacht verduren
eindeloos turen
naar komend licht.

Zo luidt een couplet van een levenslied, lied 830 op een tekst van Henk Jongerius en een melodie van Jan Raas. Want

Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden,
de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten,
de honger en de dorst,
de vragen en de angsten,
de kommer en de koorts.
(Willem Barnard, lied 538:3).

Palmpasen
Palmpasen is een feestdag aan het begin van de Goede Week. Donker en licht komen er samen. Je hoeft maar naar de Palmpaasstokken van de kinderen te kijken: de broodhaan bovenop het kruis, als verwijzing naar Petrus die de haan drie maal hoorde kraaien, of naar de versieringen (rozijnen, chips) aan de stok die erop wijzen dat je ook, door alle donker heen, mag genieten. Ook van kunst, als het ware – goede en schone, zoals ons in de preek werd voorgehouden.
Zoals van het schilderij Rising Sun van Eugène Brands, waar ik aan moest denken toen we na het Kyriegebed lied 834: 3 zongen:

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht.

Foto: Ati de Zeeuw.

Monteverdi’s Mariavespers in Holland Festival

Alleen in het Evangelie van Johannes vallen Pasen en Pinksteren op één dag, en toch had ik het gevoel dat ze dit op Eerste Pinksterdag ook deden bij de half-geënsceneerde opvoering van Monteverdi’s Mariavespers (1610) – tenslotte een ‘religieuze meditatie’ volgens Pierre Audi in het programmaboekje – in het kader van het Holland Festival in de vijftien meter hoge Gashouder in Amsterdam, waar al eerder Nono’s Prometeo en Neuwirths Encantadas te zien waren.

Dat komt zo. Midden in de Gashouder, met daaromheen halfrond opgebouwde tribunes tegenover koor en orkest, lag een monumentale sculptuur van Berlinde De Bruyckere: Cripplewood (Kreupelhout), die eerder te zien was tijdens de Biënnale van Venetië (2013). We kennen haar werk rond grote thema’s als lijden, hoop, kwetsbaarheid. Deze dubbelheid, deerniswekkend aan de ene kant en krachtig aan de andere kant, proefde ik ook in deze sculptuur, bestaande uit een op de grond liggende, 20 meter lange boomstronk (een iep, wist iemand te vertellen) waarin je, mede door de steeds wisselende belichting, ook knekels kon zien. Of zoals J.M. Coetzee naar aanleiding van de Biënnale schreef: ‘Een exploratie van leven en dood – dood en leven, leven in dood, leven voor de dood, dood voor de dood.’
Het riep een Bijbeltekst te binnen die met Pasen wel wordt gelezen: over dorre doodsbeenderen (Ezechiël 37) die langzaam weer tot leven komen.

Het waren de geweldige solisten en het al even geweldige, ongeveer veertig mensen tellende, in 2006 opgerichte koor Pygmalion onder leiding van Raphaël Pichon die er dan weer omheen liepen, dan weer voor bleven staan, dan weer bij gingen liggen waardoor deze dubbelheid van dood en leven werd benadrukt; ze zongen een doodsklacht, ze leken het al zingend adem in te blazen als in het Pinksterverhaal. Grotendeels in blauwgrijze kleding; we hebben het tenslotte over Mariavespers. Ondersteund door het gelijknamige, op authentieke instrumenten spelende orkest, met een rijke continuo-bezetting waarin twee harpen opvielen die met hun sensuelere klank dan bijvoorbeeld die van een luit teksten uit het Hooglied ondersteunden. Wat een vondst! Koor en orkest waren bij De Nationale Opera al eerder te horen geweest in de productie Trauernacht.

De bedoeling van Audi, De Bruyckere en Pichon was overigens ook om een ‘mise-en-écouté’ in de ruimte (‘mise-en-espace’) neer te zetten: een verbeelde luisterervaring als in de San Marco in Venetië, waarvoor Monteverdi zijn werk schreef. Je kon je inderdaad in de San Marco wanen, met de musici die van plaats veranderden en de klank die je vanaf steigers alom omringde. Prachtig hoe zacht de instrumentalisten soms durfden te gaan en toch door de hele, in het donker gezette ruimte goed hoorbaar bleven, dankzij de onvolprezen geluidstechnicus Jan Panis. Een nadeel bij deze opzet was wel, dat er geen boventiteling was of op z’n minst een aanduiding van wat werd gezongen: welke Psalm, wel deel uit het Hooglied, welke Evangelietekst of wat dan ook. Te beginnen met een schitterend gregoriaans Pater Noster (Onze Vader).
Te snappen was het natuurlijk wél, want zo’n tekstbalk zou het fraaie lichtontwerp van Felice Ross en de video’s van Mirjam Devriendt doorbreken.

Het leek wel een gewijde viering. Voor Maria, voor de natuur, voor leven en dood, levenden en doden. Even dacht ik: wat zou Henk Vreekamp hiervan hebben gevonden, de ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog’? We zullen het niet weten maar iedereen werd uitgedaagd zijn/haar eigen invulling aan deze ervaring te geven.

Het jaar van Vivaldi

Vreekamp_VivaldiHet jaar van Vivaldi : hemel en aarde in onze seizoenen / Henk Vreekamp. – [Utrecht] : Uitgeverij Kok, [2016]. – 224 pagina’s ; 4 ongenummerde pagina’s platen : illustraties ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-435-2587-9

In 1991 verscheen Gedachten over gedenken van Henk Vreekamp (1943-2016) met ondertitels als ‘kerst-‘, ‘paas-‘ en ‘pinksterkring’. Dit boek is een geheel herziene versie daarvan. De ‘kringen’ uit 1991 zijn nu opgenomen in de seizoenen. Vreekamp omschreef zichzelf als een ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog.’ Hij publiceerde op deze driesprong de trilogie Zwijgen bij volle maan, De tovenaar en de dominee en Als Freya zich laat zien. Het is jammer dat we niet meer in gesprek met hem kunnen gaan over dit postuum verschenen boek. Bijvoorbeeld over zijn haast Hegeliaanse Vivaldi-opvatting: een afwisseling van harmonie, oppositie en integratie. Dit boek leent zich goed voor lees- en/of luisterkringen. Hoewel voor december 2015 aangekondigd, is de uitgave na het plotselinge overlijden van de auteur versneld verschenen, al is dat een beetje ten koste van een zorgvuldige redactie gegaan. Een mooie toevoeging vormen de sonnetten waarop Vivaldi zijn De vier jaargetijden baseerde en kleurafbeeldingen van schilderijen van de seizoenen van Poussin, Crane en Mucha.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Oude feestdagen nieuw

Hagia SophiaIn het boek De stad aan de rand van de hemel van Elif Shafak (uitg. De Geus) dat ik momenteel lees/recenseer, staat een verhaal over de Turkse architect Sinan en diens Indische leerjongen Jahan (p. 335 e.v.). Sinan krijgt van de sultan de opdracht om de Hagia Sophia (zie afb.) in Istanbul te vergroten. Daarvoor moeten de omringende huizen worden gesloopt. Sinan begreep dat ‘zijn meester de keuze moest maken tussen de mensen en het gebouw, en hij duidelijk voor het laatste had gekozen.’

Het verhaal doet denken aan dat van de Walburgiskerk in Zutphen. Tijdens een rondleiding daar hoorde ik jaren geleden dat het koor van de kerk een knik maakt, omdat het treurt.
Tijdens een cursus kunstgeschiedenis leerde ik, jaren later, dat die knik erin zit, omdat de bouwheren de omringende huizen moesten c.q. wilden laten staan. Een geestelijke reden tegenover een seculiere dus.

Soms staan ze niet tegenover elkaar, maar in elkaars verlengde. Het joodse Pesach is bijvoorbeeld van oorsprong een oogstfeest, maar werd later de viering van de uittocht uit Egypte. Toch klinkt de oorsprong in de huidige viering van bijvoorbeeld een ander feest, Sjavoeot (Wekenfeest, Pinksteren) nog door: in het loslaten van een jonge duif en het binnen dragen van pas geboren baby’s, zoals ik in een kibboets in Israël meemaakte.
Dit maakt dat het voor seculiere mensen mogelijk ook iets van het feest mee te beleven.

Iets soortgelijks kan opgaan in de discussie over religieuze feestdagen en het ‘afstaan’ van de tweede dag (Tweede Paasdag en Pinksterdag bijvoorbeeld) voor een feest van een ander geloof. Seculiere mensen en christenen kunnen zo Ramadan, dat nu op de kalender staat (18 juni t/m 17 juli) meebeleven wanneer aan het vasten de inhoud wordt gegeven die moslims er ook deels aan geven: verbondenheid met arme en hongerige mensen op de hele wereld.

Ook valt te denken aan het gezamenlijk vieren van nieuwe feesten, zoals Keti Koti, een Surinaams begrip (= Verbroken Ketenen) dat de afschaffing van de slavernij symboliseert, op 1 juli 1863 in de toenmalige koloniën Suriname en de Nederlandse Antillen.

Zowel de oprichting van het instituut NiNsee, het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, als de oprichting van herdenkingsmonumenten, waaronder het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark, zijn directe resultaten van deze inspanningen.

De rabbijn Lody van der Kamp, de predikant Herman Koetsveld en de humanistische moslim Enis Odaci hebben iets soortgelijks voorgesteld, namelijk ruil Tweede Paasdag in voor het joodse Jom Kippoer (Grote Verzoendag), en Tweede Pinksterdag voor het islamitische Suikerfeest. ‘Dat is’, zeggen zei (in: Trouw, 4 juni 2015) ‘een prachtige verbreding van de symboliek van het leven.’ Mijn zegen hebben ze.

Concert of concept?

Teo KrijgsmanVan 22 mei t/m eind juni is in de Thomaskerk te Amsterdam een tentoonstelling te zien die ik a.i. mocht samenstellen. Met schilderijen van Suus Scheller en foto’s van Teo Krijgsman (zie afb.). Het zijn allemaal bomen – maar het is méér dan dat; er zit een ritme in, het ritme van de seizoenen, van het leven –  een levensritme.

Het doet denken aan een lezing die ik in 2003 voor de FASO (Federatie van Amateur Symfonie- en Strijkorkesten) hield in Theater De Kom te Nieuwegein. Een gedeelte daarvan publiceer ik hieronder.

Een collega van mij gaf eens een huisconcert. Zij zong, en iemand begeleidde haar op gitaar. Na afloop kwam een mijnheer op beiden af, om te bedanken voor het ‘mooie concept.’ Zij hadden hier erg om moeten lachen – want die concertganger had zich zeker versproken. De vraag is nu of zij daarmee gelijk hadden. Bedoelde deze mijnheer niet écht ‘concept’ – nog los van het feit of hij het optreden in één moeite door ook niet gewoon op prijs had gesteld. Het één sluit het ander toch niet uit?

Om te beginnen: het woord concept vat ik op in de filosofische betekenis van het woord, die van onderlinge verwijzing. Een paar voorbeelden om dit te verduidelijken.
Het eerste betreft vijf concerten die het Concertgebouworkest in 1983 in Amsterdam gaf onder leiding van Antal Dorati. Op het programma stond Die Schöpfung van Joseph Haydn. Dorati had besloten dit oratorium vooraf te laten gaan door Threnos van Penderecki. Dit werd toen in het programmaboekje uitgelegd als een demonstratie tegen de bewapening en een oproep voor vrede. Threnos, een klaagzang voor de slachtoffers van Hiroshima, geeft de ledige wereld weer na de verwoesting door de atoombom. Die Schöpfung schildert óók een lege wereld, maar dan in afwachting van iets goeds en zinvols. Deze programmering was een oproep om de wereld niet ten onder te laten gaan, maar de schepping te helpen voltooien.

Het tweede voorbeeld betreft een concert van een jaar later. In dit geval een orgelconcert in de Grote Kerk van Harlingen. Organist Klaas Hoek legde ook een verbinding tussen twee stukken. Het ene stuk was Principal sound (Prestantklank) van Morton Feldman en het tweede de koraalbewerking Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ uit het Orgelbüchlein van Joh. Seb. Bach. Er was geen programmaboekje waarin werd uitgelegd waarom de organist beide stukken zonder onderbreking aan elkaar laste. De verbijstering was zo al groot genoeg. Eenzelfde soort roep om vrede als bij het concert onder leiding van Dorati werd ons deel. Heden en verleden vielen samen, gericht als ze waren op de toekomst. Als luisteraar kreeg je het gevoel dat Bach een tijdgenoot was en dat de inkt van zijn stuk nog nat moest zijn.

Wat mogen we op grond van deze voorbeelden concluderen? Dat niet alleen de inhoudelijke verwijzing bij een concept van belang is, maar ook wel degelijk de vorm. Wanneer beide sterk genoeg zijn, is er sprake van een goed concept én dien ten gevolge van een goed concert. Misschien kun je dan zelfs zeggen dat het concept achter het concert is verdwenen, als een serie hulplijntjes die, net als bij een fresco, bij het overschilderen nog wel vaag te zien zijn, maar niet (meer) mogen overheersen.

Wat dirigent Antal Dorati en organist Klaas Hoek wellicht van hun luisteraars verwachtten, was dat ze door hun concert waren verrijkt, geestelijk rijker waren geworden, zich anders voelden. Dat is ze, wat mij betreft althans, gelukt. Daarbij had overigens de toelichting in het programmaboekje van de serie concerten door het Concertgebouworkest beter achterwege kunnen blijven; een luisteraar mag zijn/haar eigen invulling aan een concept geven. Maar dit terzijde.

We gaan een stapje verder: we weten nu wat ik onder concept versta en wat een goede invulling daarvan zou kunnen zijn. Het zal ook duidelijk zijn dat ik bij de voorbeelden die ik hieronder zal noemen, inhoudelijke verbindingen zoek tussen oude en nieuwe muziek. Haydn zal ons daarbij blijven vergezellen.
Het hulplijntje dat ik vooraf heb getrokken is die van de passie- en Pasentijd.

Twee symfonieën van Haydn vormen de hoekstenen van het concert (respectievelijk passie en Pasen). De openingssymfonie waarvoor ik heb gekozen is de 26e symfonie in d kl.t., ‘Lamentatione.’ Een bijnaam die verwijst naar een gregoriaanse melodie die Haydn zowel in het eerste als – duidelijker waarneembaar – het tweede deel citeert. Het is het gezang dat afkomstig is uit de liturgie van de stille week en staat bekend als één van de Klaagzangen van Jeremia.
Als sluitsteen van het concert heb ik gekozen voor de symfonie nr. 30 in C gr.t. van Haydn, ‘Alleluja.’ Deze bijnaam gaat ook terug op een gregoriaanse melodie die Haydn in het eerste deel citeert en die bekend staat als ‘Paas-Halleluja.’

Een plaats die in het passieverhaal een rol speelt, is de Olijfberg, een heuvelrug ten oosten van Jeruzalem aan de overzijde van het Kedrondal. Tegen de helling ligt onder andere Getsemane. Een Nederlandse componist die zich door deze plaats en de verhalen daarom heen heeft laten inspireren, is Coen Vermeeren. In 1997 schreef hij In monte Oliveti voor strijkorkest.
Wanneer we het passieverhaal vervolgen, kan het haast niet missen of wij komen bij zettingen van het Stabat Mater. Daar zijn in tal van voorbeelden van te vinden, die het hart van het concert zouden kunnen uitmaken.

Een concert dat dan uiteindelijk bestaat uit: de symfonie nr. 26 van Haydn, In monte Oliveti van Vermeeren voor de pauze, een Stabat Mater en de symfonie nr. 30 van Haydn na de pauze. Een programma dat loopt van donker (d kl.t.) naar licht (C gr.t.), van passie naar Pasen.

Omdat het een naam mag hebben

Huijbregts_Allard PiersonEen gedicht dat de receptie van een serie schilderijen uitlegt, kan dat? Of eerder: de uitleg van een gedicht dat … enzovoort.
Het gedicht was ‘Nalatenschap’ uit de bundel Het Levend Monogram (1955) van Ida Gerhardt.
De uitleg was van prof. dr. Martien Brinkman, auteur van onder meer Hun God de mijne? (2014), tijdens een leerhuisavond in Amsterdam.

En de schilderijen waren door Marc-Marie Huijbregts samengebracht uit het depot van het Van Abbemuseum in Eindhoven voor een zaal in het De Wereld Draait Door Pop-Up Museum in het Allard Pierson Museum Amsterdam (zie afb. linksboven, uit een NRC Handelsblad Special). Dat zijn alle ingrediënten op een rijtje.

Huijbregts koos voor portretten van mensen als Edgar Fernhout, Charley Toorop, Leo Gestel en Jan Sluijters. En een prachtige Permeke: De zaaier (1935, zie hieronder). Hij verantwoordt zijn, volgens recensent Hans den Hartog Jager (NRC Handslesblad Special) ‘een tikje tuttige’ keuze met: ‘Kunst gaat voor mij over communicatie. Je kijkt en voelt de energie van een kunstenaar. Bij portretten komt daar nog een energie bij, die van de geportretteerde. En dan ben je met z’n drieën.’

Die toelichting raakt aan het gedicht van Ida Gerhardt:

Dappere morgenhaan                             Permeke_De zaaier
gij bode van het licht,
haan van een Hollands erf:
zag mij het dagwerk aan.
En ben ik heengegaan,
meld dan, hoog opgericht,
met roep en vleugelslaan
aangaande mijn versterf:
dat het is opgestaan.

In de kopie die Martien Brinkman hiervan voor ons had gemaakt, had hij twee regels onderstreept (zie boven). Daaruit las hij (‘het is maar een hint die ik voor beter geef’) dat wat is opgestaan, de mens kan zijn en/of het levenswerk van de dichter. De lezer (de derde, zou Huijbregts zeggen) ontleent door het lezen van dit gedicht zijn/haar opstandingskracht aan Gerhardt.

Je geïnspireerd weten is volgens Brinkman de diepste religieuze ervaring die het werk van de dichteres kenmerkt. Het gaat van donker naar licht. Van de donkerte aan de onderkant van het schilderij van Permeke – wiens schilderij ook nog eens De zaaier’ heet! – naar de lichte wolkenlucht, en naar het licht dat doorbreekt op de gezichten van sommige geportretteerden. Omdat wij worden aangekeken en een naam mogen hebben:

Een diep verdriet dat ons is aangedaan
kan soms, na bittere tranen, onverwacht
gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,

op Paasmorgen, zéér vroeg nog op den dag.
Waar onderdijks een stukje moestuin lag
met boerse rijtjes primula verfraaid,

zag ik, zondags getooid, een kindje staan.
Het wees en wees en keek mij stralend aan.
De maartse regen had het ‘s nachts gedaan:
daar stond zijn doopnaam, in sterkers gezaaid.

Tentoonstelling in het Allard Pierson Museum: van 29 januari t/m 25 mei 2015: http://www.allardpiersonmuseum.nl/te-zien-te-doen/nu-te-doen/content/tentoonstellingen/2015/01/dwdd-popup-museum.html
De inleiding van prof. dr. Martien Brinkman verschijnt op de website van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie: 
http://www.leerhuisamsterdam.eu