Twee paar handen

Vorige week bezocht ik met een vriendin op de Biënnale in Venetië. Een impressie van met name de twee hoofdtentoonstellingen, de landenpaviljoens in het stadspark Guardini en de door curator Ralph Rugolff samengestelde expositie in het Arsenale, alsmede enkele satelliettentoonstellingen én een geheim tip van een in de pers schromelijk verwaarloosde bijdrage van Navid Nuur, verscheen op de website 8weekly.nl: https://8weekly.nl/special/kunst-specials/biennale-arte/ 

Wie mijn blogs een beetje volgt, weet dat ik verzot ben op kunstwerken die op één of andere manier, al dan niet bewust, in gesprek gaan met elkaar. Op bovengenoemde website zijn dat James Byas en de stèle van doge Mercantonio Memmo, – hier een doek van Jörg Immendorff (Michael Werner Gallery, foto links) in Quarini Stampalia en een zelfportret van Arshile Gorky (privécollectie, foto rechts) in Ca’ Pesaro.

Eerst Immendorff. Het doek in acrylverf heeft als titel So … Besuch bei einem Künstler (1976). Op een sociaal-realistische manier schilderde Immendorff een groep mensen. Rechts staat de Künstler, met in zijn linkerhand een kwast waarvan het uiteinde uit vingers bestaat. De boodschap moge duidelijk zijn: de kunstenaar heeft een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Kunst moet de wereld, de maatschappij, leefbaarder maken. Het is de kunst zelf waardoor de in 2007 overleden Immendorff zich uit en zijn duidelijke en zekere statement maakt. Je zou het ethische kunst kunnen noemen, op een aansprekende manier en in felle kleuren neergezet.

Het schilderij van Gorky, die in 1948 zelfmoord pleegde, is een zelfportret dat hij circa 1937 met olieverf in tere kleuren op het doek zette. Het is (nog) duidelijk beïnvloed door de stijl van Paul Cézanne. De schilder houdt in zijn rechterhand, lijkt het, een palet. In zijn linker vermoed je een kwast, maar het is noch een hand, zoals bij Immendorff, noch een kwast die zijn afgebeeld. Het is pure vorm, l’art pour l’art haast.

Gorky was in 1937 bevriend met John Graham, auteur van onder meer System and Dialectics in Art (New York, 1939). In het voorwoord hiervan schrijft de auteur dat ‘kunst de kracht is die de mensheid door eeuwen van donkerte leidt’. Dit is wat ik ook in dit portret proef, samen met een zekere onzekerheid en twijfel of dit wel mogelijk is. Je zou het esthetische kunst kunnen noemen.
Wat mij bij deze Biënnale opviel, was echter dat het ethische én het esthetische allebei aanwezig was. Soms, zoals in bovengenoemde twee doeken in samenspraak, soms ook binnen één kunstwerk.

Het koninkrijk van de angst – Martha Nussbaum

Het koninkrijk van de angst : een filosofische blik op angst als politieke emotie / Martha C. Nussbaum ; vertaald [uit het Engels] door Rogier van Kappel. – Amsterdam : Uitgeverij Atlas Contact, [2018]. – 255 pagina’s ; 21 cm. – Vertaling van: The monarchy of fear. – New York : Simon & Schuster, © 2018. – Met
literatuuropgave. ISBN 978-90-450-3748-6

Martha Nussbaum heeft al eerder aangetoond aandacht te hebben voor emoties die een destabiliserende factor vormen in de zoektocht naar rechtvaardigheid. Met name in haar boek Politieke emoties (2014). Nussbaum is een van de bekendste filosofen van dit moment en als hoogleraar verbonden aan de universiteit van Chicago. Na de Amerikaanse verkiezingen van 2016 besluit ze dieper in te gaan op de emotie ‘angst’, die het rationele denken blokkeert, hoop vergiftigt en constructieve samenwerking belemmert. Het doel van dit voor een groot publiek geschreven boek is pimair reflectie en introspectie. Achtereenvolgens geeft zij een analyse van angst en enkele strategieën om deze in toom te houden. Ze beschrijft woede, walging en afgunst: negatieve, op minderheden gerichte politieke emoties (uitsluiting van immigranten, moslims) en hoop, liefde en visie voor de mensheid. De invulling van Nussbaum neigt soms naar een wat eenzijdige benadering van de begrippen ‘angst’ en ‘woede’ en zou wat de alternatieven betreft hier en daar wat aan concreetheid hebben kunnen winnen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Piet Steenbakkers en Spinoza

spinoza_in_muziekHet is een knappe, retorische truc: zeggen dat je geen oordeel kunt en gaat geven op het bijzonder hoogleraarschap Spinozastudies van Piet Steenbakkers, vanwege het bereiken van diens pensioengerechtigde leeftijd, en het en passant toch min of meer wel doen. Stan Verdult deed het in een blog op zijn website (http://spinoza.blogse.nl/log/het-bijzonder-hoogleraarschap-spinozastudies-van-piet-steenbakkers-komt-ten-einde.html).

Wat ik wil doen is evenmin een oordeel vellen over de vruchten van dit bijzondere hoogleraarschap, en twaalf jaar gewoon hoogleraarschap aan de Universiteit Utrecht, want op het universitaire werk van Steenbakkers en zijn postdoc-medewerkers heb ik geen kijk. Wat ik wél wil doen, is nagaan welk beeld van Spinoza ik dank zij Steenbakkers met name binnen de Vereniging Het Spinozahuis, waarvan ik lid ben, heb opgebouwd.

Korte Verhandeling
Als ik mijn aantekeningen mag geloven, heb ik hem op 19 februari 2005 voor het eerst bij de Vereniging gehoord. In een inleiding over ‘De verschillen tussen de Korte Verhandeling van God, de Mensch en dezelve Welstand en de Ethica.
Steenbakkers vroeg zich onder meer af waarom Spinoza de naam ‘God’ bleef gebruiken in plaats van ‘Natuur.’ En hij gaf het volgende antwoord: Misschien omdat de denker eerst door de studie van het jodendom en het schrijven van de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) moest gaan, alvorens hij de Ethica kon schrijven. Spinoza had volgens hem geen probleem met God, maar met de predikanten uit die tijd die het hadden over een wrekende God.

Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk
Een jaar later legde Steenbakkers tijdens een zomercursus van de Internationale School van Wijsbegeerte (ISVW) en de Vereniging in Leusden onder de titel ‘Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk’ diens kenleer uit.
Hij ging toen nog een stapje verder dan het jaar daarvoor, en meende dat Spinoza de Naam van God in de Ethica nodig had vanwege de affectenleer. Hij bracht ook een nuancering aan bij de opvatting van diegenen die menen dat Spinoza in het vijfde deel van dit boek de deur open zou hebben gezet naar het idee van onsterfelijkheid van de ziel. Hij zag het eerder als een opgaan in een soort Al-geest, een collectief denken. Dat is iets anders dan de hemel, maar een verrijking van de mens(heid) door de twee attributen van God: denken en uitgebreidheid.

Recente ontwikkelingen
Tijdens de herdenking van de 375ste geboortedag van Spinoza, weer een jaar later, in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, spon Steenbakkers weer verder aan deze draad. Hij sprak over recente ontwikkelingen in het Spinoza-onderzoek, en noemde drie punten:
1. De nog nauwelijks onderzochte Bijbelkritiek van Spinoza
2. De meer onderzochte, hiervoor al genoemde affectenleer (Nico Frijda, Damasio)
3. Het onderzoek van Moreau.

De briefwisseling
Ik sla een paar jaar over, omdat ik niets in mijn aantekeningen over Steenbakkers terugvind, en kom uit bij diens inleiding over ‘Filosofische thema’s in de briefwisseling’ die hij in 2013 voor de Vereniging hield.
Steenbakkers stelt dat een belangrijk thema hierin het meningsverschil tussen Spinoza en enkele theologen uit die tijd over de hiervoor reeds genoemde attributen van God is. Spinoza beperkte deze tot denken en uitgebreidheid. De rest beschouwt hij als modi van God (Eeuwigheid, Alwetendheid enz.). Steenbakkers ziet een overeenkomst in de manier waarop Spinoza over het jodendom en het christendom denkt, en die is gelegen in de liefde. In november 2009 had Steenbakkers dit onderwerp, ‘Spinoza en de liefde’, al aangesneden tijdens een studiedag van de Amsterdamse Spinoza Kring. [1]

Democratie
We spinnen verder. Tijdens Steenbakkers inleiding over ‘Democratie’, het elfde hoofdstuk uit Spinoza’s Tractatus Politicus, mei 2014 en ook weer voor de Vereniging, heeft hij het wederom over collectief denken, net als in Leusden. Hij erkent dat dit beperkingen heeft, en dat God geen geest heeft (antropomorf). Steenbakkers ging ook nu in op recent onderzoek, onder andere op een boek van Martin Saar: Die Immanenz der Macht. Politische Theorie nach Spinoza (Berlijn 2013).
Ik zat in een gespreksgroep die traditiegetrouw na de inleidingen en de pauze samenkomt. Piet Steenbakkers was dit keer de gespreksleider. Ik was ook hier weer geraakt door zijn kennis van de joodse achtergrond van Spinoza’s denken. De opmerking ‘Maar hierover genoeg’, die je in Spinoza’s werk tegenkomt, staat volgens Steenbakkers op één lijn met de ruimte die Farizeeën in hun tekstcommentaren open laten als ze een inconsistentie tegenkwamen.

TTP
Tijdens Steenbakkers’ inleiding voor de Vereniging in 2016 ‘Over het politiek aspect’  in Spinoza’s TTP, merkte ik om te beginnen op dat het interessant is, dat Spinoza het in zijn Ethica zowel over vrijheid als determinisme heeft. Kenners en liefhebbers van de Talmoed zullen dit herkennen als een kenmerkend aspect binnen het Talmoedische denken.
Ook Steenbakkers ziet beide, vrijheid en determinisme, niet los van elkaar en erkent moeite te hebben met een artikel als Free men van Steven Nadler (in: Journal of the American Philosophical Association, januari 2015). Nadler betoogt, in tegenstelling tot gangbare interpretaties, dat de mens wordt geleid door de rede.

Symposium en afscheidsrede
Zowel  Nadler als de eerder genoemde Pierre-François Moreau spraken tijdens het symposium ‘Spinoza research: to be continued’, gisteren in Utrecht. Dit werd afgesloten met een openbare lezing door Piet Steenbakkers, ‘Spinoza, de legende voorbij.’ Hiertoe beperk ik mij tot slot van deze blog.
Meteen al in zijn inleiding tot deze lezing, sprak Steenbakkers de hoop uit dat er eens een solide, omvattende monografie over Spinoza’s kenleer komt. Hij ziet dit eerder in deze blog genoemde epistemologie als het centrum van Spinoza’s filosofische systeem: vrijheid door kennis.[2]
Ook het eerder genoemde gegeven dat Spinoza als atheïst wordt bestempeld en Steenbakkers’ opvatting dat Spinoza God niet ziet als wreker (en hier toegevoegd: als schepper) die in een mensenleven ingrijpt. Wat, aldus Steenbakkers, op zich voor zijn tijdgenoten al genoeg was om hem van atheïsme en immoraliteit te beschuldigen.
Prachtig hoe de draad steeds verder werd gesponnen en genuanceerd binnen het denken van iemand die vanaf 1977, toen hij nog student was, interesse opvatte voor Benedict de Spinoza.

[1] http://amsterdamsespinozakring.nl/images/stories/pdf/lezing_steenbakkers_spinozadag_22-11-2009.pdf

[2] De tekst van deze openbare lezing, en alle tijdens het symposium uitgesproken lezingen, zijn in het Engels uitgegeven door de Uitgeverij Spinozahuis: Spinoza research: to be continued (ISBN 978 94 90250 21 8). Waar ik naar verwijs zijn gedeelten op p. 10 (bovenaan) en 14 (voetnoot 14).