Samen vieren?

Gisteren, maandag 24 april, vond in de Amsterdamse Thomaskerk een studiemiddag plaats met vijf protestantse en vijf rooms-katholieke theologen over Eucharistie en Avondmaal. De vraag was: is samen vieren mogelijk? Wat geloven we precies en hoe beleven we dat sacrament? De uiteindelijke vraag was: welke beletselen staan (nog) in de weg voor een gezamenlijke viering?

Leeuwarden
Jaren en jaren geleden was er gedonder tussen de (toen nog) Nederlands Hervormde Gemeente en de rooms-katholieke parochie in de wijk Bilgaard in Leeuwarden, waar zij gezamenlijk een kerkgebouw (nu wijkcentrum) gebruikten. Hoe de vork precies in de steel zat, weet ik niet meer. Wel dat de pastoor het veld moest ruimen, en dat op een zondag er een gezamenlijke dienst was, inclusief Eucharistie/Avondmaal. Beide voorgangers, de predikant en de pastoor, deelden brood en wijn uit. Ik stemde met mijn voeten voor de pastoor en tegen het beleid, en ging bij hem – die als ik mij goed herinner door alle ellende kort daarna een hartaanval of beroerte kreeg – ter tafel. Iets dat in ieder geval door de synode sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebillijkt.

Band tussen Christus en de Kerk is fundamenteel:
Christus als oersacrament
Kerk als grondsacrament, als plaats waar Gods heil wordt gehoord en zichtbaar gemaakt.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

De Slangenburg
Ik was eens een midweek in de Slangenburg en vierde een deel van een viering mee. Een deel – want wij werden weliswaar genodigd, zonder onderscheid. Ik wilde voor het delen van brood en wijn naar voren gaan, maar werd door degene die naast mij zat min of meer tegengehouden: dit mag je níet doen. Ik voelde me buitengesloten en verdrietig, ik die niet aan avondmaalsmijding deed, zoals ik me nog van mijn moeder herinnerde. Dat gevoel herkende ik helemaal in wat Henk Meulink (voorzitter van de Raad van Kerken in Amsterdam) vertelde in het mislukte tafelgesprek tussen maar liefst negen mannen en één vrouw (!), deels ook nog eens met de rug naar het publiek, na de twee inleidingen – door mgr. dr. De Korte en dr. Karel Blei – : in zorginstellingen bestaan gemeenschappelijke vieringen. Of liever gezegd: tot nu, want onlangs werd hij genood én geweigerd. De arm van het kerkelijk gezag van Rome reikt ver, en omsluit – zoals de armen, de zuilengalerij voor de St. Pieter op het St. Pietersplein – alléén rooms-katholieken.

Er bestaat een nauwe relatie tussen Eucharistische gemeenschap en kerkelijke gemeenschap.
Maaltijd van de kerkelijke eenheid: eenheid in geloven is nodig voor deelname aan de Eucharistie.
Vergelijk met het Eucharistie gebed: gebed voor paus; bisschoppen; onze doden.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

Israël
In Israël heb ik het voorrecht gehad in een kibboets op sjabbat aan de maaltijd te hebben aangezeten. Iedereen voelde zich welkom, hoewel het overduidelijk was dat er niet-joden aanwezig waren. De christelijke mannen hadden hun hoofd bedekt, zoals te doen gebruikelijk. Met een keppeltje of een servet. Het was niemands bedoeling dat de joden zich tot het christendom zouden ‘bekeren’ noch dat de christenen jood zouden worden. Ieder beleefde de maaltijd op zijn/haar manier, in verbondenheid, eerbied en respect voor elkaar.

Niet al vierende naar de eenheid toegroeien maar de gezamenlijke Eucharistie als afronding van het proces van eenwording van alle christenen (‘De Maaltijd wordt uitgesteld’).

(Mgr. Dr. Gerard De Korte)

Is er sacrament omdat er kerk is, of is er kerk omdat er (o.a.) sacrament is? Katholieken zijn geneigd tot het eerste, protestanten tot het tweede. Maar beide aspecten hebben hun waarde.

(Dr. Karel Blei)

Antwerpen
Enkele jaren geleden was ik in een koosjer restaurant in Antwerpen, waar joden en christenen gezamenlijk de lunch gebruikten. Degene met wie ik samen reisde, twijfelde bij de ingang van het restaurant even of ze haar handen ritueel zou reinigen in de bekkens met water die daar stonden opgesteld. Uiteindelijk deed zij dit niet, omdat ze het niet gepast vond. Daarin had ze, vond ik gelijk, en ik volgde haar voorbeeld. Want in tegenstelling tot de Slangenburg, ervoer ik dit op dat moment als zodanig: dit is niet voor mij bestemd.

Leren en vieren
De nadruk lag tijdens deze studiemiddag op het leren – op met name het rooms-katholieke leergezag, dat de protestanten deels achter zich hebben gelaten door het lezen van het didactische tafelformulier te vervangen door een tafelgebed waarin meer nadruk ligt op het vieren van het Avondmaal, dat soms ook Maaltijd van de Heer wordt genoemd.

Andere, nieuw naar voren gekomen aspecten zijn: gemeenschapsbeleving, toekomstverwachting, diaconale gerichtheid (breken en delen in de samenleving).

(Dr. Karel Blei)

Wat zal ik doen als ik weer eens, zoals in Leeuwarden of de Slangenburg voor de keuze zal komen te staan: meevieren of blijven zitten? Het eerste, denk ik. En dan is een leerhuisbijeenkomst als deze, zoals Wilken Veen, voorzitter van het tafelgesprek zei, ‘een voorfase tot gezamenlijk vieren.’ Laten we het daar op houden.


De Oude Kerkgemeente en het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie organiseert op dinsdag 16, 23 en 30 mei a.s. in de Van Limmikhof (Nieuwe Keizersgracht 1a te Amsterdam) een leerhuis o.d.t.
De maaltijd van de Heer met prof. dr. Rinse Reeling Brouwer (Protestantse Theologische Universiteit), één van de tien deelnemers aan wat een tafelgesprek had moeten worden.

In de stilte tussen de noten

Hurdegaryp_Hofkerk‘Het had Dvořák moeten zijn, want dat speelde ze zoveel’ zegt een buurman van mijn lieve oud-buurvrouw die is overleden. Maar zij had anders besloten: Mozart en Schubert zouden het worden. Haar pianoleraar speelde muziek van hen. Op haar eigen piano, die naar de Hofkerk in Hurdegaryp was overgebracht (zie foto). Daar was het afscheid. En daar werd ze, naast de kerk, begraven.

De piano(leraar) vertelde haar levensverhaal. Het zat in de stiltes tussen de noten. Het klonk alsof ze het zelf vertelde, in haar flat in Leeuwarden. Waar de kinderen het hadden over de vrouw ‘die zich geraakt wist door de leegheid die het platteland geeft’, hoorde je dat terug in de ruimte tussen de noten.  En verder ging het, over ‘een vrouw ook (…) die één uitlaatklep had om alle indrukken van het leven een plekje te geven: haar muziek, haar piano, haar zingen…’. Dat hoorde je in de schrijnende open plekken in de muziek van Schubert, waar woorden tekort schoten. Met alle respect voor Dvořák: ja dat zit meer in de muziek van hem.

Dát is wat muziek kan bieden. Dát is het wat we allemaal in de stiltes tussen de noten hoorden, zoals wat gezegd wil worden soms tussen de regels of in een witregel staat. Esther Gerritsen is er sterk in, hebben we tijdens de afgelopen Boekenweek weer uit het Boekenweekgeschenk kunnen opmaken. Ongetwijfeld hebben de pianolessen eraan bijgedragen om de muziek zó te spelen, met die veelzeggende stiltes tussen de noten. En daarom is het zo onvoorstelbaar dat we leven in een land dat dit niet altijd inziet en er niets over wil horen, op muzieklessen op scholen beknibbelt en muziekscholen sluit.

Hoeveel een mens, de levenden en de nabestaanden, daarmee kan worden ontnomen, hoezeer je het leven van iemand daarmee tekort kan doen, bleek weer in de Hofkerk in Hurdegaryp. ‘Niet te moeilijk hoor, anders snappen de kinderen het niet’, had Jap tegen haar pianoleraar gezegd. Ik denk dat ze het helemaal hebben begrepen zo niet hebben aangevoeld. En veel mensen die bij het afscheid aanwezig waren met hen.

Grenzen én openheid

Het naderen van een brug_Bentz van den Berg

Eén van de mooiste boeken die ik afgelopen tijd las, en recenseerde voor Literair Nederland, is Het naderen van een brug van Roel Bentz van den Berg. De schrijver komt aan het woord in het recente nummer van Filosofie Magazine (april 2016).
In hetzelfde nummer staat een interview met politiek geograaf Henk van Houtum over het thema van de Maand van de Filosofie: grenzen.

Ik realiseer me dat je het boek van Bentz van den Berg ook zo kunt lezen zoals hij Van Houtum het asielzoekerscentrum in Heumensoord beschrijft: niet als een grensgebied tussen leven en dood, zoals in de roman, maar als een soort permanente wachtplek voor asielzoekers: ‘Een niemandsland, tussen twee grenzen in, waar mensen buiten de gemeenschap apart worden gehouden.’ De grens is als de brug in de roman: wij (levenden, autochtonen) aan de ene kant van het water of de weg, zij (de doden, asielzoekers) aan de andere kant ervan.

Zink_Van ReybrouckSoms bepaalt de loop van water de grens. Maar veel vaker is dat de strijd om natuurlijke rijkdommen. David Van Reybrouck schrijft erover, en noemde zijn boekje zelfs naar die rijkdom: Zink, een uitgave ter gelegenheid van de Boekenweek 2016. Een essay over Neutraal Moresnet, een mini-staatje (1816-1919). Drie kaartjes in het boekje geven de in de loop van de tijd gewijzigde grenzen ervan aan. De inwoners hebben zelf ‘geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn’ hen overgestoken, telkens weer, ‘zo vaak als een klompje zinkerts is gesmolten.’ Zouden asielzoekers zichzelf ook zo zien en ervaren?

Mijn geliefde oud-buurvrouw uit Leeuwarden is de grens overgestoken tussen leven en dood. Maar ook tijdens haar leven stak ze al vele grenzen over, haar tijd vooruit. Ze paste niet in het keurslijf van poetsende huisvrouw en toog al in de jaren vijftig van de vorige eeuw naar de grote stad om alleen op een terrasje neer te strijken. Ze stond open voor alles om zich heen: andere mensen, andere meningen, andere gewoonten.
‘Heb een open blik. Nederland is zo in zichzelf gekeerd’ riep Jelle Brandt Corstius de kiezers in De Wereld Draait Door op aan de vooravond van het referendum over Oekraïne. Dat zou mijn oud-buurvrouw zich niet twee keer hebben laten zeggen!

De vrijheid van de grens_SchefferDe discussie gaat er nu over of grenzen en openheid haaks op elkaar zouden staan. Een discussie die ontbrandde naar aanleiding van een ander essay, dat Paul Scheffer voor de Maand van de Filosofie 2016 schreef en het pamflet dat de Filosoof des Vaderlands, Marli Huijer, daar samen met hoogleraar ethiek Martin van Hees in Trouw tegenin bracht.
Of zoals Stan Verdult in een blog stelde: beide ‘kunnen en dienen naast en met elkaar te bestaan en zullen tot één afgewogen manier van omgang met vluchtelingen moeten leiden: zowel grenzen stellen (wie en wanneer wel of niet) als met open armen (en graag flink genereus) ontvangen.’ En, denk ik: vooral ópvangen.

 

http://spinoza.blogse.nl/log/anderen-ontmoeten-met-gebalde-vuisten-of-met-open-handen.html

Sytze de Vries 70 jaar

Sytze de Vries‘Ik maak er zelf geen feest van, maar als ze een feest willen, houd ik dat niet tegen’ zei Sytze de Vries toen hij 25 jaar predikant was. Dat is nu wat anders: op 18 oktober a.s. vindt, rond zijn liederen en teksten ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (15 augustus 2015) het zevende Oecumenisch Liedfestival plaats.
Naar aanleiding van dit heuglijke feit herplaats ik hier gedeelten uit een interview dat ik in 1997 met hem had voor Horizon. Aangevuld met recente ontwikkelingen.

‘Professor Honders zei na een proefpreek: “Je hebt het charisma van de taal ontdekt, maar wees daar voorzichtig mee.” Later heb ik pas gesnapt wat hij bedoelde.’
De Vries moet erkennen dat hij tijdens zijn studie in Groningen niet veel heeft geleerd. Pas toen Beker hem op het werk van Gunning wees, werd het spoor uitgezet wat kenmerkend voor zijn predikantschap kan worden genoemd: de maatschappelijk-literaire exegese die tot liturgie leidt.

Peize en Purmerend
ZIjn eerste gemeente was Peize, waar hij van 1972 tot 1981 heeft gestaan. Aan de ene kant bestond de (kerkelijke) bevolking uit import en aan de andere kant uit zo’n vijfduizend vrijzinnigen die de dominee alleen riepen als ze hem nodig hadden: bij trouw en rouw.
De kerkenraad zocht een jonge predikant die iets nieuws wilde beginnen. ‘Het was een leuke tijd. Er was een groep van twintig catechisanten die in de pastorie op zolder bleven slapen, al woonden ze zo wat om de hoek. Ik voelde mij er als noordeling [Sytze de Vries werd in 1945 in Leeuwarden geboren, EvS] thuis. Iedereen zei je op straat gedag.’
Dat laatste ging in zijn tweede gemeente, Purmerend even door: ‘Ik bleef iedereen gedag zeggen, tot ik dacht: “Ze moeten wel denken dat die vent gek is geworden”.’ Voor de rest was deze periode, van 1981 tot 1986, een heel andere tijd. Een andere streek ook, die volgens De Vries ‘het smoel van Drenthe mist. Purmerend bestaat uit populieren en beton. Pastoraal was het ook anders. Was in Peize zelfmoord aan de orde van de dag, hier kwamen relatieproblemen voor.’

Radio en televisie
In Purmerend raakte Sytze de Vries ‘aan de man.’ Via hem kwam hij bij de IKON en later de NCRV terecht, waar hij tien jaar de rubriek het Lied van de week presenteerde. Hij schreef er zelf ook liedteksten voor.
Gedurende anderhalf jaar heeft Sytze de Vries louter en alleen radio- en televisiewerk gedaan. Hij zei zijn werk in Purmerend vaarwel, vroeg de status van emeritus-predikant aan en ging in Amsterdam wonen. ‘Ik kende Willem Vogel al door mijn werk voor de bundels Zingend geloven. Via hem kwam hij in 1986 in de Sweelinckcantorij terecht.
Toen de predikant van de Oude Kerk, ds. Van Beusekom, wegging, kreeg De Vries voor twee jaar 1/4 predikantsplaats. Na twee jaar werd dit omgezet in een halve formatieplaats voor onbeperkte tijd. De Vries was uiteindelijk van 1988-2005 als predikant verbonden aan de Amsterdamse Oude Kerk.

Amsterdam
Als kritiekpunt op de liturgie die binnen de Oude Kerk wordt gevierd, wordt wel aangevoerd dat als je niet oppast deze in estheticisme verzeilt raakt. Sytze de Vries reageert een beetje fel als hij zich afvraagt of ‘het mooiste voor de Here God dan niet goed genoeg is? Als het maar geen formalisme wordt. De liturgie mag de dienst niet gaan beheersen, met als gevolg een onnozel preekje. Voor deze plek is de vorm, die staat in de traditie van de ongedeelde kerk, de beste. Ik zie liturgie als een uiting van pastoraat; mensen moeten in de liturgie kunnen wonen. En dat mag best groots zijn.’

Poëet
Door zijn werk voor radio en televisie krijgt De Vries ook een landelijke pastorale functie toegemeten. Opvallend is dat zijn liedtekst ‘Zo lang wij adem halen’ zijn meest gezongen lied blijkt. Het roert bij mensen een andere snaar aan dan de Barthiaanse liedteksten uit het Liedboek voor de Kerken (1973). ‘Deze gaan veel meer uit van Gij-Hij in plaats van ik en wij. En in die ontmoeting moet het gebeuren. Als kerk kun je de confrontatie individu-gemeenschap gewoon niet uit de weg gaan.’ Waarmee wij naar mijn gevoel waren aangekomen bij Sytze de Vries’ stokpaardje. ‘O ja?’, reageert hij, ‘dat geeft nog nooit iemand tegen mij gezegd, maar het klopt denk ik wel.’

Hij wil niet door het leven gaan als de man die alleen maar liederen en teksten schrijft, al zijn in het nieuwe Liedboek honderdtwintig liederen, vertalingen en liturgische teksten van zijn hand opgenomen. Die wens is uitgekomen. De website van Sytze de Vries’ werkplaats De Vertaalslag vermeldt dat hij theoloog is (‘geeft lezingen en cursussen’), predikant (‘gaat voor in kerkdiensten door het land’), tekstschrijver (‘ook op aanvraag’), dichter en publicist (‘van bundels’). Een veelzijdig mens met aandacht voor het sociale en het creatieve.

http://www.sytzedevries.com/

Een glazen kind

TagliapietraIn de huizen van enkele van mijn neven en nichten staan stukken glaswerk. Gekregen van hun tante Bep. Geen frutsels, maar mooi glas, met smaak uitgezocht. Een blauwe vaas, een groene, ga zo maar door.
Moeder was gek op glas – enkele stukken, niet de complexiteit die een Louis le Roy erin aanbracht, de man die in Leeuwarden rondom een kerk (later ook in gebruik als buurthuis) in Bilgaard een ecoplantsoen aanlegde. Vader bewonderde het.

 

Moeder hield behalve van glas ook van keramiek. Dat is tekenend voor haar. Ik denk aan de omschrijving ‘keramiek straalt rust uit’ van Armando en de eerste regels van het gedicht ‘Vaas’ van Peter Verhelst:

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?

Ga maar na. Glas heeft twee kanten, als in Jantje, weet je hoe je moet fluiten?, een kunstwerk van Jan Fabre (1982, DEWEER, galerie in Otegem): het is kwetsbaar en gevoelig, maar tegelijk kan het ook verwonden,

en barsten schoten in de spiegelruit
tot hij versplinterde en wij ons sneden

aan het glas, en het verdriet om het leven dat uiteen valt, zoals Pieter Boskma dichtte.

Glas kan ook warm zijn als de zon erop schijnt en koud als ijs. Het kan, als de glasblazer zijn kunst tot in de finesses beheerst, fraai van vorm zijn maar ook bewust lelijk gehouden. Van glas kun je genieten, op zich, als kunstwerk of als gebruiksvoorwerp, zoals de Delta-vaas van Mart van Schijndel. Het is ook een metafoor.
Zoals het glasobject met de ingeblazen spiraal. De ziel zit binnenin, afgeschermd tegen aanraking. Alleen het licht valt binnen. Door de zon gebroken als een regenboog, als in de Venustrechter van Rebecca Horn, vanaf 1987 bij de ingang van het Gemeentemuseum Arnhem: glas, staal, verguld koper en gedistilleerd water. Het effect laat zich raden. Wij bezochten dit museum met zijn drieën jaarlijks, maar het kunstwerk heeft moeder niet gekend.
Een metafoor dus – zoals Jan Emmens eens dichtte: ‘Ik ben een glazen kind.’ Hij bedoelde daarmee dat niemand hem zag, en ook niemand hem zag zitten. Het zijn woorden die moeder zo in de mond had kunnen nemen. Maar ze wilde zichzelf óók onzichtbaar maken, gelijk Zacheüs in de boom.

Een gevoelige, jonge vrouw die angst had dat je net zoals bij glas dwars door haar heen kon kijken. Om dat te voorkomen, kroop ze als kind onder tafel of vluchtte op de eerste zondag van de maand, wanneer haar getrouwde zus en broers met aanhang op bezoek kwamen, wellicht om hun (schoon)ouders financieel te ondersteunen, naar haar kamer. De schoonzussen namen haar dat kwalijk, de broers en oudste zuster niet. Die namen haar zoals ze was.
Zij kenden ook moeders andere kant: die als gezegd net als glas kan verwonden, ook zichzelf,

om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan,

aldus de slotzinnen van het eerder geciteerde gedicht van Verhelst.

Ik heb de glasverzameling geërfd. Van de cactuspot tot de bloempot Provista, het vaasje met craquelé en het Beatrixvaasje van Copier tot hedendaags Finse massaproducties. Maar wat mij het meest dierbaar is, zijn twee gewone glazen kopjes van Arcoroc (Frankrijk), omdat moeders lippen daaraan hebben gestaan.

Zowel ingekort als uitgewerkt gedeelte van een hoofdstuk uit ‘Ogen van mijn moeder’ (http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=2689), hier herplaatst n.a.v. de glasaanwinsten die vanaf 22 november 2013 in het Gemeentemuseum Den Haag te zien zijn (zie afb.: een stuk van Lino Tagliapietra).

 

Culturele Hoofdstad van Europa 2018 en 2019 (?)

San DamianoAls je handig bent, draai je de zaak om, maak je van een blinde vlek helderziendheid en maak je wat snoepreisjes, om te zien hoe het zeker níet zou moeten. Dat deed Rob van Gijzel (PvdA), burgemeester van Eindhoven. Zijn stad dong, samen met Leeuwarden (de winnaar) en Maastricht mee om Culturele Hoofdstad 2018 van Europa te worden. De cultuur van de toekomst, technologie, was het speerpunt waar Van Gijzel het allemaal om te doen was. Die moet een antwoord geven op de crisis waarin we verkeren, las ik in Trouw (6 september 2013).

Want neem nu Ravenna en Assisi, die in 2019 Culturele Hoofdstad willen worden. Ach ja, prachtig allemaal natuurlijk, “maar ze presenteren de cultuur van de middeleeuwen”. Die donkere tijd, hoor je ze in de Lichtstad denken. Maar juist in Ravenna en Assisi hebben ze ook een licht gezien, dat wel eens een mooiere oplossing voor onze alles omvattende crisis zou kunnen zijn. In Assisi ben ik het laatst geweest en heb er de sporen gezocht van Franciscus. In Portiuncola, in San Damiano (zie afb.), in Cremo delle Carciri en Rivortorto, in zijn (op)gelapte pij en sandalen, in teksten en verhalen.

Maar misschien vond ik Franciscus nog het meest terug in een uitleg van Lucas 12: 13-21 op 4 augustus jl. door Wessel Stoker in de Oude Kerk van Amsterdam: gebruik dat deel van je inkomen, dat je echt nodig hebt en geef de rest weg. Aan de arme, zieke, wees en vluchteling. Of als maecenas aan de kunst, denk ik er dan stiekem bij. Doe afstand van je bonus, top je hoge salaris af, doe aan crowdfunding. Niets middeleeuws aan. Zo modern als wat.