Drieluik – wonderen

1.
Dinsdag 12 oktober was ik sinds lange tijd weer in (de kleine zaal van) het Amsterdamse Concertgebouw. Bij een concert door bariton George Nigl en Olga Pashchenko (piano/fortepiano). ‘Een oubollig programma’, zei iemand. Wat heet: Schubert – Beethoven – Rihm (!) – Schubert. Als zij een kenner is, jarenlang vaste bezoeker van de Vocale Serie, dan ben ik een liefhebber, minder thuis in het vocale repertoire voor zangstem en piano(forte). Eentje die haar adem inhield toen Nigl en Pashchenko zelf even inhielden op een komma in het lied ‘Auf dem Hügel sitz ich spährd’ van Beethoven:

Und die Seufzer, sie verwehen
In dem Raume, der uns teilt.

Een kiertje licht kwam er doorheen, gedragen door een fluisterzachte begeleiding op fortepiano met demper. ‘Een nieuwe standaard’ zei een recensent naar aanleiding van de CD met dit programma en door deze uitvoerenden, Vanitas (Alpha).

2.
Zondag 17 oktober. Ik lees in de Bijbelse Dagkalender 2021, die ik cadeau kreeg. Bij deze dag staat een citaat van Etty Hillesum: ‘Dat er dus iets van “God” in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van “God” is.’ En, voeg ik toe, ook in dit eerste lied uit de cyclus An die ferne Geliebte. In deze uitvoering.

Ik lees meer die dag. In De Groene Amsterdammer (14 oktober 2021) een artikel van Bas van Putten naar aanleiding van het Sweelinckjaar ter ere van diens vierhonderdste sterfdag. Opeens snap ik waarom ik met veel van diens werk weinig of niets heb. 1) ‘Wat je nu ook nog in Sweelinck hoort – geen wonderen. Zijn meesterschap houdt op hoog peil altijd maat. Nergens een ontwrichtende chromatische ontsporing, en nimmer breekt een lijdend, woedend ego door het fraaie stuc- en metselwerk.’ Zoals bij Rihm tijdens voornoemd recital. ‘Kwarten en septiemen’ zei dezelfde bezoeker die ik aanhaalde. Het zij zo. Van mij mag het schuren. Zeker als het gaat over ziekte en dood, over vanitas.

Bij Sweelinck ‘zweeft de heilige geest er een beetje boven, nog niet in. Hij kan de sweelinckse techniek niet tot mysterie transcenderen’ aldus Van Putten. Al is dat voor iedereen natuurlijk anders; dirigent Patrick van der Linden bijvoorbeeld zegt in het programma ‘Allegro’ ’s middags op NPO2 dat Sweelincks Psalm 38 hem altijd diep raakt door de ruimte die hij erin ervaart.

3.
’s Ochtends had ik, zoals te doen gebruikelijk op zondag, gekeken naar het interview van Annemiek Schrijver met op die dag de ‘poëtisch socioloog’ Shervih Nekuee. Hij kwam ook dicht bij het mysterie in zijn verwoording van wat ik in het recital hoorde en bij Sweelinck (tot nu toe?) niet heb ervaren: ‘In het wonderbaarlijke huist ons hart’. Bij Beethoven zat het met andere woorden, bij Sweelinck niet. Nekuee zei het in het programma ‘De verwondering’.
En hij zei meer. Over poëzie die ruimte maakt, over een reis naar de Himalaya met z’n stilte en ruimte, over de ‘dansende dichter’ Rūmi, die volgens Schrijver gaandeweg zijn leven ‘naar zijn hart zakte’, over het wonderbaarlijke dat zich uit in de taal van dat hart. Waardoor ‘binnen en buiten licht ontstaat (…), uitzonderlijk licht dat met gemis te maken heeft en troost brengt’. Ik hoor er Rūmi in:

Luister naar de fluisteringen van het riet,
luister hoe het weeklaagt over de scheiding.

Maar ook

Und die Seufzer, sie verwehen
In dem Raume, der uns teilt.

 

1) Een uitzondering vormt onder meer Mein junges leben hat ein End. Hier uitgevoerd door Matthias Havinga op het orgel van de Amsterdamse Westerkerk:
ttps://www.youtube.com/watch?v=mSxoD_aDQpE

Orgelzomer 2019

De meeste ‘Zomerorgelconcerten’ of hoe ze ook maar mogen heten, zijn bijna tot een eind gekomen. Sommige organisatoren hebben er wat op gevonden; zo noemt men bij de Laurenskerk Rotterdam de ‘zomermarkconcerten’ vanaf september gewoon ‘orgelpauzeconcerten’. En in de Oude Kerk in Amsterdam begint de serie ‘Monuments’ pas op 14 september om in de koude winter door te lopen …
Ik pak er, zo op het eind in een terugblik vier uit om te kijken wat me dit jaar opviel.

Willeke Smits
Om te beginnen dat van Willeke Smits, organist van de Leidse Binnenstadsgemeente in de Hooglandse Kerk in Leiden, op 8 augustus in de Grote of St. Bavokerk in Haarlem (zie foto hierboven).
Wat bij haar programma opviel, was dat ze het omlijstte met twee barokwerken, een Toccata en Fuga van Joh. Ludwig Krebs aan het begin en de Toccata in F BWV 540 van diens leermeester Joh. Seb. Bach aan het eind. Het eerste werd gevolgd door een werk van Ad Wammes, en het laatste werd voorafgegaan door nog een werk van deze Nederlandse componist.
Het centrale deel werd ingenomen door Smits’ eigen bewerking van Griegs Holbergsuite op. 40. Ik had er, zo op papier, even een hard hoofd in, nadat ik een week ervoor in de Nieuwe Kerk van Amsterdam twee lange, waardeloze bewerkingen had gehoord. Het origineel van het eerste stuk betrof een werk van Joh. Erhardt Weippert, de bewerking was van Fr. Anton Hugl en concertgever Timo Beek. Ten onrechte bleek, want Smits wist wat ze deed. Als een ware Socrates haalde ze uit het materiaal wat er al in verborgen zat en benadrukte zo op deze manier het karakter van barokke vormen als Prelude, Sarabande, Gavotte, Air en Rigaudon. Zo kan het – en zo moet het ook! Een fijn concert met andere woorden.

Manuel Tomadin
Het tweede orgelconcert dat ik hier wil noemen was ook in de Nieuwe Kerk (foto rechts), op 13 augustus, en werd gegeven door Manuel Tomadin (Italië).
Hij speelde een geheel barokprogramma, vanaf Delphin Strunck, via Jan Pietersz. Sweelinck, Peter Morhard, Dietrich Buxtehude, Vivaldi en Joh. Seb. Bach. Een programma dat bij uitstek bij dit orgel past. En bij de organist, die onder meer studeerde aan de Schola Cantorum Basiliensis (Zwitserland). Hij bleek gepokt en gemazeld in de retorica en agogiek die je af en toe deed opveren.

Hayo Boerema
Met Hayo Boerema’s zomermarktconcert in de Grote of St. Laurenskerk in Rotterdam (foto links), op 27 augustus, betraden we een heel ander terrein. Hij speelde werk van de Engelse componisten William Mathias en Frank Bridge, drie delen uit Mariales van zijn leermeester Naji Hakim, met wie hij 30 oktober a.s. in dezelfde kerk een orgelpauzeconcert zal geven, een eigen improvisatie en tot sluit de vierde sonate van Alexandre Guilmant.
Van hem kan hetzelfde worden gezegd als van Tomadin: dit is muziek waarin hij is gepokt en gemazeld, gespecialiseerd als hij is in het (Frans) symfonische orgelrepertoire. Net als het concert in de Nieuwe Kerk leverde dit een homogeen programma op.

Michael Hedley
Heel anders was de programmasamenstelling van het concert dat Michael Hedley op 28 augustus gaf in de St. Nicolaasbasiliek in Amsterdam (foto rechts), waaraan hij is verbonden als titulair organist en muziekdirecteur.
Een klassieke opbouw, zou je haast kunnen zeggen, zoals we dat jarenlang gewend zijn (geweest): een barokdeel met achtereenvolgens een Toccata van Dieterich Buxtehude (ja: hier wel de Deense voornaam zoals hij sinds kort terecht na onderzoek wordt genoemd), werk van Scheidt, Vivaldi (arr. J.G. Walther) en Louis Marchand met daarna een Phantasie van Rheinberger, een Prélude van Ropartz en Paean (uit de Six Pieces for Organ) van Herbert Howells.
Hoewel Hedley masterclasses volgde bij iemand als Luigi Tagliavini, kun je van de generalist als hij is, niet verwachten dat hij, zoals Tomadin, ten diepste doordrong in de retorica en agogiek van barokmuziek. Daar stonden mooi spel en schitterende registraties tegenover, waardoor elk stijlgemiddelde optimaal tot zijn recht kwam, of het nu ging om de Grand Dialogue van de Fransman Marchand of de Duitse romantiek van Rheinberger.
Een warm applaus viel hem ten deel, net als Willeke Smits (‘een wijfie’, zei een meneer die zonder programma was binnengelopen achter mij verbaasd), Manuel Tomadin en Hayo Boerema.
Een mooie orgelzomer, dat was het. Net als de echte.

De spiegel als bespiegeling

Memling_St. JorisOla Mafalaani

Hij is terug van nooit weggeweest: Shylock, het personage uit De koopman van Venetië van Shakespeare. In twee boeken die ik onlangs las, figureert hij: Shylock is mijn naam van Howard Jacobson, in de Nederlandse vertaling van Lidwien Biekman, en in Antisemitisme. Geschiedenis en actualiteit, een boek van Jaap Tanja.

Staat Shylock nu echt synoniem voor antisemitisme? Naar aanleiding van het verschijnen van bovenstaande twee boeken denk ik terug aan een opvoering van het stuk van Shakespeare in een regie van Ola Mafaalani (zie afb. rechts), in 2002. Ik zag het in Utrecht en schreef erover in Quadraatschrift (september 2002). Die column neem ik hier enigszins gewijzigd over.

In de Alte Pinakothek in München hangt een schilderij van Hans Memling, dat op het moment vanwege een verbouwing niet valt te zien (zie afb. links). Op de rechterkant, in het schild van St. Joris, wordt de linkerkant weerspiegeld als de echo in een Fantasie van componist Jan Pietersz. Sweelinck. Even kwam ik in de verleiding iets soortgelijks op te maken uit de regie van de Syrische regisseur Ola Mafaalani van Shakespeare’s De koopman van Venetië: het gedrag van de jood Shylock wordt weerspiegeld in dat van de Venetianen. Elk antisemitisme – wat deze rol al dan niet terecht aankleeft –, wordt zo de grond ingeboord. De zaal wordt, als altijd in een regie van Mafaalani, op die manier ‘meervoudig gericht betrokken’, zoals Douwe van der Sluis goede partijdigheid bij in dit geval joden en Palestijnen eens noemde.

Maar de regie gaat dieper. Net zoals Anton Wessels een artikel in Overcome weliswaar ook begon met spiegelingen tussen geweld van de kant van het ‘christelijke westen’ en het ‘islamitische oosten’, hij deze te boven komt door ervoor te pleiten wederzijdse vertekeningen af te bouwen. Net zoals Mafaalani deed; de spiegel is een bespiegeling geworden. Over verveling en onverschilligheid (het spelletje poker dat al voor de voorstelling is begonnen), geldzucht en consumptiedwang, machtswellust en vreemdelingenhaat, innerlijke rijkdom en uiterlijke schijn gesproken. Kortom over wat Wessels de grote djihâd (eigen verkeerde begeerten, de verzoeking) noemt.

Ola Mafalaani ging nóg een stap verder. Zij staat er niet alleen bekend om dat zij toeschouwers letterlijk bij een toneelstuk betrekt, maar ook de manier waarop zij de emoties van Shylock door middel van diens lichaamstaal voor en na de monoloog over genade door Portia in het vierde bedrijf over het voetlicht brengt, is kenmerkend. Eerst is Shylock zelfverzekerd. Want, zoals Lancelot tegen Bassanio, de vriend van de koopman zegt: ‘U hebt Gods genade, meneer en hij [Shylock] heeft genoeg’ (tweede bedrijf).

Aan het eind van de opvoering zat Shylock als een uitgestotene aan tafel, maar na (of door) de monoloog over genade wordt hij weer bij en op de anderen betrokken. Want genade

… daalt als zachte regen uit de hemel neer op de korst der aarde. Dubbel is haar zegen: wie haar schenkt en wie haar krijgt. Die zegent zij.

De monoloog over de dubbele zegen verbeeldt voor mij de meervoudig gerichte betrokkenheid waar Douwe van der Sluis het over had. Het is een bespiegeling op hetzelfde niveau als de vader in Michel Quints indrukwekkende roman, of liever novelle De tuinen van de herinnering, die na de oorlog als clown geen spiegel was van zijn bewaker (en clown) Bernhard Wicki, maar een bespiegeling van de mens (Mensch) wilde uithangen. Een bespiegeling die elke discussie over het feit of De koopman van Venetië nu antisemitisch geladen is (volgens Martin van Amerongen, zijn nagedachtenis zij tot zegen, in: Heeft een jood geen ogen …) of juist niet (volgens Henk E.S. Woldring) te boven gaat, omdat geen enkele scheiding los gezien kan worden van de selectie in de kampen door de nazi’s. ‘Want zolang dat nog bestaat, gaat het niet goed met de mensen’, zoals een overlevende van Auschwitz en Dachau, Herman Zilverberg, in een televisie-uitzending van Omrop Fryslân zei. Shakespeare heeft zich er mijns inziens in ieder geval niet schuldig aan gemaakt.