Symphonie Orkestvereniging Schubert en Karel Mengelberg

Karel MengelbergWoensdag 3 juni wordt de derde Boekman Dissertatieprijs voor Kunst- en Cultuurbeleid uitgereikt (zie: http://www.spui25.nl). Eén van de genomineerde proefschriften is Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000 van Emanuel Overbeeke (2012).

Uit een deelstudie op dit terrein dat ik een jaar later onder leiding van prof. dr. Jan Hein Furnée uitvoerde, over Symphonie Orkestvereniging Schubert en dirigent Karel Mengelberg (zie foto) neem ik hier enkele gedeelten over.

Programmeren is een vak. De voorzitter van ‘Schubert’ heeft te kennen gegeven door ziekte op te willen stappen. Na wat getrek van de andere bestuursleden blijkt echter dat er een onderliggende reden is: hij zegt weinig verstand te hebben van programmeren. Uit de notulen blijkt namelijk dat het bestuur de programmavoorstellen van de dirigent keurt. Het voorzichtig geopperde idee of leden ook voorstellen voor stukken kunnen indienen, wordt ‘resoluut afgewezen’. Een tussenoplossing, het opzetten van een muziekcommissie, komt ter tafel. Dit lijkt geen goed idee, maar ook hier blijkt de commissie op een gegeven moment gewoon te bestaan. Hieruit blijkt dat het bestuur heeft ‘gewonnen’. Wel een beetje angstig, want ‘Mevrouw Penders [de vice-voorzitter; EvS] wijst er op [dat] we niet té ver buiten ons boekje moeten gaan’.

Het programma van het door de muziekcommissie samengestelde concert bestaat uit werken van naamgever Schubert, namelijk de derde symfonie en diens Ständchen in een niet nader genoemd orkestarrangement, 4 Copla’s van Jan Mul (1911-1970) en de Sinfonia van Lex van Delden (1919-1988). Voorwaar dat de muziekcommissie – en de dirigent – hier hebben gekozen voor een spannend programma, met maar liefst twee werken van eigen bodem! Een prikkelend, zelfstandig genomen besluit als antwoord op de oekaze van het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten, dat in 1940 concertorganisatoren een minimumpercentage aan Nederlandse werken oplegde, en/of een uiting van gezond nationaal sentiment na de Tweede Wereldoorlog?

Toch barst de bom, wanneer wij in de notulen van 12 november 1958 lezen dat ‘de Heer B[ijsterbosch; EvS] in alle vriendschap de Heer M[engelberg; EvS] verantwoordelijk had gesteld [voor iets verder niet nader genoemds; EvS], waarop deze razend was geworden en ons verweten had ook niets te kunnen’. De voor notulen wel erg openhartige conclusie  luidt: ‘Wat moeten we met zo’n dirigent?’. Gesuggereerd wordt hem misschien maar even op een zijspoor te zetten. Dit is niet gebeurd, maar er is wel sprake van ‘misverstanden’. Venijn in de toon blijft, wanneer wordt gezegd dat men het met de keuze van een door Mengelberg voorgedragen soliste, de zangeres [Ann; EvS] Sterrenburg, ‘het natuurlijk niet eens’ is.

Het blijkt een moeizaam iets: het contact tussen dirigent en bestuur, bestuur en dirigent. Af en toe probeert men elkaar ter wille te zijn: een kleine salarisverhoging voor de dirigent, gegevens over Mengelberg in het programmaboekje opnemen (‘vindt grote bijval’) , gratis kaarten van de dirigent richting bestuur voor het gala van de Nederlandse Componisten Bond (Mengelberg was van 1938-1962 eerste secretaris van het Genootschap van Nederlandse Componisten, het GeNeCo).
Is er uiteindelijk sprake van een heetgebakerde dirigent tegenover een krampachtig op de strepen staand bestuur? Dan weer ‘wint’ de één (het bestuur met koorbegeleidingen, het opzetten van een muziekcommissie), dan weer de ander. Met als ‘sabotage’ het op z’n minst keer op keer uitstellen van concerten, omdat men er nog niet klaar voor is of omdat de dirigent het hele programma heeft omgegooid, en in het ergste geval dreigen met liquidatie. Overigens meende een recensent in dit kader heel wrang: ‘De dirigent (…) had moeten weigeren op te treden (…). Of desnoods reorganiseren’. Echter mag niet worden vergeten, dat dezelfde recensent, Y.H. ook de bron van het voortbestaan van het orkest benoemde: ‘doorzettingskracht’, een kenmerk van de houding na de Tweede Wereldoorlog. Dat kenmerk kan zeker de dirigent niet worden ontzegd.

De opbouw van de programma’s kunnen zich meestal spiegelen aan die van andere orkesten, zowel amateur- als beroepsorkesten: een ouverture uit de klassieke periode of een kort stuk uit de barok tot de vroege twintigste eeuw aan het begin, vervolgens een solowerk en na de pauze een symfonie, ofwel van Joseph Haydn ofwel van de naamgever, Franz Schubert. Dat was het hoogst haalbare in die tijd. Pas later, als de techniek van amateurmusici toeneemt, wagen studentenorkesten zich aan het grotere werk van een Mahler en Sjostakovitsj. Een ontwikkeling qua programmering valt er bij ‘Schubert’ overigens verder niet in te bespeuren. Wat wél opvalt, is het ontbreken van Duitse, (laat)romantische muziek en in plaats daarvan een sterke nadruk op de Weense klassieken (Haydn, Beethoven en Schubert) en Frans repertoire: Boieldieu, Thomas, Massenet, Saint-Saëns, Fauré, Widor en Debussy, muziek die Mengelberg al in zijn studietijd bewonderde.
Die voorliefde valt uiteraard geheel te verklaren uit de anti-Duitse stemming die nog heel lang na de Tweede Wereldoorlog heerste. Nederlandse muziek nam een substantieel deel van de programma’s in. Met name van leeftijdgenoten van Karel Mengelberg: traditionalisten als Johan Weegenhuise (1910-2007), de eerder genoemde Jan Mul en Lex van Delden en ook de modernist Kees van Baaren (1906-1970). Ook hierin wijkt de programmering van ‘Schubert’ niet af van andere (beroeps)orkesten die Overbeeke onderzocht.

Vroege Frank Martin

Frank MartinTijdens de uitzending van Podium Witteman op 26 april jl. bracht zangeres Cora Burggraaf met pianobegeleiding de eerste uitvoering van de door de weduwe van de componist, Maria Martin-Boeke in een la gevonden compositie Le roi a fait battre tambour uit 1916 van Frank Martin (zie foto). Op 13 mei zal in Winterthur (Zwitserland) o.l.v. Jac van Steen de première met orkest worden gegeven.
Ter gelegenheid hiervan herplaats ik enkele gedeelten uit een artikel over Martin dat ik schreef voor
Mens & Melodie (4/1980) onder de titel Het eclecticisme van Frank Martin.

 

Men heeft Frank Martin (1890-1974) wel een eclecticus genoemd. Marius Monnikendam meende dat Martins oeuvre is gebouwd ‘op een solide basis van nobel vakmanschap, maar op de keper beschouwd (…) een eigen stem [mist]’ (in: Nederlandse componisten van heden en verleden, p. 186). Maar is eclecticisme wel synoniem aan oppervlakkigheid en opportunisme?

Martins eclecticisme is een erudiete synthese van tonaliteit en de twaalftoonsmuziek van Arnold Schönberg en Alban Berg, en tevens van het Duitse en Franse idioom dat hem in zijn jonge jaren had aangetrokken en doorklinkt in de recent gevonden compositie. Erudiet omdat Martin blijk gaf van een grote veelzijdigheid, een grote kennis van andere zaken dan alleen muziek, naast een goede smaak en kritische zin.

Behalve de eenheid Duits-Frans idioom, treffen we bij Martin ook de eenheid theorie-praktijk en rationaliteit-gevoel aan. Daarnaast tonen met name de derde akte van Der Sturm, de Ballades en het oratorium Golgotha – dat is geïnspireerd op Rembrandts licht-donkerets De drie kruisen – een typerende synthese van lyriek en epiek.

In landen waar verschillende cultuurelementen naast elkaar bestaan, is het te verwachten dat deze op elkaar inwerken en samensmelten. Vaak gaat het dan om elementen van buitenaf die daarom opmerkelijk genoeg een des te grote aantrekkingskracht schijnen te bezitten. Bepaalde zaken werden uitgezocht (vandaar het – Griekse- woord ‘eklegein’ = uitkiezen) en in gunstige zin tot een nieuwe eenheid samengesmolten.

In Martins geboorteplaats Genève maakte hij meer dan met de Franse muziek kennis met de muziek van Bach, de Weense klassieken, Brahms, Richard Strauss en Mahler. Ook in het huis van dominee Charles Martin en Pauline Duval speelde de Duitse cultuur een grote rol. Op de vraag van J.-Cl. Piguet of Martin zich meer Frans dan Duits voelde, antwoordde hij: ‘Je peux répondre: ni l’un, ni l’autre’ (in: Entretiens sur la musique, p. 15).

‘Zwitserland’, schreef K.H. Wörner, ‘neemt onder de Europese muzieklanden in onze eeuw [lees: de 20ste eeuw, vS] een aparte plaats in. Zijn positie wordt evenzeer bepaald door de conservatieve houding als door de ontvankelijkheid voor het nieuwe (…). Alle componisten grepen aan wat hun geboden werd om het in hun persoonlijke opvatting te verwerken’ (in: Hedendaagse muziek in de Westerse wereld, p. 250). Tot een liedje zoals dat nu is gevonden aan toe.