Vier kleine Rembrandts in Leiden

Hoe hebben we het nu: vier zintuigen? Het zijn er toch vijf? Dat klopt: zicht, gevoel, gehoor, reuk en smaak. Museum De Lakenhal in Leiden toont er vier. Van stadgenoot Rembrandt. De eerste vier, want de ‘smaak’ is spoorloos.

Rembrandt maakt ze rond zijn achttiende levensjaar (1624-’25) wanneer hij in Leiden woont en werkt. De brillenverkoper [zicht, zie foto hierboven] wordt in 2012 door De Lakenhal aangekocht. De andere drie bevinden zich in The Leiden Collection (New York), de privéverzameling van het echtpaar Kaplan: De operatie (gevoel), De drie zangers (gehoor) en De flauwgevallen patiënt (reuk) dat het als laatste koopt, in 2015. Het is het eerste schilderij met Rembrandts signatuur: RHF (Rembrandt Harmenszoon Fecit).

De vier kleine schilderijen zijn eerder te zien geweest in het Rembrandthuis in Amsterdam (2016-’17). Nu vormen ze de opmaat voor de viering van het honderdvijftigjarig bestaan van De Lakenhal en zijn er honderdvijftig dagen te zien. In één zaal in het hart van het museum, bij de vaste collectie in de buurt.

Alledaagse scènes in eenzelfde opzet
Het zijn alledaagse scènes in felle kleuren, onder andere opvallend roze. Vernieuwend ook, weg van de beeldtradities en personificaties uit die tijd, pasteus (dik) en voor een jonge kunstenaar trefzeker geschilderd. Rembrandt experimenteert al met licht-donkereffecten (clair-obscur), realisme en dramatische emoties, de barokschilderkunst eigen. Waar hij dat allemaal vandaan heeft, is ook te zien in werk van zijn leermeesters en collega’s dat in dezelfde zaal hangt. En waar het toe leidde ook, in enkele schilderijen van leerlingen.

Het clair-obscur bijvoorbeeld vinden we terug op De Onderwereld met de boot van Charon (ca. 1620) van Rembrandts eerste leraar, Jacob van Swanenburgh. Die roze kleur op Lezende oude vrouw (ca. 1625-’26) van Rembrandts vriend en collega Jan Lievens, die waarschijnlijk ook is afgebeeld op de Drie zangers en Musicerend gezelschap. De kleur roze is trouwens ook gekozen voor de ondergrond waarop de schilderijtjes hangen.

De vier schilderijen hebben allemaal eenzelfde opzet: drie figuren in – voor die tijd – ouderwetse kleding met elementen waarvan men dan meent dat het oriëntaals is. Vergelijkbaar met de uitdossing van Rembrandts Musicerende gezelschap (1626) dat in de nabijheid van de vier is opgehangen.

Vorm versus inhoud
Maar het gaat dus verder dan alleen de invloed van Rembrandts leermeester. Ook de invloed ervan op weer zijn leerlingen komt aan bod. En hoe ze met die invloed omgaan, ervan afwijken. Zoals Gerrit Dou in een zelfportret (ca. 1632). Dou schildert immers niet zozeer pasteus; hij was een Leidse fijnschilder.
De roze kleur komen we ook weer tegen op een doek van Harmen Steenwijk, een Vanitas stilleven (ca. 1650).

De nadruk ligt vooral op de vormelijke aspecten van de werken die worden getoond. Op zich een beperking die voor zo’n kleine, door conservator oude kunst Janneke van Asperen samengestelde expositie in slechts één zaal begrijpelijk is. Maar het maakt wél nieuwsgierig naar een meer inhoudelijke insteek.

Een voorbeeld. Op De brillenverkoper staat de verkoper (Rembrandts vader?) afgebeeld met een opvallende (oriëntaalse) muts, een soort sjtreimel of shtreimel zoals getrouwde joodse mannen die nog wel dragen. Een mooi en vergelijkbaar voorbeeld schildert een andere leerling van Rembrandt, Samuel van Hoogstraten op zijn Man achter een raam (1653, Kunsthistorisches Museum, Wenen). Lang denkt men dat dit rabbijn Lipmann Heller is, een jaar na diens dood geschilderd, hoewel daar nu aan wordt getwijfeld. Dat is link één.

Een andere link is het gegeven dat joden in de tijd van Rembrandt, met zijn gilden, brillen mogen verkopen. Zo komen ze aan de niet antisemitisch bedoelde bijnaam ‘brillenjood’, die later een negatieve bijklank krijgt. Zo zou Rembrandt al jong, nog voor hij in Amsterdam in de Jodenbuurt woont, aandacht voor zo’n joods attribuut tonen.

Het is een beetje jammer dat De Lakenhal zo’n context als deze niet meeneemt en de nadruk legt op formele kenmerken van de getoonde schilderijen. Misschien bij een volgende keer, of tijdens een college op de eerste zondag van de maand wel? Dat maakt een reisje naar Leiden voor sommige mensen vast nog waardevoller.

Deze recensie verscheen eerder op de website 8WEEKLY.nl (eindredactie: Frank Kremer). Wordt hier met toestemming overgenomen.
https://www.lakenhal.nl/nl/verhaal/museum-de-lakenhal-verenigt-vier-zintuigen-schilderijen-van-rembrandt

De ontwikkeling van ethiek

8WEEKLY vroeg aan de medewerkers, wat hun aanrader uit 2021 was (zie linkje hieronder). Ik dacht, na een dichtbundel van Jabik Veenbaas die echter al in 2020 was verschenen, aan het boek Morele vooruitgang in duistere tijden. Universele waarden voor de 21ste eeuw van de Duitse filosoof Markus Gabriel (Boom Uitgevers, 2021). Dit boek had ik gewonnen bij een actie van Filosofie Magazine en heb het met grote interesse gelezen. Omdat het onmogelijk is dit boek in een podcast bijdrage van ruim een minuut recht te doen, ga ik er in deze blog dieper op in: waarom is het dan een aanrader? Ook plaats ik er ondanks dat, toch enkele kanttekeningen bij.

Enkele begrippen
Om te beginnen: wat zijn universele waarden volgens Gabriel? Hij zegt: ‘Goed en kwaad zijn universele waarden: het goede is universeel moreel vereist – ongeacht groepslidmaatschap, cultuur, smaak, geslacht, klasse en ras – terwijl het kwaad universeel moreel verboden is.’ Gabriel gaat uit van het Verlichtingsdenken, dat hij nieuw leven in wil blazen. Verlichting is datgene dat volgens hem ‘helpt in dit soort duistere tijden. Ze veronderstelt het licht van de rede en daarmee ook een moreel verstand.’ Waar hij op aanstuurt, noemt hij een nieuwe verlichting, een moreel realisme, het ontdekken van vormen van nieuwe morele gedachten. Het boek is dan ook bedoeld voor lezers, ‘die bereid zijn om door middel van de rede tot een moreel oordeel te komen.’

Vooruitgang – een ander begrip uit de titel – is ook niet intrinsiek goed of kwaad. We mogen immers ‘nooit vergeten wat er in het Duitse Rijk is gebeurd, omdat het ons heeft laten zien dat de mens in staat is om systematisch radicaal kwaad te organiseren met behulp van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.’ Wat nodig is voor morele vooruitgang, is ‘een praktijk van vergeving, verzoening, verdraagzaamheid en voorzichtige, aftastende gesprekken.’

Onder morele vooruitgang schaart Gabriel onder meer ‘het opblazen van het systeem van stereotypen, zodat we ieder mens in de eerste plaats als mens kunnen onderkennen en erkennen.’ Covid-19 leidt volgens hem tot het onder druk verenigd zijn van de mensheid, waarmee hij echter de tweedeling die er ook door ontstaat helaas niet onderkend.
Morele vooruitgang wordt geblokkeerd door ‘nepnieuws, digitale bewaking, propaganda en cyberoorlogsvoering.’

Kernthema’s
Tot zover enkele begrippen uit de titel van het boek. De kernthema’s die Gabriel onder de loep neemt, zijn: realisme, humanisme en universalisme. Waar hij zich tegen afzet, zijn: waardenpluralisme, – relativisme en -nihilisme. Zo zet hij zich bijvoorbeeld af tegen de cultuurstrijd van Samuel P. Huntington, en stelt daar de ideeën van Nobelprijswinnaar Amartya Sen tegenover. Het postmodernisme is hem een doorn in het oog en hij noemt dat ‘willekeur’ en ‘onzin’.

Hij geeft hoog op van kunst en cultuur, omdat deze ‘onmisbaar [zijn] voor de ontwikkeling van onze ethiek. Zonder ficties en hun verspreiding in de samenleving is een morele opvoeding onmogelijk. Het is geen toeval’, schrijft hij, ‘dat totalitaire systemen de artistieke vrijheid beperken – ze willen de verbeelding van hun onderdanen aan banden leggen’. In het verlengde daarvan ziet hij geen enkele reden om tolerant te zijn tegenover intolerantie, geen enkele reden om in gesprek te gaan met radicale politici, ‘omdat de basisregels van een dergelijke discussie niet worden geaccepteerd binnen de ideologie van de gesprekspartner.’ Een mooi voorbeeld in Nederland is de weigering van de gemeenteraad in Amsterdam, die onlangs weigerde te discussiëren over de vergelijking van de sjoah en de coronamaatregelen. Er zou volgens raadslid Gertjan van den Heuvel (CU) hiermee een grens worden overschreden.

Immanuel Kant
Er staan prachtige stukken in het boek. Ik denk bijvoorbeeld aan Gabriels uitleg van Kants ‘beroemde strenge verbod op liegen’. Onlangs kwam het nog langs, toen NPO2 Extra de film Irrational Man van Woody Allen (2015) vertoonde. De hoofdpersoon, filosofieprofessor Abe Lucas, zette daar een vraagteken bij dat je vaker hoort, – in de woorden van Gabriel: ‘Stel we verbergen in een totalitaire dictatuur een vervolgde familie in de kelder en liegen tegen de politie wanneer die aan de deur staat en vraagt of we de familie in kwestie hebben gezien.’ Gabriel legt uit, dat ‘wie een onwaarheid vertelt om een gezin dat zich in de kelder verstopt te beschermen tegen een wrede, onrechtvaardige overheid, niet liegt, want het doel is (…) niet om een voordeel te behalen, maar om de veiligheid van het gezin te waarborgen.’

Duitsland enzo
Nu is het niet zo, dat ik het met alles wat Gabriel stelt eens ben. Zijn blik is mij soms wat te eng op Duitsland gericht, en dan krijg je een zin als: ‘Natuurlijk zijn er veel fraaie successen geboekt op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek: de uitvinding van de boekdrukkunst, de symfonieën van Beethoven …’. Oké dat eerste klopt, dat tweede niet – Beethoven schreef alleen zijn eerste twee symfonieën in Bonn, de rest in Wenen; hij wordt niet voor niets tot de Weense klassieken gerekend (Haydn, Mozart, Beethoven).
Minder storend is Gabriels voorliefde voor het Duitse idealisme, met Kant, Fichte, Schelling en Hegel.

Storend is wel weer zijn louter negatieve benadering van sociale media (‘zonder Twitter en Facebook zou Trump waarschijnlijk nooit president van de VS zijn geworden’, een rol die wellicht eerder geldt voor de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021), waar hij op andere plaatsen wel ontwikkelingen van meerdere kanten kan bekijken en wijst op eenzijdige mensbeelden als ‘het idee dat de geest identiek is aan neuronale processen, de homo economicus [en] de ontkenning van het bestaan van de vrije wil’. Smakeloze uitglijders als ‘De eenentwintigste eeuw zal het tijdperk zijn van de pandemie van de nieuwe verlichting als gevolg van globalisering’ en: ‘We moeten ons allen tezamen inenten tegen het mentale gif dat ons verdeelt’ vormen gelukkig een zeldzaamheid.

Tenslotte
Universele ethiek staat lijnrecht tegenover de moraal die de inmiddels overleden Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks in zijn boek Moraal (Uitgeverij KokBoekencentrum, 2020) beschreef, en waar ik eerder (kritisch) over blogde. Immers: monotheïsme is volgens Gabriel ‘geen geschikte basis voor een universele ethiek, omdat universele waarden geen goddelijke steun nodig hebben’. Als voorbeeld noemt hij allereerst het feit dat ‘er geen absoluut gebod [is] dat voorschrijft dat men moet glimlachen naar voorbijgangers. Toch verbetert de geluksbalans van de maatschappij als we ons voornemen om anderen en onszelf een prettig gevoel te bezorgen’. Voorts noemt hij het feit ‘dat men kinderen niet mag martelen’, wat ‘niet alleen een beslissing [is] van God waaraan men zich moet houden (…), maar een moreel feit dat met of zonder God geldt.’
De Tien Geboden acht hij niet ‘geschikt als basis voor welke ethiek dan ook (zelfs niet voor een christelijke ethiek die hoe dan ook niet kan bestaan, omdat een ethiek die christelijk zou zijn daardoor haar universele geldigheid zou verliezen)’. Over de zeven universele Noachitische of Noachidische geboden of voorschriften heeft Gabriel het helaas niet.

Rest echter gelukkig meer dan genoeg interessants om dit boek van harte aan te kunnen bevelen, zoals ik in de podcast van 8WEEKLY en hier uit de doeken deed. Een boek dat ik voor het overgrote deel met veel instemming en herkenning heb gelezen. Iets wat ik van het boek van Sacks helaas niet kon zeggen.

Markus Gabriel: Morele vooruitgang in duistere tijden
Vert. Huub Stegeman
Boom Uitgevers, 2021
ISBN 978 90 2443 663 7
Prijs: € 24,90

Linkje naar genoemde podcast van 8WEEKLY: https://open.spotify.com/episode/6QMHKvMo1Gy7w3oMAnKYKT?go=1&sp_cid=d23ca7030e6da31319547f3be4d68ee9&utm_source=embed_player_p&utm_medium=desktop&nd=1
Mijn bijdrage begint op 26’04”

Zo krom als een oude brug

‘Eén van de geheimen waarover Paola en Brunetti’, echtgenote en commissaris van politie in de Venetiaanse detectiveromans van Donna Leon ‘nooit iets aan iemand hadden verteld was hun nu al jaren voortdurende speurtocht naar het lelijkste baby’tje Jezus in de westerse kunst. Op dit moment was een bijzonder afstotende zuigeling in zaal dertien van de Pinacoteca di Siena de recordhouder’, zo lezen we in de misdaadroman De dood draagt rode schoenen.

Als je hetzelfde zou doen met kruisbeelden, dan zou de Gekruisigde Christus in de kapel van het linker dwarsschip in de Franciscaner Santa Croce in Florence hoge ogen gooien. Volgens Bruneleschi dan, want hij vergeleek dit schitterende houten crucifix van Donatello met een boer. Om zelf een zijns inziens betere versie te maken, in de Dominicaner Santa Maria Novella, ook in Florence.

Ik moest hieraan denken, toen ik een essay van Anja de Feijter over Lucebert las (in: Dichters brengen het te weeg. Metafysische vraagstellingen in de moderne Europese poëzie. Uitgeverij Kok, 1994). Daarin bespreekt ze onder meer het gedicht ‘oh dolorosa’ waarin het woord krom met allerlei fonologische equivalenten wordt gebruikt: krompraten, Jezus die met een gekromde rug aan het kruis hangt, zo krom als ‘een oude brug naar het lege plein’ en kromgetrokken oren versus geloken ogen.

In het werk van Lucebert is, aldus De Feijter, ‘plaats voor verschillende Christusfiguren. De dichter geeft zowel aan een martiale Christus gestalte, als aan een Christus op zijn lijdensweg’. Ook bij Donatello en Bruneleschi gaat het in wezen om een verschil in opvatting: een Jezus van de wereld en een vergeestelijkte Jezus. Het is hetzelfde verschil, tussen realisme en idealisme, dat Shakespeare tegenover elkaar plaatst in zijn toneelstuk The Tempest. Aan de ene kant de voorname, vergeestelijkte Prospero en aan de andere kant de gebochelde Caliban uit het volk.

Caliban is een rol die op verschillende manieren ten tonele is gevoerd: als symbool voor een grove en primitieve wereld en zelfs, in een regie van Reinhold Knick (Berlijn, 1936), als voorbode van de duistere wereld die aan het doorbreken was. Maar Caliban is óók de meest muzikale figuur uit Shakespeare’s toneelstukken. En dat is niet zo vreemd, want tot op de dag van vandaag gaan mensen met een kyfose, al dan niet terecht, per definitie als zijnde muzikaal door het leven. Zie in dit verband, om slechts één voorbeeld te noemen de debuutroman Violist van de duivel van zanger/auteur Bart Van Lierde (uitg. Meulenhoff). Hierin doolt, aan het begin van de negentiende eeuw, een misvormde man door Europa, op zoek naar erkenning als violist. En als mens.

Een mens ook die troost kan ontlenen aan de beelden van Donatello en, op een andere manier Bruneleschi. En misschien ook aan het gedicht ‘oh dolorosa’ van Lucebert.

Zonder het een niet het ander

Het verhaal gaat dat de jonge Michelangelo een beeld van een faun maakte dat mooier was dan mooi. Toen Lorenzo il Magnifico de’ Medici dit beeldhouwwerk had gezien, stoorde hem dit zó dat hij vond dat Michelangelo een tand uit de mond ervan moest slaan.

Het verhaal gaat verder en meldt dat Michelangelo na een vuistslag van Torrigiano, die zijn neus iets had geplet, alleen nog maar ultramooie beelden wilde maken, zoals de Pietà in de Sint-Pieter in Rome (zie afb. hierboven), die werd toegeschreven aan de beeldhouwer Gobbo uit Milaan.

Je zou ín dit verhaal kunnen leggen dat de gekromde Lorenzo zich stoorde aan de schoonheid van een faun, dat Michelangelo met zijn misvormde neus alleen nog naar schoonheid streefde en boos was op het feit dat Cristoforo Solari, ‘Gobbo’ (de gebochelde) in eerste instantie als maker van zijn Pietà doorging.

De beroemde schilder-schrijver Giorgio Vasari vermeldt in zijn boek De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (1550/1568) alle hiervoor genoemde voorvallen – sec, en binnen een bepaalde context: Lorenzo de’ Medici was Michelangelo’s broodheer, dus volgde Michelangelo diens raad op. De Pietà was het eerste kunstwerk dat hij het waard vond om van zijn naam te voorzien.

Wat de Pietà betreft, voegt Vasari er nog aan toe dat ‘niemand ergens dermate fraaie leden en een zo kundig vervaardigde tors’ zou kunnen vinden als bij deze Christusfiguur. Een tors die volkomen afwijkt van een houten crucifix dat een andere beeldhouwer, voor Michelangelo, namelijk Donatello voor de Santa Croce in Florence had gemaakt (zie afb. rechts). Donatello’s vriend Filippo Brunelleschi moest wat glimlachen en zei ‘dat het hem toescheen dat Donatello een boer aan het kruis had gehangen, en niet een lichaam van Jezus Christus, die (…) in ieder opzicht de volmaakte mens ooit geboren’ was. Filippo maakte als tegenhanger voor de Santa Maria Novella in Florence een crucifix naar dit ideaalbeeld. Misschien valt hier wel een theologisch diepere laag in te ontdekken, op de manier zoals de theologe Dorothee Sölle Christus als een Zuid-Amerikaanse boer beschreef.

Ik denk inmiddels dat het je heel voorzichtig moet zijn om zowel biografische als theologische gegevens als achtergrond voor diverse verklaringen aan te voeren. Michelangelo vond zijn faun gewoon niet zo geslaagd en zijn Pietà met zijn ‘kundig vervaardigde tors’ bij uitstek wél, aldus vermeldt Vasari. Donatello schijnt gezegd te hebben dat het Filippo vergund was Christusbeelden te maken, zoals hij min of meer boeren beeldhouwde.

Als je dicht bij de beelden zelf blijft, komt hier het verschil tussen realisme (Donatello) en idealisme (Michelangelo) naar voren. Uiteraard ligt daar een wereldbeeld onder, maar dit wordt niet primair gedicteerd door misvormingen van opdrachtgevers, zichzelf of een collega-beeldhouwer, maar is vóór alles het gevolg van een technisch kunnen of niet-kunnen, zodat uiteindelijk vorm en inhoud elkaar bevestigen. Want daar draait in de kunst uiteindelijk toch alles om.

‘Laten zien dat iets lelijk is, daar is geen kunst aan’, schrijft Marijn Sikken een beetje kort door de bocht in een blog op de website van Literair Nederland (20 november 2018). ‘Laten zien dat er tussen allerlei ellende schoonheid te vinden is, vergt niet alleen mentale maar ook literaire kracht.’ En dat geldt dus niet alleen voor literatuur, maar ook voor beeldende kunst. Maar wel in combinatie: zonder het een niet het ander.

Eerder gepubliceerd in Wervelingen (winter 2004), en hier aangevuld met de laatste alinea. Wordt met toestemming overgenomen.

Literatuur

Giorgio Vasari: De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten. Uitg. Contact, Amsterdam.

Vorm en inhoud als constructies

Niemand minder dan de Japankenner, naast veel meer, Ian Buruma liet in het televisieprogramma Buitenhof van 25 maart jl. zijn licht schijnen op de tentoonstelling Van Gogh en Japan in het Amsterdamse Van Goghmuseum (t/m 24 juni 2018). Het begon volgens hem rond 1880. De fotografie kwam op en de kunst hoefde niet meer realistisch te zijn. Kunstenaars zochten naar een andere vorm van kleurgebruik en dergelijke en de Japanse prent was een bron van inspiratie. Op volgens Buruma een van Van Goghs mooiste schilderijen, De slaapkamer (1853-1890, afb. links) kun je zien hoe de schilder de Japanse invloed in zich heeft opgenomen, verwerkt en tot iets heel nieuws heeft gebracht: kleurvlakken die haast eendimensionaal op het doek zijn gezet, zoals op een Japanse prent.

Ik liep afgelopen zaterdag met deze uitspraken in mijn achterhoofd over de tentoonstelling The American Dream in het Drents Museum in Assen (t/m 27 mei a.s.): realistische schilderijen van na de Tweede Wereldoorlog die als een reactie op het abstract expressionisme weer herkenbaar wilden zijn. Soms met een vleugje magisch realisme, ironie (Warhol) of maatschappijkritiek (Wiley).

Voorafgaand aan de expositie woonden wij in de Statenzaal een lezing bij over de dubbeltentoonstelling in Assen en Embden (het vervolg) door Sophie van Steenderen (Vrije Academie). Wat mij opviel, was dat zij op een gegeven moment de omschrijving ‘constructies van de werkelijkheid’ bezigde.
In de trein terug las ik in De Groene Amsterdammer (5 april jl.) de recensie van Koen Kleijn over de Van Goghtentoonstelling. Ook hij uitte zich in soortgelijke bewoordingen: ‘Van Goghs Japan was [volgens Cornelia Homburg in de catalogus, die hij citeert, EvS] “een constructie van een idee die beantwoordde aan zijn [Van Goghs, EvS] behoeften en die was geïnspireerd op allerlei bronnen, waaronder Japanse houtsneden, een breed scala van publicaties over Japan en Japanse kunst, en het werk en de ideeën van zijn tijdgenoten”.’

Ik denk dat Van Steenderen en Kleijn het geheim van zowel Van Gogh en Japan en The American Dream dichter zijn genaderd dan – met alle respect – Buruma. Dat komt niet alleen door de omschrijving ‘constructies van de werkelijkheid’ en ‘constructie van een idee’ maar ook door de helderder definiëring van wat realisme eigenlijk is door Van Steenderen: het heeft niet alleen betrekking op de vorm, al dan niet beïnvloed door de fotografie, maar ook op de inhoud, de werkelijkheid waarin de kunstenaar leeft, met of zonder maatschappijkritiek. En die tijd was voor Van Gogh een andere dan voor bijvoorbeeld Will Barnet, die net als Van Gogh schilderde in haast eendimensionale vlakken. De een beïnvloed door de Japanse prentkunst, de ander – in zijn Woman reading (1965, afb. rechts) – door het minimalisme. Vorm en inhoud – weer kunnen ze niet zonder elkaar, in leven en werken.

Weissenbruch en Gescinska

alicja-gescinska_allmenschjan-weissenbruch_gezicht-op-de-grote-markt-haarlem

Twee recenseer klussen die met elkaar interfereren: de tentoonstelling met werk van Jan Weissenbruch (in het Teylers Museum, Haarlem) voor de website 8weekly.nl, en het boekje Allmensch van Alicja Gescinska dat ik lees voor NBD Biblion (afb. links).

En daar kwam dan op dezelfde dag dat ik de tentoonstelling in ‘het Teylers’ bezocht, ook nog een artikeltje in Nieuwe Bavo in de steigers bij, dat een vriendin van mij toespeelde nadat we de ramen van Jan Dibbets in de kerk hadden bekeken.

Eigenlijk schildert Weissenbruch allemaal Allmenschen op zijn stadsgezichten: gewone mensen, zoals op de afbeelding rechts bij deze blog (Gezicht op de Grote Markt, Haarlem) die in potentie in staat zijn zichzelf te overstijgen, te ontplooien en de wereld te verbeteren. De wereld van deze Jan Weissenbruch is er bij wijze van spreken heel wat zonniger op geworden in vergelijking tot welke zijn neef Jan Hendrik schilderde. Hierbij moet ik bijvoorbeeld denken aan Regenweer (1890) dat ik onlangs in Museum de Fundatie in Zwolle zag.

Jan Weissenbruch behoort als ik de recensies mag geloven ook tot de mensen die tot – zoals Gescinska het omschrijft – meer in staat is dan je voor mogelijk houdt. Hij schijnt aan pleinvrees te hebben geleden, maar schilderde bij uitstek grote, open pleinen met kinderkopjes waarop het licht speelt of lange schaduwen vallen.
De mensen die erop figureren hebben vaak een wit accent: een kapje op het hoofd of wat dan ook – het licht spat van deze Allmenschen af.

Maar er bestaat ook een verschil tussen het realisme van Weissenbruch en de Allmensch uit het echte leven: bij de schilder zijn ze allemaal wel héél erg statisch en perfect. Soms zelfs, gaandeweg zijn carrière, op het té perfecte af. Bij Gescinska gaat het er toch meer om dat je dynamisch moet groeien. Of, zoals ze met de titel van een boek van Peter Sloterdijk dat ze citeert zegt: Du musst dein Leben änderen.

Het is een mooie tentoonstelling, daar in het Teylers Museum in Haarlem, en het is een mooi boekje van nog geen veertig pagina’s, het eerste in de serie Karakters. Een actieradius die bij wijze van spreken al even klein is als die van Weissenbruch na ca. 1870 moet zijn geweest. Maar pas op: beiden hebben veel te zeggen! Kijk en lees.

Bijvoorbeeld ook het artikel over de nieuwe Bavo in Haarlem dat Bernadette van Hellenberg Hubar schreef in de 5de editie (september 2016) van Nieuwe Bavo in de steigers. Nieuws over de restauratie van de kathedrale basiliek St. Bavo in Haarlem. Daarin heeft zij het onder meer over De Unvollendete: ‘onvoltooide elementen, misbaksels en halffabricaten’ die in een nieuw boek over de Bavo (De nieuwe Bavo in Haarlem) worden behandeld. ‘In dit geval gaat het om een denkbeeld van Thomas van Aquino die hierbij weer steunde op Aristoteles. Kort door de bocht kun je stellen dat alles wat bestaat één grote bulk potentie is (…). De potentie om na het wordingsproces tot een bepaald stadium doorlopen te hebben, iets anders te worden. En dat iets anders maakt deel uit van een eindeloos scala aan mogelijkheden. Al die mogelijkheden zitten in ons, net zoals in de steen direct uit de groeve een eindeloze hoeveelheid beelden zit besloten.’

En dan doemen Socrates en Michelangelo in mij op: je moet ze geboren laten worden, uithakken wat eigenlijk al in de steen verstopt zit.

http://www.teylersmuseum.nl/nl/bezoek-het-museum/wat-is-er-te-zien-en-te-doen/jan-weissenbruch

http://theateraanzee.be/nl/

Cultuur die een spiegel voorhoudt

Maya_MexicoN.a.v. de Maya-tentoonstelling in het Drents Museum in Assen schreef ik al eerder een, inmiddels van een naschrift voorziene blog: https://elsvanswol.nl/?p=1180. In 2000 schreef ik bovendien in de rubriek Literatuursignalering voor de NVMB-Nieuwsbrief ook over de Maya’s, n.a.v. het boek The untold story of the Ancient Maya van Linda Schele en David Freidel. Ik meldde toen dat wat hier wordt verteld, zich kan spiegelen aan enkele recente boeken en ideeën. Ik stipte een paar items aan, die ik hier in het kader van de tentoonstelling in Assen opnieuw publiceer. Ze benadrukken de actualiteit van het denken van de Maya’s.

Eerste spiegel
De eerste spiegel vormt het boek De flexibele mens van socioloog Richard Sennett. ‘In zijn boek’, schrijft Gerbert van Loenen in Trouw (17 mei 2000), ‘beschrijft Sennett wat de nieuwe, flexibele economie doet met het karakter van mensen (…). Sennett stelt de vraag of dit ook echt een wenselijk karakter is. Alleen relaties waarin mensen hun zwakte tonen en op elkaar durven te steunen, scheppen vertrouwen.’
De Maya’s hebben dat ‘sociale kapitaal’ van de samenleving al begrepen. Zij hadden er ook een beeld voor: dat van maïs, dat zichzelf niet kan uitzaaien, maar daar de hulp van de mens voor nodig heeft. Ongeacht of het om een boer of een koning ging, in de Mayasamenleving was sprake van één sociaal verband, zoals Schele en Freidel niet nalaten telkens te benadrukken, al was er een hiërarchie. Maar dat is volgens Sennett juist positief; het huidige teamwerk vindt hij – conform de kop van het artikel van Van Loenen in Trouw – een ‘toneelstuk.’
Sennett ziet dit als keerzijde van de flexibilisering – in tegenstelling tot bijvoorbeeld prof. dr. Arjen van Witteloostuijn, hoogleraar algemene economie in Groningen, die in een lezenswaardig boekje over De nieuwe economie een zijns inziens negatief rijtje opsomt: ‘lage lonen, flexibele contracten, tijdelijke banen, hiërarchische verhoudingen.’ Daar tegenover stelt hij ‘hoge lonen, vaste contracten, duurzame loopbaanpaden [waar ook Sennett voor is, EvS] en werknemersmedezeggenschap.’
Het zijn van die ongenuanceerde rijtjes, waar de Maya’s ook dol op waren en zoals Aart Brouwer er ééntje opsomde in een essay in De Groene Amsterdammer (20 mei 2000): ‘hardheid, zelfstandigheid, realisme, geslotenheid, hiërarchie, rationaliteit’ wat staat voor mannelijke eigenschappen tegenover zogenaamde vrouwelijke als ‘empathie, zorgzaamheid, gevoelswarmte, communicatie, egalitarisme, opofferingsgezindheid.’

Tweede spiegel
Maïs – om daar naar terug te keren – stond bij de Maya’s symbool voor het leven, dat zij zich complementair voorstelde: in het ene deel leefden zijzelf, in het andere geestelijke wezens. Dit doet denken aan de ideeën die natuurwetenschapper Margaret Wertheim neerlegde in haar boek  De hemelpoort van cyberspace – de tweede spiegel.
Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen een spirituele en een fysieke ruimte. Een soortgelijke cultureel-religieuze inbedding gaf Wertheim al eerder in haar boek De broek van Pythagoras. Maar deden de Maya’s dat óók niet? Net zoals ze kosmologie en geschiedenis op elkaar betrokken, terwijl Sennett ervoor waarschuwt dat ‘de flexibele mens’ verleden en toekomst verloochent. Ook in dat opzicht kunnen we van de Maya’s leren, die in Copán bijvoorbeeld tempels over oudere tempels heen bouwden, zonder de eerste eerst af te breken.

Terecht trekken Schele en Freidel fel van leer tegen mensen die de Maya’s ongenuanceerd als totaal ongeciviliseerd willen kenschetsen. Zij gebruikten daar onder andere het argument voor dat de Maya’s ons probleem van bijvoorbeeld kindsoldaten zeker als barbaars zouden hebben gekenschetst. Al valt daar ook wel wat tegenin te brengen, onder andere met betrekking tot bloedoffers en lichaamsverminkingen, toch blijft het een cultuur die ons een spiegel voor kan houden.