Behoud Frascati!

Het Scapino Ballet kwam op 11 juni jl. met een paginagrote advertentie in de landelijke dagbladen met de oproep: ‘Behoud Scapino Ballet!’ De Raad voor Cultuur heeft de minister van OCW immers geadviseerd Scapino niet langer rijkssubsidie toe te kennen. ‘Dit advies’, staat in de advertentie, ‘is onbegrijpelijk en moet van tafel’.

Ook theater Frascati in Amsterdam zit in hetzelfde schuitje. Geen grote advertentie, maar een statement van artistiek directeur Mark Timmer op de website. De boodschap is duidelijk.

Ik ben eens in mijn geheugen gaan graven, welke Shakespeare-opvoeringen ik er in verschillende zalen heb gezien; ik beperk me daartoe, omdat er zo een samenhang ontstaat en deze blog geen oeverloze opsomming wordt.

1.
Het begint in mei 2007, toen ik de voorstelling De negen heksten van Macbeth zag. Een muziektheatervoorstelling op basis van Shakespeare’s Macbeth uiteraard, gezien vanuit het perspectief van de heksen. Er waren allemaal bekende namen aan de voorstelling verbonden: Teo Joling (concept en bewerking), Janine Bogt (dramaturgie en bewerking), Sean Berg en Guus Janssen (muziek), Porgy Franssen en Dirk Groeneveld (regie). En dan heb ik het nog niet eens over de spelers! Dagblad Trouw deed in die tijd nog niet aan sterren, maar Arend Evenhuis schreef er een groot stuk over. Over het Schots dat het echtpaar Macbeth sprak en het verschil tussen twee werelden duidelijk maakte: die van de mens en die van het occulte. Een vondst, vond ik toen. Er zouden er meerdere volgen. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

2.
Drie jaar later zie ik in Frascati een opvoering van Rosencrantz and Guildenstern are dead van schrijver Tom Stoppard, die in 1966 na de première ervan beroemd werd, gespeeld door ’t Barre Land. De betreurde recensent Loek Zonneveld wijdde er in de Groene Amsterdammer maar liefst een recensie in twee delen aan. Hij eindigde ermee, dat hij de toneelspelers bij wijze van spreken wel zou willen omarmen. Dat gold ook voor mij. En overigens ook de décormakers … Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

3.
We schuiven een jaar verder op, en komen uit bij de voorstelling Bye Bye door Dood Paard, ook niet niks. Kuno Bakker en Gilles Biesheuvel speelden een, wat het Parool noemde, ‘kwajongensachtige bewerking van Shakespeare’s Othello die aan het eind bijzonder geraffineerd blijkt’. De Marokkaans-Nederlandse acteur Chaib Massaoudi opent de voorstelling, met een verhaal in het Arabisch of Berbers (daar geeft de recensent van het Parool geen uitsluitsel over), zoals in De negen heksen van Macbeth ook Schots werd gesproken. Een combinatie, aldus de criticus, ‘van spelerslol en intelligentie’ die ‘onmogelijk is te weerstaan’. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

4.
Twee jaar verder, december 2012. Jan Decorte c.s. speelt de voorstelling Shylock. Is Othello problematisch vanwege ‘de Moor’ (een Berber werd het bij Dood Paard), Shylock is dat vanwege vermeend antisemitisme. Ik denk, dat Frascati met deze twee opvoeringen dergelijke insteken ter discussie wil stellen, en dat is goed. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

5.
Drie jaar later: het stuk der stukken, Hamlet, als afstudeervoorstelling die me nog levendig voor de geest staat: wát een theatertalent hebben we in Nederland, en wat fijn dat de studenten, na hun opvoeringen in Theater de Paardenkathedraal in Utrecht, de kans kregen in de hoofdstad te laten zien wat ze in huis hebben. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

6.
We schrijven ondertussen 2016, en pal na elkaar zag ik Lady Macbeth uit het district Minsk in het kader van het Nederlands Theater Festival, dat Mark Timmer in zijn statement ook noemt, gevolgd door Mevrouw Macbeth door Maatschappij Discordia in het kader van de serie ‘Weiblicher Akt’. Ik was met een goede kennis, en we konden van laatstgenoemde opvoering helaas geen chocola maken. Dat kan gebeuren, en kon ook heel goed aan ons hebben gelegen, want de recensies die we lazen waren niet negatief.

7.
2017: weer twee voorstellingen pal na elkaar: Troilus en Cressida en Twelfth Night, of, Zie zelf maar. De eerste werd gespeeld door studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam, de tweede door De Theatergroep. Ik blogde over de eerste voorstelling, die indruk op mij maakte, op de site van ‘Literair Nederland’ (zie link hieronder).

8.
Februari 2018, nogmaals Othello door Het Nationale Toneel in een regie van Daria Bukvić. Toe maar! Een spraakmakende voorstelling, maar dat niet alleen: ook één die je bij blijft, met een zwarte acteur (Werner Kolf) in de hoofdrol. Ook hier schreef ik over, nu op deze blog (zie link onderaan).

9.
Verleden jaar tenslotte: Complete Works. Table top Shakespeare, gespeeld door zes acteurs van Forced Entertainment. Telkens één acteur aan een tafel, die in ongeveer drie kwartier een compleet toneelstuk solo speelt. ‘Eenvoudiger kan het niet! Grandioos!’ tweette ik.
Ik had er spijt van niet alle voorstellingen te hebben gezien, een klein festival. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

Alles bij elkaar opgeteld over de afgelopen jaren, langer dan de afgelopen vierjarige kunstenplanperiode, komt er alleen al op grond van opvoeringen van of naar Shakespeare een constante naar voren die tegemoetkomt aan de criteria van de Raad voor Cultuur: diversiteit (man-vrouw, wit-zwart enz.), spraakmakend, vernieuwend door jonge, talentvolle studenten én oude rotten in het vak die het klappen van de zweep kennen. En – misschien belangrijker – een eigen stem te midden van het grote toneelaanbod in de hoofdstad. Wie hier z’n huiswerk niet heeft gedaan, laat ik in het midden, maar het móet over, want: ‘Behoud Frascati!’ Niet zomaar een klein theater in Amsterdam!

 

https://www.literairnederland.nl/dissonanten/

https://elsvanswol.nl/othello-met-allure/

Kunst én kijker serieus nemen

Ze staan momenteel in de belangstelling: bordjes bij kunstwerken, onder meer die in musea. Woorden die gevoelig liggen worden, of dienen te worden veranderd. Koloniale achtergronden moeten bijvoorbeeld worden toegevoegd en verduidelijkt.
In mijn tijdlijn op twitter wordt er zelfs de draak mee gestoken. Zo twitterde iemand: ‘Het wachten is op museumteksten die rekening houden met álle vormen van onbegrip. “U denkt: saai, zo’n stuk kaas op een tinnen bord met een glas rode wijn ernaast, en ja, een lekker wijf zou leuker zijn om naar te kijken, maar in de 17e eeuw schilderde men nu eenmaal zo. Sorry”.’

In Trouw van afgelopen weekend (8 februari jl.) voegde zich een andere stem in dit koor, die van emeritus hoogleraar Esthetica aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Wessel Stoker. Een afwijkende, of aanvullende stem, het is maar net hoe je het bekijkt, die meent dat op die bordjes ook zou moeten worden aangegeven of een kunstwerk een religieuze achtergrond heeft. Hij vindt dat, als dit niet gebeurt, de kunst én de kijker tekort worden gedaan. Dat ben ik, zoals ik in deze blog uiteen zal zetten, niet met hem eens.

Voorbeelden
Stoker noemt verschillende voorbeelden: Jesus Serene van Marlene Dumas op een overzichtstentoonstelling van haar werk in het Stedelijk Museum in Amsterdam (2015) [1], Van Goghs Zaaier met ondergaande zon op de tentoonstelling met werk van François Millet (2019-2020) in het Van Gogh Museum. In beide beide gevallen ontbrak die context. En hij noemt enkele voorbeelden waarbij deze wél was aangegeven, allebei in het buitenland: in Baltimore (Holy Image, Holy Space, 1998) en Seering Salvation in Londen (2000).

Allemaal voorbeelden van hedendaagse kunst, die ook met exposities van oude kunst zouden kunnen worden aangevuld. Ik denk daarbij in positieve zin aan de tentoonstelling Rembrandt-Velázquez in het Amsterdamse Rijksmuseum (2019-2020) waar bij de schitterende kleinood Beker water en roos (zie afb. links, foto EvS) van De Zurbaran de symboliek hiervan (Heilige Geest en Maria) op het bordje ernaast was vermeld. Ik vond het fijn dat deze extra laag was geduid, omdat je zou denken: ‘Saai, zo’n beker en roos’ als in de tweet, maar het was méér dan dat. Afgezien van het feit dat het helemaal niet saai was.

Existentiële diepte
Zou het echter erg zijn als zoiets niet werd toegevoegd? Stoker citeert daarbij een uitspraak van de Belgische museumdirecteur Isabelle Benoit, die in 2010 tijdens een conferentie over museum en religie zei, dat christelijke duidingen niet primair de taak zijn van een museum. Dit wordt uiteraard door Stoker tegengesproken, die stelt dat het zijns inziens wel ‘een taak van het museum is, wil het echt iets laten zien van de existentiële diepte van een werk’. Noch het één noch het ander is denk ik waar.

Om te beginnen werp ik tegen, dat die ‘existentiële diepte’ universeel is. Uitingen van zaken als leven en dood, hoop en liefde kunnen niet worden geclaimd door het christelijk geloof, maar worden door iedereen anders ervaren. De kunstenaar heeft zijn werk losgelaten, een museum toont het en de kijker mag tenslotte het existentiële van het werk, christelijk of niet, zelf invullen.
Als een museum dat zelf gaat doen (behalve bij de symboliek van een oud werk als dat van De Zurbaran, dat niet meer door iedereen, inclusief in dit geval mijzelf zal worden begrepen), voel ik me als bezoeker niet tekort gedaan, maar juist als volwassene aangesproken om actief mee te denken, het kunstwerk als het ware af te maken.

Vrouw met dood kind
Als voorbeeld hoe dat werkt, noem ik de ets Vrouw met dood kind van Kathe Kollwitz (1903, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, zie afb. rechts): een universeel, existentieel motief van een moeder met een dood kind. Het model was haar zoon Peter, die in 1915 nota bene zelf zou vallen in de Eerste Wereldoorlog. Je kunt de ets ook als een Piëta ervaren, en daar is denk ik echt niet zoveel kennis voor nodig. Voor de één zal dit een laag op het universele thema zijn, voor de ander een dragende laag van betekenis eronder. Dat is aan de toeschouwer en diens eigen context.

Er zijn lang niet altijd bordjes nodig of zelfs gewenst, maar eerder bijvoorbeeld museumlessen en kunstonderwijs. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. En dan kun je een woud aan bordjes (christelijke geïnspireerd, beïnvloed door de islam, uiting van humanistisch denken tot multiple religious belonging (MRB) aan toe) gewoon achterwege laten. Hoe minder lezen hoe beter. Hoe meer zelf kijken hoe verrijkender het is.

 

[1] De oorspronkelijke titel is overigens Men’s View …

Link naar het artikel van Wessel Stoker:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/musea-verzwijgen-religieuze-kant-van-kunstenaars-en-hun-werk~b44ebc03/

Een uitgelezen kans

Op twitter vroeg iemand zich onlangs af, waarom er in kranten wel televisieprogramma’s worden gerecenseerd, maar waarom kranten zelf eigenlijk nooit zelf worden besproken. Dat laat ik me als krantenkind (mijn ouders leerden elkaar bij het toenmalige Algemeen Handelsblad kennen) niet twee keer zeggen. Waarbij ik op het geluk heb dat ik momenteel van twee vakantievierders hun krant, NRC Handelsblad, krijg doorgestuurd. Deze lees ik gedurende een paar weken nu naast mijn eigen krant, Trouw. Een uitgelezen kans dus om de editie van afgelopen maandag met elkaar op twee overlappende items te vergelijken en er een toegift aan te plakken.

Analyse
Het eerste, grote artikel in zowel NRC Handelsblad als Trouw, allebei onder de kop ‘Analyse’, betreft de gebeurtenissen in Iran. Over het algemeen doen beide sterk aan elkaar denken. Dat in NRC Handelsblad is geschreven door ‘onze redacteur’ Floris van Straaten, dat in Trouw door Ghassan Dahhan, ‘redactie buitenland’.
Alleen tegen het slot wijken beide van elkaar af. Dahhan citeert kort een reactie van president Trump op twitter. Hij schreef ‘dat hij de demonstranten steunt’ en dat het opmerkelijk was ‘dat het bericht aan de Iraniërs onder meer in het Perzisch was opgesteld’. Van Straaten bezigt soortgelijke woorden, maar is aanmerkelijk minder zakelijk: ‘President Donald Trump en zijn minister van Buitenlandse zaken Mike Pompeo laten intussen niets na om de onrust aan te wakkeren’. Dát zou je van een kwaliteitskrant toch niet zo gauw (mogen) verwachten. Juist liberalen gaan er bovendien van uit, dat de lezer zelf wel zijn/haar conclusie(s) kan trekken.

Necrologie
Uiteraard besteden beide kranten aandacht aan het overlijden van Aart Staartjes. ‘Aartsvader kinder-tv verafschuwde braafheid’ staat er boven de necrologie in Trouw, ‘Opstandig en innemend televisie-icoon’ boven die in NRC Handelsblad. Laatstgenoemde krant wijdt maar liefst een hele pagina aan Aart Staartjes (auteur: Kester Freriks), Trouw driekwart kolom (auteur: Iris Pronk).
Behalve dat NRC Handelsblad daardoor meer plaats in kon ruimen voor een gegeven dat in Trouw geheel ontbreekt, namelijk Staartjes’ ‘indrukwekkende acteurscarrière’, zijn enkele al dan niet vermelde gegevens ook opvallend. NRC Handelsblad vult op een haast Telegraaf-achtige manier bijvoorbeeld details van het verkeersongeluk in Leeuwarden in, Trouw vermeldt dat Staartjes in de jaren 60 begon met Woord voor Woord, ‘waarbij hij bijbelverhalen voor kinderen voorlas’. Het eerste verwacht je wederom níet in een kwaliteitskrant, het tweede wel in Trouw.

Toegift
Hoewel Trouw en NRC Handelsblad hun journalistieke distantie ten opzichte van Iran al dan niet succesvol trachten te bewaren, had ik andere gevoelens bij de televisiebeelden die ik in het Journaal zag. Iraanse jongeren die de straat opgaan en stemmen met hun voeten door niet op de Israëlische- en Amerikaanse vlag te gaan staan maar eromheen te lopen, daar is in een land als het Iran van de ayatollahs moed voor nodig. Om die moed te omschrijven, heb je iets anders dan een nieuwsbericht sec nodig – dat kan in een column of achtergrondartikel. Zo’n column vond ik (toegift!) op afgelopen maandag in de Volkskrant, al werd het onderhavige item van Erdal Balci de volgende dag alweer gewraakt door Wout Woltz, die ik heb leren kennen tijdens vakantiebaantjes bij het Algemeen Handelsblad.
Waarheen de weg leidt die de studenten volgen, is nog niet duidelijk, maar dat ik als lezer moed put uit de jongeren die nu de straat opgaan, moge duidelijk zijn.

Balci verwees naar dit gedicht over de pijn van vrijheid van Paul Eluard: http://www.ekklesiadenhaag.nl/teksten130922.pdf

Had Vulcanus scoliose?

‘In de geneeskunde is observatie (…) een belangrijk instrument bij het stellen van diagnoses. Jammer genoeg zijn we het belang van louter observatie steeds minder gaan waarderen. Dit komt omdat steeds meer hulpmiddelen ter beschikking zijn gekomen om medische diagnoses te kunnen stellen.’ Dit staat te lezen aan het begin van de leporello Therapy in Art (Rijksmuseum Amsterdam).

Dat is de ene kant. Aan de andere kant woedde onlangs op twitter een ware strijd over het feit of je dergelijke observaties ‘methodologisch goed in elkaar kunt zetten’: motieven, stijl, kunstenaar enzovoort. Dit naar aanleiding van een artikel in Annals of Human Biology over de zogenaamde Habsburgse kaak die op veel schilderijen opduikt en uit inteelt voort zou kunnen zijn gekomen.

In het Rijksmuseum hangt op dit moment een schilderij van Vulcanus door Velázquez. Volgens de mythe was Vulcanus in ieder geval mank en volgens sommigen had hij ook een bochel, maar zo wordt hij eigenlijk zelden of nooit afgebeeld. Op dit schilderij lijkt zijn houding erop te wijzen dat hij mank liep en/of een zijwaartse kromming, scoliose, had (zie beide afbeeldingen hierboven ter vergelijking).

Belangrijker is misschien, dat Velázquez niet alleen mythische figuren, maar vooral ook mensen met een handicap als mens afbeeldde en niet als een type. Die constatering hoor je op de geslaagde audiotour bij de tentoonstelling ‘Rembrandt–Vélazquez – Nederlandse & Spaanse meesters’.

Ik moet daarbij denken aan een ‘het beslissende moment’ waarover Chris de Zeeuw, hoogleraar neurowetenschappen, eens tijdens de middag Lof der geneeskunst (9 oktober 2009, de Doelen te Rotterdam) vertelde. Als jonge coassistent op de tweesprong met de vraag welke kant hij uit zal gaan, ziet hij in het Picassomuseum in Barcelona het schilderij Ciencia y Caridad (Wetenschap en Zorg): een vrouw op bed met links een dokter (de wetenschap) en rechts een verpleegster (de zorg verbeeldend). Achter zich hoort De Zeeuw iemand in een rolstoel aankomen. Naast hem komt Stephen Hawking tot stilstand en kijkt ook naar het schilderij. Op dat moment weet De Zeeuw welke kant hij op wil en ziet dit door het voorval bevestigd: de wetenschap.
Thuisgekomen vertelt hij dit voorval aan zijn vrouw. Zij antwoordt dat ze dit onzin vindt; voor hetzelfde geld had hij Hawking niet gezien als een beroemde wetenschapper, maar als een patiënt met ALS en had hij voor de zorg kunnen kiezen.

Ik denk dat allebei samen kan komen. Kunst en wetenschap en/of zorg bedrijven met heel je hart. Vélazquez laat het zien.

Muzikale trialoog

Pagina met Gregoriaanse gezangen (1200-1225, abdij van Stavelot). Foto British Library. Gele rondjes geven kwartnoten aan.

Het doorgaande leerhuis over het in samenhang lezen van Bijbel en Koran door Anton Wessels voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) is weer van start gegaan. Het levert altijd mooie doorkijkjes op en spannende gesprekken die aan het denken zetten, al hoef je het er natuurlijk lang niet altijd mee eens te zijn.

Wessels ziet, zoals hij in een artikel in Ophef (19de jaargang, nr. 3 en 4 2016) schreef, ‘de verschillende hoofdstukken van beide boeken [Bijbel en Koran] als evenzovele voorbeelden van het volgen van een gezamenlijk leesrooster. Bijbel en Koran te lezen als één “narrative”.’ Hij ziet Tenach als het eerste Testament, het Nieuwe Testament als het tweede en de Koran als het derde. Het eerste is ‘de funderende grondslag’ voor zowel het Nieuwe Testament als de Koran. Zijn uitgangspunt ‘is en blijft hoe deze twee boeken: het Nieuwe Testament en de Koran vanuit het Eerste Testament uit te leggen’. Hij pleit ervoor ‘dat alle drie, jood, christen en moslim elkaar blijven bevragen omtrent het verstaan van elkaars Schriften.’ Tot zover de uitgangspunten die de emeritus hoogleraar Godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit verwoordde.

Nu naar de cursus van dit jaar: ‘Wat zeggen de joden, christenen en moslims dat Ik ben?’ Waarbij de discussie niet wordt gevoerd op grond van vergelijkingen of identiteiten, maar op grond van exegese van de drie boeken zelf. Het gaat mij er hier nu niet om, de inhoud van de eerste ochtend verder weer te geven, maar om in te gaan op een interessante vraag en het antwoord dat daarop na de pauze werd gegeven.
De vraag luidde: ‘In hoeverre is de islam medebepalend geweest voor de Europese identiteit?’ Het antwoord werd vooral gezocht in de filosofie, met name in het neothomisme. De vertegenwoordigers hiervan kwamen volgens Wessels via de weg van Thomas van Aquino tot de studie van de Koran. Via die band van de filosofie zou kunnen worden gewerkt aan een ander politiek klimaat.

Er is, bedacht ik mij thuisgekomen, ook nog een andere weg: die van de muziek, met name het Gregoriaans. In de uitvoering daarvan zou de trialoog tussen jodendom, christendom en islam handen en voeten kunnen krijgen. En daarbij denk ik achtereenvolgens aan de joodse invloed op het gregoriaans en, zoals recentelijk door Lou Lousberg aangetoonde islamitische invloed.

Eerst de joodse invloed. Ik schreef er een hoofdstuk over in mijn boekje Dialoog in muziek. De joodse invloed op de westerse muziekgeschiedenis. Ik neem hier enkele gedachten daaruit over. In de leermis vindt men ‘muzikale familietrekken terug van de joodse voorouders. Ze komen’ – en ik citeer daarbij uit Muziek tussen hemel en aarde van Hélène Nolthenius –, ‘tot uiting in twee principes: het zingend reciteren (“cantileren”) van bijbels proza en het door een voorzanger uit te voeren psalmgezang’.
De accenten voor het reciteren werden aangegeven door middel van een notatie die vooruitloopt op de Gregoriaanse neumen. ‘Het is’, schrijf ik (p. 13), ‘daarom ook niet verwonderlijk dat in 1964-’65 enkele bladen met een dergelijke notatie bij een Hebreeuwse tekst als een joods handschrift werden beschouwd.’ Ze staan nu bekend als De kroniek van Obadja de Proseliet.
Er zijn verschillende ensembles die in hun uitvoering van het Gregoriaans deze joodse oorsprong door laten klinken, zoals Boston Camerata en Ensemble Venance Fortunat. Dat staat haaks op de negentiende eeuwse reconstructie van het Gregoriaans, zoals die nu meestal klinkt.

Maar er is meer. Onlangs promoveerde in Utrecht de musicoloog Leo Lousberg op een proefschrift waarin hij aantoont, dat er in het Gregoriaans kwarttonen voorkomen. Deze werden gebruikt om bepaalde woorden in gezongen teksten te benadrukken. Ze zijn, betoogt Lousberg, afkomstig uit de Arabische muziek, waarin kwarttonen veelvuldig voorkomen.
Ook hier gaat het om een handschrift dat de weg wees. In dit verband een in 1846 ontdekt handschrift in Montpellier, waarin tekens te vinden zijn op plekken waar je volgens de Griekse muziektheorie alleen kwarttonen kunt zingen. Hoewel Jacques Froger (abdij van Solesmes) in 1978 dit probeerde te weerleggen, is inmiddels overtuigend aangetoond dat sommige, spaarzaam gebruikte tekens in oude handschriften wel degelijk op kwarttonen slaan. Lousberg deed dit aan de hand van zes handschriften.

Jammer is dat hij wél concludeert, dat de functie die deze tonen destijds hadden, nu niet meer bij het publiek over zouden komen. Zou er echt geen ensemble te vinden zijn die dit zou willen proberen? Waarbij het natuurlijk helemaal prachtig zou zijn, als dit in combinatie met het ontsluieren (om een term van Anton Wessels gedurende de eerste cursusochtend aan te halen) van de joodse oorsprong van het Gregoriaans gepaard zou gaan. Dan heb je een muzikale trialoog van formaat tussen jodendom-christendom-islam te pakken. Zou dat niet mooi zijn?
[Hier dachten sommige volgers op twitter anders over; in een paar dagen liep een handjevol weg …].

Een fantasie en een fuga die ons omarmen

Het gebeurt wel vaker dat een organist zijn/haar concert begint met een preludium van Bach en eindigt met de bijbehorende fuga met hetzelfde BWV-nummer, bijvoorbeeld met het Preludium en fuga in Es gr.t. BWV 552 die de Grote Orgelmis omsluiten. De Engelse organist Glen Dempsey deed het afgelopen week woensdag ook tijdens zijn recital op het Sauer-orgel in de Basiliek van de H. Nicolaas tijdens de Amsterdamse Orgelzomer (zie foto).

Hij opende met Bachs Fantasie in g kl.t. BWV 542, vervolgde met onder meer Mendelssohns zesde sonate in d kl.t. op. 65 nr. 6 en sloot af met de Fuga in g kl.t. BWV 542. Toen hij die fuga inzette, leek het op het eerste gehoor als een tang op een varken te slaan. Totdat Dempsy opeens het thema juichend boven alles uit liet komen. Net zoals hij in de sonate van Mendelssohn het thema, in dat geval het koraal Vater unser im Himmelreich, op een gegeven moment juichend boven alle andere stemmen speelde.
Zo gaven niet alleen de fantasie en de fuga elkaar bij wijze van spreken een hand, maar ook de in de geestelijke muziek gedrenkte Mendelssohnsonate en de seculiere Bach, al weet je dat bij hem nooit.

Het is heel wel mogelijk dat onder de concertbezoekers heel veel mensen zaten die op zondag niet naar de kerk gaan maar wie zo’n concert veel doet. Zo’n beetje als de ruim 3.800 volgers die Alain Verheij, de theoloog des twitterlands, in een herhaling van het tv-programma Het Vermoeden (16 juli jl.) tegen Marleen Stelling vertelde: de meeste volgers gaan zelfs niet met kerst naar de kerk, dus dat kun je al niet eens meer randkerkelijken noemen.
Waarop Stelling vroeg of die scheidslijn seculier (de fantasie en fuga van Bach zeg maar) en kerkelijk (de sonate van Mendelssohn zeg maar) nog wel bestaat. Waarop Verheij antwoordde dat zijn twitteraccount – en de uitwerking van het concertprogramma op mij althans – bewijst van niet. De scheidslijnen gaan volgens hem wat anders lopen. Het gesprek tussen beide uitersten lijkt makkelijker te gaan, net als de verzuiling en de allergie voor godsdienst voorbij lijken te zijn. Dat vereist een diepe vertrouwdheid met de cultuur, de maatschappij én de traditie waarin je staat.

Na de ontkerkelijking ligt er volgens Verheij een enorm spiritueel terrein braak, dat op dit moment vooral wordt ingenomen door yoga en mindfulness. De joods-christelijke traditie, zoals hij dat noemde, kan goed aan dat gesprek meedoen vanuit de Bijbelse verhalen, kunst en mensen om ons heen. Samen vormen ze onze kern, ons hart en onze nieren, die ook in een concert ten diepste kunnen worden geraakt. Met een been sta je er op een volkomen seculiere manier (om dat woord nog een keer te gebruiken) in de wereld en in het beleven van kunst en met het andere been ben je diep gelovig. Beide benen heb je nodig om je weg te gaan, om op te been te blijven, als het ware omarmd door een fantasie en een fuga.

Het tweede verhaal

Vervolg tweede diskette 038‘Elk verhaal sleept een ander verhaal achter zich aan. Het is dit tweede verhaal waar het om gaat’. Dat is de lead van een Sterk verhaal van Manon Uphoff in ‘Zomertijd’ van Trouw (15 augustus 2015).
Deze lead schuift over het slot, en met name één zin die als een graat in mijn keel blijft steken uit een brief aan een zelfdoder die voor de trein sprong van ds. Herman Koetsveld uit Hengelo (www.nieuwwij.nl/nieuws/brief-aan-een-wanhopige).

Een brief die inmiddels in mijn tijdlijn op twitter ‘hot’ is en mijn nieuwsgierigheid wekte. En inmiddels ook ergernis. ‘En toch’, schrijft Koetsveld, ‘vind ik dat je dit niet had mogen doen. Om de mensen om je heen die nu misschien levenslang moeten tasten naar antwoorden.’

Het past niet, zo’n veroordeling. Het andere, tweede verhaal dat er misschien óók is, en de nabestaanden troost kan bieden (ik spreek uit ervaring), wordt erdoor verdonkeremaand en in een moralistisch daglicht geplaatst. Het andere verhaal van een mens die misschien dacht dat het leven van de mensen om zich heen beter af zou zijn als hij/zij er niet meer was. Wie zal het zeggen?

Er valt niets te zeggen. Hooguit – als ze er op dat moment behoefte aan hebben – in stilte te zijn bij de machinist in doodschrik, of bij de mensen die de resten van het lichaam bij elkaar moesten rapen, zoals Koetsveld het omschrijft. Om díe kracht zou ik willen bidden.