In memoriam Gundl Benes-Puschnig

Het waren altijd genoeglijke uurtjes in het fraaie huis van Gundl en Pim Benes aan het Europaplein in Leeuwarden. Oene Nijdam, aan het begin nog een enkele keer Theo Lambooij en ik kwamen er samen wanneer de concertbrochures voor het nieuwe seizoen waren verschenen, en we de ‘buit’ gingen verdelen: wie ging welk klassieke muziekconcert recenseren? Niet dat we tussendoor niet nog konden worden gebeld door onze chef, Pieter de Groot, als er – meestal in de provincie – een concert tussendoor bij kwam.

Viermanschap
Hoe verdrietig: op 14 februari jl. overleed Rautgund Benes-Puschnig op 81-jarige leeftijd, nadat Theo Lambooij (geb. 1901) haar al in 1995 was voorgegaan en Oene Nijdam (geb. 1944) verleden jaar mei. Ze overleed op dezelfde dag als de geboortedag van haar vader, die als koordirigent, recensent en historicus werkzaam was in het verwoeste Graz, waar ze als oorlogskind opgroeide en op 9-jarige leeftijd naar Nederland werd gestuurd.
Alle vier waren we oud-muziekrecensent van de Leeuwarder Courant. Ik vulde het driemanschap Lambooij-Benes-Nijdam in 1981 aan, ‘omdat Theo Lambooij een stapje terug deed’, zoals dat heette. En al snel verving ik hem helemaal. Ik ben uiteindelijk van 1981-1988 als muziekredacteur, zoals het officieel werd genoemd, aan de krant verbonden geweest. En heb daarna spaarzaam contact met Gundl Benes gehouden; zij was van 1968-2000 aan de krant verbonden en schreef maar liefst 743 recensies.

Opera’s
Het waren niet alleen genoeglijke uurtjes, maar ik heb ook veel van haar geleerd. Niet in de zin zoals ik J. Reichenfeld (Algemeen Handelsblad) min of meer als mijn leermeester beschouw, en op wiens reservebankje ik mocht zitten (en overigens nooit heb hoeven op te staan), maar op een andere manier. Al de eerste keer meldde ik bijvoorbeeld meteen weinig of niets van opera’s te weten. Hindert niet, zei Gundl – dan leer je het maar. Je moet het gewoon dóen. We doen alles samen, niets uitgezonderd. Het was een typerende opmerking van haar.
Ik ben er haar dankbaar voor en nadat ik me als een razende begon in te lezen en lp’s leende uit de Openbare Bibliotheek (waar ik overigens als afdelingshoofd werkte, en zij gedurende een periode bestuurslid was) om er in thuis te raken, begon ik schoorvoetend opera’s te recenseren. Om gaandeweg inderdaad gewoon ook in dat genre mee te draaien. Meestal waren het opvoeringen van Opera Forum (1955-1993). De meeste ben ik op één of andere manier vergeten, maar enkele zijn me bijgebleven: Fidelio van Beethoven en Pelléas et Méllisande van Debussy. Gundl heeft iets in me gezaaid dat, weer terug in Amsterdam, uiteindelijk heeft geleid tot een opera-abonnement …

Orgelconcerten
Ik trad destijds in dienst aan de vooravond van de zomerse orgelconcerten, een genre dat me (in eerste instantie) meer lag dan opera’s. Het tegenovergestelde gold voor Pim Benes, die wel met zijn vrouw meeging de provincie in, maar er niet zoveel van moest hebben. Ook ik moest er meteen op uit, naar Bolsward, Sneek, Jorwerd, Damswoude en Dokkum en leerde zo de provincie kennen.
Op een avond ging ik, dichter bij huis, naar de Grote Kerk in Leeuwarden, waar Volumina (1962) van György Ligeti (1923-2006) zou worden uitgevoerd. Spectaculair, want het begint met het lucht door de pijpen laten gaan, dan alle registers opentrekken en met het gewicht van beide armen op de toetsen gaan liggen. Als ik me goed herinner, was de brandweer zelfs aanwezig, want dit kon wel eens verkeerd uitpakken. Gewapend met de partituur van enorme afmetingen, trof ik na binnenkomst van de kerk Gundl aan. Hé, jij ook hier zullen we wel tegen elkaar hebben gezegd. We besloten allebei de helft van het concert te recenseren en ik mocht als liefhebber van moderne muziek het genoemde stuk voor mijn rekening nemen. In de recensie schreef zij later: ‘Ik geef nu het stokje aan….’.
We gingen naast elkaar zitten, de partituur over ons beider schoten geopend. Ze moet me volledig hebben vertrouwd, want halverwege het stuk dommelde ze weg en gleed de partituur aan haar kant langzaam naar de grond.

Flauwvallende pianist
Niet dat we het nu altijd met elkaar eens waren. Ik kan me nog herinneren dat ik een keer een pianorecital moest verslaan (ik kies hier expres voor dit woord) van een student aan de Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden (1973-1999). Halverwege het concert viel de pianist flauw, waarvan ik in mijn recensie sec melding maakte. Niet meer en niet minder. Gundl was het hier niet mee eens, maar ik verweerde me door te zeggen dat ik me ook journalist voelde binnen de context van een krant. Later trof ik de docente van deze pianist in de trein, mevrouw Espinosa. Ze was het met me eens.

Humor
Ik weet niet hoe er op de recensies van Gundl is gereageerd. Op die van mij kwamen spaarzaam – overigens meestal geen negatieve – ingezonden stukken, een enkele brief van een musicus (waarvan ik die van Klaas Hoek uit 1984 mij zeer raakte) en hoorde ik dat in de kantine van het toenmalig Frysk Orkest recensies (die van mij, die van ons?) op het prikbord werden gehangen, en musici er met dartpijltjes op schoten. Ach ja, je moet toch wat om je af te reageren. Ik heb er Gundl nooit over gehoord. Over zulke dingen sprak je ook eigenlijk niet. Bovendien was Gundel zowel open als gesloten tegelijk; haar laatste woorden richting mij, op haar kerstkaart, gaven dit aan: ‘Later dan anders maar niet minder welgemeen …’. Haar kennende, zou ze, als ze zich er wel over had geuit, dit vast met humor hebben gedaan.

Want zo was ze, lees ik ook op de rouwkaart: ‘Wij zullen haar humor en haar oprechte belangstelling in de mensen en wereld om haar heen gaan missen’. Waarvan akte. Haar nagedachtenis zij tot zegen.

Hanna Beekhuis (1889-1980)

Hanna BeekhuisBij het verschijnen van Eva Rovers’ biografie van Helene Kröller-Müller, De eeuwigheid verzameld, plaats ik hier een gedeelte uit een lezing over de componiste Hanna Beekhuis (zie afb.), die ik in december 1986 hield in de Openbare Bibliotheek van Leeuwarden. Beekhuis is verbonden aan de kring rond Kröller-Müller en H.P. Bremmer, Kröller-Müllers adviseur op het gebied van kunstaankopen.

De ik-verteller uit de novelle Slecht zicht van Alfred Kossmann, kan zich aan het begin maar geen beeld kan vormen van één van de hoofdpersonen van het verhaal: Alexander Kievoet.

Zo verging het mij eerst ook, toen ik mij een beeld wilde vormen van de componiste en pianiste Hanna Beekhuis. Wat ik hier vertel, heeft dan ook alles te maken met een beeldvórming die sterk persoonlijk is gekleurd. Of wie weet: wel íngekleurd.
Voor dat laatste heb ik willen waken, door zo nauwkeurig mogelijk na te gaan met wie Hanna Beekhuis in haar leven contact heeft gehad, wat haar zo boeide in die contacten, en wat de weerslag daarvan is geweest op haar werk.

Hanna Beekhuis studeerde onder meer bij Dirk Schäfer. In deze studietijd, en ook nog daarna, vormde zij een trio met de bekende zangeres To van der Sluys en de niet minder befaamde fluitist Johan Feltkamp. De man aan wie Willem Pijper zijn fluitsonate heeft opgedragen.
In de tijd dat ze bij To van der Sluys over de vloer kwam, leerde Hanna Beekhuis ook allerlei bekende personen uit de wereld van de beeldende kunst kennen. Iemand die in die tijd een grote invloed op haar heeft uitgeoefend, is de schilder Isaacson geweest. De man die beschouwd zou kunnen worden als de ontdekker van Vincent van Gogh. Beekhuis moet zich met name aangetrokken hebben gevoeld tot de Van Gogh uit de ongecompliceerde Arles-periode, die vijftien maanden duurde.

Met het trio gaf zij concerten in het bovenzaaltje van gebouw Heystee in Amsterdam. Op één van die concerten speelde Hanna Beekhuis haar Bretonse Ballade voor piano. Te midden van het Bretonse schilderwerk van Herman Friedrich Bieling, één van haar vrienden. Beekhuis heeft enkele schilderijen van hem (waaronder een portret dat hij van haar maakte) in huis gehad. Navraag leerde, dat zij dit werk heeft vermaakt.

De affiniteit met schilders en schilderkunst zat in de familie Beekhuis. Haar oudere zuster Geestje, die voor de Tweede Wereldoorlog is gestorven, was bijvoorbeeld schilderes. Via familiebanden was de familie Beekhuis verbonden aan de bekende H.P. Bremmer, de man die een grote invloed heeft gehad op mevrouw Kröller-Müller. Bremmer was een kunstestheticus, die zich volledig concentreerde op het kunstwerk zelf en – daaruit blijkt wellicht zijn invloed op Hanna Beekhuis – een grote voorliefde had voor de ideeën van Spinoza en … de schilderijen van Van Gogh.

De invloed van Spinoza bleek vooral uit de gedichten van Hanna Beekhuis. Helaas is daar niet veel van teruggevonden. Eén voorbeeld, Lichtstraal, werd door Jan de Boer, een vriend van Hanna Beekhuis geciteerd in zijn In memoriam in Mens en melodie (juni 1980). Prof. Henrard uit Leuven heeft in zijn boek over Spinoza proberen aan te tonen, hoe het komt dat tijdgenoten van Hanna Beekhuis als Frederik van Eeden en P.N. van Eyck zowel een voorliefde voor Spinoza als Van Gogh hadden. Hij vindt de linking pin in het humanitaire expressionisme.

Het humanitair expressionisme lijkt mij wat ver van Hanna Beekhuis verwijderd. Immers: zij had een voorliefde voor Van Goghs Franse periode. Een voorliefde voor Oosterse literatuur en kunst, die Henrard als tweede overeenkomst tussen Spinoza, Van Gogh en de spinozisten noemde, is ook kenmerkend voor Hanna Beekhuis. Zij schreef bijvoorbeeld een lied, Les deux flûtes op tekst van Li-Tai-Po, en werkte samen met de Javaanse danser Raden Mas Jodjana, met wie ze tournees heeft gemaakt.

Deze belangstelling heeft Hanna Beekhuis ook gemeen met Jung, de bekende psychiater. Het is bekend dat zij hem gedurende de Tweede Wereldoorlog – toen ze in Zwitserland woonde – heeft leren kennen. Volgens de hiervoor genoemde Jan de Boer waren ze bevriend en werkten ze samen. De Boer schrijft, dat Jung haar ‘als zijn assistente soms ook zelfstandig werk toevertrouwde.’ In de ETH-Bibliotheek in Zürich kan in het familie-archief van Jung de correspondentie worden teruggevonden tussen hem en Hanna Beekhuis. Het zijn achtentwintig brieven uit de periode 1941-1960, een jaar voor zijn dood.

De familie Beekhuis komt terug in een jaren na deze lezing uitgegeven biografie over H.P. Bremmer van Hildelies Balk (2006). Hij stond ook centraal op een tentoonstelling, De Kunstpaus H.P. Bremmer in het Kröller-Müller Museum in Otterlo. Bremmer staat natuurlijk, maar dat wisten we al, ook afgebeeld op de beroemde portretgroep van Charley Toorop (collectie Kröller-Müller Museum). Samen met de biografie van Eva Rovers valt zo een mooi tijdsbeeld te reconstrueren van een tijd waarin Hanna Beekhuis haar partij mee blies.