‘Het mysterie stelt zich voor’

En weer is er een bijdrage die ik voor de website 8weekly.nl schreef, die met een boekje dat ik onlangs las aan de haal gaat. En met een eerdere blog, van 17 september jl. over Calder.
En met een toegift: een kunstwerk van Joana Vasconcelos.

De Zesde van Beethoven
De bijdrage ging over de aanrollende donder in de Zesde symfonie van Ludwig van Beethoven. Ik was er bang voor, écht bang. ‘Heel raar eigenlijk’, schreef ik, ‘want in het echte leven was ik als kind niet bang voor onweer. Ja, ik werd ’s nachts wakker gemaakt als het onweerde en we bleven in de huiskamer zitten tot de bui was weggetrokken. De spanning werd al minder als de tussenpozen tussen lichtflits en donderslag langer werden, maar ik wachtte rustig af tot ik weer naar bed mocht. Het onweer in de Zesde symfonie kon echter niet gauw genoeg overgewaaid zijn. Ik had er de pest in als de langspeelplaat weer (…) op de speeltafel werd gelegd. Het was wéér griezelen geblazen.’
En ik vroeg me verderop in deze Special af, of ik ook echt onweer hoorde, ‘of toch iets anders, iets dat misschien dieper gaat?’

Maarten Luther
Het antwoord had ik niet. Nog niet, want nu valt het me zomaar toe in het boekje Meditaties van de ziel van de theoloog Marcel Barnard. Hij heeft het in de tweede meditatie, ‘Het mysterie stelt zich voor’, over de hervormer Maarten Luther, die ‘een overdonderende presentie ervaart in een daverend onweer, als hij schuilt onder een boom in het veld. Hij interpreteert het als de stem van een verschrikkelijk en genadeloze godheid’ (p. 22).
Dát moet het ten diepste zijn geweest, als ik op zondagmiddag (!) naar de Zesde, de Pastorale van Beethoven luisterde en griezelde. Het past helemaal bij de angst die ik als kind had voor God, voor het eindoordeel dat naar mijn idee nabij was in het bijzonder. Hoe zou het dan komen, met mijn vader, mijn moeder, met mij, met de hele wereld uiteindelijk?

Een mobile van Calder
Maar gelukkig stond daar ook iets tegenover. Ook daarover schreef ik een Special, en daarover ging het in de blog van 17 september jl., de overlijdensdatum van mijn moeder. Ook Marcel Barnard kent het: een ervaring in een museum. Hij met zijn vader, ik met mijn moeder. Hij in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, ik in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Voor hem was het (waarschijnlijk, schrijft hij) werk van Peter Struyken, voor mij een mobile van Calder, maar de ervaring was vergelijkbaar. Op een gegeven moment stelde God ‘zich present in de ruimte van de kunsten’ (p. 23). Wat Barnard daarna schrijft, herken ik dan weer niet, want het komt mij toch een beetje te dicht in de buurt van het tegenover elkaar plaatsen van de God in het Oude- en de God in het Nieuwe Testament, de God ‘die het donderen al had verleerd en al een menselijke maat had aangenomen’.

Joana Vasconcelos
Ik zag wel voor me hoe de kleine Marcel in die museumzaal ‘op de grote eerste verdieping van het museum’ staat en er ‘zich een cocon van stilte’ om zich heen spint: ‘Ik word in een zuil van licht gewikkeld, het geroezemoes verdwijnt, de mensen om mij heen worden vage schimmen, ze lossen op in het niets’ (p. 21). Ik moet bij deze beschrijving denken aan een kunstwerk dat ik verleden jaar in de Kunsthal in Rotterdam zag: van de Portugese kunstenares Joana Vasconcelos (1971). Een rode cocon als de gedaante van een mens, die op de muziek van een Spaanse dans rond draaide. Een dans, – daar heeft Barnard het ook over, waarbinnen hij wordt getrokken, ‘de dans van die vreemde en paradoxale God’ (p. 18). Zo is het.

Link naar de Special over Beethovens Zesde symfonie: https://8weekly.nl/special/griezelmaand-de-aanrollende-donder/

Link naar het kunstwerk van Vasconcelos: https://www.youtube.com/watch?v=CoED3_K8YA8 (vanaf 3’05”)

Marcel Barnard: Meditaties van de ziel
Uitgeverij Vesuvius, 2019
ISBN 978-90-8659-805-2
Prijs: € 14,50

Onweer en ander natuurgeweld

Op 24 september a.s. organiseert Spui25 in het gelijknamige onderkomen in Amsterdam een evenement over de vraag hoe mensen reageren op de gevolgen van natuurgeweld. Van oudsher werden bijvoorbeeld donder en bliksem gezien als Gods straf(werktuigen). Met de uitvinding van de bliksemafleider veranderde dit, en werd onweer ook als iets moois en indrukwekkends gepercipieerd.
Aanleiding is het verschijnen van een studie van Jan Wim Buisman over de mens en het onweer in weten-schappelijk, religieus en artistiek opzicht (uitgeverij Vantilt).

In mijn MA-scriptie over Susan Neimans Het kwaad denken heb ik mij ook met deze vraag in ruimere zin beziggehouden. Hieronder een stukje daaruit over onder meer de bliksemschicht die Alfonso de Wijze trof dat ik hier plaats n.a.v. de middag bij Spui25, al ligt de nadruk in Buismans boek op een latere periode.

Neiman onderscheidt in haar uit 2002 daterende studie twee uitingen van kwaad: natuurlijk en moreel kwaad en twee denkrichtingen hierover. Natuurlijk kwaad staat voor natuurgeweld, zoals onweer en ernstige ziekten, moreel kwaad voor het door mensen verrichte kwaad. De eerste denkrichting omvat het denken van Rousseau (1712-1778) tot Hannah Arendt (1906-1975), de tweede lijn die van Voltaire (1694-1778) tot Jean Améry (1912-1978). De eerste lijn behelst een poging om het kwaad te begrijpen, in de tweede wordt gesteld dat men het kwaad vanuit de moraliteit juist niet moet proberen te begrijpen.

Neiman begint haar boek met de reacties op de bliksemschicht die Alfonso de Wijze trof. De vraag is, of dit een waarschuwing of een straf van God was om hem tot berouw aan te zetten voor zijn goddeloze daden en godslastering. De ideeën hierover verschoven in de loop der tijd, zoals Neiman in het eerste en tweede hoofdstuk van haar boek laat zien. De conclusie van de pogingen om het kwaad te begrijpen (hoofdstuk 1) en de verwerping van het idee dat het mogelijk is om het kwaad ooit te kunnen begrijpen of tot een hogere orde te herleiden (hoofdstuk 2) is, dat de vraag waar het in wezen om draait niet scepsis over het geloof in God is, maar scepsis over de menselijke rede.
In het derde hoofdstuk van haar studie behandelt Neiman onder meer het denken van Friedrich Nietzsche (1844-1900), die noch in de ene noch in de andere genoemde denklijn past. Hij vroeg zich af of het wel God is die moet worden veroordeeld, of eerder het leven zelf.
In het vierde en laatste hoofdstuk gaat Neiman verder in op het onderscheid tussen natuurlijk en moreel kwaad. Voor het eerste staat de aardbeving in 1755 in Lissabon symbool, voor het tweede Auschwitz.

Lissabon veroorzaakte een intellectuele crisis. De vraag was of God al dan niet in Zijn schepping ingrijpt. Ook hier werd de aardbeving, net als de bliksemschicht die Alfonso de Wijze trof, door sommige denkers gezien als een boodschap, een straf van God voor de zonden van de mens. Andere denkers, zoals Immanuel Kant (1724-1804), zagen de aardbeving niet als een bovennatuurlijk verschijnsel, maar als het gevolg van breuklijnen. Een natuurramp als Lissabon betekende een keerpunt in het denken over het kwaad, waardoor deze geen morele betekenis meer heeft. Of, in de visie van Neiman, geen enkele betekenis meer heeft.
Ten aanzien van Auschwitz betoogt Neiman dat geen enkele vorm van rationaliteit nog bruikbaar lijkt om over dit onbeschrijfelijke kwaad na te denken of het ook maar in de verste verte te kunnen begrijpen. Er bestaat geen enkel verband meer tussen ‘kwaad’ en ‘intentie’ zoals dat nog werd beschreven door Kant. Natuurlijk kwaad is teruggebracht tot pech en moreel kwaad tot grenzen die moeten worden gerespecteerd.

In zijn boek over het onweer gaat Buisman ook in op de esthetische kant van het onweer zoals die in de kunst vanaf eind achttiende, begin negentiende eeuw tot uitdrukking kwam. De periode van de Verlichting, die Neiman zo’n warm hart toedraagt. Zo grijpt één en ander in elkaar.

https://www.spui25.nl/gedeelde-content/evenementen/evenementen/2019/09/onweer-een-kleine-cultuurgeschiedenis.html