IJzersterk

Maarten ’t Hart richtte in het televisieprogramma VPRO Boeken als vanouds zijn pijlen op het christendom als een louter negatieve bron, Sybrand Buma creëerde in zijn H.J. Schoo-lezing – als ik Janneke Stegeman, Theoloog des vaderlands in Buitenhof even later mag geloven – een christendom dat helemaal niet bestaat, een geïdealiseerd verleden. Twee uitersten: het christendom als louter negatieve bron en een christendom als louter positieve bron, terwijl er talrijke nuanceringen vallen aan te brengen.

Volgens ’t Hart woont God op een ster, zoveel lichtjaren van ons verwijderd zodat er veel tijd zit tussen een gebed en Zijn reactie, bijvoorbeeld in de vorm van een aardbeving (!). Daarom worden volgens hem gebeden niet direct verhoord.
De komende tijd gaat de Talmoedstudiegroep waar ik deel van uit maak zich verdiepen over wat in de Talmoed wordt gezegd over het gebed. Hieronder plaats ik een niet uitgesproken, aan het slot iets voor deze blog aangevulde inleiding over dit thema die een andere kijk op het gebed geeft dan die van Maarten ’t Hart, die meende dat zijn redenering ‘ijzersterk’ was.
Ik heb mij hierbij gebaseerd op het boek Prayer in the Talmud van Joseph Heinemann (uitg. Walter de Gruyter, 1977), de Duits-Israëlische judaïst die een jaar na deze publicatie overleed. Het slot is een gedeelte uit mijn MA-scriptie.

De toegevoegde (dus niet vaste of formulier)gebeden in de Tempel gingen volgens Heinemann gelijk op met offers. Een restant daarvan treft hij aan in Lucas 1:10: ‘De gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het rookoffer.’ Het was de priester die het gebed uitsprak, beaamd door een respons als ‘Amen’ of ‘Gezegend de Ene’ (Baruch ata, Adonai). Hieraan werd grote waarde gehecht: ‘Groter is hij die antwoordt “Amen” dan hij die het gebed uitspreekt’ (Berachot 53b).
Op deze manier ontstaat er een relatie tussen het individu als deel van de gemeenschap en de Ene die direct wordt aangesproken. De vraag die Heinemann zich dan stelt is: is het denkbaar dat de gebeden van de mens invloed hebben op de wil van de Ene? Hij beantwoordt deze vraag met enkele citaten: ‘Drie dingen kunnen het besluit van de Ene annuleren: gebed, liefdadigheid en berouw’ (Tanuyet II 56b) en: ‘De Ene is geen mens, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben’ (Numeri 23:19).

Heinemann vindt dit wat naïef en komt met een volgend probleem: hoe kun je hier nog vanuit gaan na de vernietiging van de Tempel, waaruit de Shechinah (de aanwezigheid van God) is verdwenen? Hij antwoordt dan met: ‘Iedereen die in Jeruzalem bidt is iemand die bidt voor de Troon van de glorie, voor de poort van de hemel waarvan de ingang wijd openstaat en de gebeden worden gehoord, zoals in Genesis 28:17 staat: “Dit is niet anders dan een huis van de Ene, dat is de poort des hemels.” Rabbi Anan antwoordde: De poorten van de hemel zijn nooit gesloten, zoals staat geschreven: “Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Ene, Adonai, telkens als wij tot Hem roepen?” (Deut. 4:7). Een ander antwoord stelt dat hoewel de Shechinah uit de verwoeste Tempel is verdwenen, Zij nog steeds verkeert onder de mensen in de synagogen en het Beth ha midrash. Met een vers uit Jesaja (66:6): ‘Zoekt de Ene, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

Dit laatste is een opvatting die het beeld dat ’t Hart schetst, van de straffende God na zoveel lichtjaren, ombuigt richting een God die mee lijdt met het leed in de wereld. God is aanwezig in het lijden. De godsdienstfilosoof en theoloog Ingolf U. Dalferth heeft de opvatting van God die aanwezig is in de geschiedenis uitgewerkt in een verzameling essays die verschenen onder de titel Gedeutete Gegenwart.[1] In verband met de aanwezigheid van God in de geschiedenis, spreekt Dalferth van openbaring, wat hij omschrijft als iets dat zonder spreken gebeurt, als een nigun, een Lied ohne Worte dat volgens de Chassidim gelijk staat aan een gebed.
Dalferth ziet niet het kruis als symbool voor het lijden, maar de woorden die Jezus van Nazareth aan het kruis sprak, de zogeheten zeven kruiswoorden. Ook de afwezigheid van God, die tot uitdrukking komt in het vierde kruiswoord (’Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’, Psalm 22:2) is volgens hem een modus van God. Dat is een ander, ijzersterk verhaal!

 

[1] Ingolf U. Dalferth, Gedeutete Gegenwart. Zur Wahrnehmung Gottes in den Erfahrungen der Zeit (Tübingen 1997).

Heilige onrust, jawel

Het verhaal gaat dat Martin Buber eens aan het mediteren was en toen er op de deur werd geklopt, verstoord open deed. Er stonden twee jonge soldaten voor hem die advies vroegen of ze nu wel of niet in de oorlog moesten gaan vechten. Buber zei dat hij bezig was en sloot de deur. Van dit voorval heeft hij zoveel wroeging gehad, dat het zijn leven op de kop zette en er een ‘heilige onrust’ over hem kwam.

Een andere joodse denker, Spinoza, die vele eeuwen eerder leefde maar net als Buber nog steeds veel te zeggen heeft, streefde zijn hele leven naar gemoedsrust. Niet iets ‘voor later’, maar in het hier en nu. Hij schreef erover in het laatste, meer mystieke in plaats van rationele deel van zijn Ethica, dat sommige mensen er niet helemaal bij vinden horen, maar juist door dit deel raakt hij veel mensen; ook ik schreef er eerder een blog over.

Je kunt natuurlijk proberen tot een synthese te komen: een heilige onrust aan de ene kant en gemoedsrust aan de andere kant. Je in het leven inzetten voor anderen en ook aandacht schenken aan je eigen gemoed. En misschien kan het een zelfs niet zonder het ander; ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ heet het immers.

Frits de Lange lijkt, als ik afga op wat hij gisteren zei bij de presentatie van zijn boek Heilige onrust in een interview met Gerhard Scholte (predikant van de Amsterdamse Keizersgrachtkerk) wat op met beide manieren om in het leven te staan. Als uitgangspunt voor zijn boek koos hij de metafoor van de pelgrim, zoals Abraham op weg ging. Maar je kunt, zei hij, ook voor een andere metafoor kiezen, bijvoorbeeld van de vluchteling, en dan bij de mystiek uitkomen.

Volgens Tom de Haan (stadspredikant in Haarlem) heeft De Lange niet alles achter zich gelaten, maar is in beweging gekomen. De theologie als bewegingsleer heeft oude papieren: God als belofte, als evenement. Het gaat hem om verlangen, om hoop. Om de moed om je thuisland te herontdekken en dáár momenten van eeuwigheid te vinden.

De vraag is nu welke onrust heilig is. De Lange antwoordde dat hij het zoekt in transcendentie, en die is niet alleen te vinden in bijvoorbeeld het overschrijdende van muziek, maar ook in de ‘ander die je in de reden valt.’ En misschien mag je, met Levinas – al viel diens naam niet – daarvoor ook de Ander lezen, want de Naam God kan De Lange toch niet missen. In ieder geval wordt die ander volgens De Lange belichaamd door de Barmhartige Samaritaan en door de profeten uit Tenach.

Uit de zaal kwamen twee vragen die raak aansloten op de tweedeling die ik hiervoor beschreef en bij De Lange proef. Geesje Werkman (oud-medewerker voor de vluchtelingen bij Kerk in Actie) leek het boek Heilige onrust typisch het product van een babyboomer. Zij vulde aan, en dit werd door De Lange hartgrondig beaamd, dat vluchtelingen juist rust zoeken. Het boek, en het uitgangspunt van de pelgrim, is dus duidelijk cultureel bepaald.
De tweede vraag kwam van Wilken Veen (predikant van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie). Hij zag een dubbelheid in het boek: postreligiositeit aan de ene kant en ‘hart van religie’ (de ondertitel) aan de andere kant. Hij merkte op dat dit in het boek – dat hij al dank zij bol.com had kunnen lezen – niet wordt uitgewerkt. Betekent dit nu een terugvluchten naar de religie? De Lange reageerde wat geïrriteerd: ‘post’ is een voorvoegsel dat in het hele boek niet voorkomt en het hart van de religie wordt gevormd door geloven. De dubbelheid wordt in het boek niet opgelost, juist niet opgelost omdat de auteur dit wilde laten staan.

Toen ik thuiskwam van deze boekpresentatie, die was georganiseerd door uitgever Ten Have en de Keizersgrachtkerk, lag er een enveloppe van vrienden in mijn brievenbus met een orde van dienst van St. James’s Church Piccadilly (Londen), de kerk waar ik verleden week op Hemelvaartsdag een dienst bijwoonde die indruk op mij maakte. Er zat een inlegvel in dat dit ook niet naliet te doen: over het idee om in 2018 een pelgrimstocht te organiseren in het teken van ‘human rights and the Holocaust.’ Op die reis wordt het huis van Dietrich Bonhoeffer in Berlijn bezocht, het centrum voor dialoog en gebed in Krakau, Auschwitz en het gerechtshof in Neurenberg waar de processen plaatsvonden. Muziek zal ook deel uitmaken van de pelgrimage. Wat belooft dat een indrukwekkende pelgrimstocht te worden! Heilige onrust, jawel.

www.sjp.org.uk

 

Ontmoetingen

Zondag 21 mei jl. interviewde Marleen Stelling in Het Vermoeden de theoloog Theo Witvliet (NPO 2, 11.30 uur, zie foto). Een theoloog wiens denken ik een warm hart toedraag; wie in het zoekvenstertje bij deze blog zijn naam intypt, kan dat beamen.
Witvliet – zoon van een predikant die ik graag mocht horen – werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar ‘Geschiedenis van het christendom in de moderne tijd’ en was gasthoogleraar aan de Universiteit van Genève. Internationale bekendheid kreeg hij door vertalingen van zijn publicaties over de bevrijdingstheologie,
Een plaats onder de zon (1984) en De weg van de zwarte Messias (1984). Verder schreef hij onder meer Gebroken traditie (1999) en Het geheim van het lege midden (2003). Met name van dit laatste boek ken ik hem, al staat zijn recentste boek, dat a.s. zondag centraal zal staan (Kwaliteit van leven; het humanisme van Buber) hoog op mijn verlanglijstje.
Het kan niet missen dat ik in mijn MA-scriptie ook verder denk in de voetsporen van Witvliets boek
Het geheim van het lege midden. Enkele alinea’s daaruit neem ik hier t.g.v. de televisie-uitzending van a.s. zondag over. Aangevuld met wat mij opviel in een ander gesprek, diezelfde zondag (NPO 1, 11.20 uur) dat Jeroen van Kan in het programma VPRO Boeken had met de schrijver Tim Parks over diens nieuwste boek, De roman als overlevingsstrategie.

1. Theo Witvliet

Enerzijds doet de omschrijving ‘het lege midden’ denken aan het joodse makom (= plaats), anderzijds, mede door zijn toevoeging dat de plek leeg is, aan een begrip dat Witvliet ontleende aan Karl Barth.[1] De plek is niet, zoals bij Augustinus (354-430) opgevuld door een beeld van God.[2] En het gaat ook niet om een mystieke open ruimte, maar om het midden van een Talmoedpagina die is gevuld met dialogen en verschillende interpretaties van een Bijbeltekst. Witvliet schrijft:

Met het geheim van het ‘lege midden’ doel ik dan ook niet op een mysterie dat uitstijgt boven de verhalen, liederen, voorschriften, wijsheidsspreuken en brieven, maar op de onvermoede geheimen die in de teksten besloten zouden kunnen liggen.[3]

Dat geldt zeker zo wanneer de mens leeft naar de teksten die Witvliet noemt, en deze heeft geïnternaliseerd, oftewel opgegeten (Ezechiël 3:1). Zodat transcendentie en immanentie “uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering” aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[4] “De kracht van het transcenderen bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het” volgens Safranski om.[5]

Witvliet heeft het in het gesprek met Marleen Stelling over een ontmoeting (in het lege midden?) die gebeurt, bijvoorbeeld wanneer de tijd even wegvalt. Dat hoeft niet alleen tussen mensen te zijn, maar kan ook met literatuur; Witvliet heeft het over de Zwitserse schrijver Max Frisch, in wiens werk hij zich heeft verdiept.
Die ontmoeting gaat verder in het gesprek dat Jeroen van Kan nagenoeg tegelijkertijd (leve Uitzending gemist!) met Tim Parks heeft.

2. Tim Parks

Tim Parks ziet in zijn boek over de roman (zie afb. links) het lezen van een roman ook als een ontmoeting en een deel van het gedrag van een auteur. Boeken krijgen een relatie met ons en onze levens. Je kunt bijvoorbeeld boos worden bij het lezen van een boek (zie mijn blog over Siegfried van Harry Mulisch!), maar dar zegt iets over mijzelf. We vormen een opinie in relatie tot waar het boek over gaat.

Twee spannende boeken, lijkt me: van Theo Witvliet enerzijds en van Tim Parks (ook voor op het verlanglijstje!) anderzijds.


[1]
Theo Witvliet, Het geheim van het lege midden. Over de identiteit van het Westers christendom (Zoetermeer 2003). Barth sprak in zijn Der Römerbrief (1922) over ‘Hohlraum’, lege ruimte.
[2] Hoewel er mijns inziens geen bezwaar tegen is, hierin het beeld te zien van een Zich achter de wolken terugtrekkende God (in de Bijbelse Psalmen), of een zich samentrekkende, transcendente God die plaats maakt voor de mens (tsimtsoem,
Kabbala). 
[3] Witvliet 19.
[4] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.
[5] Een mooi voorbeeld is Rüdiger Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, Amsterdam 2005, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

Samen vieren?

Gisteren, maandag 24 april, vond in de Amsterdamse Thomaskerk een studiemiddag plaats met vijf protestantse en vijf rooms-katholieke theologen over Eucharistie en Avondmaal. De vraag was: is samen vieren mogelijk? Wat geloven we precies en hoe beleven we dat sacrament? De uiteindelijke vraag was: welke beletselen staan (nog) in de weg voor een gezamenlijke viering?

Leeuwarden
Jaren en jaren geleden was er gedonder tussen de (toen nog) Nederlands Hervormde Gemeente en de rooms-katholieke parochie in de wijk Bilgaard in Leeuwarden, waar zij gezamenlijk een kerkgebouw (nu wijkcentrum) gebruikten. Hoe de vork precies in de steel zat, weet ik niet meer. Wel dat de pastoor het veld moest ruimen, en dat op een zondag er een gezamenlijke dienst was, inclusief Eucharistie/Avondmaal. Beide voorgangers, de predikant en de pastoor, deelden brood en wijn uit. Ik stemde met mijn voeten voor de pastoor en tegen het beleid, en ging bij hem – die als ik mij goed herinner door alle ellende kort daarna een hartaanval of beroerte kreeg – ter tafel. Iets dat in ieder geval door de synode sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebillijkt.

Band tussen Christus en de Kerk is fundamenteel:
Christus als oersacrament
Kerk als grondsacrament, als plaats waar Gods heil wordt gehoord en zichtbaar gemaakt.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

De Slangenburg
Ik was eens een midweek in de Slangenburg en vierde een deel van een viering mee. Een deel – want wij werden weliswaar genodigd, zonder onderscheid. Ik wilde voor het delen van brood en wijn naar voren gaan, maar werd door degene die naast mij zat min of meer tegengehouden: dit mag je níet doen. Ik voelde me buitengesloten en verdrietig, ik die niet aan avondmaalsmijding deed, zoals ik me nog van mijn moeder herinnerde. Dat gevoel herkende ik helemaal in wat Henk Meulink (voorzitter van de Raad van Kerken in Amsterdam) vertelde in het mislukte tafelgesprek tussen maar liefst negen mannen en één vrouw (!), deels ook nog eens met de rug naar het publiek, na de twee inleidingen – door mgr. dr. De Korte en dr. Karel Blei – : in zorginstellingen bestaan gemeenschappelijke vieringen. Of liever gezegd: tot nu, want onlangs werd hij genood én geweigerd. De arm van het kerkelijk gezag van Rome reikt ver, en omsluit – zoals de armen, de zuilengalerij voor de St. Pieter op het St. Pietersplein – alléén rooms-katholieken.

Er bestaat een nauwe relatie tussen Eucharistische gemeenschap en kerkelijke gemeenschap.
Maaltijd van de kerkelijke eenheid: eenheid in geloven is nodig voor deelname aan de Eucharistie.
Vergelijk met het Eucharistie gebed: gebed voor paus; bisschoppen; onze doden.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

Israël
In Israël heb ik het voorrecht gehad in een kibboets op sjabbat aan de maaltijd te hebben aangezeten. Iedereen voelde zich welkom, hoewel het overduidelijk was dat er niet-joden aanwezig waren. De christelijke mannen hadden hun hoofd bedekt, zoals te doen gebruikelijk. Met een keppeltje of een servet. Het was niemands bedoeling dat de joden zich tot het christendom zouden ‘bekeren’ noch dat de christenen jood zouden worden. Ieder beleefde de maaltijd op zijn/haar manier, in verbondenheid, eerbied en respect voor elkaar.

Niet al vierende naar de eenheid toegroeien maar de gezamenlijke Eucharistie als afronding van het proces van eenwording van alle christenen (‘De Maaltijd wordt uitgesteld’).

(Mgr. Dr. Gerard De Korte)

Is er sacrament omdat er kerk is, of is er kerk omdat er (o.a.) sacrament is? Katholieken zijn geneigd tot het eerste, protestanten tot het tweede. Maar beide aspecten hebben hun waarde.

(Dr. Karel Blei)

Antwerpen
Enkele jaren geleden was ik in een koosjer restaurant in Antwerpen, waar joden en christenen gezamenlijk de lunch gebruikten. Degene met wie ik samen reisde, twijfelde bij de ingang van het restaurant even of ze haar handen ritueel zou reinigen in de bekkens met water die daar stonden opgesteld. Uiteindelijk deed zij dit niet, omdat ze het niet gepast vond. Daarin had ze, vond ik gelijk, en ik volgde haar voorbeeld. Want in tegenstelling tot de Slangenburg, ervoer ik dit op dat moment als zodanig: dit is niet voor mij bestemd.

Leren en vieren
De nadruk lag tijdens deze studiemiddag op het leren – op met name het rooms-katholieke leergezag, dat de protestanten deels achter zich hebben gelaten door het lezen van het didactische tafelformulier te vervangen door een tafelgebed waarin meer nadruk ligt op het vieren van het Avondmaal, dat soms ook Maaltijd van de Heer wordt genoemd.

Andere, nieuw naar voren gekomen aspecten zijn: gemeenschapsbeleving, toekomstverwachting, diaconale gerichtheid (breken en delen in de samenleving).

(Dr. Karel Blei)

Wat zal ik doen als ik weer eens, zoals in Leeuwarden of de Slangenburg voor de keuze zal komen te staan: meevieren of blijven zitten? Het eerste, denk ik. En dan is een leerhuisbijeenkomst als deze, zoals Wilken Veen, voorzitter van het tafelgesprek zei, ‘een voorfase tot gezamenlijk vieren.’ Laten we het daar op houden.


De Oude Kerkgemeente en het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie organiseert op dinsdag 16, 23 en 30 mei a.s. in de Van Limmikhof (Nieuwe Keizersgracht 1a te Amsterdam) een leerhuis o.d.t.
De maaltijd van de Heer met prof. dr. Rinse Reeling Brouwer (Protestantse Theologische Universiteit), één van de tien deelnemers aan wat een tafelgesprek had moeten worden.

De j/Jou van Joost Baars

Joost Baars’ debuutbundel Binnenplaats geeft een goed inzicht in het godsdienstig beleven van nu. In het gelijknamige, eerste van de vier onderdelen van deze bundel, gaat het over een Jou, waarin je zowel God als Baars’ vrouw, en zelfs de dood kunt lezen. In deze zin is de bundel verwant aan de gedichten van een dichter als C.O. Jellema.

Een Jou-figuur die ‘wordt geboren in het geritsel / van het geritsel van het geruis-/loze ritselen, en mij erin maakt.’ De mij is aan Jou gelijk. Onaf. Maar de Jou heeft geen lichaam. De Jou vindt de ik-persoon, hoewel Jou het gezicht altijd weer afwend. De Jou is een tegenover die zegt dat hij/zij nabij is in de tuin – de tuin van Eden, de hortus conclusus? De ik hoopt dat de Jou met zijn/haar transcendentie luistert.

Er wordt in positieve bewoordingen, met veel ontregelende interpunctie (zie alleen al de eerste regel die ik hierboven citeerde), gezegd wat de negatieve theologie in negatieve zin zou verwoorden:

…. Jouw bestaan

nu even zeker
als het leven

van mijn vrouw.

Dat wil zeggen zo onzeker als wat, want het is een autobiografisch detail, over de vrouw van de dichter die een hartstilstand kreeg; het hart dat het omslag van Anneke de Soete siert (zie afb.). De vraag of God zich dood houdt (uit schaamte of onverschilligheid?) is al even existentieel, met een herinnering aan het geritsel bij Lucebert:

zeg mij, zegt Jouw gezwijg

mij iets of zeg ik Jou
hier ongehoord, …

Jij zwijgt of ritselt op z’n hoogst

… zo zacht
dat ik mijn angst vergat.

De tweede afdeling van de bundel, Meer dan aan elkaar, sprak mij minder aan. Wat niet wil zeggen dat de gedichten minder goed zijn. In tegendeel.
Het derde deel, Waar ik niet heen wil gaan, bestaat uit vertalingen van sonnetten van Gerard Manley Hopkins.

Met het laatste deel, Het dal van Spoleto, komen we weer op vertrouwder terrein: Franciscus van Assisi. Het eerste gedicht hieruit verklaart de titel van de bundel: ‘O kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?’ Behalve de vogel – volgens de overlevering sprak Franciscus met de vogels – doet ook de woordkeus aan Franciscus denken: de kraai als vehikel (instrument). Niet van de vrede, maar in dit geval van de dood waar de dichter niet aan wil. Het zijn verder allemaal gedichten over vogels: het roodborstje, spreeuwen, de buizerd, het musje dat wordt bedreigd, de zwaan en de mens die in schoonheid voor elkaar geschapen lijken, de reiger van Dick Ket en zelfs een drone.

Na een witpagina volgt het laatste gedicht van de bundel. Een prachtig liefdesgedicht over elke dag opnieuw met jou (zonder hoofdletter!) beginnen. Na het voorgaande zegt het genoeg. En Baars weet het in zijn mooie debuut, dat naar meers smaakt, raak te verwoorden. Soms iets over de top misschien en met veel, soms wellicht ook iets teveel ontregelende interpunctie. Maar wie zal daar bij zoveel moois écht over vallen?

De bundel dingt mee naar de Buddingh’prijs 2017.
Over het debuut van Joost Baars (1975) zegt de jury:

‘Een lijvige, intense en rijke bundel van een dichter die duidelijk belezen is. Met de dood voor ogen wordt de dood zelf aangesproken. Baars durft zijn gedichten tot op het bot uit te kleden, maar kiest in zijn vertaling van Gerald Manley Hopkins juist weer voor een weelderige virtuositeit. Knap hoe hij vanuit en persoonlijke ervaring tot poëzie komt die niet particulier is. Innemend is zijn grote betrokkenheid die soms een maatschappelijk bewustzijn naar buiten brengt.’

Ronit Palache – Ontroerende onzin

Ontroerende onzin : de joodse identiteit in het Nederland van nu / Ronit Palache. – Amsterdam : Prometheus, 2016. – 311 pagina’s ; 20 cm
ISBN 978-90-446-3155-5

In de periode 2013-2016 sprak Ronit Palache zo’n tweehonderd mensen voor de rubriek ‘Mensch’ in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). Dit boek biedt een greep uit de gesprekken die de journaliste en hoofd publiciteit en rechtenmanager bij uitgeverij Prometheus voerde. Gesprekken over joodse identiteit die cirkelen rond thema’s als het al dan niet geloven in God, wel of geen kritiek hebben op Israël, de Sjoah, antisemitisme en het al dan niet uitsluiten van vaderjoden. Het zijn merendeels geen bekende joden die Palache interviewde, maar allemaal mannen en vrouwen, jong en oud, orthodox of ongelovig, die nadenken over hun identiteit. Daardoor is de ondertitel van het boek misleidend; er is geen sprake van ‘de’ joodse identiteit. Het wachten is op soortgelijke interviews met andere minderheden in Nederland. Met een voorwoord van Abram de Swaan en een verklarende woordenlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Mooi van gestalte – een drieluik

Naast het lezen van Thomas Mann: Jozef en zijn broers voor de HOVO-cursus over deze romans, lees ik momenteel onder meer in Op de Uitkijk van Roel Pomp. Beide boeken gingen vandaag, Poeriem (het Lotenfeest, waarop in de synagoge het verhaal van Esther wordt gelezen, en zondag Reminiscere, Gedenk uw barmhartigheid), met elkaar en met een dienst in de Amsterdamse Oude Kerk in gesprek.

1.
‘In zijn roman [novelle, EvS] Das Gesetz (…) geeft Thomas Mann een romantische invulling aan het veel soberder verhaal [over Jozua] dat de Bijbel vertelt en dat een legendarisch karakter heeft,.’ aldus Pomp.
Dat mag gezegd worden van een schrijver die ook het verhaal over Jozef en zijn broers opblies tot vier kloeke romandelen. Inclusief een romantische invulling. Die vrijheid heeft een schrijver natuurlijk.
Michiel Hagdorn, docent van voornoemde HOVO-cursus over deze romans, wees al aan het begin op Jozefs’ schoonheid, zoals de Bijbel én Mann die beschrijven. In Genesis staat dat hij ‘schön und hübsch von angesicht’ is. Daarmee, schrijft Hagdorn in de begeleidende syllabus, ‘is hij voor Thomas Mann een volgende gestalte in de rij van mooie jongemannen in zijn literaire oeuvre, waarvan de schoonheid nu eens in bedekte termen (…) dan weer openlijk en uitgebreid (…) wordt beschreven. De Joseph-gestalte is een homo-erotisch ideaalbeeld voor Mann.’ Maar het is binnen de Bijbelse context wellicht ook méér.

2.
In de voorbeden in de Oude Kerk werd gewezen op het feit dat de joden vandaag Poeriem vieren. Verwezen werd naar het verhaal van de ‘mooie Esther.’ Zo wordt zij in de Bijbel, evenals Jozef, inderdaad omschreven.
Ook Roel Pomp komt enige pagina’s na zijn opmerking over Manns Das Gesetz ook over Esther te spreken. ‘Voor veel Joden na de Holocaust [is] het Oudtestamentische boek Esther het meest gelezen Joodse boek,’ schrijft hij.
Misschien zit in en achter de nadruk op de als mooie en schoon ervaren gestalten van zowel Jozef als Esther wel een boodschap verborgen: twee eenvoudige mensen die de diepten kenden (daar staat ongetwijfeld de put model voor) en deze te boven kwamen door (in meer dan één opzicht symbolische) functies als onderkoning en koningin.

3.
Ik lees verder in het mooie boek van Roel Pomp en stuit op de zinsneden: ‘Je moet op hem [God, EvS] wachten, gewoon in het alledaagse, elke seconde kan hij verschijnen in een bepaalde gebeurtenis, in niet meer dan een incident misschien: een vogel die ineens begint te fluiten en je wegrukt uit je somberheid of een fietser die langsrijdt en even naar je zwaait of een kaartje in de brievenbus.’
Het is zoals vanmorgen in de Oude Kerk werd gezegd: God is in de mooie dingen van het leven maar gaat ook met je mee in de donkerte ervan. Dat leert het verhaal van de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17). God is in de aanraking (vs.7) en het Woord: ‘Staat op en weest niet bevreesd’ (vs. 6).
Of zoals Roel Pomp pal voor wat ik onder 1 als eerste citaat uit zijn boek opnam schrijft: ‘Het kleine onooglijke volkje leerde zijn “God” kennen door wat er gebeurde; niet uit de hoogte maar uit de diepte.’ Door te kijken naar het mooie aangezicht van een Jozef en Esther, maar ook door ‘mensen in nood in een bootje op zee, vluchtelingen, die veilig de oever bereiken en, door en door nat, zich veilig weten’ (Roel Pomp) in de ogen te kijken.

Een andere tijd

In het tijdschrift Ophef las ik een recensie over het boek Het drievoudige pad van Maria de Groot (foto links), aan wier werk op deze blog al eens eerder aandacht schonk. Als liefhebber van haar werk, heb ik dit boek meteen aangeschaft en inmiddels ook gelezen. Eén, kort, hoofdstuk blijft mij achtervolgen: ‘Terugkeer’ uit het tweede gedeelte, ‘Pelgrim’ (de andere twee delen heten ‘Leerling’ en ‘Sterveling’). Het is een hoofdstuk dat in mijn hoofd op één of andere manier een gesprek aangaat met een ander boek dat destijds na lezing (2006) diepe indruk op mij heeft gemaakt: In het einde ligt het begin van Jürgen Moltmann. Ook hierin volgt de auteur als het ware een drievoudig pad: geboorte, wedergeboorte – dood – opstanding. Ik verwijs naar een mooie bespreking van dit boek door Rens Kopmels: http://www.renskopmels.nl/pagetxt277.html
Ik doe geen inbreuk op het auteursrecht, als ik hier als eerbewijs aan Maria de Groot én als aanbeveling om het hele boek ook te gaan lezen, dat korte hoofdstuk ‘Terugkeer’ in zijn geheel overneem (p. 103-104).

‘Wij keren terug uit het verleden naar de toekomst. De Eeuwige is onze toekomst. Naar Wie ons tevoorschijn riep, keren wij terug. Volwassen geworden. Door de wederwaardigheden van dit aardse bestaan heengegaan, veranderd naar lichaam, ziel en geest, keren we terug naar ons oorspronglicht, onze eerste verschijning, nu voltooid na het onvoltooide. Wie verlangt daar te zijn waar zij hoort, gaat voorspoedig. Wie treuzelt in de bermen van de weg, komt later aan. Niet per se minder geschoold. Integendeel. Elk avontuur, iedere onverwachte gebeurtenis leert ons. Door en door leerling wordt wie vaak verdwaalt. Door en door pelgrim. Zij of hij leert van elke dwaalweg sneller naar de levensweg terug te keren. Heb ik een beeld gemaakt van de Eeuwige of van mijzelf of van anderen? Ik sla het stuk en keer om, keer langs de kortste weg terug naar de weg die het maken van dergelijke beelden verbiedt.
Als ons hart in ons brandt om de Eeuwige te naderen, hoezeer van verre ook, dan jaagt dit vuur ons voort.
Waar is mijn God? Zal de zee het mij zeggen? Zonsopgang bij zee, zonsondergang, het vurige waterpad naar de einder, gelijkenissen zijn het van wat en Wie ik zoek. Al wat ik zie en bega brengt mij dichter bij U, Verborgene, Onzienlijke, die ook in mij is en niet gezien kan worden, die zich in mij verborgen houdt.
Ik ga naar de toekomst als ik terugkeer naar de Eeuwige. Ik ben de terugkeerpelgrim. Ik heb mijn aardse huis verkocht, mijn bezittingen uitgedeeld, mijn tijdelijkheid ingewisseld voor de eeuwigheid van de Eeuwige. Die bij mij en in mij is. Ik keer terug naar mijzelf. Bij mijn bron zal ik drinken en rusten. Ik zal vanaf het duin de zon zien ondergaan en weten dat zij opkomt. Maar niet op de plaats die ik zie. Zij zal bij mij terugkeren op een andere tijd. En zo voort, totdat mijn ogen zich sluiten. Totdat ik neerlig en niet meer opsta. Totdat zij mij beschijnt voor de laatste maal zonder dat ik het merk. Totdat mijn as vervluchtigt in haar stralen. Totdat ik ben teruggekeerd in stof dat mij vormde. Dan zal mijn ziel het weten. Mijn ziel zal haar gebed schrijven in de ziel van de Eeuwige, de letters die ontbraken en waarom de Altijdzijnde altijd weende. Ik zal de tranen van Gods aangezicht wissen en ik zal herhalen wat de psalmist heeft geschreven:
“Overdag bewijst de Eeuwige mij zijn liefde,
’s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven.”
Dan zal ik zijn ingekeerd tot wat ik niet wist, tot Wie ik niet kende.’

Maria de Groot: Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling. Uitgeverij Elikser, Leeuwarden. ISBN 978 90 8954 894 8 (2016). € 19,50

 

Licht en leven

Dank zij de Poëzieweek 2017, en alle publiciteit daaromheen, kwam ik op het spoor van de indrukwekkende debuutbundel Leger van Mieke van Zonneveld. Eerder had zij al de Turingprijs in de wacht gesleept met haar gedicht ‘Nee’, dat ook in de bundel is opgenomen.
Het is een bundel die heen-en-weer beweegt tussen leven en dood, ziekte en gezondheid, hemel en aarde, met mooie Bijbelse beelden en tal van verwijzingen naar literatuur en muziek.

 

 

Het langste gedicht heet ‘Exodus’. Op internet valt het al te vinden: https://books.google.nl/books?id=mRrgDQAAQBAJ&pg=PT27&lpg=PT27&dq=de+bomen+hangen+over+ons+met+ogen+van+Zonneveld&source=bl&ots=5EIMfizc7X&sig=5oHpeUQWEvxddR7RzN7ZsdeA3nI&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjYvePrqo_SAhXDLcAKHXgwBgAQ6AEIHDAA#v=onepage&q=de%20bomen%20hangen%20over%20ons%20met%20ogen%20van%20Zonneveld&f=false

Ik volg het gedicht op de voet en probeer eruit te halen wat er misschien in zit.
De titel moge duidelijk zijn: de uittocht, uit Egypte naar het beloofde land, uit het rijk van de dood naar het levende water. Het eerste beeld gaat over mee treurende bomen, ‘met ogen / in hun takken.’ De bomen waaraan de Israëlieten tijdens de ballingschap in Babylonië hun lieren hingen (Psalm 139:2). De ik-figuur in het gedicht ‘ging onder hun blik / gebogen, slofte in de sporen van jouw / zingen zonder woorden.’ Een nigun, een lied zonder woorden, als geneuried en gefloten door de Rattenvanger van Hamelen, die eerst ratten en toen kinderen de dood in lokte.

In het tweede couplet droomt de dode ik-figuur dat zij hangt ‘aan de klanken / die de bosgeest ons verbood.’ Die bosgeest zou kunnen verwijzen naar de Silene Marsyas, een fluit spelende collega van de Rattenvanger.

In het derde couplet is sprake van een doodstraf, en wederom van ogen, die nu overlopen van het beeld ‘van de velden in de verte / engelen in het lentelicht!’ Je ziet een beeld van Elyzeese velden voor je en je hoort in de verte weer een andere fluit: die uit Glucks opera ‘Orfeo ed Euridice.’ Maar de toegang is gesloten, het beloofde land kan wel worden gezien, maar niet betreden.

Het volgende couplet herneemt het beeld uit de Psalmen van de lier die aan de wilgen wordt gehangen, en loopt over in dat van de lier van Orpheus die ‘zucht / om lang geleden liefde / die werd uitgeblust.’ Er zijn kosmische klanken die ‘boven mensenzang verheven / licht en leven is ons woordeloos / gegeven’, zoals eerder de nigun als associatie opkwam, het Lied ohne Worte.

Het laatste couplet gaat over ‘willen liefhebben in alle talen en dat / duizendmaal herhalen.’ In woorden, in muziek. De stem van de hij-persoon in het gedicht wordt herkend als een god, ‘maar menselijk wordt nu zijn stem.’ Het is Hymeneus, de god van het huwelijk. En van de hymnen. ‘O Hymneus hoor / zijn lied.’

Op een razend knappe manier neemt het kosmische besef uit dit lange gedicht een wereldlijke wending. Wat een ontdekking: Mieke van Zonneveld! Een naam om in de gaten te houden, wis en waarachtig.

Woord

 

 

 

 

 

 

Je begint met niets en vormt het, in de loop van duisternis,
tot een heelal. Een deeg van klei, een flinke bal
die krimpt en krimpt met niets erin.

Je maakt een gat, je blaast de geest, wacht tot er een hartslag is,
de wisseling van dag en nacht. Laat er aan het einde
toch nog hoop zijn, denk je, een handvol
schoonheid, een gedicht.

Maar ergens is iets misgegaan, de schepping brak al los en
plantte zich onstuitbaar voort. Er was geen vijand
van de taal, niets dat sterke tanden had.

Zo werden dingen vormgegeven, naam. Je breekt ze
steeds vergeefs in tweeën: de grens, het jaar;
de menselijke soort. In elke letter
zit een nieuw heelal.

Geloven is de echo, niet de knal. We zeggen hoe we
zoeken naar de rede maar dan vinden we
een woord en daarin zit dan mooi
een tweede; enzovoort.

Dit gedicht, Woord, van Ester Naomi Perquin (zie foto van Tessa Posthuma de Boer), hangt sinds ik het eens in dagblad Trouw tegenkwam, ingelijst bij mij aan de wand. Ik lees het af en toe, in het voorbijgaan, en het raakt me, maakt me blij. Net als het feit dat ze onze nieuwe Dichteres des Vaderlands is. Ter gelegenheid daarvan deel ik hierbij mijn interpretatie van bovenstaand gedicht.

Perquin lijkt het scheppingsverhaal uit Genesis 1 te volgen. De eerste strofe doet denken aan de beschrijving van de duisternis uit vers 2, van een zwart gat ook in de ruimte, waaruit niets, zelfs geen licht, kan ontsnappen (en duisternis lag op de vloed).

De tweede strofe associeer ik met het Kabbalistische begrip tsimtsoem, het samen- en terugtrekken van God om de schepping ruimte te geven. Het begin van de schepping is daar: Gods geest zweefde boven de wateren (vers 2). De wisseling van dag en nacht is er ook, en God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht (vers 5).

De derde strofe lijkt een beschrijving van Goethes Tovenaarsleerling, die zijn bezemsteel niet in bedwang kan houden, omdat hij de woorden die dit kunnen bewerkstelligen niet kent. Hij splijt de bezem in tweeën, maar beide stukken gaan door met water halen.
Zo worden, staat in de vierde strofe, dingen vormgegeven: in tweeën gebroken, in elke letter een nieuw heelal, scheiding tussen wateren en wateren, het uitspansel en de zeeën (vers 6-7).

Toch is er aan het einde van de schepping toch nog hoop, in een handvol schoonheid, een gedicht, zon- en maanlicht dat op de aarde schijnt (vers 15-16).

Het geloof is niet de oerknal zelf, zegt Perquin in de laatste strofe, maar de echo ervan. De mens zoekt naar ratio, maar vindt daarentegen een woord dat tot aanschijn roept, zoals God sprak en het was er (zo werden dingen vormgegeven, naam). En in dat woord, in die naam zit, als een matroesjka (baboesjka), een tweede. Zeven zijn het er – als de zes scheppingsdagen + één. Een handjevol schoonheid, een gedicht. En dat telkens weer, als teken van hoop. Toch nog hoop.