HOVO-cursus over Alain Badiou

HOVO Amsterdam komt in de zomer met een aantal interes–sante cursussen via ZOOM. Zo zal Ype de Boer op 22, 24, 29 juni en 1 juli a.s. vier colleges geven over de Franse filosoof Alain Badiou (1937, zie foto) onder de titel: Hedendaagse filosofie over liefde en geluk.

In mijn MA-scriptie, over het kwaad in de filosofie van Susan Neiman (1955) en bij de schrijver Philippe Claudel (Het kwaad denken), heb ik het begrip Ereigniës (drama, incident) in Claudels Het verslag van Brodeck verbonden met drie kernwoorden in het denken van deze Franse filosoof  en ethicus, schrijver, wiskundige, politiek activist én fluitist: evenement, waarheid en trouw. Deze kernwoorden vormen bij hem de strengen van een koord die de verschillende domeinen die hij onderscheidt (politiek, kunst, wetenschap en liefde) bij elkaar houden.

Evenement en waarheid
Het begrip evenement betekent bij Badiou: een belangrijke gebeurtenis die inbreekt in tijd en ruimte, zonder dat degene die het overkomt er controle over heeft. Een gebeuren met andere woorden dat in het leven ingrijpt en er een spoor door trekt.

Waarheid wordt bij Badiou aan het licht gebracht door één van de vier genoemde domeinen. Zij hebben tot taak de innerlijke samenhang ertussen te duiden. Waarheid voltrekt zich zowel bij Badiou als Claudel ná de Ereigniës, na het evenement. Misschien kun je dan ook beter spreken van waarmáken. Waarheid, of waarmaken, komt tot uiting in de manier waarop degene die het evenement overkwam er trouw aan blijft, dat wil zeggen zich opnieuw verhoudt tot de wereld, in de weg die hij vervolgens gaat.

De drie kernwoorden worden als gezegd bijeengehouden door verschillende domeinen die Badiou onderscheidt: politiek, kunst, wetenschap en liefde. Met name op kunst en liefde ga ik hier kort in.

Kunst
In zijn boek De twintigste eeuw gaat Badiou op een gegeven moment in op het doek Wit vierkant op witte achtergrond van de schilder Malevitsj (1878-1935): ‘het verschil tussen achtergrond en vorm en vooral het ontbrekende verschil van wit tot wit, het verschil van Hetzelfde, dat we het vervagende verschil kunnen noemen’. [1] Het wit op wit staat voor Badiou voor het minimale verschil dat een antwoord kan zijn op het gevaarlijke ideaal van een gedeelde identiteit die mensen uitsluit, zoals de vreemdelingen in de romans van Claudel.

Volgens Badiou leidt de aandacht voor verschillen, voor anders-zijn er alleen maar toe, dat we de waarheidsvraag en het universalisme van de waarheid uit het oog dreigen te verliezen. Een gebeurtenis, een Ereigniës, gaat het hele dorp in dezelfde mate aan en de waarheid beperkt zich niet tot een bepaalde, particuliere groep. In die zin wil Badiou aan het woord ‘jood’ geen particuliere betekenis hechten in de zin van uitverkiezing. Een uitzonderingsstatus is volgens hem hetzelfde als wat de nazi’s, in omgekeerde zin, deden.

Liefde
Tenslotte nog enkele woorden over het laatste kernwoord, ‘liefde’. De dynamiek hiervan beschouwt Badiou ook als een evenement, als een waarheidsprocedure om de titel van een essay van Dominiek Hoens aan te halen. Een proces van waarmaken. Badiou wijst de opvatting dat liefde eenwording is, af. Hij doet dat op grond van het feit dat wanneer je van eenwording spreekt, meervoudigheid wordt onderdrukt. Hij laat de ander, l’autre in de zin van Levinas met een kleine letter, zichzelf zijn, – en richt zich niet op de liefde als mystieke eenwording met l’Autre, de Ander met een hoofdletter, God.

Volgens Dominiek Hoens zou er nog een vijfde kernwoord door Badiou’s hoofd hebben gespeeld: theologie.[2] Ik denk echter dat dit eerder een brug is in de zin van Claudel, die verschillende oevers (politiek, kunst, wetenschap, liefde) met elkaar verbindt. Badiou betreedt die brug onder meer in zijn boek over de apostel Paulus (uitgave Ten Have, 2008, bezorgd door Dominiek Hoens).

Of De Boer daarop in zal gaan, weet ik niet. In ieder geval zullen tijdens de HOVO-cursus twee kernwoorden bij Badiou centraal staan: liefde en geluk. Ik zie ernaar uit.

[1] Alain Badiou, De twintigste eeuw. Kampen, Ten Have, 2006, p. 78.

[2] Dominiek Hoens, ‘Immanentie van het twee. Over liefde als waarheidsprocedure’. In: Het uur van de Waarheid. Alain Badiou – revolutionair denker. Red. Richard de Brabander. Kampen, Ten Have, 2006, p. 67-81.

Waarheid en Verhaal

In een recente blog (zie link onderaan), naar aanleiding van het verschijnen van het boek Parabels onder redactie van Erik Ottenheim en Martijn Stoutjesdijk (Uitgeverij Abdij Van Berne), vraagt Marcel Poorthuis zich af of de parabel over Waarheid en Verhaal van de Maggid van Dubno (Jacob ben Wolf Kranz) wel de waarheid kan vertellen. Een verhaal biedt ruimte voor eigen interpretatie en identificatie. Maar zit de Waarheid er dan nog wel in? Zoiets als het thema van de opera Ritratto van Willem Jeths op een libretto van Frank Siera: ‘Fantasia e verità’ die onlangs zijn videopremière beleefde.

De parabel
Eerst de parabel zelf in de woorden van Poorthuis. ‘Waarheid en Verhaal zwierven door de wereld. Verhaal ging schitterend gekleed en werd overal met gejuich begroet. Waarheid daarentegen was naakt en als de mensen hem zagen wendden ze zich af. Toen vroeg Waarheid aan Verhaal: “Hoe komt het toch dat jij overal gastvrij wordt onthaald terwijl ik een dichte deur vind?” Verhaal antwoordde: “Mensen houden niet van jou. Jouw naaktheid komt onaangenaam over. Mijn warme kleren met mooie kleuren vinden ze veel aantrekkelijker. Maar ik weet het goed gemaakt: trek jij mijn kleren aan”. En vanaf die tijd dient de Waarheid zich gekleed in het verhaal aan en laten de mensen de Waarheid met plezier binnen.’

De naakte waarheid
Poorthuis vervolgt: ‘Intussen heeft de lezer allang gedacht aan “de naakte waarheid”, zoals de filosoof Kierkegaard die naar voren brengt in zijn dagboek op 1 augustus 1835. Kierkegaard wijst alle gepraat over waarheid af als die niet een waarheid is die mij persoonlijk raakt. Dat wat God van mij vraagt is waar het om draait, niet wat theologen aan algemene waarheden naar voren brengen. Weliswaar worden parabels soms verweten dat de waarheid onzichtbaar wordt in hun inkleding in bonte gewaden, maar uiteindelijk bezitten parabels juist het vermogen om niet zozeer algemene waarheden naar voren te brengen, maar om mij bij te kladden te grijpen: “Jij bent die mens!” (2 Samuel 12:7). Uiteindelijk gaat de naakte Waarheid dus toch weer schuil achter het gewaad van het Verhaal!’

Filosoferen over het kwaad
Iets soortgelijks kan worden gezegd over waartoe filosoferen over de waarheid of over een item als het kwaad toe leidt, in vergelijking tot de manier waarop literatuur, verhalen en romans dat thema aanpakken. Daarmee heb ik mij beziggehouden in mijn Masterscriptie, Het kwaad het hoofd bieden. In het kader van bovenstaand artikel van Poorthuis geef ik hier, in iets bewerkte vorm, de conclusie hiervan weer.
Onlangs kwam een nieuwe druk uit van het boek Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman waarop ik mij baseerde: Het kwaad in het moderne denken (Lemniscaat). Zij schetst hierin onder meer lacunes in filosofisch denken over het kwaad.

Neiman stelt in de eerste plaats, dat het denken over het kwaad eeuwenlang was gestoeld op het vertrouwen dat werd gesteld in de menselijke ratio. De moderne mens werd verondersteld in volle bewustzijn en in vrijheid te kunnen kiezen tussen goed en kwaad. Deze veronderstelling hing volgens haar in de tweede plaats samen met zowel het vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving en – in de derde plaats – met het vooruitgangsdenken. Beide noties komen terug in de Grote Verhalen van bijvoorbeeld religie en socialisme.

Grote Verhalen
In de twintigste eeuw raakte de notie van de Grote Verhalen, het mensbeeld dat uitging van maakbaarheid en vooruitgang in de geschiedenis, van religie en socialisme op de achtergrond. Hieruit spreekt volgens Neiman een toenemende terughoudendheid ten aanzien van niet alleen de idee dat het kwaad ooit te herleiden is tot een hogere orde maar ook ten aanzien van de kracht van de ratio.

In haar reconstructie van het denken over het kwaad neemt zij de aardbeving in Lissabon (1755) als beginpunt en Auschwitz als eindpunt. Auschwitz staat volgens haar voor de mislukking van de moderne opvatting van het kwaad, waarin het kwaad wordt begrepen vanuit en gekoppeld wordt aan bedoelingen van de mens. Deze kantiaanse opvatting verloor volgens Neiman na Auschwitz alle aannemelijkheid. Bij het beschrijven hiervan heeft zij veel ontleend aan de analyse die Hannah Arendt gaf over het proces van Adolf Eichmann. Arendt wijst op diens onnadenkendheid, die doorslaggevende gevolgen had. Bovendien verloor in het licht van Arendts analyse ook het vooruitgangsdenken elke vorm van geloofwaardigheid.

Alternatieven
De leemte die Neiman vervolgens in het filosofisch begrippenapparaat aanwijst, slaat op het ontbreken van een interpretatiekader bij de duiding van het kwaad. Er lijken nog geen alternatieven gevonden te zijn om in die lacune te voorzien. De vraag is nu in hoeverre een literair werk in deze leemten kan voorzien. Bij de beantwoording van deze vraag keek ik naar studies van twee wijsgerig theologen.

Om te beginnen Ungolf U. Dalferth, die stelt dat het kwaad geen denkprobleem is, – zoals Neiman stelt -, maar een existentieel probleem. Jean-Claude Wolf, de andere denker, laat het belang zien van het exodus- of uittochtmotief. Hij stelt het begrip exodus, de uittocht centraal en plaatst dit bij uitstek in het perspectief van hoop of verzoening. Hoewel de aandachtspunten die beide denkers te berde brengen op een christelijke achtergrond en interpretatie berusten, gaat deze interpretatie dit kader te boven. Immers: het menselijk lijden dat Dalferth beschrijft, en het pelgrimsmotief dat Wolf aan de menselijke ervaring hecht, kunnen ook geheel seculier worden geduid. Dit heeft tot gevolg dat ze daarmee als zodanig in een wetenschappelijke analyse inpasbaar zijn.

Conclusie
Een literair werk kan dan met andere woorden in de door Neiman gesignaleerde lacune voorzien, omdat een probleem als het kwaad op een andere, mijns inziens meer vruchtbare manier benadert dan Neiman in haar boek deed, namelijk als een levensvraag in plaats van als een denkprobleem. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat romans (of parabels) tot op zekere hoogte in de door Neiman gesignaleerde leemten kunnen opvullen, in die zin dat de roman een ander pleidooi voert en een andere – wellicht vruchtbaarder – insteek kent voor het benaderen van het kwaad en de gevolgen daarvan dan een filosofische studie als die van Susan Neiman.

 

https://parabelproject.nl/een-parabel-over-waarheid-en-verhaal/

De Passacaglia van Pico della Mirandola

Ik blogde er al eerder (14 juli jl.) over – het groepje mensen dat zich aan de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden bij dr. Erno Eskens een weekje onderdompelde in de Filosofie in de Lage Landen en unaniem gecharmeerd was door de filosofie van Nicolaas van Cusa oftewel Cusanus (1401-1464, afb. links).

Weer thuis vroeg ik bij mijn bibliotheekfiliaal een boek over hem uit de Centrale aan: De leek over de geest (uitg. DAMON, 2001). Hieruit bleek dat al mijn liefdes een beetje in elkaar haken: Cusanus had invloed op Pico della Mirandola, kan al dan niet worden gezien als een voorloper van Kant, zocht toenadering tot de Hussieten en werd beïnvloed door Boethius. Wat wil een mens nog meer!

Pico della Mirandola
In mijn gedachten ging ik terug naar die keren dat ik in Italië was, vergezeld door een boek waarin Pico della Mirandola (1463-1494, afb. rechts) een hoofdrol speelde. De eerste keer was De herinnering aan Abraham van Marek Halter (uitg. De Prom, 1985), de tweede keer De Phoenix – een bijnaam van Pico – van Paul Claes (uitg. De Bezige Bij, 1998).
Ik schreef er een stukje over in In-formatie, voor en uit de Hervormde gemeentekern rondom de Weerenkapel (maart 2000) dat ik hier iets aangevuld herneem.

Beide boeken geven een heel verschillend beeld van de graaf uit het landelijke plaatsje bij Bologna. Aan Halter heb ik een warme herinnering overgehouden, terwijl de Vlaamse schrijver Paul Claes Pico vooral als een zelfverzekerde, belezen en koele geleerde portretteert, met – leek het eerst – een sjabloon-achtig kenmerk van dien: dat Pico della Mirandola bijziend was wordt in het begin haast tot vervelends toe herhaald.

Eeuwige waarheid
Toch draait het in beide romans om één thema: volgens Pico is de waarheid eeuwig, één en ondeelbaar. Een hot item waar de geleerden het overigens nog steeds niet eens zijn. Volgens de één is de waarheid niet eeuwig en is er een breuk in de geschiedenis geweest waarachter we niet terug kunnen. Volgens de ander is de waarheid eeuwig en moeten we terug naar Augustinus.
Misschien hebben de geleerden uit beide stromingen gelijk en moet je de waarheid vergelijken met een Passacaglia voor orgel, zoals ik er gistermiddag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam die van Dieterich Buxtehude hoorde, gespeeld door Véronique van den Engh, organist van de Kathedrale Basiliek van Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch. Een passacaglia met een doorgaande melodie in de bas (het passacaglia-thema) met daarboven steeds veranderingen van dat thema; de waarheid (het thema) blijft hetzelfde, maar wij kijken er aldoor anders tegen aan, nemen gaandeweg een ander perspectief in. Zeker na een onmiskenbare breuk als Auschwitz.

Aan de voeten van
Pico della Mirandola zat in Padua en Perugia aan de voeten van Elia del Medigo om Hebreeuws te leren, en in Florence aan die van Flavio Mitridate, die hem Aramees en Arabisch onderwees. ‘Pico droomde toen al van een filosofische vrede waarin christendom, jodendom en islam met elkaar verzoend zouden worden’ (Claes, blz. 52), zoals Cusanus dat overigens al voor hem deed en zoals prof. dr. Anton Wessels – bij wie ik komend seizoen weer een cursus bij het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie hoop te volgen – droomt van één uitgave van de Heilige Schriften, waarin Tenach, het Tweede Testament en de Koran in één band zijn samengevoegd en op elkaar worden betrokken. Als vormen zij een kristal waarvan de verschillende kanten kunnen oplichten. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat Pico’s studie van het Arabisch volgens sommige geleerden, zoals H. van den Bergh, was bedoeld ‘om de muzelmannen te bekeren’.

Verzoening?
Misschien moeten we vooralsnog concluderen dat Pico della Mirandola ofwel in zijn opzet niet helemaal is geslaagd, zoals Claes in een interview in NRC Handelsblad (7 mei 1999) zei, ofwel dat diens omgeving, waar de inquisitie hoogtij vierde, nog niet rijp was voor zijn ideeën; Pico’s slechte ogen bleken achteraf overigens geen aanduiding voor zijn eventuele tekortkoming, maar een aanduiding voor de zich langzaam voltrekkende vergiftiging waaraan hij uiteindelijk is gestorven.

Wellicht is een verzoening teveel gevraagd omdat er daarvoor teveel is gebeurd. Misschien kan een verzoening beter op zich laten wachten tot ‘die dag [dat] God de enige zal zijn en Zijn Naam de enige’ (Zacharia 14:9) en moeten we het ondertussen zoeken in het verbeteren van de wereld, tikoe ha-olam, zodat joden, moslims en christenen vreedzaam met elkaar samen kunnen wonen én bij elkaar in de leer kunnen gaan. Daarin is Pico della Mirandola ons voorgegaan. En Cusanus.

Ontmoetingen

Zondag 21 mei jl. interviewde Marleen Stelling in Het Vermoeden de theoloog Theo Witvliet (NPO 2, 11.30 uur, zie foto). Een theoloog wiens denken ik een warm hart toedraag; wie in het zoekvenstertje bij deze blog zijn naam intypt, kan dat beamen.
Witvliet – zoon van een predikant die ik graag mocht horen – werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar ‘Geschiedenis van het christendom in de moderne tijd’ en was gasthoogleraar aan de Universiteit van Genève. Internationale bekendheid kreeg hij door vertalingen van zijn publicaties over de bevrijdingstheologie,
Een plaats onder de zon (1984) en De weg van de zwarte Messias (1984). Verder schreef hij onder meer Gebroken traditie (1999) en Het geheim van het lege midden (2003). Met name van dit laatste boek ken ik hem, al staat zijn recentste boek, dat a.s. zondag centraal zal staan (Kwaliteit van leven; het humanisme van Buber) hoog op mijn verlanglijstje.
Het kan niet missen dat ik in mijn MA-scriptie ook verder denk in de voetsporen van Witvliets boek
Het geheim van het lege midden. Enkele alinea’s daaruit neem ik hier t.g.v. de televisie-uitzending van a.s. zondag over. Aangevuld met wat mij opviel in een ander gesprek, diezelfde zondag (NPO 1, 11.20 uur) dat Jeroen van Kan in het programma VPRO Boeken had met de schrijver Tim Parks over diens nieuwste boek, De roman als overlevingsstrategie.

1. Theo Witvliet

Enerzijds doet de omschrijving ‘het lege midden’ denken aan het joodse makom (= plaats), anderzijds, mede door zijn toevoeging dat de plek leeg is, aan een begrip dat Witvliet ontleende aan Karl Barth.[1] De plek is niet, zoals bij Augustinus (354-430) opgevuld door een beeld van God.[2] En het gaat ook niet om een mystieke open ruimte, maar om het midden van een Talmoedpagina die is gevuld met dialogen en verschillende interpretaties van een Bijbeltekst. Witvliet schrijft:

Met het geheim van het ‘lege midden’ doel ik dan ook niet op een mysterie dat uitstijgt boven de verhalen, liederen, voorschriften, wijsheidsspreuken en brieven, maar op de onvermoede geheimen die in de teksten besloten zouden kunnen liggen.[3]

Dat geldt zeker zo wanneer de mens leeft naar de teksten die Witvliet noemt, en deze heeft geïnternaliseerd, oftewel opgegeten (Ezechiël 3:1). Zodat transcendentie en immanentie “uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering” aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[4] “De kracht van het transcenderen bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het” volgens Safranski om.[5]

Witvliet heeft het in het gesprek met Marleen Stelling over een ontmoeting (in het lege midden?) die gebeurt, bijvoorbeeld wanneer de tijd even wegvalt. Dat hoeft niet alleen tussen mensen te zijn, maar kan ook met literatuur; Witvliet heeft het over de Zwitserse schrijver Max Frisch, in wiens werk hij zich heeft verdiept.
Die ontmoeting gaat verder in het gesprek dat Jeroen van Kan nagenoeg tegelijkertijd (leve Uitzending gemist!) met Tim Parks heeft.

2. Tim Parks

Tim Parks ziet in zijn boek over de roman (zie afb. links) het lezen van een roman ook als een ontmoeting en een deel van het gedrag van een auteur. Boeken krijgen een relatie met ons en onze levens. Je kunt bijvoorbeeld boos worden bij het lezen van een boek (zie mijn blog over Siegfried van Harry Mulisch!), maar dar zegt iets over mijzelf. We vormen een opinie in relatie tot waar het boek over gaat.

Twee spannende boeken, lijkt me: van Theo Witvliet enerzijds en van Tim Parks (ook voor op het verlanglijstje!) anderzijds.


[1]
Theo Witvliet, Het geheim van het lege midden. Over de identiteit van het Westers christendom (Zoetermeer 2003). Barth sprak in zijn Der Römerbrief (1922) over ‘Hohlraum’, lege ruimte.
[2] Hoewel er mijns inziens geen bezwaar tegen is, hierin het beeld te zien van een Zich achter de wolken terugtrekkende God (in de Bijbelse Psalmen), of een zich samentrekkende, transcendente God die plaats maakt voor de mens (tsimtsoem,
Kabbala). 
[3] Witvliet 19.
[4] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.
[5] Een mooi voorbeeld is Rüdiger Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, Amsterdam 2005, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

Werkelijkheid en waarheid bij Kees van Beijnum

Kees van BeijnumVanavond, 13 januari 2015, is de schrijver Kees van Beijnum (zie foto) te gast bij SLAH (Stichting Literaire Activiteiten Heerenveen), om 20.00 uur in Museum Belvédère.
Zijn werk stond geruime tijd geleden ook centraal bij de boekenclub waar ik lid van was; ik hield toen de inleiding waaruit ik hieronder fragmenten overneem. Het was een boekenclub van het soort dat Marjolein van Herten, docent aan de Open Universiteit Nederland, in haar dissertatie beschreef: een ‘wilde groep’, niet aangesloten bij een bibliotheek o.i.d. Deze groep las overigens niet alleen romans maar ook dichtbundels en de gemiddelde leeftijd was jonger dan zestig jaar. En de club bestond uit evenveel mannen als vrouwen.

De auteur
Kees van Beijnum werd in 1954 geboren. Hij debuteerde in 1991 met Over ‘t IJ; de reconstructie van een moord dat door de pers lovend werd ontvangen. In 1994 volgde Het zijn leeuwen, dat gaat over een in een psychiatrische inrichting opgenomen man die terugkijkt op de jaren twintig van de vorige eeuw. Een jaar later verscheen Dichter op de Zeedijk, dat werd genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs. Dit boek gaat over een 12-jarige jongetje dat opgroeit in de rosse buurt van Amsterdam in het café-hotel van zijn grootmoeder. “De dichter” uit de titel slaat op Vondel, die de hoofdpersoon in een koortsdroom verschijnt. In 1998 verscheen De ordening. Tussen dit boek en Dichter op de Zeedijk schreef Van Beijnum nog het script van een televisiefilm van Pieter Verhoeff, De langste reis.
Uit al deze boeken blijkt de achtergrond van de auteur als journalist; het eerste boek gaat over de zogenaamde brievenbusmoord in Amsterdam-Noord, het filmscript is gebaseerd op Van Beijnums krantenknipsels over de in 1987 gepleegde ontvoering en moord op Gerrit-Jan Heijn. Ook uit De ordening blijkt archiefonderzoek. In dit boek is een krantenadvertentie waarin ‘de weduwe’ een medewerkster vraagt om het archief te ordenen ook van doorslaggevend belang, net zoals in Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans een advertentie belangrijk is.
In geen van de gevallen is er echter sprake van nauwgezette reconstructies, maar van gefictionaliseerde verslagen met grote aandacht voor de psychologie van de hoofdpersonen. Wie weet dat Van Beijnum journalist is, zal overal in zijn werk kranten zien zwerven. In Over het IJ liggen op de tafel van de verdachte kranten als De Telegraaf, Nieuws van de Dag en De Echo (ook Telegraaf), maar op die van de pro deo-advocaat daarentegen de Volkskrant

Centrale thema’s
In alle vier hiervoor genoemde boeken is het centrale thema eigenlijk de nuancering van het beeld goed en kwaad, schuld en boete, schijn en wezen; ‘Wie is de mens’ zei Arie Verhoef plechtig voor de EO-microfoon toen De ordening werd besproken.
In Hier zijn leeuwen bijvoorbeeld test een Duitse tropenarts kort na de Eerste Wereldoorlog in Oost-Afrika een nieuw medicijn uit. Hij wijst de hoofdpersoon, Hans Kolk, fijntjes op het neo-kolonialisme van Nederland. Wie is hier nu ‘goed’ en wie is hier nu ‘fout’ lijkt de achterliggende vraag te zijn.
En wie heeft in Over het IJ het fatale schot gelost? Ron of de zwakbegaafde Ferrie? Was het niet zo dat de man die ze vermoordden incest met zijn stiefdochter had gepleegd en daarom onverteerbaar was geworden? Bovendien: het kan ook een wraakactie van Ron zijn geweest, omdat de man die vermoord werd Ron en Ferrie van een inbraak verdacht. Ron maakt Ferrie medeplichtig, zoals Andreas in De ordening Stella. Hoewel de rechter het ten aanzien van Ron en Ferrie precies omdraaide …

De ordening
Dit boek bestaat uit drie delen: voor de weduwe – tijdens de weduwe en na de weduwe. Het is geschreven in de ik-vorm, dat is de 26-jarige Stella Verstarre, die filosofie heeft gestudeerd en haar studie heeft afgesloten met een scriptie over ‘De moraliteit bij Kant’, de vraagstelling dus wat goed en kwaad is.
De titel slaat in de eerste plaats op de ordening van het archief van mevrouw De Heus Verolmen. De cursieve stukjes tekst, die Stella na de dood van de weduwe schreef, zijn niet geordend. Wat wel geordend raakt, is Stella’s leven. Tot op het uur: archief, lunch, wandelen met de weduwe, archiefwerk. Het eigenlijke archief wordt in brand gestoken, omdat de werkelijkheid anders is dan de herinnering. De meest essentiële brieven zijn echter bewaard gebleven, in de la van een eikenhouten kast. Onder andere de brief met betrekking tot de zelfmoord van De Heus Verolmen, waarin hij afstand van zijn ideeën nam. Ordenen is dus ook werken aan de toekomst.

Plaats in de literatuur
De werkelijkheid is anders dan de herinnering. Dat is de kernzin. Rost van Tonningen (want over hem en zijn vrouw gaat het boek) was een notoire antisemiet. In de biografie die David Barnouw over hem schreef (Walburgpers, 1994) heb ik niet kunnen terugvinden dat hij een groot Spinoza-kenner was, zoals Van Beijnum schrijft. Dit heeft wellicht te maken met de nuanceringen van het zwart/wit-beeld, van goed en slecht. Waarom anders Spinoza?
In wezen denk ik dat je De ordening moet zien binnen de traditie van de door Truman Capote ‘uitgevonden’ fictie-roman (In Cool Blood, 1967). Of zoals Huckleberry Finn zegt: ‘Dat boek is van mijnheer Mark Twain en daarin heeft-ie de waarheid verteld, goeddeels. In bepaalde dingen overdrijft-ie, maar toch heeft-ie hoofdzakelijk de waarheid vertelt.’ Waarbij je onder waarheid iets anders moet verstaan dan werkelijkheid.

De kritieken
Arjan Peters heeft Van Beijnum in de Volkskrant denk ik terecht ‘een modern existentialist’ genoemd, ‘die laat zien dat niemand ontkomt aan deelname, aan het vormgeven van zijn eigen biografie.’
Ik ben De ordening gaan lezen na een lovende recensie in Trouw: ‘Het grootste compliment dat waarschijnlijk aan Kees van Beijnum gegeven kan worden, is dat deze roman na lezing met terugwerkende kracht aan diepgang wint. Ze wordt intrigerend, complexer en dus mooier. Pas aan het slot blijkt hoe ingenieus de verschillende verhaallijnen en thema’s met elkaar verweven zijn. Hoe de symbolische verwijzingen als stukjes van een puzzel in elkaar passen, zich langzaam laten ontraadselen, terwijl de lege plekken in het verhaal blijven uitnodigen om ingevuld te worden.’ Waarvan akte.

 

De andere kant van het verhaal

OBA LinnaeusOpenbare bibliotheken geven in november hun leden een gratis exemplaar van een verhalenbundel die is samengesteld door A.L. Snijders. Het verhaal staat centraal tijdens de tiende editie van Nederland Leest, de leesbevorderingscampagne van de CPNB.

Op voorhand lijkt het al één en al verhaal wat de klok slaat. In de bibliotheek, maar ook in de kerk of waar dan ook. Dat is mooi – maar er zit ook een andere kant aan het verhaal.

 

 

1.
Laten we beginnen met het bibliotheekfiliaal OBA Linnaeus in Amsterdam (zie afb.), dat op 16 januari jl. is geopend. Hierin zijn de voormalige vestigingen Oosterpark en Watergraafsmeer samengegaan. Het motto van OBA Linnaeus is: ‘Een ander verhaal.’ Dat wil zeggen, dat de collectie alleen uit poëzie, romans en andere verhalende literatuur bestaat. Fictie, maar ook reisverhalen, literaire non-fictie en levensverhalen.

Het filiaal is een experiment. Er is vanuit gegaan dat lezers informatie van internet plukken en alleen nog naar de bibliotheek komen voor een paar boeken of een (literaire) activiteit. Informatieve boeken zijn op te vragen, voor leden van OBA Linnaeus zelfs gratis. En de gangbare tijdschriften, zag ik, liggen er nog gewoon.

We mogen blij zijn dat de OBA dit experiment is aangegaan, omdat elders in het land het ene na het andere bibliotheekfiliaal de deuren sluit. De centrale rol van de bibliotheek in de samenleving is weggelegd voor de centrale vestiging. Daar past een bibliothecaris bij zoals Frank Huysmans hem/haar omschreef tijdens een lezing voor Spui25 in Amsterdam (27 januari 2015).

2.
Ook binnen de kerkvernieuwing staat het verhaal centraal. Ik citeer uit een recente notitie: ‘Veel zoekers verlangen naar een groter verhaal waarin hun kleine verhaal is ingebed. De kerk biedt ruimte aan hun verhalen. Door het gebouw, de gemeenschap en de kunst kunnen die in een ander licht komen te staan (…). De mensen die we zoeken zijn geen passieve sponzen die alles bewonderend in zich opzuigen, maar mensen die ook iets meebrengen naar de kerk: hun levensverhaal, hun kijk op de gemeente, en hun kwaliteiten en talenten (…). Op een avond wordt er door een aantal vertegenwoordigers uit de gemeente een kort inspirerend verhaal verteld. Verder is er de mogelijkheid voor de aanwezigen om zelf verhalen te delen, rond vragen als “wat wil je doorgeven”, “wat wil je achterlaten”.’

Het zijn mooie initiatieven, als iedereen er zich maar bewust van is dat het om een smalle basis gaat. Immers: poëzie, romans e.d. zijn een kunstvorm die je niet alleen leest vanwege de verhalende inhoud (zo die er in poëzie al is), maar ook vanwege het taalgebruik, de vorm enz.
Ook de Bijbel bestaat uit méér dan alleen verhalen. Laten we dat niet vergeten of verdonkeremanen onder het mom van vernieuwing! Dan is het goed.

3.
Daarom een laatste voorbeeld, dat hoop geeft. Ik lees in Contact. Nieuwsblad van de oecumenische vereniging De Zendingskerk te Ermelo (65e jrg. nr. 2) over de Paascyclus in de Zendingskerk.
‘Op donderdagavond beginnen we de reis met een maaltijd, de Maaltijd (…). Ik [de predikant, Rainer Wahl] stel me zo voor, dat ze met elkaar gesproken hebben over wat in de lucht hing en hoe het wel verder zou gaan. Mijn idee is, om daar iets van na te bootsen en een heuse heel eenvoudige maaltijd te organiseren die in een viering is geïntegreerd (…).
De Goede Vrijdag is dan weer meer meditatief. Ook hier wil ik niet dat we in een soort gesloten liturgie maar weer de verhalen als een kralenketting aan elkaar rijgen met meer of min bekende liederen erdoorheen (…).
Op de avond van zaterdag is er een kentering. De verhalen verkondigen doorbraak (…).
We sluiten deze hele levensweg die ook het sterven niet uit de weg gaat af met ons getuigenis aan de graven achter de kerk.’

Link lezing(en) Frans Huysmans: http://www.uva.nl/over-de-uva/organisatie/medewerkers/content/h/u/f.j.m.huysmans/f.j.m.huysmans.html