Seminar met Susan Neiman

De filosofe Susan Neiman krijgt steeds meer bekendheid in Nederland. Recent verscheen haar boek Verzet en rede in tijden van nepnieuws, waarvan ik de Duitstalige, oorspronkelijke versie op deze blog reeds besprak. Op 27 oktober a.s. spreekt zij tijdens de speciale pitstopsessie Design uw verandering van Filosofie Magazine, in Eindhoven. Ter gelegenheid daarvan neem ik hier enkele biografische notities over haar over zoals ik die schreef voor mijn MA-scriptie.

Susan Neiman werd in 1955 geboren in een joods gezien in Atlanta, de hoofdstad van de zuidelijke staat Georgia in de Nieuwe Wereld. Zowel de stad waar de Ku Klux Klan twee jaar na haar geboorte de synagoge vernietigde, als de plaats waar Martin Luther King het licht zag en met profetische gedrevenheid streed voor sociale gerechtigheid voor de zwarte bevolking in de Verenigde Staten. Kortom: een stad van onverdraagzaamheid én hoop.

In haar autobiografische notities Slow fire geeft Neiman aan dat haar voorouders uit Rusland en Polen kwamen.[1] Hierbij vermeldt ze niet of zij behoorden tot het aan de Verlichting verwante haskalah-jodendom of tot het meer mystieke Chassidisme. Het eerste ligt in de lijn der verwachting; Neiman noemt zichzelf een “Non-Jewish Jew”, naar de titel van een essay van Isaac Deutscher (1907-1967).[2] Deutscher muntte deze term voor humanistisch-joodse denkers. Neiman beschouwt zichzelf primair als een denker in de traditie van de Verlichting, en met name Immanuel Kant (1724-1804), al ontkent zij niet dat de Verlichting in het algemeen en de rede in het bijzonder hun beperkingen hebben en als filosofische doordenking van het kwaad ontoereikend zijn. De filosofie zal om die beperkingen geheel of gedeeltelijk op te kunnen heffen, in gesprek dienen te gaan met de literatuur en de daarin verwoorde filosofische concepten. Een opvatting, waarmee Neiman aansluit op een uitlating van haar eerste filosofiedocent aan de universiteit van Cambridge: “Philosophy compared to doing midrash”, dat wil zeggen: de doorgaande, Talmoedische dialoog die we ook in Neimans werk tegenkomen.[3]

In 1986 promoveerde Susan Neiman aan de Harvard University bij John Rawls (1921-2002) op een monografie over Immanuel Kant. R.W. Munk heeft gewezen op de affiniteit van de niet-joodse filosoof Kant met het joodse denken.[4] Door het noemen van de naam Kant zijn wij aangekomen bij de voornaamste filosofische inspiratiebron van Neiman die hier niet mag ontbreken.

Immanuel Kant
Het tweede boek van Neimans hand, dat verscheen na het eerdergenoemde Slow fire, gaat over deze filosoof uit Königsberg (Pruissen): The unity of reason: rereading Kant (1994).
In het boekje In het zicht van de galg voert Thomas Mertens in een essay Kant terecht op als Neimans “belangrijkste intellectuele metgezel”.[5] Aldus, vervolgt Mertens, bekent zij zich “tot het perspectief van de Verlichting”.[6] Dat wil zeggen dat Neiman trouw aan Kant (…) weet dat de Verlichting een permanente opgave is. Haar alternatief bestaat erin te benadrukken dat alle religies fundamentalistische trekken hebben, waarin de nadruk ligt op gehoorzaamheid aan een externe autoriteit, maar ook rationele trekken waarin de menselijke capaciteit om te redeneren niet als een bedreiging van de autoriteit van God wordt beschouwd maar als een belangrijk onderdeel van de menselijke gehoorzaamheid.[7]

Als voorbeeld noemt Mertens het door Neiman veelvuldig in verband met het kwaad geciteerde verhaal van het zogeheten offer van Abraham oftewel de binding van Isaac (Genesis 22). Neiman ziet in Abrahams bereidheid om zijn enige zoon aan God te offeren pure gehoorzaamheid.[8] Net als haar leermeester Rawls neemt Neiman het individu dat persoonlijke keuzes maakt tot uitgangspunt van haar denken. Rawls maakt echter, in tegenstelling tot Neiman, een duidelijk onderscheid tussen religie en filosofie. Neiman spreekt in haar boek Evil in modern thought in dit verband zelfs van het feit dat filosofie zonder theologie en literatuur slechts komt tot “fragmentarische antwoorden”.[9]

Dialoog
De dialoog die Neiman aangaat, met het joodse (Verlichtings)denken – an sich al niet alleen de eeuw van de ratio maar ook de eeuw van de dialoog – en met Kant, gaat verder bij het Einstein Forum in Potsdam, waar zij als directeur werkzaam is. Dit is een klein ontmoetingscentrum in een voor Albert Einstein gebouwd huis. Zij ziet “het Einstein Forum als een salon in de traditie die teruggaat op de salons van Berlijn en Parijs ten tijde van de Verlichting. Destijds gingen daar de belangrijke intellectuele impulsen vanuit, niet vanuit de universiteiten”.[10]

Ter illustratie van het belang dat Neiman aan de dialoog toekent, is haar visie op de Kneipe (kroeg) als verschijnsel in Berlijn. Hierin komen ofwel (neo)nazi’s samen om het donkere verleden levend te houden, ofwel wordt er over de toekomst gediscussieerd, over de wereld zoals deze idealiter zou kunnen zijn; eenzelfde tweeslag tussen onverdraagzaamheid en hoop als in Atlanta wordt aangetroffen.[11] Neiman beschouwt de Kneipe als een van de kenmerkende concepten van Berlijn. Dit zegt overigens ook veel over haar ontwikkeling tot publieksfilosoof: filosofie voor het volk.

Ook in haar hoofdwerk, Evil in modern thought: An alternative history of philosophy kiest Neiman duidelijk voor de dialoog. Uitgaande van een kantiaanse positie kiest zij daarbij vooral de dialoog met Hannah Arendt (1906-1975). De moraal werkt zij verder uit in haar boek Morality. A guide for grown-up idealists (2008), in het Nederlands vertaald als Goed en kwaad in de 21ste eeuw (tweede druk; 2009). In de Nederlandse titel is de voorafschaduwing van Neimans volgende boek helaas weggevallen: Why grow up? (2014), in de Nederlandse vertaling: Waarom zou je volwassen worden?

Denken
Uit de Nederlandse titel van Evil in modern thought (Het kwaad denken) blijkt duidelijker dan in de oorspronkelijke titel Neimans verwantschap met het werk van Hannah Arendt die ze ook veelvuldig citeert. ‘Denken’ verwijst naar Arendts Thinking (uit: The life of the mind, 1977). Volgens Arendt is denken een van de voorwaarden om zich van het kwaad te onthouden. De vraag is echter, of denken toereikend is.

Hierbij kunnen overigens meteen al drie dingen worden aangetekend. In de eerste plaats dient nadrukkelijk te worden gesteld, dat het om logisch denken gaat; het correct uit gegeven beweringen (premissen) een bepaalde conclusie trekken.[12] In de tweede plaats erkent Neiman, dat de ratio haar beperkingen heeft. Hierbij wijst zij naar de eerste zin van Kants Kritik der reinen Vernunft.[13] In de derde plaats staat hier haar geschiedopvatting tegenover die uit Het kwaad denken spreekt. Neiman definieert geschiedenis namelijk als categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen”).[14] Geschiedenis wordt op deze manier door haar als vooruitgangsgeschiedenis gezien.

We kunnen concluderen, dat Neiman in dialoog gaat met het vooruitgangs- en het Verlichtingsdenken en met Kant, dat zij aansluit bij de Torah en – in haar geval in sterkere mate, net als Kant – bij Job en is geïnspireerd door grote denkers als Arendt en schrijvers die zij bewondert, zoals Jean Améry (1912-1978) en Albert Camus (1913-1960) en recent Marilynne Robinson (1943).[15] Hierbij kan tenslotte worden opgemerkt dat de ratio bij Kant zowel slaat op denken (het Latijnse ratio) als de hiervoor veelvuldig genoemde notie van gesprek (het Griekse oratio), met God, zoals Abraham deed, maar ook in kritische zin met jezelf.[16]


[1]
Susan Neiman, Slow fire. Jewish notes from Berlin (2e druk; New Orleans 2010) (1e druk New York 1992) 51.
[2] Isaac Deutscher, ‘The Non-Jewish Jew’, The Non-Jewish Jew and Other Essays (New York 1968) 25-41.
[3] Neiman, Slow fire, 2. Zie voor het cv van Susan Neiman haar website: http://susan-neiman.de/docs/cv.html (geraadpleegd 3 januari 2016).
[4] Reinier Munk, ‘Kant en Cohen’, Joodse filosofie & Verboden wetenschap (Vrije Universiteit Amsterdam, 30 oktober 2002). Hierbij moet met name worden gedacht aan het hiervoor genoemde haskalahjodendom. Jonathan Sacks gaat in zijn boek To heal a fractured world (Nederlandse vert.: Een gebroken wereld heel maken (Vught 2016)) in op de overeenkomsten en de verschillen tussen Kant en het jodendom (p. 195-196).
[5] Thomas Mertens, ‘”Aan de deur”, Kant gelezen door Susan Neiman’, In het zicht van de galg. Helden en het kwaad (Budel en Nijmegen 2006) 56-69.
[6] Id., 57.
[7] Id., 59.
[8] Men kan zich afvragen of deze visie juist is. Het gaat hier eerder om het vertrouwen (emoena) van Abraham in God.
[9] Neiman, Evil in modern thought, 11. Neiman, Het kwaad denken, 29.
[10] Verbij, ‘”Moraal is het beste middel tegen het kwaad’”, 15.
[11] Vergelijk met Immanuel Kants morele onderscheid tussen de wereld zoals zij is en zoals zij zou behoren te zijn (Mertens, ‘”Aan de deur”’, 60).
[12] Hoezeer Neiman hier belang aan hecht, blijkt ook uit haar recente pamflet Widerstand der Vernunft. Ein Manifest in postfaktischen Zeiten (Salzburg en München, 2017) waarin ze stelt dat een basiscursus logisch denken ons veel “Wirrwarr” zou kunnen besparen (p. 49). Nederlandse vert.: Verzet en rede in tijden van nepnieuws (Rotterdam 2017).
[13] “Auf welche Art und durch welche Mittel sich auch immer eine Erkenntnis auf Gegenstände beziehen mag, es ist doch diejenige, wodurch sie sich auf dieselbe unmittelbar bezieht, und worauf alle Denken als Mittel abzweckt, die Anschauung”. Immanuel Kant, Kritik der reinen Vernunft. G. Hartenstein ed. (Leipzig 1868) 55. Uitspraak door Neiman gedaan in de lezing ‘Art and Enlightenment. Old-fashioned thoughts for the 21st century’, Akademie van Kunsten-lezing (Het Trippenhuis Amsterdam, 18 november 2015).
[14] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.
[15] Neiman, ‘Art and Enlightenment’.
[16] H. Procee, Immanuel Kant en het volle leven (Budel 2004) 67-68.

http://www.filosofie.nl/pitstop

 

Leren over het verleden

In dagblad Trouw gaan onder de kop ‘Filosofisch elftal’ in de rubriek Religie & Filosofie met enige regelmaat twee denkers met elkaar in gesprek. Afgelopen vrijdag (11 augustus) waren dat schrijver en filosoof Désanne van Brederode en econoom en filosoof Paul Teule. Het onderwerp was ‘Dineren in een oorlogsboot’, zoals dat in Duinkerken kan. De aanleiding was de Hollywood-film Dunkirk, en natuurlijk het toeristenseizoen. Ik ben zo vrij om bij Van Brederode en Teule aan te schuiven.  

‘Désanne van Brederode vindt het bij dergelijk oorlogstoerisme belangrijk dat tentoonstellingen zo zijn ingericht dat bezoekers hun hart verbinden met wat op die plek gebeurd is (…). Voor haar is het essentieel dat oorlogsherinneringen altijd verbonden worden aan het heden.
Paul Teule vindt dat een mooie gedachte, maar ook slechts één gedachte over de functie die geschiedenis heeft. “Er zijn genoeg historici die daar anders over denken, bijvoorbeeld omdat bedenken waarom het verleden nu relevant is kan afleiden van hoe zaken in de Tweede Wereldoorlog precies in zijn werk gingen (…). Als je in Duinkerken de pier ziet, het museum bezoekt en gaat eten in die evacuatieboot, is dat misschien wel genoeg.”.’
Els van Swol, die in 2014 een excursiereis maakte naar Normandië en de evacuatiestranden, is het met beiden tot op zekere hoogte eens. Natuurlijk moet je je hart verbinden met wat op die plek is gebeurd. Maar dat lukt op de ene plek, in het ene museum beter dan op de andere. Het met levensgrote poppen nagebootste tafereel in het Airborne Museum van Sainte-Mère-Eglise (misschien te vergelijken met die evacuatieboot) zei mij veel minder dan de persoonlijke herinneringen van soldaten in een ander: een brillenkoker, een zakkammetje, een kleine bijbel. De pier in Duinkerken heb ik niet gezien, maar wel de pontons bij Arromanches die niet nalieten indruk te maken. En wat die verbinding met het heden betreft: wij zaten regelmatig aan tafel met twee veteranen, die overigens in de musea gratis toegang kregen. Op die manier komt het heden dichtbij, maar het schept wel verwarring. In die zin heeft Teule denk ik gelijk.

‘Van Brederode: “Ik vind eten in een evacuatieboot ordinaire commercialisering (…). Als er nu een mooie boekwinkel staat waar je achtergrondinformatie kunt kopen.”
Teule: “Natuurlijk neemt bij dat restaurant de informatiewaarde van de boot af. Een museum dat toont hoe die boten precies werden ingezet en hoe vol ze zaten is daarvoor geschikter”.’
Van Swol: In een boekwinkel in Memorial Caen (zie de door mij gemaakte foto hierboven) kocht ik de Lettres à un ami allemand van Albert Camus. Onderaan deze blog staat een link naar een uitleg hiervan door Carina Gadourek, bij wie ik in 2004 een cursus over mijn geliefde Camus bij de ISVW in Leusden volgde. Ik denk dat dergelijke literatuur je misschien nog dichterbij brengt dan welk achtergrondboek dan ook. En wat dat museum over die boten betreft: ook dat hebben we bezocht, het Landingsmuseum in Arromanches, en wat daar werd getoond staat nog steeds op mijn netvlies.

‘Van Brederode: “Kennisneming van het verleden is niet voldoende, je moet er actief mee aan de slag. Anders loop je het risico dat bezoekers dat eenmalige verdiepen in een oorlog al als engagement ervaren.”
Teule: “Bezoekers verplichten tot actie lijkt mij wat veel gevraagd (…). Als bezoekers daarin [in hoe de oorlog destijds werkelijk was, EvS], nemen ze dat hopelijk mee als ze op het journaal een andere oorlog zien”.’
Van Swol: Je blijft jezelf steeds bevragen over wat je hebt gezien, zowel daar als nu in de media. Hoe komt het dat de Duitse begraafplaats La Cambe meer indruk maakte dan de Amerikaanse in Colleville-sur-Mer? Hoe komt het dat de veteranen aan tafel en het weinige dat ze vertelden indruk maakten op iemand die door wil gaan als antimilitarist? Dat komt dichtbij. En dat moet ook.

https://books.google.nl/books?id=B2H_I4YyCKoC&pg=PA50&lpg=PA50&dq=Camus+brieven+aan+een+duitse+vriend&source=bl&ots=A9ACQCLS8X&sig=pvBqYmlEkn7300MqpC9CNhAtiVw&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiguOyhtNHVAhWLJ1AKHTFtDUkQ6AEIJjAA#v=onepage&q=Camus%20brieven%20aan%20een%20duitse%20vriend&f=false

 

Amor mundi – Peter Venmans

Amor Mundi_VenmansAmor mundi : hoe komen we tot een betekenisvolle relatie met de ander? / Peter Venmans. – Amsterdam en Antwerpen, Atlas Contact, 2016. – 240 pagina’s ; 20,5 cm ISBN 9789045030364

De titel van deze uitgave is ontleend aan het concept dat Hannah Arendt in een boek had willen uitwerken, maar dat nooit is verschenen. De filosoof Peter Venmans stelt dat dit thema, liefde voor de wereld, niets aan actualiteit heeft ingeboet. Het boek bestaat uit tien essays: het ontbreken van amor mundi vanaf de christelijke middeleeuwen tot aan het neoliberalisme, het zoeken naar individueel geluk tot wat amor mundi ons vandaag, via het denken van mensen als Camus en Sloterdijk, kan bieden. Venmans heeft drie eerdere publicaties op zijn naam staan, waarvan één over Hannah Arendt: De ontdekking van de wereld (2005). Het politieke element uit Arendts denken komt in dit boek echter niet of nauwelijks aan bod. Amor mundi is voor Venmans allereerst oordelen: je houding bepalen tegenover de wereld. Maar niet hoe je vandaar tot handelen komt. Dat kan als een gemis worden ervaren; het blijft zo bij de verkenning van het thema. Niet meer en niet minder.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De stem van Enquist en Otten

Anna EnquistAnna Enquist, die nieuwe stadsdichter van Amsterdam (zie afb.), heeft als geen ander het karakter van de hobo, het instrument van haar in 2001 overleden dochter Margit, getroffen in een gedicht in De tussentijd (uitg. De Arbeiderspers, 2004):

   …
   nu stijgt de stem boven de zwaarte

   omhoog. Je wil niet, je weigert –
   maar het lied sleurt je mee
                                                                  in een windhoos van bittere troost.

Een componist die het karakter van de hobo ook raak heeft getroffen, is Ludwig Otten (geb. 1924). Hij gebruikte behalve de hele omvang van het instrument van laag tot hoog, ook alle uithoeken van het karakter ervan, van klagend tot juichend, zwaar en troostvol.

Waar ik op doel zijn de Liederen van vroeger (2005, uitg. Donemus), een bewerking voor hobo en piano van zijn Quadro (1954), een vocalise voor sopraan, fluit, altviool en piano. De achtergrond is gelegen in een opmerking van de hoboïste Pauline Oostenrijk, die eens zei dat er meer muziek voor hobo geschreven zou mogen worden. Otten zette zich direct aan de slag.

Uiteindelijk is er één woord van toepassing op deze liederen zonder woorden: cantabile (als gezongen, zangerig), zoals Albert Camus eens in zijn Dagboek schreef dat, wanneer hij een Ethiek zou moeten schrijven, ‘het boek 100 bladzijden zou omvatten waarvan er 99 leeg zouden zijn’. En op die ene, gevulde bladzij zou maar één woord staan: liefde. Als de liefde van Enquist voor haar hobospelende dochter, die ze bezong in haar gedicht.

Een vergeten aspect van Albert Camus

Camus_Albert

Nelleke Noordervliet publiceerde een bundel essays en lezingen: Schatplicht (uitg. Augustus). Daarin belicht zij onder andere een vergeten aspect in leven en werk van de Algerijns-Franse schrijver Albert Camus: het uitgestoten zijn, in Algerije als Fransman, in Frankrijk als Algerijn. En de grenzeloze liefde voor zijn moeder. Een ander vergeten aspect is Camus’ interesse in het joodse denken.  [1]

 

De in 1990 overleden Leidse hoogleraar F.O. van Gennep heeft in zijn studie over Camus’ ethische denken gewezen op het feit dat in de loop van Camus’ leven en werk diens preoccupatie met het christendom toenam. [2] Van Gennep stond echter vreemd tegenover de invloed die misschien eerder nog het jodendom op Camus’ denken heeft gehad. Een invloed die wel terloops wordt genoemd in de biografie van Herbert R. Lottman. Hij wijst er onder andere op, dat Camus door Maks Wigdorczyk wordt ingewijd in de denkwereld van het Oost-Europese jodendom en dat wat het bijbelse jodendom betreft dr. Henri Cohen zijn leermeester was. [3]

De periode waarin Camus zich in het jodendom verdiepte, valt samen met het ontstaan van de trilogie De pest (1947), De rechtvaardigen (1950) en De mens in opstand (1951).  Het thema hiervan is de opstand van de mens die de zin van het leven heeft ontdekt. Het opvallende is, dat het scharnierpunt in met name de twee eerste werken wordt gevormd door het gelaat van de ander dat ons tot ver-antwoord-ing roept en – vooral – tot handelen aanzet. Bij Camus gaat het niet, zoals bij Emmanuel Levinas om het gelaat van de vreemdeling, wees en weduwe, maar het gelaat van een kind.

In De pest is het scharnierpunt de ontmoeting die een kind heeft met één van de hoofdpersonen uit het boek, dr. Rieux. In De rechtvaardigen is het omslagpunt het ogenblik waarop Kaliayev tot de ontdekking komt dat hij niet in staat blijkt een bom op het rijtuig van de Russische grootvorst te gooien.

In Camus’ laatste, onvoltooid gebleven boek De eerste man (1960), waarin de schrijver teruggaat naar het Algerije waar hij is opgegroeid, is een aanduiding te vinden van een thema dat Camus niet meer heeft kunnen uitwerken maar wat ook in Levinas’ latere werk opduikt: ‘amour.’ De liefde bij Camus is liefde voor het concrete – voor de kinderen in De pest en De rechtvaardigen. Of voor zijn moeder, de zwijgzame, halfdove weduwe in De eerste man. Zo is de liefde uiteindelijk synoniem met de omschrijving die Levinas ervan heeft gegeven: ‘goedheid, rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid.’ [4]



[1] Blog gebaseerd op een uitgebreider artikel over ‘De joodse invloed op Albert Camus’ in: Bekirbénoe, juni 1995, p. 1-4.
[2] F.O. van Gennep: Albert Camus: een studie van zijn ethische denken. Amsterdam, Polak & Van Gennep, 1962, p. 98.
[3] Herbert  R. Lottman: Albert Camus, a biography. New York, Braziller, 1981, p. 242.
[4] Theo de Boer: Tussen filosofie en profetie, de wijsbegeerte van Emmanuel Levinas. Baarn, Ambo, 1976, p. 115-116.