Open ogen

In de bundel Open ogen van Remco Campert – die gisteren uit handen van Gijs Scholten van Aschat de (eerste) Kunstpenning van de Akademie van Kunsten ontving – staat een mooi gedicht onder de titel ‘Zeker’:

Er is geen begin en er is geen einde. Ik ben in het
midden. Ik ben dus nergens, niet dichtbij en niet
veraf (…). Kop en
staart zijn onlosmakelijk verbonden (…). Het ene
woord haalt het andere uit. Dat is zeker.

Het gedicht vergezelt me de afgelopen dagen. Vanmiddag, bij een bezoek aan de tentoonstelling Unspoken We in W139 (de tentoonstellingsruimte aan de Warmoesstraat 139 in Amsterdam), die nog t/m 17 juni is te zien, popte het opeens weer op toen ik de inleidende tekst las:

‘Onze levens ontvouwen zich, op het moment dat we tegen elkaar aan duwen, aan elkaar trekken en tegen elkaar aanwrijven, als we op dingen steunen en op concepten en biologische materie kauwen (…). Unspoken We (…) neemt de herkomst van dit woord als beginpunt en grondconcept: aanraking, vervuilen, omgaan met, schenden of nabij zijn (…). Er wordt een verhaal samengesteld uit verstrooide hoofdstukken waarin elk personage, elke spatie, elk woord en elke pagina een potentiële vervuiler is voor de anderen.’

Maar ook – laten we het positief zien – een verhaal waarin elk woord een potentiële opening biedt; een woord in het midden leunt op het woord dat links stond en rechts volgt. Het ene woord haalt het andere uit. Dat is zeker.

Dit was heel duidelijk toen wij afgelopen zondag tijdens de Open Klooster Leesclub van Jos Oegema en Annette Bak in Amsterdam, in het bijzijn van de auteur, het schitterende boek Het raadsel van goed en kwaad. Over wat mensen beweegt van Christien Brinkgreve bespraken. Ik ga niet uit de school klappen, maar een ding mag in het verband van het gedicht van Campert en de tentoonstelling in W139 wel worden genoemd.
Een woord dat in het boek veelvuldig terugkomt, is ‘contact’. Het is de kern, het midden zeg maar van het raadsel, het duwt en wrijft, is nabijheid, maar het verwijst ook naar de moeilijkheid en de tekortkoming van taal (en van definities in de wetenschap). Het is het gevolg van een worsteling in het zoeken naar een woord dat nog niet ‘bezet’ of ‘besmet’ is en je naar een wereld voert waar je niet wilt verkeren.

Er valt me bij het nadenken hierover een zin uit het schitterende boek van Brinkgreve toe: ‘Het geheim is het aangeraakt worden door andere, weldadige krachten’ (p. 137). Geen vervuiler – maar weldaad. In fysieke zin, even een hand op je arm voelen, en in overdrachtelijke zin: aangeraakt worden door – in Brinkgreve’s geval – de Goldbergvariaties van Bach of Canto Ostinato van Simeon ten Holt. Ik kan het helemaal meevoelen – zeker na het lezen van Campert en het bezoeken van de tentoonstelling in W139.Over open ogen gesproken!

Link naar Spinazie nr. 2 (samenwerking tussen iFilosofie en OBA), waarin Christien Binkgreve spreekt over haar boek: https://vimeo.com/274252502

Drieluik

Het is weer eens tijd voor een drieluik. Dit keer naar aanleiding van de aankondiging van een leesclubochtend, – de eerste aflevering van een televisieserie en de laatst verschenen apostolische exhoratie, een aanmoedigingsbrief van paus Franciscus.

Christien Brinkgreve
De aankondiging behelsde de eerstvolgende editie van de leesclub waar ik onlangs lid van werd. Een bijzondere leesclub, omdat de auteur van het te bespreken boek erbij is. Komende keer is dat de sociologe Christien Brinkgreve, auteur van Het raadsel van goed en kwaad. Ik kom wellicht nog uitvoeriger op dit boek terug, wanneer ik het heb gelezen, maar uit enkele recensies heb ik onder meer al opgemaakt, dat de schrijfster niet alleen het kwaad belicht, maar zich ook laat ‘meevoeren naar een andere wereld waar een gevoel van geluk heerst, van tijdloosheid, van bestaan en, tegelijk, opgaan in iets groters’ zoals muziek.

Bas Heijne
Dat staat in schril contrast tot de eerste aflevering van de serie ‘Onbehagen’ van Bas Heijne. Hij zit op een terrasje in Parijs of loopt somber kijkend door de stad. Wat je ziet, is een patrouillerende agent, bloemen voor de deur van het kantoor van Charlie Hebdo en wat je hoort zijn gedachten over de ellende in de wereld. Zijn gedachtespinsels vliegen alle kanten op zonder de kern te raken en zijn allemaal even zwartgallig.
Met weemoed denk ik aan een lezing die ik eens in Tilburg bijwoonde van George Steiner, ook niet één van de lolligste overigens, die de lof bezong van terrasjes, koffiehuizen en wat dies meer zij. Je kunt er de krant lezen, zoals Heije doet, maar ook met elkaar praten en … je genieten van de eerste zonnestralen van de lente.
Opeens lees ik meer – en terechte – kritiek op Heijne, wiens geschriften ik tot nu toe meestal met instemming las. Bijvoorbeeld van Job Stufkens (in: Troost, Heeswijk 2014, p. 77): ‘Naar mijn mening leidt kennis van het verleden niet louter tot somberen. Deze kennis kan je namelijk ook inspireren om te streven naar een meer positieve en optimistische toekomstvisie.’ Zo is het maar net.

Gaudate et excultate
Het je verheugen op de lente hoeft je niet meteen  in een juichstemming te brengen, zoals de titel van de exhoratie van de paus ons wil voorhouden, maar  ook – of juist – het genieten van kleine dingen zoals een eerste zonnestraal kan inhouden en tegelijk weet hebben van de ellende in de wereld en er iets aan proberen te doen, hoe klein ook, moge duidelijk zijn. En dat weet paus Franciscus natuurlijk uiteindelijk ook: heiligheid zit er voor hem ook in het alledaagse en in kleine gebaren. Blijf, zegt hij, uit de greep van het kwaad en laat je in met het goede. Zoiets.

Niet normaal, of, anders anders

untitledJe bent dik
niet dikker
je bent anders
dun
gul
goed trouw

‘k hou van jou
‘k hou van jou
‘k hou van jou
anders

zingt Herman van Veen in zijn liedje Anders anders. Wetend dat iemand die te zwaar is volgens een onderzoek onder Amerikaanse psychologiestudenten veruit het minst aantrekkelijk is als sekspartner, kan dit haast als een statement worden opgevat.

Een statement was ook de tentoonstelling ‘Niet Normaal – Difference on Display’ in de Amsterdamse Beurs van Berlage (16 december 2009-7 maart 2010). Voorál een statement, omdat veel kunst die je op zo’n tentoonstelling zou verwachten (zoals bijvoorbeeld de vijf panelen van Rauf Mamedovs Laatste Avondmaal, met discipelen met het Syndroom van Down) ontbraken.
De bezoeker kreeg als het ware een vraag van curator Ine Gevers mee: ‘Hoe brengen we een samenleving tot stand die zich niet afkeert van de meest fundamentele eigenschappen die haar kenmerken: diversiteit, interafhankelijkheid en asymmetrie?’ (geciteerd in: Kunstbeeld, nr. 12/1 2009, p. 27).

Dat is de grote vraag. Gevers heeft een stap gezet; haar tentoonstelling werd bezocht door opvallend veel mensen die je ‘niet normaal’ of ‘anders anders’ zou kunnen noemen. Daaruit kan worden geconcludeerd dat zij zich konden spiegelen – iets wat voor mensen met een zichtbare afwijking vaak een probleem is, aldus Christien Brinkgreve in haar boek De ogen van de ander (uitg. Augustus, 2009, p. 42).

Maar voor diversiteit, interafhankelijkheid en asymmetrie in de kunst moest je ongeveer in dezelfde tijd in een ‘gewone’ galerie, White Cube in Londen zijn. Daar waren recente schilderijen van Damien Hirst te zien – ja, dezelfde van de diamanten schedel. Maar dan anders.
Figuren met afwijkingen, gebaseerd op medische demonstratiepoppen. Gedeeltelijk opengewerkt afgebeeld, zodat je bijvoorbeeld een zijwaartse rugverkromming kon zien. Gevangen in een web van lijnen als was de figuur gevangen in zowel het lichaam als de blik van de ander.
Hirst is op een andere toer gegaan. Mensen, echte mensen doemen op. Kwade tongen beweren dat ze lijken op bijvoorbeeld de verlamde en kreupele figuren op schilderijen van Bacon – of de video van Douglas Gordon in de Beurs van Berlage. Maar dat is niet zo: de felle kleuren van Bacon hebben bij Hirst plaats gemaakt voor gedempte tinten. En de figuren worden niet ten voeten uit getoond. Net zoals de personages in de toneelstukken van Samuel Beckett, waarvan in dezelfde tijd waarin beide tentoonstellingen te zien waren weer één werd hernomen.

Het werk van Hirst is misschien een aanzet tot een antwoord op de vraag van Gevers. Net als het recente boek Een tijd voor empathie van Frans de Waal, waarin de natuur ons lessen leert over een leefbare samenleving. Zoals de natuur Hirst leerde anders te kijken. Anders anders.

Anders kijken leerde ons ook Joost Zwagerman in zijn De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst. In het hoofdstuk ‘Aspecten van vervreemding’ gaat hij onder meer in op het schilderij Christina’s World (1948) van Andrew Wyeth (zie afb.), dat lijkt op de bekende schilderijen van Bacon die ik hierboven noem (oorspronkelijke tekst eerder verschenen als column in Wervelingen, lente 2010) maar dan anders: ‘Iedereen in het plaatsje Cushing kende Christina, vooral doordat zij sinds haar verlamming weigerde zich voort te bewegen in een rolstoel of met behulp van krukken. In plaats daarvan sleepte ze zich over de grond, grote afstanden niet schuwend, en roeiend met haar armen, haar wil- en krachteloze benen achter zich aan trekkend, soms onwillekeurig bevallig, zoals op Christina’s World’ (p. 188).