‘Dan maak je maar zin!’

peter-henk-steenhuis_werk-verzettenchristien-brinkgreve_het-verlangen-naar-gezag

Op 30 november a.s. vindt bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden een René Gude-avond plaats. Hier wordt het boek Werk verZetten van Peter Henk Steenhuis gepresenteerd, waarin de auteur Gude’s ideeën over zingeving en werk onderzoekt. In de aanloop daarnaar interviewde Steenhuis voor dagblad Trouw de sociologe Christien Brinkgeve (25 november jl.), auteur van onder meer het boek Het verlangen naar gezag, die aan de Universiteit van Utrecht het gevoel kreeg ‘een afgedankte muntsoort te zijn.’ Veel van wat zij zegt is herkenbaar en omschrijf ik in deze blog over zingeving en werk onder de titel ‘Dan maak je maar zin!’, een uitspraak van René Gude.

‘Dat is toch wel zinvol’
Op een dag ontmoette ik bij mijn ouders hun wijkpredikant, ds. Th. C. Frederikse die als emeritus was neergestreken in Ermelo. Ik kende zijn boek Klare wijn, dat in 1967 als een rapport van de synode was verschenen, van mijn belijdeniscatechisatie in Amsterdam. Wij raakten aan de praat en ds. Frederikse vroeg wat ik voor mijn vak deed. Op mijn antwoord viel een doodse stilte, waarna hij uiteindelijk zei: ‘Dat is toch wel zinvol.’ Die stilte heeft lang en oorverdovend in mijn hoofd nageklonken.

In 2004 werd ik door iemand van de Oude Kerk in Amsterdam gevraagd om een praatje te houden over de vraag: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ Op dat moment was ik afdelingshoofd bij wat toen Muziekgroep Nederland (MGN) heette. Ik hield een bevlogen praatje over moderne muziek en de essentiële waarde daarvan voor mensen van nu. Het paste ongetwijfeld in één of meer van de vier Z-ten van Gude: het zinnelijke, het zintuiglijke, het zinrijke en het zinvolle.

Hoe desastreus organisaties kunnen werken
Maar MGN was ook een voorbeeld van ‘hoe desastreus organisaties kunnen werken’, zoals Brinkgreve het tegen Steenhuis in algemene zin omschreef . ‘Er werd nauwelijks gekeken naar waar mensen goed in zijn’ was ook iets dat onder leiding van een interim-manager en diens opvolger ook voor MGN gold. Een interim-manager afkomstig van Berenschot en een opvolger die nu directeur is van wat zijn website noemt ‘hét adviesbureau voor bedrijfsvoeringsvraagstukken binnen het onderwijs.’

Muziekgroep Nederland werd een enkele directeur later Muziek Centrum Nederland (MCN), de zoveelste fusie in kunstenland die het OCW later mogelijk maakte om in één klap zo’n zeven instituten om zeep te helpen. Met echalons die waren gezakt (directeuren van de fusie-instellingen werden afdelingshoofd, afdelingshoofden senior medewerkers) en in mijn geval een afdelingshoofd dat niet bepaald – om Brinkgreve nogmaals aan te halen – ‘het gevoel gaf dat je leeft, dat je mag bestaan.’ In tegendeel. Brinkgreve moest thuis ‘eerst in een warm bad om weer tot leven te komen’, ik had een andere modus ontdekt, op weg náár het werk, maar de effecten bleven niet uit: hoge bloeddruk op die nooit meer weg is gegaan.

Staande blijven
Hoe blijf je dan staande? ‘Dankzij mijn opvoeding, dankzij mijn omgeving’ zegt Brinkgreve tegen Steenhuis. Dat gold voor mij ook, en met een ‘dubbelleven’ ernaast. Mijn werk aan de Muziekencyclopedie werd voor het afdelingshoofd – nu directeur van een kleine muziekinstelling waarvan de subsidie wordt gestopt – zonder enige vorm van communicatie daarover stop gezet, zonder dat letterlijk naar de inhoudelijke kwaliteit was gekeken van bijvoorbeeld een ‘entry’ over een orkest dat een afgekeurde door een gezaghebbend musicoloog zou kunnen vervangen. Dezelfde musicoloog waarvan een artikel over een al even gezaghebbend componist dat hij had geschreven voor het tijdschrift Mens en melodie was geweigerd. Enkele jaren later ontving diezelfde componist dat van mij met open armen. Het werd geplaatst in hetzelfde tijdschrift.
Zulke ervaringen houden je staande, want ‘wanneer je jezelf door de ogen van anderen gaat bekijken, begeef je je op een hellend vlak richting depressie.’ Die ogen van een ander kunnen echter ook helend werken. Dat gold voor Mens en melodie, maar in mijn geval ook voor mijn werk als secretaris en lid van de programmacommissie van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Documentatiecentra (NVMB) en – tot mijn chef daar een stokje voor stak – de International Association of Music Information Centres (IAMIC).

De vier Z-ten
Toch kan ik me een dag herinneren waarop ik, toen al bekend was dat MCN ten prooi was gevallen aan de kunst- en cultuurkaalslag die door Nederland waarde, met veel zin had gewerkt. Het was een rustige dag en ik zat met één collega op de werkkamer. Hij zat met zijn koptelefoon op te werken aan de Muziekencyclopedie, ik aan een zelfverzonnen klus waarvan ik op dat moment de waarde nog inzag. Een moment hebben we even pauze gehouden, toen vanuit de tuin een opmerkelijk vogelgezang de kamer binnendrong. We ondernamen een korte zoektocht over het web om te achterhalen welke vogel dit zou kunnen zijn. Toen gingen we allebei weer aan ’t werk. Een zeldzaam moment, een zeldzame dag waarop de vier Z-ten in volle harmonie over me kwamen.

Dát is wat René Gude, dat is wat Christien Brinkgreve werknemers gunt en waar nog zo weinig van terecht komt. Het is wachten op een vraag als: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ En dan door je chef: ‘Hoe ervaar jij je werk? Wat heb jij nodig om goed te functioneren?’, aldus Brinkgreve. Daarvoor is een omslag nodig. Dan kunnen, volgens deze sociologe ‘de vier betekenissen van zin een waardevolle aanvulling zijn in het denken over depressie, burn-out.’ En hoge bloeddruk.

Het machtig voorjaar
Voor mij betekende de vogel die in de stadstuin in de Amsterdamse grachtengordel zong

… het machtig voorjaar dat alles weer in bloei dreef
(Pieter Boskma)

De vier Z-ten kan ik nu ten volle op laten bloeien in het vrijwilligerswerk dat ik doe, net als de vogels

wellicht voor hun schepper, wellicht voor de mens.

En niet in de laatste plaats voor mezelf. In vrijheid.

Naschrift
Of ik hier al aan toe gekomen ben, weet ik niet – maar het is wél een mooie les, ook voor iedereen die in situaties als hiervoor beschreven: ‘Humor helpt ons aan een uitweg wat uit tot op het laatste ogenblik een onmogelijke situatie leek te zijn. We kunnen uitstijgen boven iets of iemand waar we om kunnen lachen. Humor houdt in onmenselijke omstandigheden de menselijkheid hoog. Humor is een manier om de macht te breken van angsten die ons anders gevangen zouden houden. Humor is op zijn eigen wijze een van de hoogste uitdrukkingen van menselijke vrijheid (…): vrijheid als het vermogen onze situatie opnieuw te definiëren. Wie om het noodlot kan lachen, bevrijdt het van tragiek. Iemand die de interpretatie die de vijand van bepaalde feiten geeft verwerpt, kan niet tot slachtoffer worden gemaakt. In psychologische zin blijft hij of zij vrij. Humor is het broertje of zusje van de hoop’ (Jonathan Sachs, Een gebroken wereld heel maken, p. 221).

Jan Wolkers

Jan WolkersIn Trouw van 18 juli 2015 staat een mooi artikel van Rob Schouten in de rubriek ‘Tijdgeestroman’. Dit keer over Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers. Dit artikel geeft mij aanleiding een – onder meer hiermee aangevuld – gedeelte uit het vijfde hoofdstuk van mijn boekje Ogen van mijn moeder hieronder op te nemen. Dit gedeelte is niet alleen een eerbetoon aan haar, maar ook aan de schrijver (en beeldend kunstenaar) Jan Wolkers (zie afb.).

‘Op een open plek bleef ik staan, ik durfde niet verder. Ik voelde een vreemde vochtige warmte achter mij. Op hetzelfde moment ging er een sterke wind tegen mijn rug blazen. Ik werd zo verschrikkelijk bang want die wind kwam niet gewoon van boven of van opzij maar het was of hij achter mij uit de aarde kwam. Ik durfde niet om te kijken. Ik bleef voor mijn gevoel wel uren zo staan, verlamd van schrik.’
Het is het beeld van God, gepersonifieerd in zijn vader, zoals moeders lievelingsschrijver Jan Wolkers het schetst in zijn Een roos van vlees. Een beeld van de God die ze met de opvoeding door haar strenge vader mee kreeg. Minder bekend is, dat Wolkers ‘heel precies en liefdevol’ de ‘ingetogen christelijke wereld van zijn ouders’ beschrijft om ‘zoveel mogelijk van vroeger’, van de vooroorlogse jaren ‘op te roepen en vast te houden’ (Rob Schouten in: Trouw, 18 juli 2015).

Ik stel me bij de God van zowel Jan Wolkers als moeder zoiets voor als het Zelfportret van Herman Berserik dat bij mijn ouders aan de muur hing: een man en profil, in een gestreept overhemd. Zonder de bekende pijp, zonder bril, met dikke lippen, een baardje en iets naar voren neigend. Realistischer geëtst dan op de omslagen van verschillende Salamanderpockets die in de boekenkast stonden. Moeder was gek op de ets. Ongetwijfeld schoof in haar verbeelding haar vader, met baardje, in het beeld.

Net zoiets gebeurt natuurlijk ook lezend bij iedereen: de eigen ervaring, de eigen omgeving komt naast het verhaal in een roman of novelle te staan. Op die manier las moeder het werk van Jan Wolkers.
Het laatste boek van Wolkers dat ze heeft gelezen, is De perzik van onsterfelijkheid. Dit was vóór ze een vriendin van mij, bibliothecaresse, vroeg wat ze daarna zou kunnen lezen. Waarna deze, tot moeders ontzetting, Catharine Cookson adviseerde…
Wat overigens niet wegneemt dat moeder wel van bijvoorbeeld de boeken van Jan Mens of de soap Peyton Place hield. Sterker nog, ze zat aan de buis gekluisterd en was stilletjes geïrriteerd als vader mij net op het moment dat er weer een aflevering begon sommetjes wilde gaan uitleggen; in 1968 zat ik in de eerste klas van de middelbare school, de serie werd vanaf 1967 wekelijks op de maandagavond uitgezonden. Overigens valt de idolatie hiervoor helemaal te verklaren vanuit wat Thea Derks in haar biografie over een andere bewonderaar hiervan, Reinbert de Leeuw, beschreeef: de naoorlogse sfeer en de Koude Oorlog. Het bood (schijn)zekerheid.

Terug naar De perzik van onsterfelijkheid. Zelfs de buurt waarin dit boek speelt, onze eigen straat, de Amsterdamse Moreelsestraat, was voor moeder bekend terrein. Ook de titel, over een perzik met ‘een fluwelen velletje [waaronder] het voor eeuwig dorstlessende vruchtvlees [zit] dat om de pit een donkerrood hart heeft als een bloem’ zal haar glimlachend hebben doen terugdenken aan een anekdote die ze eens vertelde. Over de perziken die ze voor oma wilde kopen en dat ze daar zó mee bezig was dat ze in de tram in plaats van een tramkaartje te vragen, zachtjes – zoals ze nu eenmaal praatte – ‘twee perziken’ zei.
In de twee hoofdpersonen van het boek, het echtpaar Ben en Corrie Ruwiel, herkende moeder ook veel.

Ben met zijn hart- en vaatziekte en astma, net als de hoofdpersoon in Een roos van vlees genietend van de vogels in de tuin. Zoals vader (en naar later bleek ook ik) die leed aan dezelfde aandoeningen zelfs nog deed toen hij in Ermelo op een Koninginnedag op een ambulance lag te wachten die hem naar het ziekenhuis zou brengen waar tot grote opluchting een bloeduitstorting in de buik ten gevolge van het gebruik van bloedverdunners werd geconstateerd. Niet in het hoofd, hetgeen moeders broer Jo fataal werd. Toen hij in Ermelo logeerde.
Net als Ben wist vader elk jaar wanneer hij de eerste zwaluw had gezien of wanneer de goudenregen kleurde. Aan moeder had hij in hun verlovingstijd twee dikke, donkerrode dierenboeken uitgeleend. Moeder verkeerde in de veronderstelling dat ze die op z’n minst van a tot z moest lezen. Maar liefde voor planten en dieren was haar vreemd. Sterker: ik zie de cactussen nog in onze gordijnen hangen, als moeder ze weer eens was vergeten bij het opendoen ervan even opzij te zetten. En ik zie ons nog onder aan de trap bij oogarts Hora Adema in de Amsterdamse Lairessestraat staan, de weg ‘geblokkeerd’ door een poes. En de assistente maar roepen… Zoals moeder doodsbenauwd was voor Pluisje en Muisje, de twee jonge poesjes van de toen nog ongetrouwde nicht Lida in Bergen (Noord-Holland). Bij haar, en de poezen, brachten we eens een zomervakantie door.

Van vissen en aquaria moest moeder ook niets hebben, al had vader om haar hand gevraagd in het Aquarium van Artis – op een bankje waar (om een gedicht van Elly de Waard te parafraseren) hun kus het spreken overbodig maakte. Tot twee maal toe heeft hij een aquarium gehad: een foto van het eerste exemplaar, met stekelbaarsjes, guppies en dergelijke is zelfs, door bemiddeling van een zwager, in een boek over aquaria terecht gekomen. Het tweede heeft hij afgedankt omdat moeder, niet lang voor haar overlijden, nachtmerries kreeg over gebroken glas en in huis rondzwemmende vissen. Zoals ze op haar doodsbed onder invloed van morfine op een vlot verkeerde dat telkens door water werd overspoeld:

Onderweg ben ik verdronken.
Alleen om niet al te weerloos
aan te spoelen later
lieg ik een vlot
lieg ik een reddingsboei
lieg ik mijn hoofd boven water

zou moeder Ellen Warmond na kunnen zeggen.

Droomuitleggers zullen dit ongetwijfeld duiden als de overgang naar een andere fase, zoals ook kunsthistorici de installatie van Frank Koolen in kasteel Vlaams Limburg, een vlot met een reisvlag erop, uitlegden. In ieder geval heeft het mij aangezet om na de tsunami via Friends Indeed en Ardar Indiase vissers een kleine vissersboot (Ardar 46) te schenken onder de naam ‘Mama Bep.’
Opvallend is ook dat Bep in haar allerlaatste momenten nog vroeg om een glaasje water. Ik was verbijsterd, maar tegelijk ook ontroerd door deze uiting van levenszin, zo vlak voor de vlam zou doven. Verzoende moeder zich alsnog met het leven? Zong ze dan, na Warmond, de dichtregels die Sytze de Vries schreef voor Willem Barnard, ‘in de laatste donkere weken van zijn leven?’:

De leegte golft eindeloos op mij aan.
Wie ziet of ik niet om zal slaan?
Kunt Gij mij dan verstaan?

Vervolgens Corrie, de vrouwelijke hoofdpersoon in het boek De perzik van onsterfelijkheid van Wolkers. Zij heeft een bromfiets die in het hele boek naar voren komt. Zij had net zo’n hekel aan haar bromfiets als moeder, eveneens na een val, aan haar fiets. Ik zie haar nog staan, op een verhard zandpad in het bos op de Veluwe, ongetwijfeld toen al in de buurt van Ermelo, sinds de huwelijksreis van mijn ouders hun pleisterplaats: de fiets tegen de grond gooiend en driftig roepend dat ze er geen meter meer op verder wilde fietsen. Hoe we dan in het pension waar we logeerden terug zijn gekomen, weet ik niet meer. Wél dat de combinatie bos en fiets zich in mijn hoofd heeft vastgezet. Dat is niet vreemd, want Peter van Straaten tekende niet voor niets een bos met een echtpaar waarop de vrouw aan de man zegt: ‘Echt een bos om je te verhangen vind je niet?’
Terug naar Corrie. Zij ligt het liefst in bed – als in een veilig holletje. Gelijk moeder haar huis, met de berk en de ceder in de tuin (Ik heb ene ceder in mijn tuin geplant / Gij kunt hem zien aldus het lievelingsgedicht van Joop den Uyl van de hand van Han G. Hoekstra, die pal na de Tweede Wereldoorlog net als Annie M.G. Schmidt en Wim Hora Adema bij het Parool werkte), beschouwde als de tanière (schulp of hol) zoals Belle van Zuylen, voor wie ze, zoals veel vrouwen van haar leeftijd, een grote liefde had, haar huis noemde. Een lievelingsets, naast die van Berserik, was er één van Metten Koornstra. Hierop staan twee mensen afgebeeld, hand in hand in het hoge gras, voor een hutje omringd met bomen. Zo school moeder als kind onder tafel, als ze het haar in een gezin met zes broers en twee zussen te bedreigend werd.
Ze heeft wel eens gezegd dat ze wel een kloosterling had willen worden; één van haar vriendinnen was diacones. Het zou ongetwijfeld een zwijgende orde zijn geweest, zoals Corrie het hele boek zwijgt. En zoals in het verhaal de twee minuten stilte op 4 mei een grote rol spelen.
Een verzetsheld als Corrie is moeder niet geweest, al heeft ze wel met haar broers meegedaan door voor hen bijvoorbeeld een revolver onder in een tas ergens naar toe te brengen. Haar verdere leven werd moeder, net als Ben in het Rijksmuseum, duizelig van woede als ze Duits hoorde praten. Toen we eens de Airborne Begraafplaats in Oosterbeek bezochten en terwijl we terugliepen een stel Duitsers op ons pad kwam die de weg ernaartoe vroegen, nam zij het vader kwalijk dat hij de weg had gewezen. En toen in een televisie uitzending van Willem Duys een valkenier opkwam, deed diens houding moeder zó aan de Hitlergroet denken, dat ze haast hysterisch werd.

http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=2689

Achteraf …

AnkMuziek Centrum Nederland (MCN) zat net in het nieuwe pand aan het Amsterdamse Rokin, toen de Nederlandse Vereniging van Muziek-bibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB) besloot dat het goed was de jaarlijkse studiedag dáár te houden. Een van de leden van de programmacommissie leek het een goed idee Ank Schonewille (zie foto van Jantien Dubbeldam, 2008) te vragen één van de inleidingen te houden.
Ik weet dat ik een beetje zenuwachtig was om haar, een grote naam in ons vakgebied, te ontmoeten. Dat bleek, zoals zo vaak, achteraf grote onzin. En het bleef niet bij die ene ontmoeting. Maar altijd, achteraf bekeken, nog te weinig.

Ank werd medelid van het NVMB-bestuur. Bij één van de bestuursvergaderingen, weer bij MCN, viel het ons op dat ze achterstevoren de monumentale trap af liep. Oké, het was geen gemakkelijke trap en er was wel eens een motorhelm en zelfs iemand vanaf gevallen, maar met een beetje voorzichtigheid was het goed te doen. Er klopte duidelijk iets niet en Ank is toch maar naar de huisarts gegaan. Er klopte zeker iets niet, en achteraf was dit het begin van een lange weg met vallen en – steeds minder – opstaan.

Aan het begin ervan hebben Gert Floor, de toenmalige voorzitter van het NVMB-bestuur en ik, de secretaris, Ank opzocht in Zwolle, waar ze woonde en (nog) in de bibliotheek van het ArtEZ conservatorium werkte, die ze in zo’n 37 jaar had zien en mede laten uitgroeien tot een prachtige collectie waar ze trots op was en mocht zijn.
Eerst gingen we naar een orgelconcert in de Grote Kerk. Ik geloof achteraf dat Gert niet eens zo gek op orgelmuziek is, maar het sterkte ons wel en heeft, net als het bezoek, een verbondenheid geschapen die onze hele gezamenlijke bestuursperiode voortduurde.

We leerden Ank ook beter, en van een andere kant kennen: optimistisch, vol liefde voor haar raskatten, alles wat met circus heeft te maken en natuurlijk voor haar verzameling kunstpoppen die overal stonden en zaten. In alle verenigingen die iets met katten, circus en poppen hadden te maken was ze wel actief. Maar over muziek hebben we ’t wonderbaarlijk genoeg niet gehad; het duurde tot de afscheidsdienst tot ik hoorde dat Neil Diamond, de song What a wonderful world en Strauss’ 4 Letzte Lieder (zie de tekst van Beim Schlafengehen van Hermann Hesse hieronder) tot haar lievelingsmuziek behoorden.
’s Avonds gingen we gedrieën samen eten. Ank liep met krukken, op de middenweg als ik me goed herinner, en zei dat ze absoluut niet mocht vallen en haar heup breken, want dat zou rampzalig zijn. Dat is later gebleken.

We spraken af dat als ik in Zwolle was, we samen ergens iets zouden eten of drinken. Elke keer weer was Ank optimistisch en vol lof over haar ‘professor aan het UMC in Groningen.’ De kanker leek wel een chronische ziekte geworden, meende zij. Of hoopte ze. De techniek van elke behandeling interesseerde haar mateloos, rationeel ingesteld als ze was.

Zelfs deed ze nog een cursus van de Gemeenschappelijke Opleidingen (GO) die ik in Utrecht gaf. Waarom dat moest, wist ze eigenlijk zelf ook niet, van 1979-1982 lid van de FOBID-commissie die de Nederlandse vertaling verzorgde van de internationale standaard voor titelbeschrijven van musicalia.
En weer was ik een beetje zenuwachtig. Ten onrechte, bleek ook nu weer, want ze vond het eigenlijk toch wel leuk en zei zelfs nog wat te hebben geleerd.

Maar het meest heb ik van Ank geleerd. Over hoe moedig met een rotziekte in het leven te staan, en te genieten van de kleine dingen, zoals het lezen van een boek. En plannen te blijven maken: ‘Als je weer komt gaan we met de auto naar Kasteel het Nijenhuis bij Wijhe.’ Het is blij plannen gebleven, want op 20 februari is zij op 58-jarige leeftijd overleden, over het leed heen getild, zoals ds. Hans Koops tijdens de afscheidsdienst, in Ermelo, zei. Haar nagedachtenis zij tot zegen.

Nun der Tag mich müd’ gemacht,
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.Hände, laßt von allem Tun,
Stirn, vergiß du alles Denken.
Alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.Und die Seele, unbewacht,
will in freien Flügen schweben,
um im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben.
Nu de dag mij moe heeft gemaakt,
wens ik smachtend
de vriendelijke sterrennacht
als een vermoeid kind te ontvangen.Mijn handen, ik laat ze niets meer doen
mijn hoofd, vergeet al het denken.
Al mijn zintuigen willen nu
zich sluimerend verminderen.En onbewaakt wil mijn ziel
in vrije vlucht gaan zweven
om in de toverkring der nacht
diep en duizendvoudig te leven.