Wát een avond …

Tien jaar nadat de ‘koningin van de barokviool’, Rachel Podger, voor het laatst in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw optrad, betrad zij deze gisteravond weer. Dit keer samen met Kristian Bezuidenhout. Het was de bedoeling dat hij een fortepiano uit de collectie van Edwin Beunk zou bespelen, maar uiteindelijk vonden beide er nog steeds even jeugdig uitziende musici dat de klank van een klavecimbel voor de muziek van Joh. Seb. Bach, Händel en Carl Ph. E. Bach beter volstond.

Het was allemaal doordacht wat ze deden – de keuze van de instrumenten en de opbouw van het programma dat voor en na de pauze een andere sfeer ademde. Heel raak gedaan. Maar dat wil niet zeggen dat het niet spontaan overkwam. Ze hadden duidelijk plezier in het samen spelen en het elkaar op z’n tijd verrassen. Én in de dialoog met de zaal.

Retorische accenten in Händels Sonate in D HWV 371 werden door Podger visueel, met het gezicht naar de zaal, ondersteund. Uit haar gelaatsuitdrukking kon je zien of het om een vraag of een antwoord ging; ik zag even het ? en ! in mijn bladmuziek van Händel, erbij gezet door mijn blokfluitleraar. Bij een geestig, puntig gespeeld slot van een sonate, zoals Bachs tweede sonate in A BWV 1015, keek Podger schalks de zaal in wat uiteraard gelach tot gevolg had.
Het was prachtig wat ze deden. Neem alleen al die wandelende bas in de linkerhand van Bezuidenhout in diezelfde tweede sonate, schitterend non legato gespeeld.

Na de pauze was ook het woord aan Carl Ph. E. Bach, maar hier had ook de ervaring in de zaal met de opbouw van het programma haar werk gedaan; het stuk werd ingeruild door de sonate in g BWV 1020 die Johann Sebastian in zijn Leipziger tijd waarschijnlijk samen met zijn zoon had geschreven. Van Carl Ph. Emanuel klonk ook de sonate in b Wq. 76.

Met een blik op de cartouche met de naam Bach in de Kleine Zaal en een de zaal tot stilte dwingende houding, speelden beide musici tot slot een eigen bewerking van Bachs koraalprelude Christ lag in Todesbanden BWV 625. Heel ingetogen, heel intens. De zaal was inderdaad muisstil, maar er was niet veel voor nodig om tot een toegift te dwingen. Dat werd een deel uit Carl Ph. Emanuel Bachs Sonate Wq. 71. Gelukkig ook intens en ingetogen, want de betovering mocht niet meer worden doorbroken. Ook daar was over nagedacht. Wát een avond …

Top-10 concerten 2017

Hieronder de tien concerten uit het afgelopen jaar die mij het meest zijn bijgebleven.

150 Psalms
Tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, dat ik praktisch elk jaar voor een of meer concerten ‘aandoe’, werd een tweede, klein festival georganiseerd: de 150 Psalmen uitgevoerd door vier verschillende koren: het Nederlands Kamerkoor (foto: Foppe Schut), het Amerikaanse Choir of Trinity Wall Street, de Tallis Scholars en de publiekslieveling Der Norske Solistkor. Een geweldige ervaring om meegemaakt te hebben.

Fiumarathon
In het kader van November Music in ’s-Hertogenbosch, stond een hele dag de muziek van oud-collega Anthony Fiumara centraal. Ik blogde er op deze site al over. Een belevenis van jewelste!

Mariavespers
Tijdens het Holland Festival werd in de Gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek dit meesterwerk van Monteverdi uitgevoerd in een coproductie met De Nationale Opera. Niet alleen de uitvoering op zich was geweldig, door Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon, maar ook de sculptuur van Berlinde De Bruyckere waaromheen alles zich afspeelde.

Abdel Rahman El Bacha
Deze meesterpianist, die naar mijn idee veel te weinig bekend is, speelde op 1 april in de Serie Piano van het Muziekgebouw aan het IJ 72 preludes van Bach, Chopin en Rachmaninov. Een marathonconcert met twee pauzes, maar voor mij had het nog wel even door mogen gaan!

Chiaroscuro Kwartet
De kennismaking met dit kwartet was er een van de hoogste orde: op oude instrumenten speelden zij werken van Haydn, Fanny Mendelssohn en – met Ronald Brautigam aan de fortepiano – Schumann. Een verrassing, na het tegenvallende eerste concert in de serie Kleine Zaal Melange in het Amsterdamse Concertgebouw.

Budapest Festival Orkest
Wat een orkest, dat speelde in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw in Amsterdam. Ook nog eens onder leiding van Iván Fischer, die ik zeer hoog heb. Zoevende contrabassen – waar hoor je dat nog meer? In werken van Bach, Mozart (met pianist Emanuel Ax) en Tsjaikovski.

Koninklijk Concertgebouworkest
Ik heb in deze column niet onder stoelen of banken gestoken, dat ik blij ben met de nieuwe chef-dirigent van het KCO: Daniele Gatti. Tijdens de Robeco Summer Nights speelde het orkest onder zijn leiding een programma met Wolfgang Rihm (IN-SCHRIFT), een groot hedendaags componist wiens carrière ik zo goed mogelijk probeer te volgen, en Anton Bruckner (Negende symfonie). Grandioos.

Akademie für Alte Musik Berlin
Tijdens de Robeco Summer Nights, in het kader waarvan ik altijd wel enkele concerten bezoek, speelde de door mij zeer geliefde violiste Isabelle Faust met de Akademie für Alte Musik Berlin een heel Bachconcert. Inclusief een Sinfonia van Carl Ph. Emanuel.

De troost van Stabat Mater
In de Serie Oude Muziek van het Muziekgebouw aan het IJ voerden PRJCT Amsterdam met Rosemary Joshua (sopraan) en Maarten Engeltjes (countertenor) onder meer het Stabat Mater van Pergolesi uit, afgewisseld met een voordracht van P.F. Thomése uit diens boek Schaduwkind. Het werk van Pergolesi blijft indrukwekkend.

Glen Dempsey
Tijdens de zomer mag ik altijd graag overal en nergens orgelconcerten bezoeken. Eén sprong er dit jaar voor mij uit: door Glen Dempsey uit Cambridge, op 12 juli in de Basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam. Hij speelde er met veel stijlgevoel werken van Joh. Seb. Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Reger, Franck en Brahms.

Droomuitvoering Der Kunst der Fuge

Bach_Kunst der Fuge_slotGisteravond was er een kans om Bachs Der Kunst der Fuge, BWV 1080 op orgel te beluisteren. In het kader van de Stadsorgelconcerten, in de Grote of St. Bavokerk in Haarlem. Een uitgelezen kans die, zoals organist Leo van Doeselaar in zijn inleiding zei, ‘Ausdauer’ vraagt. Niet iedereen kon dat ruim anderhalf uur opbrengen; gaandeweg liep een handjevol mensen weg. Maar aan de andere kant waren de liefhebbers die bleven muisstil en zaten enkele orgelstudenten ingespannen met de partituur voor hun neus.

Tot tegen het eind – want toen was de muziek ‘op’ en ging Van Doeselaar (mijn Tsjechische achterburen spraken z’n naam uit als Döselaar) nog even door. Niet, zoals soms gebeurt met het koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein, maar met een voltooiing van de door Bach niet afgemaakte quadrupelfuga. Waarin, zoals in het programma viel de lezen, ‘de concertgever zich [liet] leiden door de versie die Kees van Houten – in eendrachtige samenwerking met Johann Sebastian Bach – hiervoor gemaakt heeft’.

Bescheidenheid én ere wie ere toekomt. Dat kenmerkt ook het spel van Van Doeselaar. Geen exuberante registraties, opgefokte tempi en overdreven agogiek en retoriek, maar een mooie, magistrale uitvoering. In afgewogen, prachtige registraties die, zoals in de vier eenvoudige fuga’s waarmee het werk begint, werden opgebouwd van zacht tot organum plenum (vol orgel). In over ’t algemeen rustige tempi en met subtiele retorische accenten.
Een droomuitvoering, waarin werd uitgegaan van het idee dat Der Kunst der Fuge is opgebouwd door vijf duidelijk afgebakende groepen, afgewisseld door vier kamermuzikale canons die volgens Van Doeselaar ijkpunten in het werk betekenen.

Als gezegd liet de organist het werk niet, zoals veel uitvoerenden qua klank uitsterven. Van de met mystiek omgeven legende dat Bach het werk niet heeft kunnen afmaken en zijn laatste adem tijdens het schrijven ervan uitblies (zie de opmerking van zijn zoon Carl Ph. Emanuel op de afb.) moet hij niets hebben. Van Doeselaar houdt het meer op de versie waarin het papier op was en het losse vel, waarop Bach het slot van zijn fuga schreef, verloren is gegaan.

Thuisgekomen heb ik me afgevraagd hoe dat onafgemaakte, uitstervende slot zou zijn geweest in de wetenschap dat eerder op de dag, in hetzelfde Haarlem schrijver Joost Zwagerman was overleden; de auteur van De stilte van het licht, op zoek naar God in de stilte en de leegte, het suizen van de wind. Daarbinnen ‘bevindt zich God, alomtegenwoordig maar onkenbaar’. Maar zo was het goed.