Stille waters hebben diepe gronden


Tekst van een korte lezing die ik hield tijdens een filmavond bij Atria, Amsterdam
(19 oktober 2017).

 

‘Ze heeft een talent om de laag die niet in de tekst ligt, maar daaronder, te vertolken. Dat geeft een bijzondere, lyrische sfeer en ongewone diepte aan de teksten.’ Dat zegt de blokfluitiste Stephanie Brandt in Patricia Werner Leanse’s film over de Nederlands-Griekse componiste Aspasia Nasapoulou.
Het zou zomaar over de films van Werner Leanse en Yve du Bois zélf kunnen gaan: zij hebben een talent om de lagen zichtbaar te maken die onder een verhaal liggen, – het verhaal over het leven of een stuk van een componist. Het is in ieder geval het uitgangspunt van mijn korte inleiding op de vijf films die straks achter elkaar worden vertoond: de verschillende lagen die erin zitten, of althans: die ik eruit haal en die in de films naar mijn gevoel al worden gesymboliseerd door het vele water wat erin stroomt: stille waters hebben diepe gronden.

Het verhaal
Het verhaal zelf staat eigenlijk in de aankondiging van deze avond, en daar kunnen we kort over zijn. De films gaan respectievelijk over een door beeldende kunst, literatuur en dans geïnspireerde componiste, een grande dame van de Zweedse muziek, een avantgardiste die haar tijd ver vooruit was, een gedreven netwerker en een componiste van onder meer Franse chansons. Twee films (Beyer en Andrée) zijn met Engelse ondertiteling.
Het zijn verhalen over vrouwelijke componisten in een door mannen gedomineerd gebied. Daarvoor staan misschien het water en de vele vogels die rondvliegen ook symbool; het zwemmen tegen de stroom in aan de ene kant en het je vleugels uitslaan aan de andere kant.
Kijk maar naar het moment waarop wordt verteld dat de Zweedse grande dame, Elfrida Andrée, naar Stockholm gaat om te studeren: pal voor die vermelding vliegt een meeuw met sterke vleugelslagen op. Ook de film over de hiervoor al genoemde Nasapoulou sluit af met wegvliegende vogels.
Het zíjn dan ook verhalen over sterke vrouwen. Andrée bijvoorbeeld was de eerste vrouwelijke kerkorganist in het Zweden waar vrouwen geen kerkorganist konden worden, zo wordt in de film gezegd. En op dat moment wordt een gigantisch slot op een kerkdeur getoond. Andrée verbrak in 1861 het slot, dat in Nederland al eerder, in 1719, was verbroken door Agnita Wilhelmina Snep die haar vader opvolgde als organist in Zierikzee.

De vorm
Het moge duidelijk zijn dat de vorm die Werner Leanse voor haar films kiest, raakt aan muzikale vormen. In de film over Rosy Wertheim bijvoorbeeld valt een A-B-A-vorm te herkennen; wanneer het verhaal aan het begin en het eind (A) in Nederland speelt, in Amsterdam en in Laren, klinkt een door Rae Milford bespeeld klokkenspel, en wanneer het verhaal in het midden (B) is gesitueerd in Parijs, waar ze correspondente voor Het Volk is, klinkt andersoortige muziek. Deze sonatevorm wordt afgesloten met een coda, een door Werner Leanse zelf gezongen gedeelte uit een lied van Wertheim, begeleid door piano én gekras van kraaien:

‘k Heb veel gelachen en geschreid, –
Nu komt de winter, wit en wijd,
Die alles stil zal maken.

Maar ook de vorm gaat nog dieper. Een buitengewoon fascinerend voorbeeld daarvan is te vinden in het portret over de Duits-Amerikaanse componiste Johanna Beyer. Terwijl op een gegeven moment haar muziek steeds langzamer gaat, versnellen de beelden juist, alsof je in een stilstaande trein op het perron staat, terwijl de trein ernaast gaat rijden en snelheid maakt. Aan de kijker wordt overgelaten deze metafoor naar believen zelf in te vullen.

Metafoor
Dat geldt ook voor wat ik een metafoor pur sang zou willen noemen, en waarmee ik deze korte inleiding wil afsluiten. Hij komt voor in het portret van de Nederlandse componiste en pianiste Marjo Tal en viel Werner Leanse toe, terwijl ze in Parijs op straat filmde. Het is het beeld van een clown, waarmee ze Tal ten diepste heeft gepeild.
De beelden doen mij denken aan de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint: een clown met [ik citeer] ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gebeurde gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de clown in de roman van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’
Tal koos voor haar werken teksten die een combinatie vormen van humor, ernst en symboliek. Werner Leanse koos voor haar films eenzelfde soort combinatie, waarmee ze het werk van de vijf componisten die vanavond centraal staan een extra lading meegaf. De diepere lagen die ze daarmee blootlegt, heb ik geprobeerd als de schillen van een ui kort af te pellen. Het woord is nu aan de vijf filmportretten zelf.

Johanna Beyer – https://vimeo.com/bubbleeyes/beyer

Elfrida Andree – https://vimeo.com/bubbleeyes/elfrida

Aspasia Nasopoulou – https://vimeo.com/bubbleeyes/aspasia

Rosy Wertheim – https://vimeo.com/bubbleeyes/rosywertheimnl

Marjo Tal – https://vimeo.com/bubbleeyes/marjotalnl

De j/Jou van Joost Baars

Joost Baars’ debuutbundel Binnenplaats geeft een goed inzicht in het godsdienstig beleven van nu. In het gelijknamige, eerste van de vier onderdelen van deze bundel, gaat het over een Jou, waarin je zowel God als Baars’ vrouw, en zelfs de dood kunt lezen. In deze zin is de bundel verwant aan de gedichten van een dichter als C.O. Jellema.

Een Jou-figuur die ‘wordt geboren in het geritsel / van het geritsel van het geruis-/loze ritselen, en mij erin maakt.’ De mij is aan Jou gelijk. Onaf. Maar de Jou heeft geen lichaam. De Jou vindt de ik-persoon, hoewel Jou het gezicht altijd weer afwend. De Jou is een tegenover die zegt dat hij/zij nabij is in de tuin – de tuin van Eden, de hortus conclusus? De ik hoopt dat de Jou met zijn/haar transcendentie luistert.

Er wordt in positieve bewoordingen, met veel ontregelende interpunctie (zie alleen al de eerste regel die ik hierboven citeerde), gezegd wat de negatieve theologie in negatieve zin zou verwoorden:

…. Jouw bestaan

nu even zeker
als het leven

van mijn vrouw.

Dat wil zeggen zo onzeker als wat, want het is een autobiografisch detail, over de vrouw van de dichter die een hartstilstand kreeg; het hart dat het omslag van Anneke de Soete siert (zie afb.). De vraag of God zich dood houdt (uit schaamte of onverschilligheid?) is al even existentieel, met een herinnering aan het geritsel bij Lucebert:

zeg mij, zegt Jouw gezwijg

mij iets of zeg ik Jou
hier ongehoord, …

Jij zwijgt of ritselt op z’n hoogst

… zo zacht
dat ik mijn angst vergat.

De tweede afdeling van de bundel, Meer dan aan elkaar, sprak mij minder aan. Wat niet wil zeggen dat de gedichten minder goed zijn. In tegendeel.
Het derde deel, Waar ik niet heen wil gaan, bestaat uit vertalingen van sonnetten van Gerard Manley Hopkins.

Met het laatste deel, Het dal van Spoleto, komen we weer op vertrouwder terrein: Franciscus van Assisi. Het eerste gedicht hieruit verklaart de titel van de bundel: ‘O kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?’ Behalve de vogel – volgens de overlevering sprak Franciscus met de vogels – doet ook de woordkeus aan Franciscus denken: de kraai als vehikel (instrument). Niet van de vrede, maar in dit geval van de dood waar de dichter niet aan wil. Het zijn verder allemaal gedichten over vogels: het roodborstje, spreeuwen, de buizerd, het musje dat wordt bedreigd, de zwaan en de mens die in schoonheid voor elkaar geschapen lijken, de reiger van Dick Ket en zelfs een drone.

Na een witpagina volgt het laatste gedicht van de bundel. Een prachtig liefdesgedicht over elke dag opnieuw met jou (zonder hoofdletter!) beginnen. Na het voorgaande zegt het genoeg. En Baars weet het in zijn mooie debuut, dat naar meers smaakt, raak te verwoorden. Soms iets over de top misschien en met veel, soms wellicht ook iets teveel ontregelende interpunctie. Maar wie zal daar bij zoveel moois écht over vallen?

De bundel dingt mee naar de Buddingh’prijs 2017.
Over het debuut van Joost Baars (1975) zegt de jury:

‘Een lijvige, intense en rijke bundel van een dichter die duidelijk belezen is. Met de dood voor ogen wordt de dood zelf aangesproken. Baars durft zijn gedichten tot op het bot uit te kleden, maar kiest in zijn vertaling van Gerald Manley Hopkins juist weer voor een weelderige virtuositeit. Knap hoe hij vanuit en persoonlijke ervaring tot poëzie komt die niet particulier is. Innemend is zijn grote betrokkenheid die soms een maatschappelijk bewustzijn naar buiten brengt.’

Mooi van gestalte – een drieluik

Naast het lezen van Thomas Mann: Jozef en zijn broers voor de HOVO-cursus over deze romans, lees ik momenteel onder meer in Op de Uitkijk van Roel Pomp. Beide boeken gingen vandaag, Poeriem (het Lotenfeest, waarop in de synagoge het verhaal van Esther wordt gelezen, en zondag Reminiscere, Gedenk uw barmhartigheid), met elkaar en met een dienst in de Amsterdamse Oude Kerk in gesprek.

1.
‘In zijn roman [novelle, EvS] Das Gesetz (…) geeft Thomas Mann een romantische invulling aan het veel soberder verhaal [over Jozua] dat de Bijbel vertelt en dat een legendarisch karakter heeft,.’ aldus Pomp.
Dat mag gezegd worden van een schrijver die ook het verhaal over Jozef en zijn broers opblies tot vier kloeke romandelen. Inclusief een romantische invulling. Die vrijheid heeft een schrijver natuurlijk.
Michiel Hagdorn, docent van voornoemde HOVO-cursus over deze romans, wees al aan het begin op Jozefs’ schoonheid, zoals de Bijbel én Mann die beschrijven. In Genesis staat dat hij ‘schön und hübsch von angesicht’ is. Daarmee, schrijft Hagdorn in de begeleidende syllabus, ‘is hij voor Thomas Mann een volgende gestalte in de rij van mooie jongemannen in zijn literaire oeuvre, waarvan de schoonheid nu eens in bedekte termen (…) dan weer openlijk en uitgebreid (…) wordt beschreven. De Joseph-gestalte is een homo-erotisch ideaalbeeld voor Mann.’ Maar het is binnen de Bijbelse context wellicht ook méér.

2.
In de voorbeden in de Oude Kerk werd gewezen op het feit dat de joden vandaag Poeriem vieren. Verwezen werd naar het verhaal van de ‘mooie Esther.’ Zo wordt zij in de Bijbel, evenals Jozef, inderdaad omschreven.
Ook Roel Pomp komt enige pagina’s na zijn opmerking over Manns Das Gesetz ook over Esther te spreken. ‘Voor veel Joden na de Holocaust [is] het Oudtestamentische boek Esther het meest gelezen Joodse boek,’ schrijft hij.
Misschien zit in en achter de nadruk op de als mooie en schoon ervaren gestalten van zowel Jozef als Esther wel een boodschap verborgen: twee eenvoudige mensen die de diepten kenden (daar staat ongetwijfeld de put model voor) en deze te boven kwamen door (in meer dan één opzicht symbolische) functies als onderkoning en koningin.

3.
Ik lees verder in het mooie boek van Roel Pomp en stuit op de zinsneden: ‘Je moet op hem [God, EvS] wachten, gewoon in het alledaagse, elke seconde kan hij verschijnen in een bepaalde gebeurtenis, in niet meer dan een incident misschien: een vogel die ineens begint te fluiten en je wegrukt uit je somberheid of een fietser die langsrijdt en even naar je zwaait of een kaartje in de brievenbus.’
Het is zoals vanmorgen in de Oude Kerk werd gezegd: God is in de mooie dingen van het leven maar gaat ook met je mee in de donkerte ervan. Dat leert het verhaal van de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17). God is in de aanraking (vs.7) en het Woord: ‘Staat op en weest niet bevreesd’ (vs. 6).
Of zoals Roel Pomp pal voor wat ik onder 1 als eerste citaat uit zijn boek opnam schrijft: ‘Het kleine onooglijke volkje leerde zijn “God” kennen door wat er gebeurde; niet uit de hoogte maar uit de diepte.’ Door te kijken naar het mooie aangezicht van een Jozef en Esther, maar ook door ‘mensen in nood in een bootje op zee, vluchtelingen, die veilig de oever bereiken en, door en door nat, zich veilig weten’ (Roel Pomp) in de ogen te kijken.

Een ademtocht

Op zijn tijd krijg ik van een oud-collega een gedicht toegestuurd; ik heb mij destijds ingeschreven voor zijn Gedicht van de week. De ene keer spreekt me zo’n gedicht, uit alle windstreken en tijdsgewrichten, meer aan dan de andere keer. Dat is, zou ik zeggen, logisch. Afgelopen week werd mijn aandacht mateloos getrokken door onderstaand gedicht:  

OP EEN GEGEVEN MOMENT

Op een gegeven moment

ademden alle mensen en alle dieren wereldwijd onafgesproken tegelijkertijd in,
en er bleek precies genoeg zuurstof te zijn voor iedereen.

De atmosfeer wist niet wat hem overkwam:
het luchtruim zoog zich vacuüm, het was overal windstil.
Vogels en vliegtuigen verzakten in de lucht en
overal ter wereld doofden de brandjes.

De wereld hield zijn adem in, wist zich geen raad met de stilte.

Dit was het begin van de eerste wereldvrede
die precies één ademtocht zou duren.

Toen ademde men uit.

De vuurtjes werden aangewakkerd, gekibbel hervat.
Niemand had iets gemerkt.

MAAIKE HANEVELD (geb. 1986, zie foto)

Om te beginnen alleen de titel al: een moment dat ons gegeven is, zoals eens ons de adem werd gegeven en ingeblazen. Een oud-cursist van mij had wat met ‘momenten’ waarop alles kantelt. Op de één of andere manier spaarde hij ze. Hoe weet ik niet, maar hij liet er zich een keer in die zin over uit. En ik kan me er iets bij voorstellen.

Neem nu dit moment, waarop alle levende wezens, mensen en dieren, allemaal tegelijk inademen. Ik moet denken aan de tsimtsoem, de samentrekking van God om ruimte te maken voor de mens. Hij hield als het ware even zijn adem in, zodat wij in of op kunnen ademen. En het wonder was daar: alle levende wezens ademden uit één mond, als uit één lichaam en ziedaar:  er bleek precies genoeg zuurstof te zijn voor allemaal!

Het was windstil, en alle brandjes ter wereld doofden. Zoals het windstil is bij een zonsverduistering, en op het moment van de schepping, toen Gods geest over de wateren zweefde. Die windstilte, toen de wereld zijn adem inhield, was de aankondiging van de eerste wereldvrede. Maar het mocht maar een moment duren: precies die ene ademtocht.

Toen ademde iedereen weer uit. Of dat ook tegelijk gebeurde, vertelt de tekst niet. Ik denk het niet, eigenlijk; iedereen lijkt wel weer teruggevallen te zijn op zichzelf. Het effect was in ieder geval dat de vuurtjes door de luchtverplaatsing weer werden aangewakkerd en onenigheid weer verder ging waar het even was gestopt.

Niemand had het moment van wereldvrede opgemerkt. En toch was het, als een Messiaans moment, onder ons geweest. Zou het terugkomen als we nog een keer, op een gegeven moment, allemaal tegelijk in zouden inademen? Als uit een collectieve wereldgeest die iedereen die snakt naar vrede tegelijk bezielt? In een luchtruim dat zich vacuüm zoog. Of is de wereld daarvoor teveel uit elkaar gevallen? Dan rest de opdracht om hem heel te maken en dat moment dichterbij te brengen en te doen verkeren in een eeuwigdurend gebeuren.

 

http://www.maaikeheefteenwebsite.nl/

Wat van je leven maken

Verbogt_Kleur van gelukTijdens een braderie doet mijn bibliotheekfiliaal zowat het hele oeuvre van schrijver Thomas Verbogt van de hand, maar op de tafel met nieuwe aanwinsten binnen ligt zowaar Verbogts laatste roman: Kleur van geluk.

Een boek over twee vrienden en nog veel meer. De één houdt van Kafka, de ander van Nabokov. ‘De vriendschap bleef zo jong als wij toen waren’, zegt de alwetende ik-verteller die het nog steeds fijn vindt als zijn bijna 90-jarige moeder ‘jongen’ tegen hem zegt. De tijd is op z’n best als hij stil blijft staan. Maar dat doet hij niet.

De hoofdpersoon, Daniël Timmer, vraagt zich af hoe je daarmee om moet gaan. Neem je gaandeweg afscheid, geef je herinneringen door met de dingen die je aan je kinderen schenkt, vertel je verhalen of zwijg je juist om ze bij je te houden?

Hij gaat er niet goed voor zitten, de hoofdpersoon. Zoals de meesten van ons dat niet doen. Hij is wel met zijn gedachten ergens anders, maar niet bij wat er misschien werkelijk toe doet. Hoewel het de vraag is of je afscheid nemen wel kunt oefenen. Net als het antwoord op de kwestie die een medeleerlinge aanroert: ‘Wat ga je van je leven máken?’
Het was de vader van Daniël die het leven maakte, hij niet. Hij maakte het mee, en bedacht zijn leven als in een andere wereld, in een droom. Hij dacht teveel, volgens zijn omgeving. En sloeg daarom, volgens zichzelf, te weinig in zijn geheugen op, en leefde over of om de dingen heen.

Misschien omdat hij levensbang is. ‘Ik vind levensbang een beter woord dan doodsbang’. Iets dat Verbogt op een poëtische, melancholieke manier invoelbaar weet te maken. Het begrip groeit met het verhaal mee, net als de karakters, die raak zijn neergezet.

Dóór de affaire met Carla, de moeder van een medeleerlinge op de middelbare school heen, halverwege het boek. Een korte periode waarin Daniël niet alleen meer denkt, maar ook beelden gaat oproepen, beelden die hij de kleur van gelukt geeft. Van vogels, witte vogels bijvoorbeeld. Terwijl hij ondertussen nog steeds hoopt dat de tijd stil blijft staan. Dat doet hij tot op zekere hoogte ook: zowel in het hoofd van zijn moeder als dat van Carla is het vaag geworden. ‘Er hangt veel mist in de tijd.’

Uiteraard is dat, zoals zoveel in dit boek, symbolisch. En niet alleen in dit boek, het is kenmerkend voor de stijl van Verbogt. Daarom lees ik zijn werk denk ik ook zo graag. De symboliek geeft diepte aan een verder haast lichtvoetige manier van schrijven over zaken die ertoe doen.
Dat wil zeggen: over gebeurtenissen die ertoe doen: ‘de eenmalige gebeurtenissen.’ Daar is Daniël, inmiddels bijna 60 jaar, wel achter gekomen.

De moraal van het verhaal wordt eigenlijk schitterend verwoord door de Russische componiste Marina Poleukhina in het programmaoverzicht van de Gaudeamus Muziekweek 2014. Niet dat zij Verbogt gelezen zal hebben, maar het valt me zomaar toe: ‘De veelheid van dingen rondom ons, maakt je soms verschrikkelijk eenzaam. Dan raak je het zicht kwijt op wat nou belangrijk voor je is. Maar dát gevoel, het gevoel alle grond onder je voeten te verliezen, wekt bij mij juist de neiging er tot aan de rand van het ravijn in mee te gaan. En dan blijkt telkens weer dat je het toch niet kunt!’

Om zulke gevoelens gaat het. En om een schrijver die ze onder woorden weet te brengen. Dat een bibliotheekfiliaal zowat zijn hele oeuvre verkoopt, heeft dan ook meer met decentraal afschrijvingsbeleid te maken. En dat de centrale weer een nieuwe Verbogt koopt, is een geluk bij een ongeluk.

Thomas Verbogt: Kleur van geluk. Roman (Uitgeverij De Kring), 224 pagina’s, € 12.50