Boodschappenbriefje voor de oude dag

boodschappenbriefjeWMO – thuiszorg/hulpmiddelen
alarm
mobile – magnetron
boodschappen – netje
dokter – CIZ – reserveren plaats
vaker bellen
gehoorapparaat
vrijwilligerswerk tegemoet. De Tol
bridge+? zondagen

Zomaar, een briefje dat uit het bibliotheekboek valt dat ik zit te lezen. Van – stel ik me zo voor – een oudere heer die aan het eind van een ziekenhuisopname van een transferverpleegkundige, of thuis na een val samen met een praktisch ingestelde huisarts een ‘boodschappenbriefje’ heeft zitten maken. Je kunt de trefwoorden zo aaneenrijgen tot wat nodig is om het eind van een levensweg te verlichten. En het gesprek reconstrueren.

“Om te beginnen kunt u via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning thuiszorg en hulpmiddelen aanvragen. Want het is wél de bedoeling dat u zo lang mogelijk thuis blijft wonen natuurlijk.

Verder is er een alarm nodig dat u om uw nek hangt, zodat u daar altijd op kunt drukken. Niet in de was doen, hoor! Een valalarm, een seniorenalarm of wat dan ook. Er zijn verschillende mogelijkheden.

Een ‘mobile’, ik bedoel: mobiele telefoon is de volgende stap. Die kunt u ook overal mee naar toe nemen, naar het toilet, de badkamer en als u naar buiten gaat. Want dat moet u wel blijven doen hoor, elke dag even naar buiten! Koopt u maar een boodschappen netje, voor kleine boodschappen altijd handig om bij u te hebben.

Als u een magnetron hebt, kunt u daar diepvriesmaaltijden in opwarmen. Die u zelf heeft gekocht, of, als dat niet meer lukt, die u kunt afnemen bij Tafeltje Dekje, Apetito of zo. Niet zo smakelijk? U mag blij zijn dat het bestaat!

Dan komt het serieuzere werk. U kunt wellicht op korte termijn al zorg krijgen vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) onderzoekt de mogelijkheden daartoe. Het kan nooit kwaad overigens nu al een plaats te reserveren in een zorginstelling (dit briefje dateert dus uit de tijd dat dit nog niet zo moeilijk was. Het boek ook: uit 1992).

U moet niet zo op uzelf blijven en vaker bellen als er wat is. O, u bent wat eigenwijs en achterdochtig! Dat komt vast omdat u slechthorend bent. Maar daar zijn tegenwoordig goede gehoorapparaten voor. Let u maar op de reclame ’s avonds op de televisie.

Om u nog meer te helpen kunt u de hulp van vrijwilligers inroepen via De Tol. Zij staan altijd voor u klaar om klusjes in en om het huis te doen die wat te zwaar worden. Of om met u naar de audicien te gaan.

En om tenslotte wat aan de vereenzaming te doen: heeft u er wel eens aan gedacht te gaan bridgen? Bijvoorbeeld op zondagmiddag? Een heerlijke tijdpassering, en u ziet ook nog eens andere mensen. (De rest (+?) verstond de mijnheer helaas niet).

Is er iemand met wie u het lijstje samen kunt gaan afwerken? Als er wat is hoor ik het wel.”

The Islanders

ChagallOp het eerste gezicht deed het op alle potloodtekeningen in de serie The Islanders van de Britse kunstenaar Charles Avery (Museum Boijmans Van Beuningen, 2009) voorkomende figuurtje denken aan een gebochelde kobold in een volksverhaal uit noordelijke streken. Of aan het schilderij De gebochelde (1911) van de Rus Alexej Lawlensky (particuliere collectie, Krefeld). Overal kwam ze in beeld, als een rode draad in het verhaal over een imaginair eiland dat Avery zowel beschrijft als afbeeldt. Wat deden die oude vrouwtjes daar nu aldoor?

 

Ik had het idee dat ik het figuurtje van een ander schilderij kende. Was het de Boerin met emmers en kind van Malevitsj uit dezelfde tijd als Lawlensky zijn schilderij maakte (Stedelijk Museum Amsterdam)? Het volkse zat er wel in, maar daar bleef het bij.
Na lang broeden kwam ik erachter dat het De Wandelende jood (Ahasverus) is zoals Chagall – ook een Rus – hem in 1924 schilderde; een schilderij dat ook bekend staat onder de titel Op weg (Petit Palais, Genève, zie afb.). Hij heeft geen bochel (bij beter kijken had het figuurtje van Avery dat trouwens óók niet) maar een knapzak op de rug. Daarin zeulde hij zijn hele hebben en houwen, letterlijk en figuurlijk, met zich mee. En dat is als je het negatief bekijkt niet niks, in dit niet helemaal van antijudaïsme gespeende, oorspronkelijk Duitse volksverhaal (1602). En ook niet als je het positief bekijkt: alle Bijbelse en andere verhalen die een wegwijzer en troost in het leven kunnen vormen.

Dat alles maakte de serie potloodtekeningen en verhalen van Avery over het eiland met de hoofdstad Onomatopoeia zo gelaagd als het maar kan. Het figuurtje heeft ook een naam: Coscienza. Wat weer doet denken aan de titel van een boek van de Italiaanse schrijver Italo Svevo: Bekentenissen van Zeno. De bekentenissen die daarin worden beschreven, doen denken aan de woorden die telkens bij Avery terugkomen.
Avery heeft het bijvoorbeeld over guilt, schuld, en agony, angst. Zoals Svevo de ‘kwaal’ beschrijft waarvan hij nooit meer zal genezen: ‘De angst voor de ouderdom en vooral de angst voor de dood’ (uitg. Trouw/Muntinga, 2005, p. 184).

Zeno zou zo maar de hoofdpersoon van het verhaal van Avery, of Avery’s alter ego of avatar kunnen zijn die zijn angst met ons deelt. Het is allemaal herkenbaar. De last die alle figuren torsen zit op één of andere manier in het rugzakje dat ze meezeul(d)en en waaronder ze dreig(d)en te bezwijken. Maar tegelijk jaagden ze allemaal geluk na door alles uit het leven te willen halen wat eruit te halen valt. Bij Avery gebeurt dat letterlijk door jagers, in tweedjasjes met malle hoedjes op. Je bent Engelsman of niet.

En het gebeurt figuurlijk als een jacht op de noumenon (het Ding an Sich). Je mag erop hopen, zoals Avery zijn eiland inzet als een utopia. En leven uit de verhalen die je óók in je knapzak vindt.

Met toestemming herplaats ik hier een column die ik oorspronkelijk schreef voor het tijdschrift Wervelingen (2009/3): http://www.scoliose.nl/publicaties/wervelingen/
N.a.v. de presentatie van The Islanders van Avery in het GEM te Den Haag (14 februari t/m 6 juni 2015):
http://www.gem-online.nl/tentoonstellingen/charles-avery