Mooi, mooier, mooist

In de Smidskapel van de Amsterdamse Oude Kerk zitten twee oude schalkbeeldjes onder de kap die nog helemaal intact zijn. Het zijn twee vrouwen met een hoge rug, de handen op schoot, schijnbaar om niet helemaal in elkaar te zakken. Boven de beeldjes zit een overhuiving, waar de rug niet tegenaan komt, zoals we van Italiaanse preekstoelen kennen, waar de hyper-kyfose van soortgelijke mansfiguren dragend is voor de kuip.

Er zijn wel symbolische verklaringen voor zulke beeldjes gegeven – bijvoorbeeld in het verlengde van een liedtekst van Tom Naastepad:

            …

            en Hij zal zijn schouders bukken

            onder wet en tijd.

Of als symbool van de overwinning van het kwade, van ziekte en gebrek. Toch scharen veel kunsthistorici dergelijke beeldjes nu onder de vrijheden die middeleeuwse kunstenaars zich veroorloofden en laten de symboliek voor wat het is.

Toch zou het kind hiermee wel eens met het badwater kunnen zijn weggegooid. In zijn boek Kritik der zynischen Vernunft (1983) rehabiliteert de filosoof Peter Sloterdijk een denkwijze die hij ‘kynisme’ noemt. Dat is een vrijmoedige, volkse en groteske vorm van kritiek in de voetsporen van Diogenes. Met name in de middeleeuwen op de rand van de renaissance leefde deze manier van denken op. De bolle fratskoppen van de beeldjes in Amsterdam en Italië staan in deze traditie. Maar misschien meer dan alleen die koppen.

Misschien ook het schilderij Minerva (ca. 1630) uit de omgeving van van Rembrandt, dat momenteel is te zien op de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari – 15 september 2019, zie afb.). Het is achtereenvolgens toegeschreven aan Willem de Poorter, Gerard Dou en Hendrik Gerritsz. Pot. Die vreemd gevormde schouder roept hoofdbrekens op: een onhandigheid van de schilder, een misvormde schouder van Minerva, die ik in de literatuur echter niet ben tegengekomen. Maar wie weet wat voor symboliek erachter zit … In ieder geval zou Aart van der Leeuw het ‘misschien contrefait noemen’ (in: De kleine Rudolf).

Aandacht daarvoor past in ieder geval, wat het ook oplevert, in onze tijd waarin sprake is van wat wel ‘body history’ wordt genoemd, waarbij er interesse is voor die perioden in de geschiedenis (bijvoorbeeld de middeleeuwen van de schalkbeeldjes en de barok van Rembrandt en omgeving) waarin het lichaam even belangrijk was als het verstand.

Sloterdijk stelt het activisme van de moderniteit onder kritiek: snel-sneller-snelst. In zijn lijn doorgeredeneerd, kan degene en datgene dat níet zo snel gaat zijn plaats opeisen, al dan niet gesteund door een sterke patiëntenvereniging. Sloterdijk beroept zich op het begrip ‘Gelassenheit’ van Heidegger. Van de ‘Kehre’ bij Heidegger en de ‘juiste beweeglijkheid’ bij Sloterdijk gaat een rust uit – een zich naar eigen vermogen kunnen én zonder kritiek mogen voortbewegen in een overbeweeglijke tijd.

Het is een attitude die ik ook bij het kijken naar de beeldjes en naar het aan Rembrandt toegeschreven schilderij voel. Wat zich onder kritiek laat stellen, is de houding die mismaakte mensen uitsluit. Snel, -sneller, snelst, mooi, mooier, mooist. Wat heet; zelfs een godin als Minerva is althans op dit schilderij niet moeders mooiste! Dat geeft te denken.

Deels gebaseerd op een in de lente van 2005 verschenen column in Wervelingen.

https://www.mauritshuis.nl/nl-nl/ontdek/tentoonstellingen/rembrandt-en-het-mauritshuis/

Zonder het een niet het ander

Het verhaal gaat dat de jonge Michelangelo een beeld van een faun maakte dat mooier was dan mooi. Toen Lorenzo il Magnifico de’ Medici dit beeldhouwwerk had gezien, stoorde hem dit zó dat hij vond dat Michelangelo een tand uit de mond ervan moest slaan.

Het verhaal gaat verder en meldt dat Michelangelo na een vuistslag van Torrigiano, die zijn neus iets had geplet, alleen nog maar ultramooie beelden wilde maken, zoals de Pietà in de Sint-Pieter in Rome (zie afb. hierboven), die werd toegeschreven aan de beeldhouwer Gobbo uit Milaan.

Je zou ín dit verhaal kunnen leggen dat de gekromde Lorenzo zich stoorde aan de schoonheid van een faun, dat Michelangelo met zijn misvormde neus alleen nog naar schoonheid streefde en boos was op het feit dat Cristoforo Solari, ‘Gobbo’ (de gebochelde) in eerste instantie als maker van zijn Pietà doorging.

De beroemde schilder-schrijver Giorgio Vasari vermeldt in zijn boek De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (1550/1568) alle hiervoor genoemde voorvallen – sec, en binnen een bepaalde context: Lorenzo de’ Medici was Michelangelo’s broodheer, dus volgde Michelangelo diens raad op. De Pietà was het eerste kunstwerk dat hij het waard vond om van zijn naam te voorzien.

Wat de Pietà betreft, voegt Vasari er nog aan toe dat ‘niemand ergens dermate fraaie leden en een zo kundig vervaardigde tors’ zou kunnen vinden als bij deze Christusfiguur. Een tors die volkomen afwijkt van een houten crucifix dat een andere beeldhouwer, voor Michelangelo, namelijk Donatello voor de Santa Croce in Florence had gemaakt (zie afb. rechts). Donatello’s vriend Filippo Brunelleschi moest wat glimlachen en zei ‘dat het hem toescheen dat Donatello een boer aan het kruis had gehangen, en niet een lichaam van Jezus Christus, die (…) in ieder opzicht de volmaakte mens ooit geboren’ was. Filippo maakte als tegenhanger voor de Santa Maria Novella in Florence een crucifix naar dit ideaalbeeld. Misschien valt hier wel een theologisch diepere laag in te ontdekken, op de manier zoals de theologe Dorothee Sölle Christus als een Zuid-Amerikaanse boer beschreef.

Ik denk inmiddels dat het je heel voorzichtig moet zijn om zowel biografische als theologische gegevens als achtergrond voor diverse verklaringen aan te voeren. Michelangelo vond zijn faun gewoon niet zo geslaagd en zijn Pietà met zijn ‘kundig vervaardigde tors’ bij uitstek wél, aldus vermeldt Vasari. Donatello schijnt gezegd te hebben dat het Filippo vergund was Christusbeelden te maken, zoals hij min of meer boeren beeldhouwde.

Als je dicht bij de beelden zelf blijft, komt hier het verschil tussen realisme (Donatello) en idealisme (Michelangelo) naar voren. Uiteraard ligt daar een wereldbeeld onder, maar dit wordt niet primair gedicteerd door misvormingen van opdrachtgevers, zichzelf of een collega-beeldhouwer, maar is vóór alles het gevolg van een technisch kunnen of niet-kunnen, zodat uiteindelijk vorm en inhoud elkaar bevestigen. Want daar draait in de kunst uiteindelijk toch alles om.

‘Laten zien dat iets lelijk is, daar is geen kunst aan’, schrijft Marijn Sikken een beetje kort door de bocht in een blog op de website van Literair Nederland (20 november 2018). ‘Laten zien dat er tussen allerlei ellende schoonheid te vinden is, vergt niet alleen mentale maar ook literaire kracht.’ En dat geldt dus niet alleen voor literatuur, maar ook voor beeldende kunst. Maar wel in combinatie: zonder het een niet het ander.

Eerder gepubliceerd in Wervelingen (winter 2004), en hier aangevuld met de laatste alinea. Wordt met toestemming overgenomen.

Literatuur

Giorgio Vasari: De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten. Uitg. Contact, Amsterdam.

De tussensfeer

Momenteel lees ik het nieuwste boek van Joke J. Hermsen, Rivieren keren nooit terug. Op een gegeven moment heeft zij het over het feit dat je ‘altijd een of ander “tussen” moet opzoeken.’ Daarbij moest ik onwillekeurig denken aan lezingen van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy en Luuk van Middelaar tijdens de Dag van de Filosofie (2010) in Tilburg. Ik schreef daar eerder over in Wervelingen (herfst 2010) – een column die ik hier met toestemming overneem.

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy heeft in zijn essay De Indringer, dat hij schreef na een harttransplantatie gevolgd door kanker, over ‘een constante veruiterlijking’ van zichzelf. Hij wordt opgemeten, gecontroleerd, getest. Terwijl, zegt Nancy, ‘de felste vijanden’ van binnen zitten: ‘oude virussen, die zich altijd al schuil hielden’, en protheses, moeren, bouten en staven.
Ik moest hieraan denken tijdens niet alleen de lezing die Nancy hield tijdens de Dag van de Filosofie, 24 april 2010 in Tilburg, maar ook tijdens de daaropvolgende lezing van Luuk van Middelaar, met zijn boek De Passage naar Europa winnaar van de Socrates Wisselbeker 2010.
Van Middelaar heeft het in zijn boek over een ‘binnensfeer’ (de Europese instellingen) en een ‘buitensfeer’ (nationale staten). Maar ook over een zogenaamde ‘tussensfeer’ (de Europese Raad), waarin mensen elkaar ontmoeten en gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Om dat laatste nu gaat het mij hier: de tussensfeer.

De buitensfeer

Maar eerst de buitensfeer. Met enig afgrijzen las ik hoe Wilma de Rek en Bert Wagendorp in een artikel (in: de Volkskrant, 27 maart 2010, overgenomen in Filosofie Magazine nr. 3/2010) spraken over ‘een oud, volledig kromgetrokken mannetje’ en over een ‘gebocheld exemplaar’ [vet van mij, vS].
Hier is de veruiterlijking, het geëx-poseerd zijn oftewel het bloot-gesteld zijn aan de blikken van een ander waar Nancy het over heeft, op een treurige manier weergegeven.

De binnensfeer

Het spel dat Nancy tijdens zijn lezing speelde met de inhoud van het woord ‘beyond’ is bij De Rek en Wagendorp afwezig. Nancy ziet in dit woord de definitie van wat filosofie volgens hem moet zijn oplichten. Iets dat ‘sensible’ is, ‘sense’ geeft. Datgene ook dat ‘sensitive’ is. En dan vat Nancy het woord ‘beyond’ niet op als iets metafysisch, maar in ontologische zin, als leer van het zijn.
De Rek en Wagendorp hebben het over ‘een mannetje’ en een ‘exemplaar’, maar kunnen zich er niets wezenlijks bij voorstellen. Als zij dat wel zouden kunnen, zouden zij om te beginnen de buitensfeer verruilen voor de binnensfeer. Een sfeer die in de bijbel in overdrachtelijke zin ‘met ontferming bewogen’ wordt genoemd – wat dan letterlijk staat voor de ingewanden die gaan rammelen bij het zien van bijvoorbeeld ‘een oud, volledig kromgetrokken’ of ‘gebocheld’ medemens. Over wie vervolgens een zegenspreuk wordt uitgesproken, zoals Eliyahu Sidi (Parijs, 1936) op een serie gouaches toonde die in het Joods Historisch Museum te zien waren tijdens de tentoonstelling Count your blessings (14 februari t/m 24 mei 2010).

De tussensfeer

Nog een stap verder en we komen in de tussensfeer terecht, waarin zieken en gezonden, jong en oud, blank en zwart elkaar werkelijk ontmoeten en met elkaar in gesprek komen en naar oplossingen zoeken voor problemen die met een ziekte of handicap samenhangen.
Dit is het perspectief van het werkelijk samenleven in een stad zoals Van Middelaar die in Tilburg indirect schetste. En wat – vul ik aan – Hermsen ook bedoelt.

Elkaar de hand schudden

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen de biopic Maudie naar het leven van de Canadese schilder van naïeve schilderijen Maud Lewis (1903-1970, afb. hieronder), gespeeld door Sally Hawkins (afb. boven). Lewis leed aan een ernstige vorm van reumatoïde atritis, waardoor zij klein van gestalte bleef en haar handen, armen en rug krom waren gegroeid.
Dit levensverhaal doet in de verte denken aan de opera
Die Gezeichneten van Franz Schreker (1878-1934) en het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea (geb. 1943). Ze zouden allemaal elkaar de hand kunnen schudden. Over Schreker en Andrea schreef ik eerder (herfst 2007) in Wervel-ingen. Die column neem ik hier, onder toestemming, iets aangevuld over.

Bij De Nederlandse Opera werd aan het eind van het seizoen 2006-2007 Die Gezeichneten van Franz Schreker opgevoerd in een regie van Martin Kušej. De getekenden – in de dubbele betekenis van het woord: de mismaakte of door ziekte getekende hoofdpersonen Alviano en Carlotta, en de door Carlotta letterlijk getekende mensen (of liever: handen).

Kušej heeft het verhaal dat tijdens de renaissance speelt naar onze tijd vertaald. Zo tekent Carlotta niet langer, maar maakt ze foto’s. Wat een accent verlegt, want de bedoeling (het willen vangen van ‘zielen’) blijft hetzelfde.
Maar Kušej gaat verder. Hij waste alle Jugendstil-decoraties af en boog de verkrampte manier van omgaan met seksualiteit om. Zo hield hij een laag over waarin de wreedheid van de tijd van ontstaan van de opera (aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog), net zo wreed als de tijd waarin Lewis leefde en waarin afwijkende verschijningen werden verborgen, tijdloos is. Een laag waarin kunst en leven, esthetiek en ethiek van elkaar zijn vervreemd; een wereldoorlog later kennen we de verhalen van de beulen uit de kampen die ’s avonds Mozart speelden.

De manier waarop Schreker zijn eigen libretto toonzette, doet soms meer aan de innerlijke wereld van de Franse impressionisten (Debussy, Ravel) denken dan aan de gevoelsuitbarstingen van de expressionisten van de Tweede Weense School (Schönberg, Berg, Webern). Daarom verzuchtte een recensent uit de tijd van de componist dat diens muziek geen toekomstmuziek was, maar – en dat was een rake constatering – ‘hedendaagse kunst in de volste zin van het woord.’ Actueel tot op de dag van vandaag, en daarom terecht weer onder het stof vandaan gehaald, zoals Lewis een film waard is.

Zoiets dergelijks geldt ook voor de waardering van het werk van beeldend kunstenaar Pat Andrea, die Schreker over de tijd heen de hand zou kunnen schudden. Zoals Schreker begon in een tijd dat de Weense School invloed begon te krijgen, zo begon de Haagse Andrea zijn loopbaan in een periode waarin de meeste schilders abstract werk maakten, terwijl hij het – net als Lewis – bij figuratieve schilderijen hield.

Andrea beeldt net zoals Schreker mismaakte mensen af. Mensen zonder volledig volgroeide ledematen, gedeformeerde lichamen à la Bacon. Ook zij lijken symbool te staan voor een gebroken wereld waarin geweld en preoccupatie met seksualiteit (over)heersen.
Maar er is nóg een overeenkomst: in beider werk is ook tederheid aanwezig. Niet voor niets is Schrekers werk verwant aan het impressionisme en wordt Andrea wel een ‘psychisch impressionist’ genoemd.

Het blijft allemaal dubbel: het eiland bij Schreker, de tuin op L’anuonciation II (1996-2001) van Andrea, de kippen, katten, bloemen, vlinders in heldere kleuren bij Lewis. Het is soms te mooi om waar te zijn, en te waar om mooi te zijn. Zoals het leven  zelf, al dan niet getekend door mismaaktheid, ziekte of pijn zoals bij Lewis.

Helse pijn

Vanavond zendt de KRO-NCRV op NPO2 in 2Doc de documentaire Helse pijn (still hiernaast) uit. Een programma over chronische,  neuropathische pijn, zenuwpijn. Pijngeneeskunde heeft sinds 2010 de status van medisch specialisme binnen de anesthesie. In de winter van dat jaar publiceerde Wervelingen in een themanummer over pijn een column van mij, die ik in het kader van de uitzending van vanavond hier met toestemming herplaats.

Het is mijn fysiotherapeut die mij, al weer heel wat jaren geleden wees op het boek Pijn en cultuur van Henk Driessen, waarvan inmiddels een tweede druk is verschenen. Driessen beschrijft de verschillende gedaanten die pijn aan kunnen nemen. ‘Een fascinerend boek over pijn als vloek en zegen’, aldus recensent Freek Stegeman. Een rake conclusie die niet alleen door dit boek wordt gestaafd, maar ook in romans en andere literatuuruitingen.
Daarin is immers alles mogelijk. Maar er is en blijft één constante tussen al die ernst en luim: het literaire spel dat wordt gespeeld staat als het goed is altijd ten dienste van de existentiële ernst die, hoe je het ook wendt of keert, ten diepste met pijn gepaard gaat.

Ik beperk mij hier tot enkele voorbeelden van boeken die zijn geschreven door Nederlandse auteurs die zelf op de één of andere manier pijn hebben. En laat thrillers van bijvoorbeeld Inger Ash Wolfe (niemand weet wie achter dit pseudoniem schuilgaat) over Hazel Micallef, de politiechef met een pijnlijke rug, buiten beschouwing.

Om te beginnen een al wat ouder boek: het kinderboek Bezoek van Mister P (2007) van de in 2009 overleden kinderboekenschrijfster Veronica Hazelhoff. Mister P is de gepersonifieerde pijn, zoals de filosoof Nietzsche zijn pijn ‘hond’ noemde. Hazelhoff plaatste in haar leven pijn ook buizen zichzelf om er zo mee om te kunnen gaan. Al zingend: ‘Hello, Pain My Old Friend’, daarmee Simon en Garfunkel parafraserend.
Het was voor het eerst en het laatst dat Hazelhoff over pijn schreef; ze verloor zich liever in een verhaal om even niet aan pijn te hoeven denken.

Een recenter boek is de derde roman van Wouter Godijn: Mijn ontmoeting met God en andere avonturen. In NRC Handelsblad van 24 september 2010 door recensent Arjen Fortuin neergesabeld als de pennenvrucht van ‘een schrijver met (…) een bovenmodale belangstelling voor zichzelf.’ Maar als je verder leest, staat er toch iets in die recensie dat de aandacht trekt: ‘Een verstandig mens legt zich bij [de] grillen van het noodlot neer: rampen gebeuren nu eenmaal. Godijn interesseert zich niet zoveel voor verstandige mensen, hij verdiept zich in de wrede almacht die hun levens bestuurt en verstoort.’ Godijn kiest voor een surrealistisch verhaal, waarin de alwetende verteller alles naar zijn hand kan zetten. Dáár wel. Want in het dagelijks leven lukt dat niet. De pijn als vloek, om Stegemans uitspraak in herinnering te roepen.

Het andere uiterste van het spectrum lijkt aanwezig in een roman van Hannes Meinkema, maar waarover de schrijfster in een interview met Iris Pronk in Trouw (17 oktober 2009)  uitgebreid wilde vertellen. Dat leverde een rijk verhaal op. Hannemieke Stamperius (de eigenlijke naam van Hannes Meinkema) heeft in haar hoofd (‘ik leef hier’, zegt ze, op dat hoofd wijzend) een switch gemaakt: ‘Van het niet willen tot het opzij zetten van die wil. Gewoon in het nu zijn, de ervaring toelaten, er geen oorlog tegen voeren, je er ook niet bij neerleggen. Acceptatie is een doorlopend proces, een zoeken naar: hoe kan ik hier vreugde uit putten?’ Aan het slot van het interview wordt beschreven hoe de auteur van haar pijn de sprong heeft gemaakt naar de pijn van de wereld: ‘Als je pijn niet accepteert, dan ben je zielig, narrig, niemand begrijpt je. Doe je dat wel, dan ben je superdicht bij het leed van anderen.’

Horen wij hierin iets terug uit de essays van Michel de Montaigne (1533-1592), die als humanist bij uitstek ‘kennis van het eigen lichaam van wezenlijk belang [vindt] voor de zelfkennis en de kennis van de ander’ (Driessen, p. 20)?

The poetry of forms

Van 20 mei t/m 17 september a.s. toont het Kröller-Müller Museum werken van Hans Arp, volgens NRC Handelsblad (11 mei jl.) ‘een groot beeldhouwer: ingehouden zinnelijke stijl, spannend oeuvre. Zijn vrouw Sophie Taeuber-Arp was een nog groter kunstenaar, maar waarom is zij minder bekend dan haar man?’

In het lentenummer 2009 van Wervelingen schreef ik n.a.v. enkele beeldhouwwerken van Arp die ik toen zag. Met toestemming van de redactie herplaats ik die column hier n.a.v. bovengenoemde tentoonstelling als blog.

Op de tentoonstelling The Vincent Award 2008 in het Stedelijk Museum CS in Amsterdam was werk te zien van de Engelse beeldhouwster Rebecca Warren. Acht sculpturen van ongebakken klei op een sokkel: authentieke, robuuste en soms groteske, aan de natuur ontleende vormen. Volgens het Stedelijk Museum Bulletin (2008/02, p. 21) doen ze onder andere denken aan het werk van Rodin en Degas.

Maar de bronzen Grote torso (1957) van Hans Arp op de tentoonstelling Heilig Vuur in de Amsterdamse Nieuwe Kerk (t/m 1 april 2009) deed mij er evenzeer aan denken.
Als je hier omheen loopt, zie je de suggestie van een menselijke rug. Verre van recht en met tal van vetkwabben. Het zijn vormen die ook Arp ontleende aan de natuur. En eigenlijk is het ook nog eens een rehabilitatie van de filosofie van de oude Plotinos. Zoals het feit dat vanaf juli 2009 ook weer kromme komkommers, gebogen wortels en ander ‘vreemd gevormd’ fruit in de winkelschappen mag liggen een overwinning is op allerlei regelgeving van de Europese Unie.

In tegenstelling tot Pythagoras, die een torso pas mooi vond als het een mooi gevormd, zeg symmetrisch lichaam weergaf, vond Plotinos een beeld pas mooi als het bezield was, gemodelleerd naar het werkelijke, niet altijd volmaakte leven. Als het beeld lijkt te bewegen ook, zoals de zee op een schilderij van Wolkers of de sneeuw op één van Zandvliet.
Dit geeft aan de schilderijen en aan de beelden van Warren en Arp een spirituele schoonheid. Daarom verdient de torso van laatstgenoemde ook een plaats op de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk.

Paul Boon verbond in een historisch profiel over Plotinos in Filosofie Magazine (10/2008) de volgende conclusie: ‘Het romantische verlangen naar een vrije en ongebonden schoonheid daalt in de twintigste eeuw neer in de ervaring van alledag. We weten dat schoonheid aan empirische regels gebonden is. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat we symmetrie zeer aantrekkelijk vinden. Tegelijkertijd vinden we symmetrische gezichten en goed geproportioneerde lichamen ook een beetje saai. Omdat ze voldoen aan een algemene regel van schoonheid zijn ze inwisselbaar. Daarom herkennen we ook heel goed de boodschap van een film als Little Miss Sunshine: dit meisje is objectief gesproken niet mooi. Maar is ze daarom lelijk? Nee want ze heeft “uitstraling.” Ze heeft iets – iets bijzonders’ (p. 55). Net als de beelden van Rebecca Warren en Hans Arp. En Sophie Taeuber-Arp.

Er was er eens niet

Eén van de interessantste filosofische interpretaties die ik eens hoorde, kwam uit de mond van Roy Sorensen (St. Louis, Missouri). Hij deed zijn uitspraken in een televisie interview met Roel Bentz van den Berg (Wintergasten, 20 december 2011). Het ging over het ‘transcendentale (het zichzelf te bovengaande) ik’ van Immanuel Kant (1724-1804), het lege ik dat zo ruimte biedt voor empathie aldus Sorensen.

Ik kom erop toen ik in een recente bundel van Judith Herzberg las over haar gewaarwording in een vliegtuig, waar ze een schrijver met een houten been trof. Het leidt tot allemaal vragen, over het been en de schrijver.

Ik leg de uitleg van Sorensen en de notities van Herzberg in dit stukje – dat deels gebaseerd is op een column die ik eerder voor Wervelingen schreef en op deze blog plaatste (https://elsvanswol.nl/?p=1904) – naast die van Terry Pinkard, in zijn beroemde boek over Duitse filosofie 1760-1860 (uitg. Atlas).

De kern van de filosofie van Kant bestaat volgens Pinkard uit begrip(pen) en aanschouwing (voorbeelden, verduidelijkingen). Neem als voorbeeld ‘been’ in combinatie met ‘deformiteiten’ (een geamputeerd been). Voordat aanschouwing en begrip(pen) samenkomen, is het moeilijk je een voorstelling van de impact hiervan te maken. Daarom voegt Kant een derde functie toe: die van de verbeeldingskracht. Begrip(pen) hebben alleen betekenis in relatie tot een ervaring.
Zoals Herzberg zich afvraagt of er met dat houten been ‘eerlijkheid’ tot uitdrukking komt. Of dat het eerder ‘een heel erg binnenstebuiten gekeerde vorm van ijdelheid is.’ Ze zet haar verbeelding aan het werk en constateert dat de man een zitplaats met extra beenruimte krijgt, en daarvoor een stoel moest worden weggehaald. ‘Eén heel mens kan er dus minder mee vanwege dat ene been’ schrijft ze dan.

Het lege ik wordt bij haar dus niet gevuld door wat Kant de categorische imperatief noemt. Oftewel de zogenaamde gulden regel (‘Behandel anderen altijd zoals je zelf behandeld wilt worden’) maar met verbeelding.
Kant wordt verguisd als zijnde moralist en naïef. Wanneer Carel Peeters in zijn boek Gevoelige ideeën (uitg. De Harmonie) de filosoof afdoet omdat aan zijn denken juist ‘verbeelding, sensibiliteit en vormkracht’ zou ontbreken, doet hij hem onrecht. Maar een moralist? Nee – hij doet, net als Sorensen, mensen recht die met empathie willen denken. Bovendien was het diezelfde Kant die het ‘erweiterte Denken’ bedacht: niet blijven steken in je eigen, al dan niet v/Verlichte denken, maar je verplaatsen in de omstandigheden van een ander. Daar is elk moralisme vreemd aan. Het is ‘een artistieke suggestie’, moet Peeters zuinigjes toegeven. Dat is wat Herzberg deed.

Judith Herzberg: Er was er eens en er was er eens niet
(Uitgeverij De Harmonie).          

 

Zo krom als de maan

christensen_de-halfbroerroose_montaigne

In de vuistdikke roman De halfbroer van de Noorse schrijver Lars Saabye Christensen (zie afb. links) komen nogal wat personages met een als krom omschreven rug voor, zoals Boletta ‘met een rug zo krom als de maan boven de Majorstuen-kerk in oktober.’

Opvallend is dat ook de natuur in soortgelijke bewoordingen wordt beschreven: een ‘steile, groene berg die met kromme rug opstijgt uit de branding.’ Het doet denken aan de natuur in de beeldende kunst van Egon Schiele: een zonnebloem, geïnspireerd door Van Gogh, met dezelfde lijdende trekken als zijn mensenfiguren. Alsof de natuur een (zelf)portret, een antropomorfe (af)spiegeling is.

Bij Christensen klinken heel oude dichotomieën door: de mens vol schande en schaamte, in kromheid gebogen, kleingemaakt door een zwaar leven in een stad – tegenover de goede, heelmakende natuur, in dit geval een eiland. Maar de auteur legt nog een laag aan: van de authentieke, echte mens (die krom loopt) aan de ene kant en de artificiële, onechte mens (die kaarsrecht loopt) aan de andere kant.

Ook dat is een oud sjabloon. Daarvoor hoef je maar naar 17e en 18e eeuwse stads- of dorpsgezichten van Hollandse meesters te kijken: een edelman zit wijdbeens of staat rechtop en kijkt fier de wereld in, een visser of boer(in) is gezet en staat op z’n minst wat gebogen. Gerard de Lairesse deed het voor in zijn Groot Schilderboek en de Amsterdamse historicus Herman Roodenburg trok in zijn studie The eloquence of the body (uitgave Waanders) de lijn door naar het ‘echte leven.’ Rechtop lopen was een eerste vereiste in de 17e en 18e eeuw. Corsetten en operaties (Constantijn Huygens!) deden de rest. Een (rechte of kromme) houding gaf aan tot welke stand iemand behoorde.

Dit beeld werkt nog steeds door; in necrologieën over dirigent Carlo Maria Giulini werd bijvoorbeeld meermalen gewezen op diens aristocratische voorkomen in relatie tot zijn kaarsrechte houding.

Maar er zit nog een andere kant aan het verhaal dat 17e en 18e eeuwse Hollandse meesters ons tonen. Het is de Frans-Bulgaarse filosoof Tzvetan Todorov die heeft gewezen op het revolutionaire van het feit dat er voor het eerst gewone mensen al dan niet met gebreken werden getoond. Sindsdien is in de schilderkunst de scheiding tussen mooi en lelijk onder druk komen te staan.

Todorov spiegelt zich aan de filosofie van de humanist Michel de Montaigne (1533-1592). De Montaigne ging in het begin van zijn carrière, zoals het een humanist uit zijn tijd betaamde, uit van het Griekse denken. Plato, de man van het ideale lichaam in goede verhoudingen, was zijn ‘denkmeester.’ Maar gaandeweg sloeg Montaigne een richting in waarbij ook het niet-ideale werd betrokken. Dit zal zeker mede zijn ingegeven door zijn eigen zwakke gezondheid waarover hij in zijn geschriften openlijk berichtte. Maar zoals elke goede schrijver ontsteeg hij zijn persoonlijke malaise en raakte aan het algemeen-menselijke. In die zin is De Montaigne’s filosofie, waarin een verband bestaat tussen lichaam en geest zoals er bij Christensen een verband bestaat tussen mens en natuur, nog steeds actueel.

Met toestemming herplaats ik hier een eerder in Wervel-ingen verschenen culturele column n.a.v. de tentoonstelling van De Lairesse in Enschede, en het verschijnen van de biografie De vrolijke wijsheid, zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne (zie afb. rechtsboven, uitg. Polis) door Alexander Roose.

Rachid Ouramdane L’A TORDRE

Annie HanauerOp 6 juli a.s. laten, zoals het programma-overzicht van Juli Dans (International Festival for Contemporary Dance) het zegt, ‘twee danseresssen zien hoe je van een zwakte je grootste kracht maakt.’ De één is Lora Juodkaite die sinds haar kindertijd een onbedwingbare aandrang heeft rond haar as te draaien om tot rust te komen. De Raimund Hogheander is Annie Hanauer (zie foto), die een prothese-arm heeft en zich ‘niet laat tegenhouden om toch een leven als danseres te kiezen.’ Zij dansen deze avond samen een duet van Rachid Ouramdane.
Deze aankondiging riep bij bij de herinnering op aan een Culturele column die ik over Raimund Hoghe schreef (Wervel
ingen, winter 2002). Met toestemming herplaats ik deze hier.

In een serie televisiefilms naar de toneelstukken van Samuel Beckett was onlangs uiteraard ook zijn beroemdste stuk te zien: Wachten op Godot. Michael Linsday-Hoggs, de film-regisseur, was in een opvatting van de figuur Lucky, de drager van zijn meester Pozzo, verder gegaan dan Beckett in zijn tekst aangeeft. Daarin buigt Lucky zich telkens voorover om iets voor zijn meester op te rapen, maar niets wijst erop dat hij, zoals in de regie van Lindsay-Hoggs, krom is gegroeid en constant voorover loopt. Lindsay-Hoggs laat Lucky alleen rechtop staan op het moment dat hij van Pozzo mag ‘denken’. Een ander kunstje dat hij voor twee hoofdpersonen, Estragon en Vladimir, moet opvoeren, is dansen. Dat bestaat er in de regie van Lindsay-Hoggs hieruit, dat Lucky probeert rechtop te komen. Maar het lukt hem niet. Volgens Pozzo omdat ‘hij gelooft dat hij in een net gevangen is.’

Volgens sommige kenners van het werk van Beckett is Lucky gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth. Volgens hardnekkige geruchten zou uit oude Romeinse archieven, die bewaard zijn gebleven in het Historisch Museum te Rome, blijken dat Jezus bijna kaal was, een bochel had en slechts 1,47 meter was. Het archief bestaat overigens niet …

Hoe dan ook: het omgekeerde van wat Lindsay-Hoggs toont, komt ook voor: denkers die krom liepen (Georg Chr. Lichtenberg, Moses Mendelssohn, Kierkegaard). En wat heet: een danser met scoliose! Zijn naam is Raimund Hoghe (zie foto). In 1995 trad hij in Nederland op met zijn solovoorstelling Meinwärts en werd ter gelegenheid daarvan uitgebreid geïnterviewd door Marian Buijs voor de Volkskrant. De kop van dit interview luidde: ‘Ons gevoel voor esthetiek is beperkt’ en de ondertitel: ‘Theatermaker Raimund Hoghe laat publiek moed putten uit zijn eigen gebrek.’

Uit het interview blijkt, dat Hoghe jarenlang als dramaturg heeft gewerkt bij het beroemde danstheater van Pina Bausch en op een gegeven moment dingen in het theater aandurfde die hij daarbuiten nog steeds niet zal doen. ‘Op het strand kleed ik mij niet uit. Maar waarom is het eigenlijk zo’n sensatie als ik mijn lichaam ontbloot? Ons gevoel voor esthetiek is zo beperkt. Ieder mens heeft toch zijn eigen schoonheid? Kijk naar de dansers van Pina, die zijn dikker dan gangbaar is in de danswereld. Langer, ouder, ze dragen een bril en hebben geen geschoren oksels. Daar sprak men in Amerika schande van. Maar de manier waarop ze zich tonen is juist prachtig’, aldus Hoghe in het interview. ‘Ik ga van mezelf uit’, vervolgt hij. ‘Het feit dat ik daar sta, geeft veel mensen moed. Een ander is dik of dun. Het gaat erom zo te zijn als je bent en je lichaam te laten zien. Zo persoonlijk kun je in het theater alleen zijn als de vorm heel sterk is, dat heb ik van Pina geleerd. Ik kots mijn privé-gevoel niet uit. Ik heb een metafoor gevonden, heel simpel, om een beetje tolerantie en sensibiliteit op te roepen.’ En dat is iets dat in deze wereld hard nodig is.

Beeld 2: Thom Puckey

Thom Puckey_Beeld 2Alison Lapper

Tijdens Beeld 2 van de Amsterdam Art Fair 2016 toont Galerie Gerhard Hofland een beeld van Thom Puckey (foto links, Johannes Vermeerstraat 29, Amsterdam, 25 t/m 29 mei. http://www.amsterdamartfair.nl). Het beeld doet op het eerste gezicht denken aan Marc Quinns beeld van Alison Lapper op het Londense Trafalgar Square (foto rechts). Met dit verschil dat de vrouw van Puckey op een matras zit, en wordt omringd door revolvers die een groot contrast vormen met het witte marmer; je zou het met Louis Ferron een vorm van emancipatie kunnen noemen. T.g.v. deze expositie herplaats ik hier met toestemming een column uit Wervelingen (zomer 2004).

In het boek Werken van barmhartigheid, dat verscheen bij een tentoonstellingsproject uit 1998, staat bij een essay over het beeldend werk van Peter Schouten een afbeelding van diens Wervelkolom van de 20e eeuw. ‘Het beeld oogt als een reeks vleesgeworden aforismen van Elias Canetti, maar in de hoge vitrine lijkt het ook een pronkstuk uit de collectie van een museum voor natuurlijke historie’ (p. 35).

Het beeld staat als ‘pronkstuk’ ver af van de traditie binnen de afbeeldingen in het kader van de Zeven werken van barmhartigheid. Daarop was, zie ook de afbeeldingen in bovengenoemd boek, altijd wel iemand te vinden met een rugprobleem. Meteen op p. 8 is het al raak: het oudste voorbeeld in de Noordelijke Nederlanden, geschilderd door de anonieme Meester van Alkmaar (Rijksmuseum, Amsterdam). En zo gaat het maar door; iedereen kent immers de allegorie Caritas van Pieter Bruegel de Oudere (Boijmans Van Beuningen, Rotterdam).

Ook in Louis Ferrons roman Werken van barmhartigheid wordt een anders-gevormde ten tonele gevoerd, ‘wankelend achter zijn rollator dan wel strompelend op krukken’ (p. 246) – badend ‘in het licht van mededogen en erbarmen.’ De één vindt hem ‘wel een lollig ventje’, de ander ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie van minderheden van welk slag of geslacht dan ook’ (p. 247).

Tussen beide uitersten, ‘mededogen en erbarmen’ dat van de gezichten van de weldoeners op een schilderij in de traditie van Werken van barmhartigheid druipt en ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ zit een wereld van verschil. Ik betrapte me er echter op het jammer te vinden dat Peter Schouten met z’n kaarsrechte Wervelkolom van de 20e eeuw en Tineke Smith in haar serie Zeven werken (zie het boekje Zeven werken in Amsterdam; diaconie in beeld) deze traditie hebben verlaten. Immers: hier ging het om een autonome anders-gevormde, los van medelijdende dan wel neerbuigende of zelfs wegkijkende blikken. Maar uiteindelijk denk ik dat Louis Ferron gelijk heeft en dat het gaat om ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ – maar dan in combinatie met empathie.

Een voorbeeld vormt de discussie rond het beeld van Alison Lapper, een vrouw met phocomelia, een afwijking waardoor ze geen armen en korte benen heeft. Beeldhouwer Marc Quinn maakt van haar een beeld voor op Trafalgar Square in Londen. Er zijn mensen die vinden dat dit niet kan, terwijl anderen er blij mee zijn omdat het bewuster zou kunnen maken van mensen met een handicap. Maar dan, en daar gaat het uiteindelijk om, aan de hand van een autonoom beeld van een trotse en sterke vrouw, zonder de connotatie van neerbuigendheid die uit de traditie van de Zeven werken van barmhartigheid spreekt.

En dan gaat het niet meer om een neerbuigend mededogen en erbarmen van de kant van een diaconie, maar om ‘de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’, het, omdat dat de zin van het leven uitmaakt, met empathie naast degene met een handicap gaan staan en vanuit die grondhouding ondersteuning en hulp bieden waar het nodig is. Of – om het citaat van Thomas Roosenboom in zijn boek Spitzen volledig aan te halen: ‘Ja, de hongerige voeden, de dorstige laven, de naakte kleden, maar daarenboven, nog veel grotere getroosting, de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’ (p. 19).