Zinnen rijgen, lezen en interpreteren

Bij sommige cursussen geeft de filosoof en neerlandicus Carolien van Welij aan de deelnemers de opdracht een denker die zij heeft behandeld een week op je schouder mee te nemen en alles door diens ogen te bekijken. Dat zei ze niet bij de filosofische leesclub ‘Ken jezelf’ voor de Volksuniversiteit in Amsterdam – die ik momenteel volg -, maar het ging eigenlijk vanzelf dat ik het wél deed. Daar gaan we; als het ware een Jaarthema dat ik in een week prop.

Vrijdag 2 februari 2024  – Genieten
De filosoof is Michel de Montaigne (1533-1592). Een van zijn (in dit geval epicuristische) ideeën is: Geniet van het leven. Met mate. Dat is volgens hem het doel van het leven.

Een andere, Amerikaanse filosoof, Steven Nadler – bij wie ik het genoegen heb gehad een cursus over in dit geval Spinoza te volgen – zei in een interview met Laura de Jong (in: de Volkskrant) over Frans Hals, de schilder over wie hij recent een boek publiceerde: ‘En dan is er de manier waarop Hals de mensen laat poseren. Ze zijn ontspannen, ze leunen achterover in een stoel of drinken een glas wijn.’ Met andere woorden: ze genieten.

Paul Auster legt in de roman Baumgartner – die mij via enkele tweets werd aanbevolen (over kennen gesproken; anderen kennen je smaak soms goed!) – zijn hoofdpersoon de volgende woorden in de mond: ‘De eerste fraaie lentedag – de mooiste dag van het jaar. Laten we ervan genieten zolang het nog kan’ (p. 9).

Zaterdag 3 februari 2024 – Interpreteren
Als een estafettestokje neem ik ‘genieten’ mee naar de zaterdag. Het komt namelijk eveneens langs in een interview van Lorianne van Gelder met danser Timothy van Poucke, eerste solist bij Het Nationale Ballet: ‘Ik wil volop genieten van mijn tijd hier’ (in: het Parool, PS, p. 19).

Maar er is bij hem ook angst voor blessures, die ‘best somber maken. Maar ook daarop reageer ik op een milde manier op’ (p.16). Zoals Montaigne dat op verschillende niveaus deed: op zijn nierstenen – op ouderdom – op het idee van de dood.

Nog een Montaignewoord naast genieten en mildheid komt deze zaterdag voorbij: interpreteren.[1] En wel in de introductie tot PS van Roos Schlikker in verband met de ziekte (porstaatkanker) van haar vader: ‘Informeren, interpreteren, accepteren; wie ziek wordt moet zich een hoop vaardigheden eigen maken’ (p. 11). Montaigne kon het, al was hij volgens sommige mensen in de leesclub soms wel eens een beetje exhibitionistisch in dat verband.

Zondag 4 februari 2024 – Mild
Het woord dat mij zondag begeleidt is het woord ‘mild’. Oftewel in het Vlaams het mooie werkwoord ‘milderen’ (verzachten). Dat lees ik in de zondagse Nieuwsbrief van de website Meander, het literaire e-magazine voor Nederlandstalige poëzie. Marc Bruynsereade bezigde het in zijn recensie van de bundel Inventaris van Geert Van Istendael (Uitgeverij P): ‘De visie die enige zaken mildert’. Een bundel die is ‘gekruid met een toets relativeringsvermogen’.
Ook dat was Montaigne eigen, al omschrijft Carel Peeters hem (om nog een citaat van stal te halen) als ‘de eerste cultuurrelativist’ en ‘een religierelativist’ (in: Vrij Nederland, 24 januari 2004, p. 56), waar ik zo mijn twijfels bij heb.[2]

Ik sta even stil bij het laatste: religierelativist. Tijdens de eerste bijeenkomst van de filosofische leesclub kwam de vraag naar voren of Montaigne christelijk was. We kwamen erop uit, dat hij een humanist moet zijn geweest die in een tijd leefde die nog was doordesemd met het christelijk geloof, dus dat hij daar ongetwijfeld veel van meekreeg of misschien als dekmantel gebruikte. Later kwam zijn werk immers op de Index.
Opvallend is dan wél weer dat de Humanistische Canon hem, net als andere renaissancehumanisten (Coornhert, Erasmus, Pico della Mirandola en Petrarca) ‘een overtuigd christen’ noemt …[3]

Coornhert (zie foto hierboven) is tussen twee haakjes de naam die ik noemde toen we aan ’t begin van de cursus om beurten moesten aangeven welk boek grote indruk op ons heeft gemaakt. Dat was voor mij een boek van Coornhert, aanbevolen door mijn docente Nederlands op het Hervormd Lyceum Zuid in Amsterdam, mevrouw Messie. Ongetwijfeld iemand met mensenkennis dus.

Maandag 5 februari 2024 – Vriendschap
Ik lees verder in Austers roman Baumgartner en ben inmiddels aangekomen bij het hoofdstuk over de dood van zijn vrouw Anna. Baumgartner vertoefde ‘in een onbestemde innerlijke ruimte (…), waardoor hij iemand geworden was die alle tijd van de wereld had’ (p. 51).

Het zijn zinsneden die mij in gedachten terugvoeren naar wat Montaigne in zijn beroemde essay Over vriendschap schreef over de dood van zijn hartsvriend Etienne de La Bóetie (in 1563). Hij had het ook over alle tijd van de wereld, want met de bedrijfsvoering van zijn kasteel bij Bordeaux en de landerijen eromheen bemoeide hij zich niet of nauwelijks schijnt.

Dinsdag 6 februari 2024 – Boeken
In De Groene Amsterdammer van 1 februari 2024 staat (op p. 61) een recensie die Jan Postma schreef over de expositie Lifelines van Handan Tufan (in het Amsterdam Museum, tot 25 februari 2024). Die levenslijnen zijn boeken, zoals ze dat ook waren voor Montaigne. Carolien van Welij vertelt dat een wetenschapper aan de hand van citaten bezig is of was op papier de collectie boeken van Montaigne te reconstrueren.

Boeken die iemand las wekken hem weer tot leven. Maar zijn boekenkasten kerkhoven, zoals Postma schrijft? Dan zouden doorgeredeneerd de citaten die Montaigne op de balken in zijn torenkamer van zijn kasteel schreef grafschriften zijn. Ik weiger dat te geloven. Boeken en citaten maken dat iemand doorleeft in het nageslacht.

Om nog even na te genieten, doe ik nogmaals een duik in mijn boekenkast naar wat er van en over Montaigne in staat. Eén van de boekjes (in de serie Kleine klassieken van Boom) is het essay Over boeken. Over boekenwijsheid was Montaigne dubbel. Hij zocht aan de ene kant naar boeken die hem iets konden vertellen over zichzelf, leven en de dood. Aan de andere kant zocht hij die kennis in ervaring.

Die tegenspraak is typerend voor Montaigne. Misschien moet je ook hier, net als ten aanzien van het hiervoor genoemde punt relativisme zeggen: hij zoekt het in de dialoog. Met andere culturen en godsdiensten, met boeken en uiteindelijk na de dood van zijn vriend met zichzelf (dialogue intérieur las ik ergens).

Woensdag 6 februari 2024 – Que sais-je?
Het heeft heel lang geduurd alvorens ik door had dat de titel van die schitterende reeks boekjes Que sais-je? afkomstig is van Montaigne. Het is diens levensmotto: ‘Wat weet ik?’ Of – schrijft de filosofe Tinneke Beeckman in haar boek Ken jezelf (Boom) dat we als leesclub voor de volgende bijeenkomst gaan lezen – ‘Wat weet ik zeker? Is er wel iets wat ik echt zeker weet?’ Ook schrijft ze op dezelfde pagina (p. 55) even verderop dat we net als de Franse filosoof in gesprek moeten gaan met onszelf, ‘in (…) discussie met anderen, door te lezen, samen te overleggen en zelf kritisch na te denken’.

Donderdag 7 februari 2024 – Gevangeniscel en torenkamer
De hoofdpersoon in de roman Baumgartner van Paul Auster schrijft zoals hij het zelf noemt ‘niemendalletjes’ die hij in een la stopt en verder aan niemand laat lezen. Nu schrijft hij over een jongeman die de straf kreeg opgelegd om ‘levenslang zinnen te maken’. Hij zit in de gevangenis in de isolatievleugel en schrijft en schrijft. Erg vindt hij dat niet, want ‘het vergt grote moeite om een zin te maken, en grote moeite vereist grote concentratie, en omdat een zin onvermijdelijk moet worden gevolgd door een volgende om tot een uit zinnen opgebouwd werk te komen, is de hele dag grote concentratie vereist’ (p. 106).

Zo moet het Montaigne ongetwijfeld ook zijn vergaan. Ik kan het me, een week hem op mijn schouder meegenomen hebbend, goed voorstellen. Want ik leef ook bij zinnen rijgen, lezen en interpreteren.

[1]  Zie Kees Fens (nog zo’n leermeester van mij) in een artikel in de Volkskrant (1 december 1995) De enige prikkel tot schrijven. Die prikkel is citaten deels interpreteren en deels aan de lezer verdere interpretatie overlaten.
[2] Definitie van Amnesty International: ‘Cultuurrelativisme is het idee dat bepaalde gebruiken in andere culturen niet als schendingen van mensenrechten worden ervaren’. Voorbeelden zijn vrouwenbesnijdenis, doodstraf enz..
[3] Zie: https://humanistischecanon.nl/venster/renaissance/michel-de-montaigne-essays/

Louis Andriessen chronologisch

In 2018 was Louis Andriessen (1939-2021) de Centrale Componist van het Orlando Festival. Ik kwam er helaas te laat achter, maar een jaar erna kwam een vriendin, trouw bezoeker van dit festival, als troost aan met de CD Louis Andriessen at Orlando (Et’cetera KTC 1657). Een schitterende CD, chronologisch opgebouwd met stukken uit 1957 tot 2016.
Nu er onlangs van de hand van Elmer Schönberger een boekje over zijn vriendschap met Louis Andriessen is verschenen, Keten & Stompen met Louis Andriessen (uitg. Prometheus), is het tijd om die CD weer eens uit de kast te halen, te draaien en onder de aandacht te brengen.

De eerste drie werken op de CD
De werken op de CD lopen om te beginnen van een neoromantische Elegy voor cello en piano (1957), via een stukje speelmuziek voor fluit, hobo en klarinet (Rincorsa e salti, 1961) naar Double voor klarinet en piano (1965), het eerste in moderne stijl geschreven stuk dat op de CD valt te beluisteren. Andriessen schreef het in de tijd dat hij bij Luciano Berio studeerde. Toch zou ik die eerste twee stukjes niet willen missen; een componist komt immers ergens vandaan en groeit naar iets toe. Ik ben het dan ook niet met Schönberger eens, die stelt dat de echte Andriessen-muziek pas begint met De Staat (1972-1976), muziek vol overdrachtelijke stompen.

Misschien heeft dit ook iets te maken met het feit dat de vriendschap tussen Andriessen en Schönberger niet langzaam groeide, maar er meteen was, in 1977. Kort na de première van … De Staat.

Zilver
Het hart van de CD wordt gevormd door de compositie Zilver (1994) voor ensemble: fluit, klarinet, viool, cello, 2 slagwerkers en piano. Het was Andriessens bedoeling een koraalvariatie te schrijven op de manier zoals Bach dat voor orgel deed: een canon tussen een langzame melodie (blazers en strijkers) boven dezelfde, maar dan sneller gespeelde melodie in de vorm van staccato-akkoorden (door de andere instrumenten).

Het doet me terugdenken aan een uitvoering van Bachs Johannes Passion in Utrecht (tijdens een Festival Oude Muziek?). Een toen maar inmiddels minder opmerkelijke uitvoering in kleine bezetting, waarbij de solisten ook de koorgedeelten voor hun rekening namen. Ik weet nog hoe ingekeerd en onder de indruk Andriessen na afloop rondliep en ik vraag me dan ook voorzichtig af, of Schönberger niet met zijn ‘Keten & Stompen’ een wat al te eenzijdig beeld van de componist schetst.

Garden of Eros
Nog een persoonlijke herinnering aan Louis Andriessen. Op een dag belde hij mij bij Donemus op. Er was ergens een fout ingeslopen die rechtgezet moest worden. Hij klonk bozig, kort aangebonden en somber. In de loop van de dag bleek dat zijn broer Jurriaan Andriessen op diezelfde dag was overleden. We schrijven 23 augustus 1996.
Ter nagedachtenis aan zijn broer schreef Louis Garden of Eros (2003), een dertien minuten durend werk voor viool en piano.

Mach’s mit mir, Gott
In het laatste stuk op deze CD, Mach’s mit mir, Gott (2016, zie afb. rechts boven) voor orgel keert de componist terug naar het Franse stijlgemiddelde dat wij van de orgelstukken van zijn vader Hendrik kennen; Duitse muziek was voor hem uit den boze. Op die manier is het niet alleen een eerbetoon aan hem, maar ook wederom een rechtzetten van het eenzijdige beeld dat er soms van Louis Andriessens muziek bestaat als The Hague Hacking, om de titel van het voorlaatste stuk te parafraseren.
Immers: ook in Mysteriën (2013) voor orkest wendt hij zijn gedicht naar de door zijn vader zo bewonderde Thomas à Kempis. Al even zonder voorbehoud zoals zijn romantische Elegy voor cello en piano.

Een schitterende uitgave kortom, waarop de eerste drie werken voor het eerst op CD zijn vastgelegd, evenals Garden of Eros in deze versie (er bestaat ook een versie voor strijkkwartet) en het door Tjeu Zeijen gespeelde orgelstuk. Een CD om af en toe in de speler te leggen. Niet alleen als er een boek over de componist uitkomt, al staat er een biografie van Andriessen op stapel, geschreven door Jacqueline Oskamp.

Bij het overlijden van Anne van der Meiden

Uit de nalatenschap van een vriendin verwierf ik de streekroman Spoel en spade van Anne van der Meiden (Enschede 1929-Hellendoorn 2021). Het speelt in ‘zijn’ Twente van rond 1834 en verhaalt van de eenbenige Peutke die dagelijks met zijn negosie op een kar erop uit trekt en daarnaast ook nog huwelijksmakelaar is, zoals Van der Meiden zowel theoloog als hoogleraar massacommunicatie en public relations was. Om Peutke heen veranderen de boeren van vak en worden wever; scheef en wat voorovergebogen, rode randen om de ogen, een diepe en rauwe hoest. Peutke ‘wil er zo graag iets aan doen en niet berusten’ (p. 24).

Philip Krijger
Het is interessant om de fases die auteur Philip Krijger, die ik eens eerder in een culturele bijdrage aan Wervelingen uit diens boek De tragiek van de schepping oppikte (winternummer 2006/2007), naast het boek van Van der Meiden en een discussie naar aanleiding hiervan te leggen. Ik deed dat in een andere bijdrage aan datzelfde blad van de Vereniging van scoliosepatiënten (winternummer 2011/2012) en herplaats dat hier met toestemming en in een iets uitgebreidere vorm naar aanleiding van het overlijden van Anne van der Meiden op 2 juni jl..

Ervaringsdeskundige Krijger begint met het harmoniemodel, de grond van waaruit hij met alle beperkingen wat zicht en gehoor betreft leeft en waarin hij vrijheid en vreugde (h)erkent.
Dat doet Peutke in zijn lofzang op de natuur aan het begin van het boek ook, al heeft hij soms een sombere bui. Dit laatste zou Krijger het tragische model noemen, waarin sprake is van frustratie om het lot dat hem trof. Peutke weet zijn eigen narigheid positief om te buigen en zet zich van daaruit met vol verstand en uiteindelijk ook hart in voor een beter leven van de (thuis)wevers in Twente. Krijger noemt dit het confrontatiemodel.

Leerhuis
Het boek van Van der Meiden lezend, kwamen de modellen van Krijger opeens weer boven. En ze kwamen me van pas bij een discussie die ik met een (inmiddels emeritus) predikant voerde naar aanleiding van een leerhuis.[1] In diens mailtje was sprake van een volgende trits: ‘Je constant tegen ziek-zijn verzetten is vaak geen leven, terwijl met ziek-zijn leren leven vaak veel wijsheid oplevert. Waar het mij [ER] om gaat is, dat aan de ene kant verzet begint met aanvaarden, niet met ontkenning, en aan de andere kant aanvaarding niet moet ontaarden in berusting, uitgeblustheid, maar altijd aanleiding blijft voor de vraag, hoe het anders, beter kan.’ Kortweg draaide hij de volgorde van Krijger om:

  • confrontatiemodel (niet neerleggen)
  • tragische model (je constant verzetten is geen leven)
  • harmoniemodel (verandering begint met aanvaarding)

Elisabeth Kübler-Ross
Deze volgorde riep bij mij associaties op met de fasen van rouw volgens Elisabeth Kübler-Ross:

  • ontkenning
  • protest (of boosheid)
  • onderhandelen en vechten
  • depressie
  • aanvaarding

Johan Noorloos
Maar na deze constatering van mijn kant viel de gedachtewisseling stil.
Ik maak hem nu af en begin – alsof het nog niet genoeg is – met er nóg een rijtje aan toe te voegen. Van Johan Noorloos, auteur van bekende boeken als Hoe yoga je leven kan veranderen en 12 goeroes 13 ongelukken. In het blad Leef! (aug./sept./okt. 2011) stond de volgende trits:

  • stilte opzoeken (even je gedachten stilzetten)
  • de vraag of je de werkelijkheid accepteert zoals die is of je ertegen vecht
  • het visualiseren van je authentieke verlangen
  • het realiseren van je verlangen (grenzen verleggen)
  • inspireren: inspireer anderen

Iedereen die tijdens de jubileumdag van genoemde Vereniging, op 8 oktober 2012 in de ReeHorst in Ede meedeed aan de workshop De beweging van de geest, zal wel één en ander herkennen en kan zijn/haar ervaringen ‘op een rijtje zetten’. Want dat kun en mag je alleen zelf doen. Pas dan wordt het – om iemand van de Vereniging tijdens een andere workshop te parafraseren – ‘een manier van leven.’

Anne van der Meiden
Zoals Van der Meiden leefde, in alle vrijheid, openheid, met oog voor vernieuwing en zonder net als Peutke te berusten, zonder al teveel naar grenzen en wellicht ook afgebakende modellen à la Krijger of Noorloos te kijken. Zelf veranderde hij van orthodox gelovige in een vrijzinnige. Hij was lid van zowel de Nederlandse Protestanten Bond, de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden én de Protestantse Kerk Nederland. Hij had het over ‘verinnerlijking van communicatie’, zoals al die modellen misschien uiteindelijk leiden tot verinnerlijking of – zoals bij Noorloos – inspiratie van anderen, zoals ik dat ook een keer heb mogen zijn voor iemand tijdens een reis door Noorwegen. Ik denk – en hoop – dat wij dit allebei niet zijn vergeten.

Niet alleen heb ik Van der Meidens streekroman destijds met veel plezier gelezen (er is nog een vervolg op verschenen, Schering en inslag, dat ik nog wil lezen) wat mij aanzette tot het schrijven een paar columns/blogs (zie ook: https://elsvanswol.nl/zwijgen-bij-volle-maan/), maar ook mocht ik hem graag horen, wanneer hij voorging in de Alle-Dag-Kerk in Amsterdam. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

[1] Ds. Eddy Reefhuis, 12 augustus 2011 e.v.

De afscheidsviering is op 9 juni 2021 in de kerk van de Protestantse Gemeente van Usselo om 14.30 uur. Deze valt via live streaming te volgen: https://kerkdienstgemist.nl/stations/2304-Protestantse-Gemeente-Usselo/events/event/15708162-202106091100

Diepte die verstomt

Kunst is pas grote kunst, als het meerdere lagen kent, en als het je ook nog eens op meerdere niveaus (ratio, gevoel) aanspreekt en raakt.

Dat bleek maar weer tijdens de tentoonstelling Nieuwe aarde van het Bijbels Museum in de Amsterdamse Westerkerk (nog t/m 12 december a.s. te zien). De keuze van de jury onder voorzitterschap van politicus Don Ceder bevreemdde soms, zeker als je die vergelijkt met wat op de website van het Bijbels Museum aan inzendingen valt te zien; zijn dit nu écht de twaalf beste inzendingen?
Dit gezegd hebbend, was er een kunstwerk dat raakte en waarop ik in deze blog op wil ingaan: Nieuw leven van Oussama Diab (zie afb.).

In willekeurige volgorde is de eerste laag waaraan je als beschouwer moet denken, die van het iconische beeld van een Piëta: een Maria met het kindje Jezus. Het werk ging – extra cadeautje! – door de luchtcirculatie in de Westerkerk ook nog eens langzaam heen en weer, als wiegde de moeder haar kind op de arm. In de tweede plaats is het  beeld universeel: een moeder met een kind, zoals er zoveel op de wereld zijn. En ten diepste is het in concreto de vrouw van de kunstenaar met hun drie maanden oude zoontje Ward.

Diab is een Syrisch-Palestijns-Nederlandse moslim, geboren in Damascus. Hij heeft dus de geboortegrond met Jezus van Nazareth gemeen. In 2015 vluchtte hij in een kleine boot via Turkije en Griekenland naar Nederland, om eerst in het asielzoekerscentrum Heumensoord in Nijmegen te belanden. Zijn vrouw en zoontje liet hij noodgedwongen achter. Pas na twee jaar werden ze herenigd.

Dit kun je allemaal meenemen, als je naar Diabs Nieuw leven kijkt. Het is volgens een vriendin waarmee ik de tentoonstelling bezocht, een somber beeld. Ik zie er eerder een uiting van inkeer in; de eenzaam van de vrouw, die haar hoofd wat heeft afgewend en  naar binnen keert, in de wetenschap dat ze in haar moeilijke situatie zorg draagt voor zo’n teer, nieuw en hulpeloos leven.
Tegelijk is het een monumentaal werk, al is het helemaal niet zo groot (115 x 75 cm). Maar dat hoeft ook niet, weet iedereen die de Mona Lisa wel eens in het echt heeft gezien. Er zit een diepte in die verstomt.

Misschien overheersen bij de eerste aanblik de wat zwaar aangezette kleurvlakken, maar kijk dan eens naar de helder gekleurde accenten daarbinnen en de haast sensueel geschilderde, lichte contouren van de kwetsbare schouders van Maria of Lama, de vrouw van de kunstenaar. En naar haar beschermende rechterhand om het lichaam van Jezus of Ward. Of kijk haar in de ogen, open om alles onder ogen te kunnen zien: verleden, heden én toekomst. Die drie vallen samen, net als de lagen die je in het werk ontwaart.

 

Ik publiceerde eerder over de inzendingen voor het project Nieuwe aarde, in Kerk in Mokum (p. 5): https://www.protestantsamsterdam.nl/wp-content/uploads/2020/09/KerkinMokum_07-1_8_lr-1.pdf

https://www.bijbelsmuseum.nl/tentoonstellingen/nieuwe-aarde-deel-je-visioen-online

‘Larmoyante kitsch’

Ik zag het niet aankomen, maar achteraf had ik zó kunnen uittekenen wat er gebeurde. Zeker na het essay van Maaike Meijer afgelopen zaterdag in Tijdgeest, de nieuwe weekendbijlage van dagblad Trouw.

Het gebeurde op dezelfde dag dat Louise Glück de Nobelprijs voor de literatuur won. Ik volgde ’s middags een college via ZOOM, toen iemand – het was kort daarvoor bekend gemaakt – meedeelde dat de Nobelprijswinnaar bekend was. ‘Nobelprijs’ snoefde de docent, dat was allemaal maar onzin en de beste schrijvers wonnen nooit. Hij noemde enkele namen van schrijvers die de prijs volgens hem ten onrechte hadden gewonnen; namen die ik in de gauwigheid niet heb opgeslagen. ‘Heeft iemand wel eens van haar gehoord?’ was zijn vraag. ‘Nee’, antwoordde ik, ‘maar het is wél mooie poëzie’, want wat ik tussen de bekendmaking en het begin van het college van haar in gauwigheid even had gelezen vond ik mooi. Al weet ik ook wel dat als je zoiets zegt, dat je dit eigenlijk moet onderbouwen. Zoiets als: ‘Sombere emoties beschrijft ze op een koele, heldere, soms bijna luchtige toon, waarbij ze afstand neemt van wat anders misschien ondraaglijk zou zijn’, zoals Julie Phillips in Trouw van vrijdag 9 oktober jl. schreef. In NRC Handelsblad stonden soortgelijke woorden, over een dichter die eerder wil analyseren dan emotioneren. Wat ik in de gauwigheid had gelezen, waren enkele vertalingen die Erik Menkveld van een paar gedichten had gemaakt. Ze werden deels ook in dat artikel van Phillips geciteerd.

Maar er was iemand mij te vlug af en die begon in het Engels een strofe voor te lezen. De docent vond niet dat ze uitnodigden om méér van haar te gaan lezen. Ook in het befaamde televisieprogramma Das Literarische Quartett schijnt haar poëzie, als ik een tweet mag geloven, afgedaan te zijn als ‘kitsch’. Daar zit je dan met je goede gedrag. Bah.

Dit voorval past helemaal in wat Maaike Meijer in haar bovengenoemde essay onder de titel ‘De eeuwige prijzenkloof’ schreef. Nee, het gaat niet over de Nobelprijs en toch ook weer wel. Ze komt met andere voorbeelden. Onder meer Sander Kollaard, die met zijn Uit het leven van een hond afgelopen juni de Libris Literatuurprijs won, boven wat te verwachten was Manon Uphoff met haar Vallen is als vliegen.
Even verderop schrijft Meijer, over de ‘dubbele kritische moraal in de reacties op autobiografische teksten die de rouw om een gestorven kind of geliefde thematiseren. Die werden prachtig gevonden als P.F. Thomése of A.F.Th. van der Heijden ze geschreven hadden, maar gelabeld als larmoyante kitsch [vet, EvS] als er Anna Enquist of Connie Palmen op stond. Het cliché ligt kortom nog altijd klaar in ons culturele DNA’.

Dat bleek ook maar weer tijdens de ZOOM-cursus afgelopen week. En toch ben ik nog steeds nieuwsgierig naar het werk van Louise Glück. Volgens haarzelf zou je het beste kunnen beginnen met Averno. Ik denk alleen niet dat er een ZOOM-cursus over komt …

Link naar het genoemde artikel van Maaike Meijer: https://www.trouw.nl/cultuur-media/schrijven-vrouwen-nu-echt-slechter-dan-mannen~b022ed7d/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.bing.com%2F

Zie ook: https://www.groene.nl/artikel/alles-wat-ze-aanraakt-verandert-in-muziek-en-legende