Wanneer de sjofar klinkt

Naar aanleiding van het overlijden van de cultuurfilosoof en schrijver George Steiner,
3 februari jl., plaats ik hier een oorspronkelijk voor
Quadraatschrift (maart 2004) geschreven column in een iets verkorte en aangepaste vorm. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

De laatste zin van Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus luidt: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’. George Steiner heeft de filosoof na het verschijnen van zijn boek geantwoord, dat er altijd een joods alternatief is geweest: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zingen’. Waarmee hij stond in de traditie van het chassidisme, de joodse mystiek die aan muziek (mét maar ook zonder woorden, zoals de nigun) altijd een grote rol toekent.

Of, en hoe, Wittgenstein op Steiners antwoord heeft gereageerd, weet ik niet. Maar een vondst door Michael Nedo, directeur van het Wittgenstein Instituut, vormt wellicht ‘het’ antwoord, neergekrabbeld op een notitieblok: vier maten muziek van Wittgenstein zelf. De componist Anthony Powers heeft die onderhavige maten met als aanduiding Leidenschaftlich beschreven als: ‘Het is de voortzetting van een onvolledige zin, alsof hij was begonnen iets te zeggen, maar niet de woorden vond om het te beëindigen en zich tot muziek wendde’. Inderdaad – waarover men niet kan spreken, moet men zingen of van spelen.

Ook in de opera Moses und Aaron van Arnold Schönberg (zie afb. rechts) neemt de muziek het over als de stem verstikt.[1] Het orkest houdt dan op met spelen, op de violen na die unisono (eenstemmig), als symbool van het Sjema Israël (Deut. 6:4), de eenheid weergeven: ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamov) van het feit dat woorden falen’, aldus Steiner.

Volgens sommigen is in den beginne (in principe) het Woord (Joh. 1:1). Daarin meldt zich Eén die ons beweegt en in beweging zet. Woord – gesproken of gezongen, of alleen in het hart wanneer het instrumentaal wordt gespeeld – en daad vormen vanaf dat moment een eenheid (dabar), net als ethiek en esthetiek, gevoel en ratio, lichaam en geest. Want wat deze polen bij uitstek op een heilzame manier bij elkaar brengt, is fiducie in de toekomst.

Als de trompet, de sjofar, in Beethovens derde Leonore-ouverture, die van achter het toneel een glimp van Gods Koninkrijk laat horen en zegt/zingt/speelt dat waar het – om Spinoza te citeren – werkelijk om gaat vrijheid is.

 

[1] Zie ook mijn blog Muziek als betekeniscode (13 oktober 2015): https://elsvanswol.nl/muziek-als-betekeniscode/

Lees verder over George Steiner: https://www.filosofie.nl/nl/artikel/30041/george-steiner-ook-ik-kan-niet-zonder-hoop.html?utm_source=redactioneel&utm_medium=email&utm_campaign=redactioneel-05-02-2020

Muziek als betekeniscode

Moses und Aron_SchönbergOp vrijdag 23 oktober 2015 zendt Arte (Duits) van 21.45-23.40 uur een opvoering van Arnold Schönbergs opera Moses und Aron (zie afb.) uit. En op zaterdag 31 oktober is de opera te horen in Opera live op NPO Radio 4 (19.30 uur), rechtstreeks vanuit Opéra Bastille in Parijs.

Over deze opera schreef ik in
Mens & melodie (1/85) in het kader van een artikel over George Steiner. Het gedeelte over Moses und Aron uit dit artikel herplaats ik hier t.g.v. de opvoering op Arte.

 

Van de 20ste eeuwse muziek heeft Steiner zijn hart verpand aan Schönbergs Moses und Aron, waarin zowel muziek en taal als een allesomvattend drama en filosofisch gegeven onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en waarin, zoals ook in Alban Bergs Wozzeck de muziek het overneemt als de stem verstikt of zich in een wanhopige stilte terugtrekt. Het muziekdrama van Schönberg brengt de relatie tussen jodendom en Europese crisis tot uitdrukking. Moses und Aron is ‘een drama van non-communicatie, van het voornaamste verzet van intuïtief en geopenbaard inzicht in mondelinge- en beeldende incarnatie (de weigering van het woord om vlees te worden)’, aldus Steiner.

Er is in Moses und Aron één gedeelte (I, 2, maat 208-217) waarin Mozes niet zingt maar zich uitdrukt in Sprechgesang, dit in scherp contrast tot de heldentenor Aaron. Mozes’ onvermogen zijn visie vorm (muziek) te geven, zijn omgang met God over te brengen op Israël, is het tragische onderwerp van de opera. Mozes kan niet zonder Aaron: de tong die God in zijn eigen mond plaatste. ‘Maar Aaron kleineert of verraadt Mozes’ gedachten, die hem worden geopenbaard in de manier waarop hij deze op andere mensen overbrengt. Zoals in Wittgensteins visie is Mozes und Aron een fundamentele beschouwing van stilte, een onderzoek naar de laatste tragische breuk tussen wat is te begrijpen en wat gezegd kan worden. Woorden vervormen, welsprekendheid verdraait – absoluut.’

Mozes valt gebroken neer vanwege zijn onvermogen tot spreken. Het orkest houdt bij Schönberg dan op met spelen op de violen na, die unisono als het symbool van het Shema, de eenheid, de kreeftgang van de twaalftoonsreeks weergeven. ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamow) van het feit dat woorden falen, dat kunst noch het hoofd kan bieden aan barbarisme, noch uitdrukking kan geven aan ervaringen wanneer die ervaringen onuitspreekbaar zijn.’

Op het ogenblik dat Schönberg niet meer verder kon werken aan zijn opera, hadden de woorden van volk (Israël) en leider (Mozes) een andere inhoud gekregen. ‘Men moet (…) de mogelijkheid van het verstommen onder ogen zien. Wat Beckett uitdrukt in zijn toneelstukken en vooral in zijn romans, die vaak als muziek ruisen, heeft voor de muziek zelf zijn waarheid. Misschien is er nog slechts één soort muziek mogelijk, namelijk een muziek die zich meet aan dit uiterste, aan het eigen verstommen.’ Aldus Adorno (‘Moeilijkheiden bij het componeren’, in: Kritische modellen, Amsterdam 1977, p. 96).

Toch gloort ook bij Steiner iets van dezelfde hoop die Ernst Bloch voelde bij het horen van de trompet achter het podium in Beethovens derde Leonore-ouverture en ook, buiten de kerker, in diens opera Fidelio: ‘Zo klinkt in de onderaardse kerker vrijheid, utopische herinnering, het grote ogenblik dat daar is, de ster van de vervulde hoop in het hier en nu.’ Aldus Ernst Bloch (in: Denken heisst überschreiten, red. K. Bloch en A. Reif, Keulen 1978, p. 73).

Respondeo esti mutabor: ik antwoord op sprake én sprakeloosheid. Met verstilde muziek, met trompetgeschal of met Sprechgesang. Alle drie de antwoorden wortelen in de joodse traditie, waarin niet alleen Adorno en Bloch staan maar ook George Steiner.