Kijken, lezen en luisteren (II)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept.
Vandaag deel twee van het jaarthema 2021: Indonesië.

6.
Tijdens het Holland Festival zag ik via een internetverbinding een opvoering van Ine Aya. Over vijanden aan de rand van de wereld, die komen om het volk en de bossen van Kalimantan te vernietigen. Het zijn de ‘krijgers van de horizon’.
Van een wijdvertakte boom, de hoge boom die tot aan de hemel reikte, is ook niets meer over. Hij is naar de rand van de wereld geworpen. De wereld heeft haar wijsheid verloren. Het dansen gebeurt aan de rand van het toneel, maar dan licht de hemel weer op. Een nieuwe dag. Er groeit een boom naast een oude bron. Dieren schuilen er en mensen vinden er rust.

7.
In 2020 overleed Winnie Willigen, de moeder van theatermaker Eric de Vroedt. Voor Het Nationaal Theater schreef en regisseerde hij een voorstelling over haar, De eeuw van mijn moeder. Deze voorstelling werd in drie delen op de televisie uitgezonden en maakte veel indruk.
In dezelfde tijd zond de NTR op 11 augustus in ‘Het uur van de wolf’ een documentaire over De Vroedt uit. Over een schrijver en regisseur die – zoals Lotte Goos, kostuummaakster zegt – ‘zijn moeder wilde reanimeren’, wat zo herkenbaar is. Pas als het doek is gevallen, moet hij echt afscheid van haar nemen.

8.
In dagblad Trouw stond op 2 november 2021 op één pagina het laatste gedeelte van een artikel ov er het depot van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, en een artikel over het Slavernijmuseum dat er moet komen.
De directie van Boijmans heeft het over de ‘achterkant’ van het museum tegenover de ‘esthetische kant’ van het museum zelf, dat zeker tot 2028 is gesloten. Het woord ‘achterkant’ tegenover ‘esthetische kant’ resoneren mee in het artikel over het Slavernijmuseum. Daarin zal het ook niet primair gaan over esthetiek, over schoonheid, maar over de achterkant van het getoonde, dat we lang niet hebben gezien of willen zien (zie in de vorige blog nummer 5, over het beeld van Lotta Blokker voor de kerk in Barneveld): ‘een onderbelicht deel van onze geschiedenis dat naar het nu moet worden gebracht om de bewustwording te vergroten’.

9.
En dan de tentoonstelling over Kirchner en Nolde in relatie tot nationalisme en kolonialisme in het Amsterdamse Stedelijk Museum.
Tegen het eind van deze expositie ging het over de portretten die Nolde maakte van mensen uit Papoea-Nieuw Guinea. Hij maakte er een expeditie naartoe in het kielzog van artsen die de rasseneigenschappen van de bevolking onderzochten. Terwijl zij dat deden en daarbij op verschillen in huidskleuren en haartypes letten, tekende Nolde. Op een tekstbordje in de tentoonstelling wordt gevraagd ‘hoe dit voor de geportretteerden was en hoe zij de kunstenaar zagen’. Dat is niet meer te achterhalen. Wat Nolde zocht, was de mens in harmonie met de natuur, zoals hij dat later als nationaalsocialist voort zou zetten. In een recensie van de tentoonstelling vraagt de recensent zich af: wat zou je op een ansichtkaart van zo’n afbeelding zetten? Weet ik het, na negen stukjes bewustwording?

10.
Nummer 10: een tentoonstelling in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum (11 februari-6 juni 2022) over – zoals de website zegt – ‘het vurig najagen van een vrij Indonesië na een lange tijd van koloniale overheersing’. Hierin zal worden ingezoomd ‘op persoonlijke verhalen van mensen die het meemaakten in de jaren 1945-1949’ waardoor ‘duidelijk wordt dat deze geschiedenis vele gezichten en stemmen heeft’.
Onder de namen van mensen die meewerkten, treffen we onder meer die van Sadiah Boonstra aan, die we ook in de eerste van de twee blogs tegenkwamen. Hij is ook een van de auteurs van het boek Revolusi! Indonesië onafhankelijk dat het Rijksmuseum samen met Uitgeverij Atlas Contact uit zal brengen. Zo werkt dit thema volgend jaar door, al hoop ik (daarnaast) een ander jaarthema bij de kop te pakken.

Toegift
Ik ben nu, op de valreep van ’21 bezig in het boek Wissel op de toekomst, brieven die Soetan Sjahrir schreef aan zijn Hollandse geliefde Maria Duchâteau (Uitgeverij Van Oorschot), dat ik ter recensie aangeboden kreeg voor Literair Nederland. Toeval bestaat niet.

Drieluik – Water uit de rots

1.
’s Ochtends een kerkdienst vanuit de Bethelkerk in Tuindorp-Oostzaan via kerkdienstgemist.nl. Met als thema Mozes die water slaat uit de rots (Exodus 17:1-7). Voor de kinderen met fantasie uitgelegd als – in mijn woorden –: het water stroomde vanaf de Horeb naar beneden en daar zat een grote kurk in de rots. Mozes sloeg erop en plop, de kurk sprong eruit en de Israëlieten hadden water, waar tot nu toe alleen de Amalekieten zich laafden. En voor de grote mensen: de Horeb is de berg vanwaar ons ‘hulplijntjes’ (de Tien Geboden) waren aangereikt. Mozes sloeg op het harde gesteente en dat werd vloeibaar: er kwam water uit!
Ik onthield van de toepassing ervan op ons leven gedurende de coronacrisis twee dingen: creativiteit, dat is onze vrijheid ten tijde van de lockdown, en vloeibaarheid als zijnde iets moois. ‘De componist in mij wordt helemaal wakker’, zei  Merlijn Twaalfhoven ’s middags in de uitzending van Mondo. Als levenshouding, vulde Marjolein van Heemstra aan.

2.
Dat vloeiende deed mij denken aan de filosofie van de socioloog/filosoof Zygmunt Bauman (1925-2017); ds. Trinus Hibma verstaat niet alleen de kunst moeilijke dingen, soms met wat fantasie, op begrijpelijke wijze te verklaren, maar er altijd een diepere laag in aan te brengen. Voor de goede verstaander.
Bauman had het in zijn werk over een ‘vloeibare moderniteit’. Omdat het onmogelijk is grip te hebben op iets wat vloeibaar is, proberen we ons vast te klampen aan datgene wat we wél kunnen beïnvloeden. Ook onze identiteit is vloeibaar geworden, aldus Bauman. Dat heeft voor- en nadelen. Terwijl de Pools-Amerikaanse denker vooral de nadelen benoemde (vergankelijke relaties bijvoorbeeld), zag Hibma er vooral de mooie kanten van.

3.
De opvoering uit 2017 van Twelfth Night (1601) van William Shakespeare die het National Theatre gedurende een week vrijgaf, voerde mij ’s middags verder op dit pad. Want als er één stuk is waarin fantasie, creativiteit (spontaneïteit, muziek!) en vloeibaarheid (vooral genderfluïditeit) een grote rol spelen, dan is het wel Twelfth Night (Driekoningenavond). Zeker in deze opvoering die meer de vrolijke kanten van de komedie dan de poëzie benadrukte; een komedie is bij Shakespeare eigenlijk nooit louter en alleen leut. In deze opvoering speelde muziek een zeer grote rol, zoals Shakespeare het overigens ook bedoelde. Er klonken jazzy-achtige klanken, dance, upbeat, close harmony en ga zo maar door. Een beetje de muziek die zowel een liberale- als jonge achterban aan zal spreken, en voor hen leek de enscenering ook primair bedoeld, al heb ik er ook van genoten.
Speelde Shakespeare al met gender (jonge vrouwenrollen die door mannen worden gespeeld), het National Theatre zette dit nog eens extra aan; Fabio (een dienaar) was Fabia geworden en Malvolio (een hofmeester) Malvolia (foto). Vooral Tamsin Greig, die de laatste rol speelde, stal de show. Zij was misschien de enige die ook de wat melancholieke kanten van de rol naar boven haalde, terwijl de komische aspecten bij haar mij soms aan Hyacinth Bucket uit Keeping up appearances deden denken.

Welke accolade zet ik nu om deze drie ervaringen? Misschien dat alles niet zo massief als een rots is: de Tien Geboden zijn ‘hulplijntjes’, moderniteit is vloeibaar en niet in steen gehouwen, een toneelstuk uit 1601 mag je fantasievol, creatief en met fluïde personages op de planken zetten. Opdat iedereen, ongeacht nationaliteit, huidskleur, seksuele geaardheid enz. zich aan het water uit de rots kan laven. Niet alleen ‘juist nu’, maar overal en altijd.

 

Met dank aan Brian André, die mij op de opvoering van het National Theatre attent maakte.

Verhalenbundel als troost

Verleden week was het De Week van het Korte Verhaal. Reden om weer eens een bundel van een van mijn geliefde verhalenschrijvers van de plank te pakken. Naast Mensje van Keulen is dat onder anderen Thomas Verbogt. Mijn keus viel op Echt iets voor jou van Verbogt (Nieuw Amsterdam Uitgevers), over wiens werk ik zo eens in de drie jaar een blog schrijft, lijkt het wel. Ik plak er tevens een vraag aan vast die tijdens De Week speelde: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen?

Echt iets voor jou
Eerst de bundel Echt iets voor jou. Deze bestaat uit verhalen over het gewone, alledaagse leven. Over kleine, herkenbare dingen die je soms groter maakt dan ze eigenlijk zijn. Over een boek waar je je zinnen op hebt gezet, en dat net ‘oppelepop’ is. Over rijles in een automaat, wat alleen voor ‘speciale gevallen’ is weggelegd. Verplicht levertraan (en melk) moeten innemen c.q. drinken. Worden aangehouden door de politie. Het saamhorigheids-gevoel dat bij de huisarts ontstaat, wanneer iedereen op een bepaald moment een griepprik komt halen. Over het raden van het uiterlijk van iemand op grond van zijn stem, en er dan vreselijk naast zitten. Over een politieagent die vraagt of je slachtofferhulp wil, een verbouwing in huis. Een tandarts die denkt dat hij lollig is. Een fles wijn na een lezing krijgen, waarvan ‘de boodschap lijkt: “Drink maar snel op, dan ben je gelijk vergeten waar je was”.’ Of – tenslotte – een opmerking krijgen over de donkere kleren die ‘je altijd draagt’.

Allemaal herkenbaar en in recensies vaak omschreven met trefwoorden als ‘melancholiek’, ‘lichte toon’, ‘humoristisch’, ‘loom’, ‘lichtvoetig’, ‘komisch’ en ‘absurd’. Eén woord ben ik echter nog nooit tegengekomen, terwijl Verbogt – van wie onlangs een nieuwe bundel verhalen is verschenen, die vreemd niet genoeg in aanmerking kwam voor de J.M.A. Biesheuvelprijs –, en dat is ‘troost’, terwijl de schrijver zelf eens heeft gezegd dat hij dat ‘het allerliefste doet, troosten, troosten en nog eens troosten’.
De titel van de bundel, die ook de titel is van een van de circa veertig verhalen is, zou je ook kunnen lezen als: Ík weer, en niet zozeer als een aanbeveling van iemand over een boek: ‘Dat boek is echt iets voor jou’ (dat overkwam mij met De Da Vinci Code van Dan Brown en ik vond het niet mooi, wat dat dan ook mag inhouden) of een afkeuring berustend op een vooroordeel: ‘Je houdt vast niet van popmuziek’ (en laat ik dat soms best wél doen).

Moet een verhalenbundel een eenheid vormen?
Dat titelverhaal leidt mij tenslotte naar bovengenoemde vraag: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen? Natuurlijk maakt de stijl van een auteur en zijn manier van kijken (‘melancholiek’ enzovoort) dat dit vanzelf al zo is. Dat die vraag opeens opdoemt, zou wel eens alles te maken kunnen hebben met – denk ik als cultuurwetenschapper dan maar – het feit dat er, zoals Marian Donner in een bespreking van het recente essay Mens/onmens van Bas Heijne (uitg. Prometheus) schreef: ‘Er heerst een gedeeld gevoel van verlies van samenhang. Er is geen gemeenschap meer’. En ze citeert (in De Groene Amsterdammer, 20 februari 2020) Heijne: ‘Vandaar de nieuwe hang naar de groep, de bubble, het houvast van de identiteit, het verlangen naar ondeelbare uniekheid op basis van afkomst, nationaliteit, kleur, geloof, politieke overtuiging. Het verlangen samen te vallen met iets wat groter is dan jezelf, zodat de illusie van een soort van solidariteit en gemeenschap wordt hersteld’.

Misschien is dat het antwoord: de hoop op het feit dat een verhalenbundel een samenhangend geheel vormt, de illusie van een soort solidariteit met de personages die ten tonele worden gevoerd. Het verlangen naar troost wellicht. Niet alleen jij, maar ook ik.
Spannender is het dan ook wellicht om uit te zoeken wat bijvoorbeeld het korte verhaal ‘Razernij’ doet in de bundel De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) die Maxim Februari samenstelde met columns die hij de afgelopen jaren schreef en of de thematiek onderling overeenstemt tussen die columns en dat verhaal.

Links naar twee websites die een kenmerkend verhaal uit de nieuwe bundel, Olifant van zeep van Thomas Verbogt bieden (resp.’Wekker’ en ‘Als je de stilte ziet’): https://karakters.nu/podium-lees-het-kortverhaal-wekker-van-thomas-verbogt/
en: https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/2020/als-je-de-stilte-ziet/