De toekomst tegemoet

Dankzij de Rialto Filmclub was ik al in de gelegenheid om de tweede speelfilm van de van origine Poolse filmer Pawel Pawlikowski, bekend door Ida (2013) te zien. De inleiding van filmrecensent Laura van Zuylen zette mij op het thema van deze blog over de film Cold War, die in Cannes werd beloond. Een blog die na de film naadloos verder gaat over de tentoonstelling met werk van Shirin Neshat in GEM (Den Haag), die ik afgelopen week bezocht.

Cold War
De film gaat over twee personages: zangeres Zula (Joanna Kulig) en muzikant Wiktor (Tomasz Kot). Nee, eigenlijk over drie, want het volksliefje Dwa Serduszka kun je ook als personage zien. Het komt in verschillende gedaantes voor in deze zwartwitfilm: niet alleen als volksliedje, in een arrangement van rivaal Kaczmarek (Borys Szyc) met een door Wiktor ongeïnteresseerd gedirigeerd orkest, en tenslotte als sterk jazzarrangement in Parijs. De verschillende gedaantes van het volksliedje schuiven mee met de chronologie van het verhaal: in het Polen van pal na de Tweede Wereldoorlog, de tijd van de sterke arm van het communisme en het Parijse existentialisme van de vrijheid.

Je zou ook kunnen zeggen dat die arrangementen een uiting zijn van dialectiek: these (Pools volksliedje) – antithese (goed in het gehoor liggend arrangement tijdens het communisme) – synthese (Westerse jazz).
De twee hoofdpersonages, Zula en Wiktor, staan ook tegenover elkaar. Ze voelen zich zowel tot elkaar aangetrokken als stoten elkaar af. Pas in de laatste zin (spoiler alert!), heel terloops, lijkt het of er tot op zekere hoogte een bepaalde vorm van synthese in de verhouding tussen de twee plaatsvindt. Hoe, maakte een ander kunstwerk mij afgelopen week duidelijk.

Shirin Neshat
Namelijk de video-installatie Turbulent (1998) van de van origine Iraanse kunstenaar Shirin Neshat, die momenteel in het Haagse GEM valt te zien. Hierin staan ook een zangeres en een zanger tegenover elkaar. Als bezoeker zit je niet, zoals bij een film tegenover het doek, maar midden in de expositiezaal, tussen de twee schermen in. Op het ene zie je een man die voor een vol auditorium een traditionele ballade zingt. Op het andere scherm zie je een vrouw voor een lege zaal.
De mannen zijn gekleed in zwartwit (denk aan de film van Pawlikowski!), de vrouw zingt een eigen werk en vindt daarin, net als het jazzarrangement in het Parijs symboliseert, haar vrijheid.
Van een synthese is geen sprake, maar de boodschap van een andere video-installatie die Neshat een jaar later maakte, Rapture (1999), is duidelijk: de mannen zijn gevangen in de traditie (in deze installatie een gesloten fort), de vrouwen staan open voor het onbekende (gesymboliseerd door een boot die wegvaart).

In beide kunstwerken, de film Cold War van Pawlikowski en de video-installatie Turbulent van Neshat, speelt muziek een belangrijke rol. Muziek neemt de rol van het woord – bij Neshat ook de kalligrafie uit eerder fotowerk – over. Beide kunstenaars hebben een boodschap, zonder dat ze politieke kunstenaars kunnen worden genoemd. Hun werk raakt een snaar. En in die zin wordt de synthese gevonden bij de kijker, die het volksliedje en –ballade in zijn/haar hart bewaart en de onbekende toekomst tegemoet gaat.

http://www.gem-online.nl/files/media/shirin_neshat.pdf

Jan Dismas Zelenka

Op dinsdagavond 30 oktober, op de vooravond van Allerheiligen en Allerzielen, organiseert de Amsterdamse Sint Nicolaasbasiliek in samenwerking met De Nieuwe Philharmonie Utrecht (NPU) het Nationaal Allerzielen Concert. Allerzielen (‘de herdenking van alle zielen’) is de dag waarop in de katholieke kerk alle overledenen worden herdacht. Gedichten en muziek roepen herinneringen en beelden op van geliefden die er niet meer zijn en bieden troost voor de achterblijvers. Klanken die elk geloof of elke levensovertuiging overstijgen en die mensen verbindt. Dit jaar met werken van Bach, Vivaldi en Zelenka. 
Zijn Lamentaties of klaagzangen behoren tot de meest aangrijpende meesterwerken uit de Barok. Vivaldi’s ‘Stabat Mater’ verbeeldt het verdriet van Maria, die rouwt om het verlies van haar zoon Jezus. Bachs cantate ‘Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust’ geldt als een van zijn mooiste en meest aangrijpende cantates. Het programma wordt aangevuld met gedichten van de veelvuldig bekroonde dichteres Joke van Leeuwen.
Op 14 september 2017 hield ik een inleiding over de componist Jan Dismas Zelenka, die ik hier ter inleiding op het concert in de Sint Nicolaasbasiliek publiceer.

Inleiding
Het is opvallend, dat over leven en werk van de Boheemse componist Jan Dismas Zelenka, die lang heeft gewerkt aan het hof van Dresden (in het vroegere Oost-Duitsland), tot nu toe slechts één volwaardige biografie bestaat, geschreven door Janice B. Stockigt, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Melbourne. Ook dát is opvallend, want het betreft hier dus geen Tsjechische auteur of Duitse schrijver. In recensies wordt dit wel verklaard vanuit het gegeven dat dergelijke componisten, zoals ook Händel die in Duitsland werd geboren maar het grootste deel van zijn leven in Engeland heeft gewoond en gewerkt, in beide landen worden genegeerd. Waarom, is deels van praktische aard en deels cultureel bepaald. In de eerste plaats kan het moeilijk zijn om het bronnenmateriaal in verschillende vreemde talen te raadplegen, in de tweede plaats is het de vraag tot welke muzikale traditie de componist nu kan worden gerekend: de Boheemse of de Duitse, de Duitse of de Engelse? Daarbij komt ook nog dat wetenschappers primair in hun eigen land en taal publiceren en dat – in het geval van Zelenka – er sprake is van relatief jonge landen: Tsjechië en (herenigd) Duitsland. Ook speelt een rol dat Zelenka, in tegenstelling tot Händel, een rooms-katholiek componist was.
Stockigt heeft het voordeel dat ze zowel Tsjechisch als Duits beheerst en dus in staat is bronnenmateriaal in de originele talen te raadplegen. Bovendien schroomde ze niet om de rooms-katholieke context uitvoerig te belichten, door het Jezuïetenarchief in Dresden te raadplegen. Op die manier wordt voor het eerst dieper ingegaan op Zelenka als componist van kerkmuziek, waarbij ze in staat is diens grote originaliteit te belichten.
Bij het voorbereiden van deze inleiding heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het boek van Stockigt (2000).

Leven en werk
Jan Dismas Zelenka werd op 16 oktober 1679 in Launovice, ten zuid-oosten van Praag als zoon van een getalenteerd geslacht van Boheemse musici. De eerste lessen kreeg hij van zijn vader, die cantor-organist in Launovice was.
Op zijn 20ste schreef hij muziek voor een schoolopvoering, die helaas verloren is gegaan. Om zich muzikaal verder te bekwamen, werd hij naar Praag gestuurd, naar het Collegium Clementinum van de Jezuïeten (1704). Hier componeerde hij zijn eerste werken die wel bewaard zijn gebleven, zoals drie cantates.
In 1710 of 1711 was zijn opleiding voltooid en kreeg Zelenka een aanstelling als violonebespeler (vijfsnarige contrabas) aan het hof van Friedrich August I (August de Sterke) van Saksen en Polen te Dresden, een rooms-katholiek hof te midden van de Lutherse bevolking van Saksen. Voor de gezongen mis componeerde hij missen en andere geestelijke werken, maar hij was niet de eigenlijke kapelmeester, dat was Johann David Heinichen.
In Dresden heeft hij Bach en diens zoon Wilhelm Friedemann leren kennen. Bach beschouwde hem als een van de belangrijkste componisten van zijn tijd.
In 1715-1716 vertoefde Zelenka in het buitenland, onder meer voor het eerst in Wenen. Hij deed dit op kosten van het hof met de bedoeling zich nog verder te bekwamen. Zijn leermeester was Johann Joseph Fux, die hem vervolgens naar Italië stuurde om zich nog breder te bekwamen.
In Wenen componeerde Zelenka Sonates voor twee hobo’s en fagot met basso continuo. U zult versteld staan wanneer u ze hoort: extreem expressief, extreem moeilijk uit te voeren, briljant van karakter in de snelle delen, melancholisch in de langzame.

In 1719 ging Zelenka uit Italië, over Wenen (waar hij les gaf aan de beroemde fluitist/componist Johann Joachim Quantz), weer terug naar Dresden, waar een nieuwe hofkapel was gebouwd. Hij zou de stad nog een keer verlaten: in 1723 voor de kroning van Karel VI in Praag, speelde violone in een opera van Fuchs en dirigeerde eigen orkestmuziek.
Zelenka componeerde voor deze kerk onder meer 27 Responsoria voor de Stille Week (een responsorium is een wisselzang) voor 4 solisten, gemengd koor en basso continuo.

In de laatste jaren van de regering van Friedrich August I nam Zelenka veel het werk van de ziekelijke Heinichen over (hij leed aan tbc), zonder daar een cent extra voor te krijgen; hij werd gewoon betaald als violonebespeler.
In deze tijd veranderde ook de muzikale smaak aan het hof, onder meer door toedoen van de komst van een groep Italiaanse zangers en de componist Johann Adolf Hasse (1731). Uit deze tijd dateert ook een Te Deum (1731), dat waarschijnlijk is uitgevoerd op de dag na de geboorte van prinses Maria Josepha.

Zelenka bleef tot de dood van Friedrich August I (in 1733) aan de hofkapel verbonden. Hij had gehoopt dat hij na de dood van Johann David Heinichen (in 1729) deze zou opvolgen. Dat gebeurde echter niet, maar Zelenka nam wel al diens taken over. Als kapelmeester werd de 20 jaar jongere Hasse benoemd, die vooral als operacomponist bekend was. Wel werd Zelenka in 1735 ‘Kirchen-Compositeur’ en kreeg hij salarisverhoging.
Vanaf 1733 heeft Zelenka niet veel meer gecomponeerd, waarschijnlijk omdat zijn gezondheid achteruit ging. Hij stierf op 23 december 1745, toen de Pruisische troepen van Frederik II aan de poort van Dresden stonden.

Vraag
Ik brei nog een staartje aan dit verhaal, wat u misschien net zo zal verbazen als de muziek van Zelenka.
Behalve de muziek van Zelenka, kwam vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw ook die van Heinichen weer op muzieklessenaars te staan. Tot de herontdekkers van zijn werk behoort de violist/dirigent Reinhard Goebel. Ik heb een cd met de z.g. Dresden Concerti van Heinichen, uitgevoerd door Musica Antiqua Köln onder leiding van die Goebel. Opvallend is hoe Goebel zich in het begeleidende boekje over Heinichen versus Zelenka uitlaat. Ik citeer:

Het is misschien de uitkomst van persoonlijke voorkeuren waardoor de Tsjech Jan Dismas Zelenka sinds de jaren 70 van de vorige eeuw wordt gezien als een gewichtige tegenhanger van Bach. Zijn instrumentale werken zijn zonder twijfel imposant, maar nauwelijks representatief voor de zuivere stijl uit Dresden: hun broeiende, schijnbaar altijd gekunstelde stijl lijkt de uitdrukking te zijn van een diepe persoonlijke crisis. Het is nauwelijks verrassend dat August de Sterke er ook maar aan dacht om de door de Jezuïeten opgeleide Zelenka voor promotie in aanmerking te laten komen.
De protestant Heinichen is, aan de andere kant, de ideale knecht van de rooms-katholieke vorst (…). Waar Zelenka dwaalt in al zijn rationaliteit, gaan Heinichens emoties misschien met hem op de loop. Toch is het verbazingwekkend dat het nog steeds mogelijk is om in de versleten incrowd wereld Bach-Telemann-Händel een andere Duitse componist te vinden met originele, opmerkelijk persoonlijke eigenschappen. Heinichens composities zijn meesterwerken volgens opvattingen die vandaag de dag nog steeds gelden.

Zo kan ‘ie wel weer, zou ik zeggen. De vraag is nu: had August de Sterke gelijk of had Joh. Seb. Bach gelijk en waarom dan wel – of niet.

 

EEN BIJZONDERE UITVOERING OP EEN UNIEKE LOCATIE.
Voor meer informatie en kaartverkoop (tarieven: € 30 – € 35), zie: https://www.klassiekemuziek.nl/e/12174/nieuwe-philharmonie-utrecht-nationaal-allerzielen-concert-2018-amsterdam
 
NB: Met uw kaartaankoop draagt u bij aan de restauratie van de Amsterdamse Nicolaasbasiliek.

Fundament van ons menszijn

In een interview door Vrouwkje Tuinman met Wende (Snijders) in het programmaboekje voor de uitvoering van Die sieben Todsünden van Kurt Weill door Wende, Frommermann en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van de Roemeense dirigent Cristian Măcelaru  (18 en 19 oktober 2018) zegt Wende op een gegeven moment: ‘Ik heb niet de pretentie dat kunst de wereld kan veranderen. Maar door de zwarte kant van de wereld te laten zien (…), geef je toeschouwers een kans te zien wie ze zelf zijn. Dat we als mens een keuze hebben, om met nuance en mededogen naar elkaar te kijken. Om ons hart te openen’.

Het was een rake omschrijving van de drie werken die werden uitgevoerd. Om te beginnen de Nederlandse première van de schitterende Lamentations on the Disasters of War (2006) van Karim Al-Zand en – voor het eerst op de lessenaars van het KCO – de Suite uit De neus van Sjostakovitsj. En dan na de pauze het al genoemde werk van Weill, ook in een eerste uitvoering door het KCO.

De omschrijving van Wende, die net als de andere uitvoerenden met een stormachtig applaus door een verre van gevulde zaal werd bedankt, bracht mij naar het al even schitterende boekje Thuis in muziek. Een oefening in menselijkheid van de van origine Poolse, nu in België wonende filosofe Alicja Gescinska. Zij buigt zich over de vraag of muziek de wereld kan verbeteren, wat nog iets anders is dan veranderen. Ze vraagt het aan de Poolse componist Penderecki, en die zegt stellig ‘Nee’. Ze gaat te rade bij de filosoof Scheler, die de vraag bevestigend heeft beantwoord.

Gescinska benadert de vraag net als Wende via empathie (begrip, betrokkenheid), zelfontdekking en –ontplooiing. Ze noemt verschillende voorbeelden om dit te staven, waarvan twee die ik volmondig kan beamen. Ten eerste de muziek van Chopin. ‘In zijn Inleiding tot de sociologie van de muziek zegt Adorno dat iemand al verstopte oren moet hebben om (…) niet te begrijpen dat Chopin ons in zijn Fantasie in f klein vertelt dat Polen nog niet verloren is en als een feniks uit zijn as zal herrijzen (…). De heimwee, de nostalgie, ja Polen zelf’ vervolgt Gescinska ‘in Chopins werk horen, is geen kwestie van Hineininterpretierung, maar van begrip en betekenis.’

Ik kan, als gezegd, dit beamen. Ik had eigenlijk weinig met Chopin, tot ik op een zaterdagochtend eens op de radio een pianostuk van hem hoorde dat insloeg als een bom. Wat het was en wie het speelde (een Poolse pianiste, dat wel) weet ik niet meer, maar wel dat het ten tijde van Solidarność die in de jaren zeventig van de vorige eeuw stakingen organiseerde op de werf  van onder meer Gdánsk, een lieu de mémoire waar ik later eens zou staan. Ik begreep de betekenis die het werk, voelde de heimwee en de nostalgie.

Het tweede voorbeeld dat ik kan beamen, is het klaaglied Muss der Tod denn auch entbinden van Dietrich (tegenwoordig zeggen we Dieterich) Buxtehude, de tekst van Mit Fried und Freud, BuxWV 76. Hij componeerde het na de dood van zijn vader. Wanneer je dit weet, schrijft Gescinska, ‘dan verkrijgen die verklankte tranen voor ons de diepgang van elk groot kunstwerk dat ons troost in tristesse doet vinden’. Ik weet niet of mijn vader en ik die achtergrond wisten, toen we het niet lang na het overlijden van mijn moeder hoorden tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, gezongen door Emma Kirkby, maar ook zonder dat kwam het van de eerste tot de laatste noot bij ons binnen.

Gescinska eindigt haar boek met de constatering dat mensen muziek maken, maar dat muziek ook mensen maakt. ‘We zouden opnieuw moeten aanknopen bij het besef dat muziek geen ornament, maar een fundament van ons menszijn is, waardoor inzicht in de muziek ook inzicht in ons bestaan verschaft. Muziek is naast een bron van ontspanning en uitleving ook een vruchtbare vorm van inspanning en inleving. De vrucht daarvan is begrip; zowel van onszelf als van de wereld rondom.’

Excellent!

Al eerder heb ik me hierover uitgelaten: ik ben een bewonderaar van dirigent Daniele Gatti. Afgelopen week bleek maar weer eens waarom. Het was tijdens het lunchpauzeconcert op woensdag, in het Amsterdamse Concertgebouw. Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde er onder zijn leiding enkele delen uit Mahlers Eerste Symfonie. Deze was gisteren op de vroege avond op NPO Cultura ook te horen, gespeeld door hetzelfde orkest maar onder een andere dirigent: Daniel Harding.
Woensdag ging het eigenlijk om een openbare repetitie, maar alles werd zonder onderbreking achter elkaar doorgespeeld. Met slechts één woord van Gatti als commentaar: ‘Excellent!’ En terecht, want dat was het ook.

De vergelijking met Harding is interessant. Onder diens leiding klonk de symfonie als uit één doorgaande beweging met vloeiende overgangen. Engels sophisticated zou ik bijna willen zeggen. Gatti pakte het – op één overeenkomst: het Vader Jacob-thema werd niet door solo-contrabas maar door de hele bassectie gespeeld – heel anders aan: de verschillende stemmingen gingen niet in elkaar over, maar bleven dialectisch naast elkaar staan. Met mooie, veelzeggende rusten ertussen en prachtig verstilde pianissimo-passages waarin het geheim van de symfonie als het ware voelbaar werd maar waarin de dialectiek niet werd opgelost.
Ik ben benieuwd of dit ook geld voor Bruckners Negende symfonie, die morgenmiddag in het Zondagmiddagconcert op NPO Radio4 valt te beluisteren. Een opname van 7 januari jl. De Eerste van Mahler komt in mei op de lessenaars terug: op 11 mei a.s..

In ieder geval deed Gatti’s opvatting van Mahler mij denken aan de filosofie van Albert Camus.[1] Maurice Weyembergh schrijft in zijn boek Camus. De filosoof en de romancier dat Camus de werkelijkheid ziet, waar Plato en Sartre ‘uiteindelijk maar de helft van de dingen, de een de schoonheid, de ander het walgelijke’ zien. Camus is, schrijft hij, ‘niet blind voor het dubbele karakter.’ Hij kan niet om de ‘spanning’ van de twee tegenovergestelde polen heen. Hij wilde, schrijft Weyembergh, ‘nooit ontrouw zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’ Hij vond het ‘zinloos de spanningen te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Dialectiek zonder synthese inderdaad, als bij Gatti.
En toch is er sprake van wat Levinas het ‘heilige dat doorfiltert in de wereld’. Dat heeft hij van Heidegger, ‘die de dingen in hun wezen wilde laten en open wil blijven staan voor het mysterie’, gelijk Mahler. Gatti heeft dit hoorbaar gemaakt. En hoe.

 

[1] Op 1 februari a.s. begint bij de Volksuniversiteit Amsterdam een cursus o.d.t. Amor fati: liefde voor het lot die gegeven wordt door Dries Boele. In deze cursus in de vorm van een workshop zal Camus ook aan de orde komen: http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=10035

Drieluik op zondag (II)

1.
In een andere blog, op een andere website wees ik al eerder op een mooi boek dat ik op het moment van schrijven wilde gaan lezen en nu ook daadwerkelijk mondjesmaat lees: Camus. De filosoof en de romancier van de Vlaamse filosoof Maurice Weyembergh (https://www.literairnederland.nl/het-eindejaarslijstje-2017-van-els-van-swollijstje-van-els-van-swol/). Vanmorgen was in alle vroegte het tweede hoofdstuk aan de beurt: ‘De mens die zichzelf schept en tot mythe maakt in De mythe van Sisyphus.’

Daarin citeert Weyembergh Camus (zie foto): ‘Hoe moeilijk het ook is, ik zou nooit ontrouw willen zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’  Het zijn volgens hem twee polen die ‘elkaars tegengestelden zijn én elkaar aanvullen.’ De mens moet volgens Camus in de woorden van Weyembergh ‘zijn eigen lotsbestemming ter hand nemen door zijn eigen verhalen te vertellen, door zijn eigen mythen te bedenken.’ Camus stond een wereld voor ‘die verdriet en wreedheid zoveel mogelijk uitbant, sociale gerechtigheid realiseert, en tegelijkertijd het individu maximale vrijheid laat zichzelf te scheppen.’ Het is volgens hem zinloos om de spanningen tussen het een het ander, tussen licht en donker, tussen schoonheid en de vernederden ‘te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Het gaat om een ‘dialectiek zonder synthese’, om ‘aanvaarden en verwerpen.’ En zo ontstaat er volgens hem ‘op den duur dan iets waarvoor het op deze aarde de moeite loont te leven, iets zoals bijvoorbeeld deugd, kunst, muziek, dans, rede, geest, iets dat tot een metamorfose leidt, iets verfijnds, iets krankzinnigs, iets goddelijks.’ Op die manier herhaalt en imiteert de mens op zijn best de schepping van God.  ‘In zo’n mate dat niemand verschil ziet tussen de danser en de dans.’

2.
Een uurtje of wat later bevond ik mij in het gehoor van de Vrije Gemeente in Splendor, bij een lezing van Katja Rodenburg (zie foto) over het thema ‘Duende – licht en donker, zon en maan.’ Over haar schreef ik al eerder hier een blog.
Ook zij had het over ‘kunst, muziek, dans, rede, geest’ en over een flamencozanger die dertig van de veertig keer niet dát gaf wat je zou willen. En de tien keer dat hij het wél deed, was het alsof hij niet zelf zong, alsof – om met Camus te spreken – niemand meer het verschil hoorde tussen de zanger en het gezang. Een gezang waarin eeuwen her meezongen, dat door het donker heen tot het licht was gekomen. Zoals de filosofie van Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), over wie ik ook al eerder een blog schreef. Misschien was de zang niet mooi in de zin van de esthetica, maar gewoon – denk ik verder – maar ‘waar’ of ‘waarachtig’ in de zin van Camus: één moment van balans waarin recht werd gedaan aan zowel de schoonheid als de vernederden die de flamenco in Cadiz, aan de rafelranden van het bestaan, bezingt. Een dialectiek van aanvaarding én verwerping, waarin het leven zelf (met Nietzsche) een kunstwerk is geworden.

3.
Even later bezocht ik een straat verder het eerste deel van de dubbeltentoonstelling over Ferdinand Bol en Govert Flinck, twee meesterleerlingen van Rembrandt. In het Rembrandthuis (nog t/m 18 februari a.s., zie affiche). Het tweede deel, dat ik al eerder zag, valt te zien in het Amsterdam Museum.
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk wat Katja Rodenburg, en pianist Maurice van Schoonhoven ook al benadrukten: duende vind je niet alleen in de flamencodans en –zang, maar in alle kunstvormen. Schoonhoven demonstreerde dit in enkele rake – en prachtig gespeelde – keuzes, met om te beginnen twee etudes op. 25 van Frédéric Chopin, halverwege in onder meer met de Prelude op. 32 nr. 12 van Rachmaninoff en tenslotte met twee etudes (op. 2 nr. 1 en op. 8 nr. 12) van Skrjabin.

Maar ook al kijkend naar met name een tafereel, van respectievelijk Rembrandt en Ferdinand Bol, probeerde ik iets van duende terug te vinden: Tobias en de engel, een verhaal dat in de deuterocanonieke of apocriefe boeken kan worden teruggevonden. Een verhaal (en gaat het volgens Camus niet om het vertellen van verhalen, om wat Bergson volgens Weyembergh ‘de fabulerende functie’ noemt?) over Tobit en Tobias.
Tobit, oud en blind, heeft in het verleden een kleine schat achtergelaten bij iemand in Medië, en stuurt zijn zoon Tobias op pad om die op te halen. Op zijn reis ontmoet Tobias aartsengel Rafaël, die hij echter niet herkent. Rafaël helpt Tobias om de schat naar zijn vaders huis terug te brengen. Bovendien geneest Tobias, met de gal van een vis die hij samen met Rafaël heeft gevangen, zijn vaders blindheid. Een deel van de schat wordt als aalmoezen weggegeven.
Ik herkende in dit schilderij verschillende (verhalende en beeldende) elementen van de duende: het verleden (de oude man, de achtergelaten schat) speelt er altijd in mee, het licht (het weer kunnen zien van Tobit) komt dóór het donker (de blindheid) heen, je moet altijd blijven zoeken naar ‘het’ moment (de schat die achtergelaten is), de vernederden (in de woorden van Camus) worden bij het verhaal betrokken en krijgen aalmoezen.

Misschien is het de engel op beide schilderijen die symbool voor de duende staat: bij Bol daalt hij uit het donker neer, als de inspiratie voor een kunstenaar (wat we allemaal zijn: levenskunstenaar), bij Rembrandt stijgt hij op (zie afb.), om weer nieuwe inspiratie te halen. Als een doorgaand proces, wat leven heet. Want volgens Camus ‘gaat het uiteindelijk om één ding, “z’n taak mens te zijn” uitoefenen.’ Ik zou haast zeggen: Mensch te zijn – uit één stuk, niet als een synthese maar dialectisch. Licht en donker. Schokkend, zei één van de mensen die de lezing van Rodenburg bijwoonde.

Rust en bezinning – The red turtle

The red turtleEen man spoelt aan op een onbewoond eiland en probeert er weer vanaf te komen. Wanneer en waar wordt niet duidelijk. De verwikkelingen die dit oplevert, vormen de rode draad in de film The red turtle. Een sprookjesachtige Frans-Japanse animatiefilm van de Nederlandse regisseur
Michael Dudok de Wit.

Een film die allerlei grenzen verkent. Tussen natuur en cultuur, waarbij het rood van de zeeschildpad staat voor bloed én voor liefde. Tussen water en land, want zowel de schildpad als talloze krabbetjes die voorbij komen bivakkeren op de grens ervan en volgen de aangespoelde man de zee in of het land op. Tussen mens en dier, zoals je dat uit sprookjesverhalen kent. Tussen hoop en wanhoop ook, wanneer de man fata morgana’s ziet waarin een strijkkwartet in 18de eeuwse kleding een flard Janáček speelt, en wanneer een tsunami het eiland overspoelt en een spoor van vernietigingen achterlaat.

Allemaal prachtig vorm gegeven, zoals de broekspijpen van de man die zachtjes heen en weer gaan door de wind, zoals de lange schaduwen die op het strand worden geworpen. Alleen de muziek is misschien soms wat al te bombastisch.

Bovendien spelen er allerlei Bijbelse, symbolische motieven mee in deze film. Zo slepen de krabbetjes telkens weer takjes voort over het zand, zoals de duif na de zondvloed een olijftakje in zijn bek had als teken van een hoop, van een nieuw begin. En zo tekent de man in ’t zand, zoals eens Jezus deed. De man tekent alsof ware het een rotstekening uit een lang vervlogen verleden. Jezus schreef woorden, maar we weten niet welke. Zoals de kreten die de man slaakt ook niet duidelijk te herleiden zijn, maar de bedoeling ervan wel duidelijk is.

Achter me loopt een grootmoeder met haar kleinzoon de bioscoop uit. Hij heeft het een mooie film gevonden. Maar op de vraag van zijn grootmoeder of hij er ook een moraal in heeft gezien, antwoordt hij ontkennend. Toch zit die moraal er denk ik wel degelijk in; de film is niet louter een woordloze vertelling van de levenscyclus van een mens, geboren uit het water, steeds ouder en grijzer wordend. De boodschap zou kunnen zijn dat vluchten niet meer kan (Frans Halsema en Jenny Arean). Of dat er geen ontkomen aan is. En er zit ook een oproep in: blijf dicht bij jezelf, zoals de rode zeeschildpad ons denk ik leert.

Ik moet eraan denken wanneer ik thuis de toespraak lees en zie die de Duitse bondskanselier Angela Merkel gisteren in Berlijn hield. En in De Groene Amsterdammer een mooi stuk lees van Rutger van der Hoeven. Over een gecondenseerd jaar dat de wereld ook in een goede richting kan trekken. ‘Zoals 1989, met opwarmers aan het einde van het bewind van Pieter Botha, Hirohito en Ronald Reagan, en aan het eind van het jaar het neertuimelen van de communistische regimes in Oost-Duitsland, Tjsecho-Slowakije, Polen en de rest.’ Maar 2016 voelt als een slecht jaar. Toch is er volgens de auteur hoop: ‘Een les van die samengebalde jaren is dat crises ook weer overgaan. Net als de cyclus van terrorisme.’

Daarom heeft Merkel denk ik gelijk: laten we onze kalmte bewaren en ons eerst bezinnen voor we ons uitspreken over mogelijke daders, IS of niet. Dat is wat we volgens Van der Hoeven kunnen bijdragen: rust en bezinning. Zoals Merkel en Van der Hoeven ons voordoen. Zoals The red turtle ons voorhoudt.

http://www.groene.nl/artikel/crisis

Een joodse vedelaar

BaltzarDe artistiek leiders van het Festival Oude Muziek in Utrecht, Xavier Vandamme en Jed Wentz, hebben het in een interview met Pieter Lucassen in het Tijdschrift OudeMuziek (TOM, 2/2015) over de vraag hoe Engels de Engelse consortmuziek eigenlijk is. ‘We weten dat er rond het begin van de zestiende eeuw buitenlandse gambaspelers aan het Engelse hof werkzaam waren (…). Wellicht waren het Sefardische joden.’

Een naam is in ieder geval bekend. Van een violist: Thomas Baltzar (zie afb., zittende figuur links). De violiste Monica Huggett noemde hem bij naam en toenaam in een interview in het tijdschrift Early music today (mrt./apr. 1994): ‘Zigeuners, joden en Italianen speelden meerstemmig, wat van de lira da braccio kwam [een vedel met bourdonsnaren, vS]: die lui konden zingen en zichzelf begeleiden.’

Baltzar (ca. 1630-1653) werkte in Engeland en was volgens recente publicaties de voorloper van de Italiaanse vioolvirtuozen die aldaar rond het eind van de zeventiende eeuw werkzaam waren. Ook de verkapte meerstemmigheid uit de solosonates voor viool en cello van Joh. Seb. Bach kunnen volgens recente uitgaven van het werk van Baltzar (althans wat daarvan bewaard is gebleven) worden teruggevoerd op de techniek van deze van origine Duitse componist.

Deze techniek kon Ernst Hermann Meyer in zijn artikel over Baltzar in de gezaghebbende encyclopedie Die Musik in Geschichte und Gegenwart niet herleiden: ‘Over een bijzonder ontwikkelde virtuoze viooltraditie juist in Lübeck is niets bekend (…). Gerald Hayes brengt Baltzars kunst in verband met de zeer intensieve viooltraditie die van Polen, via Pruisen naar de Hanzesteden doorwerkte.’

Inmiddels is bekend dat deze traditie wortelt in de Poolse volksmuziek en in de klezmer-traditie.

Gebaseerd op een hoofdstuk uit mijn boekje Dialoog in muziek (1997), dat nog antiquarisch verkrijgbaar is.

Hoop en vrees

kleine_filosofie_van_het_wonderOp een dag vielen twee boeken ter recensie in mijn brievenbus: Kleine filosofie van het wonder van Hent de Vries en De schaduw van de grote broer van Laura Starink. Onwillekeurig gingen ze met elkaar in gesprek.

Het boek van De Vries lijkt het diapositief van dat van Starink. Waar De Vries het bijvoorbeeld heeft over hedendaagse mediatheorieën van het special effect, heeft Starink het over Poetin die een virtuele wereld schept ‘waarin niemand meer weet wat er werkelijk aan de hand is.’ Beide auteurs zijn het erover eens dat het verleden, al dan niet als een virtuele ruimte, ons blijft omhullen.

De Vries ziet het als mogelijkheden die in de toekomst kunnen actualiseren. Starink als een onverwerkt verleden dat telkens de kop op kan steken. De nieuwe en de oude wereld tegenover elkaar, hoop en vrees. Waarbij De Vries de mogelijkheid openhoudt om het historische procesdenken achter ons te laten en vooral recht te doen aan de dromen van weleer. Noemde Obama zijn eerste boek, een autobiografie, niet Dreams from my father? Het verleden is volgens De Vries geen alibi of een voldongen feit, noch onherroepelijk.

De Vries beweegt zich met een korte opmerking over het post-marxistische manifest Empire van Hardt en Negri richting voormalig Oostblok, zoals sommige voormalige Oostbloklanden zich politiek richting het Westen bewegen. Beide auteurs spreken de hoop uit op een nieuwe Franciscus van Assisi, ‘als het lichtende voorbeeld van de universele militant in naam van de multitudo.

Zo zwart-wit is het verschil tussen Oost en West dus niet, want ook in Polen leeft naast de wanhoop wel degelijk hoop, zoals Laura Starink uit de mond van rabbijn Schudrich optekent. ‘En is een deel dat het multiculturalisme (…) altijd heeft beschouwd als een verrijking van de cultuur. Maar er is ook die oude traditie van xenofobie.’ Sterker nog, een dorpspastoor ‘verwijt’ Starink dat ze in wonderen geloof – gelijk De Vries -, maar dat alles tijd nodig heeft. Het één sluit echter het ander niet uit.

Het wonder betreft het (eens) afstand nemen van het anti-judaïsme en antisemitisme door de rooms-katholieke kerk in Polen en de Russisch-orthodoxe in Rusland. Zoals de Verenigde Staten in staat waren dat (deels) met het racisme te doen, door een zwarte president te kiezen. Een president die recent een – zoals hij zei – ‘historische overeenkomst’ met Iran sloot, die, als deze daadwerkelijk ten uitvoer wordt gebracht, zal voorkomen dat het land kernwapens krijgt. Een historische overeenkomst moet tijd hebben – en kan dan leiden tot een wonder? Laten we het hopen.

De binding van Isaäk verbeeld door Sigmar Polke

Polke_Grossmünster toraal raamAchter in één van de boeken van Willem Zuidema over ‘de binding van Isaäk’ vond ik een uitdraai van een preek die ds. Adriaan Soeting in 2006 in de Amsterdamse Oude Kerk over Genesis 22 hield. Soeting zei toen onder meer dit:

‘Het verhaal van de ‘binding van Isaäc’ heeft een grote rol gespeeld in de geschiedenis van Israël. De joden hebben zich met Isaäc geïdentificeerd, vooral in de Middeleeuwen bij die afschuwelijke vervolgingen … Er zijn toen veel liederen gemaakt die de binding van Isaäc bezongen’.

 

De middeleeuwen zijn de tijd van – zoals Elie Wiesel in een mooi essay over Genesis 22 in zijn Bijbels Eerbetoon : portretten en legenden schrijft – ‘de vernietiging en de ondergang van ontelbare joodse gemeenschappen (…). De pogroms, de kruistochten, de slachtingen, de rampen, de uitroeiing door het zwaard en het uit de weg ruimen door het vuur: iedere keer is ’t weer Abraham die opnieuw zijn zoon naar het altaar voert. Tijdloos als zij is, blijft deze geschiedenis van de hoogste actualiteit’.
Dat blijkt uit het werk van de Pools/Duitse beeldend kunstenaar Sigmar Polke die zich heeft laten inspireren door het verhaal in Genesis 22 én door de middeleeuwen. Door respectievelijk anonieme afbeeldingen, en door een anonieme tekst.

1. De Grossmünster in Zürich
Polke_Grossmünster kerkPolke maakte in 2009 elf ramen, waaronder het raam Isaaks Opferung voor de Grossmünster in Zürich (zie afb). Een kerk die schitterend is gelegen aan de rechteroever van de rivier de Limat, tegenover de Fraumünster met de beroemde ramen van Marc Chagall op de linkeroever. Volgens de overlevering stichtte Karel de Grote begin negende eeuw een kerk op de graven van Felix en Regula, twee Romeinse martelaren. Het paard van Karel de Grote zou geknield hebben bij hun graven.
In 1100 begon men al met de bouw van deze romaans-gotische kerk, maar deze werd pas in de 15de eeuw voltooid. Vanaf de preekstoel van de Grossmünster verspreidde Ulrich Zwingli de Reformatie; een naam die later terug zal komen. In de crypte van de Grossmünster staat een 15de-eeuws standbeeld van Karel de Grote, waarop ik ook terug zal komen.

De kerk is een in oorsprong laat-romaanse basiliekvorm met drie beuken, zonder een dwarsschip. In het hoogkoor zijn ramen aangebracht van Augusto Giacometti. Achter de preekstoel is het gebrandschilderde raam van Polke aangebracht. Aan de andere kant van de kerk heeft Polke ook een serie ramen gemaakt. De ramen corresponderen echter niet met elkaar, zoals vaak gebeurde: aan de ene kant voorstellingen uit Tenach (de koude noordkant), als een voorafschaduwing, en aan de andere kant uit het Nieuwe Testament (de warme oostzijde). Immers, zoals de eerder geciteerde Wiesel schreef: ‘Wat Isaak bedreigde, zou een voorafbeelding van de kruisiging zijn. Behalve dat op de berg Moria de daad niet wordt volvoerd: de vader geeft zijn kind niet prijs, en zeker niet aan de dood. Dat is het verschil tussen Moria en Golgotha’ (p. 64).

2. Sigmar Polke
Sigmar Polke-Ausstellung in ZrichPolke (zie afb.) werd in 1941 in Silezië, Polen geboren en is in 2010 in Keulen overleden. Na de Tweede Wereldoorlog vertrok hij naar Thüringen in West-Duitsland. Van 1959 tot 1960 volgde hij een opleiding glasschilderen bij de firma Kaiserwerth in Düsseldorf. Hij laat zich in zijn werk – ook in het glasraam in Zürich – vaak inspireren door oude afbeeldingen, tijdschriften, reclame e.d.. Onder andere het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft enkele kunstwerken (schilderijen, tekeningen, affiches) van hem in de collectie, maar ook De Pont in Tilburg en het Van Abbemuseum in Eindhoven bezitten werk van hem.
De afbeeldingen op het raam (zie afb. boven) zijn gebaseerd op een 11e eeuwse bijbelparafrase van Ælfric van Eynsham (Latijn: Alfricus, Elphricus). Het handschrift berust in de British Library.

3. Het raam
Hoe lees je nu zo’n raam: van boven naar beneden, of van beneden naar boven? … Het antwoord is: van beneden (de aardse werkelijkheid) naar boven (hemelse waarden).
Het raam bestaat uit acht even grote velden, waarvan de vier onderaan en de vier boven samen met het bovenste gedeelte samen het eensluidende ontwerp vormen. Een ontwerp dat Polke met de computer heeft gemaakt.
* links onder, en diagonaal rechts, er schuin boven gespiegeld zien we het offerlam
* rechts onder, en diagonaal links, er schuin boven gespiegeld, staan de arm en hand (paars) van Abraham afgebeeld, alsmede het hoofd (groen) en het haar (geel) van Isaäk
* in de middenpartij zien we een rad als een Grieks kruis met Abrahams geheven zwaard
* daarboven komen we in meer hemelser sferen: links en rechts engelenvleugels en
* helemaal bovenin een rozet waarin het rad en het kruis worden herhaald, als begin en einde.

In deze ramen zijn tal van reminiscenties verwerkt. Om te beginnen verwijzen de diagonale spiegelingen naar Leviticus 16, waarin sprake is van twee zondebokken die dienen te worden geofferd: één voor de Heer en één voor de woestijndemon Asasel.
Abraham draagt bijvoorbeeld geen slachtmes, maar een zwaard. Dit verwijst naar zowel het feit dat de Grossmünster de kerk was van Zwingli, de militante hervormer, als naar het beeld van Karel de Grote met een zwaard in de crypte. Immers: ook hij was hardhandig in zijn bekering: ‘dood of gedoopt’. Karel beschouwde zichzelf als ‘heerser door Gods genade’. Niet toevallig bevindt het raam zich achter de preekstoel waarvan af Zwingli preekte.

Het middendeel van het raam, met Abraham gevangen in een rad, vormt een tegenstelling met het onderste gedeelte. Het is het deel dat het duidelijkst herinnerd aan de afbeelding uit de 11ste eeuwse bijbelparafrase. De tegenstelling ligt erin, dat Polke hier wil verwijzen naar inkeer, het zoeken naar wijsheid en harmonie.
De engelenvleugels erboven, links en rechts, verwijzen uiteraard naar de engel die de dood afwendt (vers 11 en 15 van Genesis 22). Polke beschouwt deze als een beschermengel. Hij ziet dit gedeelte van het raam als de sleutel voor de andere delen.

Bewerking van een gedeelte van een inleiding die ik op 22 mei 2014 hield in de Vredeskerk te Leiden en hier plaats n.a.v. de tentoonstelling Sigmar Polke: Alibis, t/m 5 juli 2015 in Museum Ludwig, Keulen.

Nee zeggen en ja doen

KL Majdanek. Mglisty paŸdziernikowy poranek 2008Tijdens een rondreis door Polen worden je gevoelens en gedachten goed door elkaar geschut. Het is voor mij ruim tien jaar geleden, maar veel staat me nog voor de geest. Die gevoelens en gedachten werden afgelopen week, met de herdenking van de bevrijding van Auschwitz zeventig jaar geleden, weer wakker gemaakt.

 

De kathedraal van Kraków, op de Wawelburcht. Een rooms-katholiek geestelijke die een rondleiding verzorgt. Ik keek er met angst en beven naar uit, maar hij zong tot mijn verbazing een lofzang op de joden, zonder wiens gedachtegoed de kerk in Polen niet zou zijn geweest zoals ze nu is. (En dan hebben we ’t niet over het gedrag van voormalig aartsbisschop Josef Wesolowski, dat nu naar buiten komt). Dit vervulde me met evenveel dankbaarheid (ευγνωμοσύνη) als een voorbede in ‘mijn’ kerk over rigide regels van bijvoorbeeld de joden met verdriet (bij Kolossenzen 2:6-19).

En ik moest denken aan een gedicht van Zbigniew Herbert over de Wawel: geen symbool van zuiverheid, of een zuivere (rooms-katholieke) leer, maar een onaf project dat gaandeweg groeit, waarbij het ene het andere niet vervangt. En aan Lech Wałęsa, de toenmalige president van Polen, die twintig jaar geleden in Auschwitz het woord ‘jood’ in de mond nam, wat oorspronkelijk – godbetert – niet de bedoeling was.

Eén of twee dagen eerder bezochten we het vernietigingskamp Majdanek (zie afb.). Een indruk die je nooit meer van het netvlies kunt wissen. We liepen langs het hek en zagen even daarbuiten de grote rooms-katholieke begraafplaats van Lublin. Iemand vroeg of die er in de Tweede Wereldoorlog ook al was. ‘Nee’ antwoordde de staatsgids kortaf. Maar, bleek mij thuis, het antwoord was ‘Ja.’

Dat geeft het elfde gebod (‘wees nooit een omstander’) dat overlevende Roman Kent tijdens de herdenking in Auschwitz uitsprak een wrange bijsmaak. ‘Niemand mag (…) wegkijken’, schreef Margreet Fogteloo in De Groene Amsterdammer (29 januari 2015). En ik vraag me af wat erger is: wegkijken op de begraafplaats naast het vernietigingskamp, of het ‘nee’ van de staatsgids. Het gaat er in ieder geval om om nú ‘ja’ te doen.