‘Het breidt zich alleen maar uit’

De tweede en laatste blog naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van P.C. Hooftprijswinnaar Maxim Februari.

Deze keer blijf ik stil staan bij zijn opmerking, dat een roman niet valt samen te vatten, in tegenstelling tot een filosofieboek; zijn vriend René Gude (beiden filosoof) vond het omgekeerde. ‘Het breidt zich alleen maar uit’. Een opvatting die ik tussen twee haakjes tijdens een weekend over joodse filosofie bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geleid door Rico Sneller, ook meende op te maken als zijnde de visie van Derrida: literatuur, filosofie en theologie vormen ‘in den beginne’ een herhaling met andere woorden.
Uit de zaal volgde naadloos hierop aansluitend dan ook de vraag of interpretaties dan altijd nodig blijven. Ja, kwam uit in verschillende bewoordingen uit diverse monden.

In dezelfde week als de Spui25-bijeenkomst las ik in het tijdschrift In de waagschaal een ‘Exegetische miniatuur’ van emeritus predikant Wout van der Spek over Psalm 2 die hieraan raakt. Het is, schrijft Van der Spek, als je ervan uitgaat dat Psalm 1 later is toegevoegd, eigenlijk de eerste Psalm die ook nog eens begint met: ‘Waarom’.
De auteur schrijft van Tom Naastepad te hebben geleerd, dat het vervolg van een verhaal of een boek een herlezing ervan is. Dat is mooi, maar Van der Spek had ook dichter bij huis kunnen blijven: de Talmoed (wij zaten nota bene enkele jaren samen aan de voeten van een joodse leraar Talmoed te lernen) is de uitbreiding ervan, om Maxim Februari te parafraseren.

Mijn hart sprong dan ook op, toen ik tijdens een Bijbelcursus in mijn eigen wijkkerk de predikant Paula de Jong hoorde zeggen, dat de (Psalm)citaten in de Evangeliën meestal net niet letterlijk zijn; een soort kleine Talmoedfragmenten dus: kleine uitbreidingen, herhalingen in net andere bewoordingen, interpretaties. Derrida (zie link onder aan deze blog) zou het haar hebben kunnen nazeggen.

Zo zou je, tenslotte, Marcus 4:25 volgens haar ook kunnen lezen:

Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Niet in materiële zin, maar als sommetjes: 1+1=2, 1-1=0. De rijke wordt rijker, aan Bijbelkennis die hij/zij als rijkdom met zich draagt en die zich steeds uitbreidt. Interpretatie op interpretatie.

 

https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201501_01/_voo013201501_01_0036.php

 

Deze vrouw

Al eerder blogde ik over De glanzende kiemcel van Simon Vestdijk in verband met drie ochtenden van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) door Wessel ten Boom daarover in de Amsterdamse Thomaskerk. Dat was in algemene zin én in relatie tot het denken van Joh. Huizinga.
Nu over de tweede ochtend in het bijzonder. Een sonnet van E. du Perron, ‘Een vrouw’ (uit:
Parlando, 1941) deed heel wat stof opwaaien. Bij de mannelijke deelnemers op de apenrots in het bijzonder. Ik herkende mijn moeder in het gedicht.
Hoe zit dat nu? Eerst het gedicht zelf, dan de heftige uitleg tijdens de bewuste zaterdagochtend en dan mijn interpretatie.

Een vrouw

Haar smal gelaat, onder de grijze haren,
smal, bleek en moedig, is mij toevluchtsoord,
een blanke koepel, hoog en ongestoord
door ’t dom geraas, de harteloze gebaren.

Het ware onnodig dat zij met één woord,
voor mij alleen, de stilte ging verklaren,
ik ken de droom, die somtijds komt gevaren
diep in haar blik, en éven haar bekoort.

Haar leven ging, zij heeft het niet gegrepen,
en wat haar toeviel, zal zij verder slepen,
met liefde zelfs, met simpelheid vooral.

Want deze vrouw, zozeer een vrouw gebleven,
straalt zacht en warm, voorbij haar eigen leven,
boven de roes en boven het verval.

De mannelijke deelnemers, die steeds uitgelatener werden, vonden het maar een ouderwets gedicht over een passieve vrouw. De psalmzingende vrouw van Nijhoff was de gespreksleider, een predikant, liever. Honing om de mond smeren …
Het zijn interpretaties die, dunkt mij, méér zeggen over onze tijd waarin mannen niet langer geassocieerd willen worden met vermeende vrouwonvriendelijke gedichten. Maar ís het gedicht zo vrouwonvriendelijk?

Het gedicht heet, om te beginnen, ‘Een’ vrouw. Dus niet: ‘De’ vrouw. Volgens Viktor van Vriesland, een vriend van Du Perron, gaat het in Parlando om de moeder van de dichter, die hij mist. Van Vriesland trekt overigens ook een parallel met het werk van Nijhoff, maar dit terzijde.

Voor mij kwam de herkenning vooral na de volta. Een vrouw die, gelijk mijn moeder, het leven niet heeft gegrepen. Niet kón grijpen, getekend door de Tweede Wereldoorlog als zij was. En ik bleek niet bij machte haar ertoe aan te zetten. Dat niet-grijpen heeft niets met seksualiteit te maken, zoals op de apenrots werd betoogd.
Hoe liefdevol zijn de laatste regels. Over een vrouw, die zacht en warm straalt, over de dood heen.

In de recente dichtbundel Hogere natuurkunde (2019) van Ellen Deckwitz, waarover ik ook al eerder blogde, komt een soortgelijk beeld van de ‘Moeder (1952)’ voor, al even zwijgend en stil:

Trommelvliezen van beton,
schouders vol knopen
rug gekromd als een vraagteken,
van het raden naar wat je wordt bespaard
door er niet met je over te praten.

Leef dan
roepen ze

Geniet dan,

                        (Anders is echt alles voor niets geweest kleintje.)

Een kind van de tweede generatie, die moeder, die het klappen van de zweep meekreeg. Mijn moeder was van de eerste generatie, maar elk woord klopt, elk woord past. Zowel die van Du Perron als van Deckwitz. Ouderwets? Nee. Het zijn moeders van alle tijden die aan het leven hebben geleden.