Drieluik

Het is weer eens tijd voor een drieluik. Dit keer naar aanleiding van de aankondiging van een leesclubochtend, – de eerste aflevering van een televisieserie en de laatst verschenen apostolische exhoratie, een aanmoedigingsbrief van paus Franciscus.

Christien Brinkgreve
De aankondiging behelsde de eerstvolgende editie van de leesclub waar ik onlangs lid van werd. Een bijzondere leesclub, omdat de auteur van het te bespreken boek erbij is. Komende keer is dat de sociologe Christien Brinkgreve, auteur van Het raadsel van goed en kwaad. Ik kom wellicht nog uitvoeriger op dit boek terug, wanneer ik het heb gelezen, maar uit enkele recensies heb ik onder meer al opgemaakt, dat de schrijfster niet alleen het kwaad belicht, maar zich ook laat ‘meevoeren naar een andere wereld waar een gevoel van geluk heerst, van tijdloosheid, van bestaan en, tegelijk, opgaan in iets groters’ zoals muziek.

Bas Heijne
Dat staat in schril contrast tot de eerste aflevering van de serie ‘Onbehagen’ van Bas Heijne. Hij zit op een terrasje in Parijs of loopt somber kijkend door de stad. Wat je ziet, is een patrouillerende agent, bloemen voor de deur van het kantoor van Charlie Hebdo en wat je hoort zijn gedachten over de ellende in de wereld. Zijn gedachtespinsels vliegen alle kanten op zonder de kern te raken en zijn allemaal even zwartgallig.
Met weemoed denk ik aan een lezing die ik eens in Tilburg bijwoonde van George Steiner, ook niet één van de lolligste overigens, die de lof bezong van terrasjes, koffiehuizen en wat dies meer zij. Je kunt er de krant lezen, zoals Heije doet, maar ook met elkaar praten en … je genieten van de eerste zonnestralen van de lente.
Opeens lees ik meer – en terechte – kritiek op Heijne, wiens geschriften ik tot nu toe meestal met instemming las. Bijvoorbeeld van Job Stufkens (in: Troost, Heeswijk 2014, p. 77): ‘Naar mijn mening leidt kennis van het verleden niet louter tot somberen. Deze kennis kan je namelijk ook inspireren om te streven naar een meer positieve en optimistische toekomstvisie.’ Zo is het maar net.

Gaudate et excultate
Het je verheugen op de lente hoeft je niet meteen  in een juichstemming te brengen, zoals de titel van de exhoratie van de paus ons wil voorhouden, maar  ook – of juist – het genieten van kleine dingen zoals een eerste zonnestraal kan inhouden en tegelijk weet hebben van de ellende in de wereld en er iets aan proberen te doen, hoe klein ook, moge duidelijk zijn. En dat weet paus Franciscus natuurlijk uiteindelijk ook: heiligheid zit er voor hem ook in het alledaagse en in kleine gebaren. Blijf, zegt hij, uit de greep van het kwaad en laat je in met het goede. Zoiets.

Muziek als betekeniscode

Moses und Aron_SchönbergOp vrijdag 23 oktober 2015 zendt Arte (Duits) van 21.45-23.40 uur een opvoering van Arnold Schönbergs opera Moses und Aron (zie afb.) uit. En op zaterdag 31 oktober is de opera te horen in Opera live op NPO Radio 4 (19.30 uur), rechtstreeks vanuit Opéra Bastille in Parijs.

Over deze opera schreef ik in
Mens & melodie (1/85) in het kader van een artikel over George Steiner. Het gedeelte over Moses und Aron uit dit artikel herplaats ik hier t.g.v. de opvoering op Arte.

 

Van de 20ste eeuwse muziek heeft Steiner zijn hart verpand aan Schönbergs Moses und Aron, waarin zowel muziek en taal als een allesomvattend drama en filosofisch gegeven onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en waarin, zoals ook in Alban Bergs Wozzeck de muziek het overneemt als de stem verstikt of zich in een wanhopige stilte terugtrekt. Het muziekdrama van Schönberg brengt de relatie tussen jodendom en Europese crisis tot uitdrukking. Moses und Aron is ‘een drama van non-communicatie, van het voornaamste verzet van intuïtief en geopenbaard inzicht in mondelinge- en beeldende incarnatie (de weigering van het woord om vlees te worden)’, aldus Steiner.

Er is in Moses und Aron één gedeelte (I, 2, maat 208-217) waarin Mozes niet zingt maar zich uitdrukt in Sprechgesang, dit in scherp contrast tot de heldentenor Aaron. Mozes’ onvermogen zijn visie vorm (muziek) te geven, zijn omgang met God over te brengen op Israël, is het tragische onderwerp van de opera. Mozes kan niet zonder Aaron: de tong die God in zijn eigen mond plaatste. ‘Maar Aaron kleineert of verraadt Mozes’ gedachten, die hem worden geopenbaard in de manier waarop hij deze op andere mensen overbrengt. Zoals in Wittgensteins visie is Mozes und Aron een fundamentele beschouwing van stilte, een onderzoek naar de laatste tragische breuk tussen wat is te begrijpen en wat gezegd kan worden. Woorden vervormen, welsprekendheid verdraait – absoluut.’

Mozes valt gebroken neer vanwege zijn onvermogen tot spreken. Het orkest houdt bij Schönberg dan op met spelen op de violen na, die unisono als het symbool van het Shema, de eenheid, de kreeftgang van de twaalftoonsreeks weergeven. ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamow) van het feit dat woorden falen, dat kunst noch het hoofd kan bieden aan barbarisme, noch uitdrukking kan geven aan ervaringen wanneer die ervaringen onuitspreekbaar zijn.’

Op het ogenblik dat Schönberg niet meer verder kon werken aan zijn opera, hadden de woorden van volk (Israël) en leider (Mozes) een andere inhoud gekregen. ‘Men moet (…) de mogelijkheid van het verstommen onder ogen zien. Wat Beckett uitdrukt in zijn toneelstukken en vooral in zijn romans, die vaak als muziek ruisen, heeft voor de muziek zelf zijn waarheid. Misschien is er nog slechts één soort muziek mogelijk, namelijk een muziek die zich meet aan dit uiterste, aan het eigen verstommen.’ Aldus Adorno (‘Moeilijkheiden bij het componeren’, in: Kritische modellen, Amsterdam 1977, p. 96).

Toch gloort ook bij Steiner iets van dezelfde hoop die Ernst Bloch voelde bij het horen van de trompet achter het podium in Beethovens derde Leonore-ouverture en ook, buiten de kerker, in diens opera Fidelio: ‘Zo klinkt in de onderaardse kerker vrijheid, utopische herinnering, het grote ogenblik dat daar is, de ster van de vervulde hoop in het hier en nu.’ Aldus Ernst Bloch (in: Denken heisst überschreiten, red. K. Bloch en A. Reif, Keulen 1978, p. 73).

Respondeo esti mutabor: ik antwoord op sprake én sprakeloosheid. Met verstilde muziek, met trompetgeschal of met Sprechgesang. Alle drie de antwoorden wortelen in de joodse traditie, waarin niet alleen Adorno en Bloch staan maar ook George Steiner.

Sjablonen be-grijpen

Ysbrant Van Wijnhaarden_Het licht van waterOp zondag 20 september 2015 interviewde Annemiek Schrijver in het televisie-programma De verwondering de medisch-sociologe Anne-Miek Vroom, die onlangs met ‘Het Beste Patiënteninitiatief’  de Nationale Zorg Jaarprijs won. In een column die ik destijds voor Wervelingen schreef (zomer/herfst 2012), komt zij ook voor. Met toestemming herplaats ik deze hier.

Ik lees een detective: Alarmfase van Sean Black. Mijn ogen blijven hangen op een alinea die begint met: ‘”Je hebt bezoek”, zei hij, met een knikje naar Carries bureau. Het eerste wat Carrie zag was de rolstoel. Daarna zag ze Janice Stokes.’
Zo werkt het vaak: eerst zie je een rolstoel en dan pas degene die erin zit. Of misschien zelfs dat niet; de schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt wijdde er een hele tentoonstelling, en op grond daarvan een fotoboek aan onder de titel Wegkijken. De voorbeelden hierin zijn van uiteenlopende aard, en meestal heel wat heftiger dan dat uit de detective van Black.

Na dit gedachtespinsel bekroop me opeens het tegenovergestelde idee. Namelijk dat bij grote denkers informatie met betrekking tot lichamelijke afwijkingen vaak niet eens wordt vermeld.
Dat Georges Steiner een verschrompelde hand heeft, kwam ik pas te weten toen ik hem eens zag bij een lezing. Dat onze (inmiddels oud-) Denker des Vaderlands, Hans Achterhuis, ten gevolge van een erfelijke ziekte moeilijk loopt, werd ik pas gewaar toen ik eens een deel van een cursus die hij mede gaf bijwoonde.
Is het eigenlijk belangrijk om te weten?

Dat een denker (vaak ‘(iet)wat’ heet het dan) gebogen loopt, lees je maar weer al te vaak als karakteristiek gegeven in interviews, waarin de interviewer zijn/haar gesprekspartner ook voor het eerst lijkt te ontmoeten: ‘De dominee was een wat gebogen, nadenkende man met een baard en een bril’ schrijft Geert Mak in zijn Hoe God verdween uit Jorwerd (p. 110). Waarbij gebogen lopen staat voor nadenkendheid en een bril voor intellectualiteit.

Doet het iets af aan het denken van de dominee of wie ook (maakt het een beetje een tegenvallende, sullige indruk op de schrijver die dit niet had verwacht?), of draagt het bij aan de kwaliteit van diens denken omdat het herinnert aan het clichébeeld van een grijze, wijze man – een soort patriarch met inderdaad ook een baard.
Want over gebogen vrouwen, zoals de schrijfster Vonne van der Meer of de letterkundige Marita Mathijsen lees je praktisch nooit. De leeftijd van een vrouw vermeld je immers ook niet …

Grote onzin is het allemaal natuurlijk wel, zoals de Vlaamse schilder Ysbrant [Van Wijngaarden] in een tv-documentaire van Sieuwert Verster (Het uur van de wolf, NTR 29 januari 2012) duidelijk maakte: fysiek gaat het steeds minder met hem, maar in zijn werk zit nog steeds, of juist – oordeel zelf –, vooruitgang (zie afb.: Het licht van water).
Als het principe van communicerende vaten, zoals Anne-Miek Vroom [die het over zonlicht had], medisch socioloog met scoliose en osteogenesis imperfecta in haar afstudeerscriptie Buigen zonder te breken beschrijft. Al moet je daar ook weer mee oppassen, want voor je het weet beland je in romantische ideeën over ziekte, vergelijkbaar met en koukleumende kunstenaar op een zolderkamer.
Hoe komen we hier nu uit?

Misschien is er maar één voorzichtige poging tot het vinden van een antwoord: sjablonen moet je niet willen gebruiken, want dan stel je jezelf, bijvoorbeeld als interviewer, boven een zwakkere partij, en sjablonen moet je ook niet willen begrijpen, want dan benadruk je ten eeuwigen dage één van de vele kenmerken die iemand heeft en blijf je hem/haar daarop vastpinnen.
Niet gebruiken en niet willen be-grijpen dus, opdat elk onderscheid tussen een zwak lichaam en een gezonde geest is opgeheven, alle sjablonen voorbij. En er een mens uit één stuk, maar met vele niet te ontkennen kanten, naar voren komt.

http://anne-miekvroom.nl/

Shakespeare en zijn monsters

ShakespeareShakespeare kon er wat van – zijn toneelstukken bevolken met mensen met een lichamelijk gebrek. Neem Caliban in The Tempest en Richard III in het gelijknamige toneelstuk. Het heet dat Shakespeare beiden zo ten tonele voerde om het kwade te benadrukken. Dat is volgens mij maar de halve waarheid. En weer helemaal actueel, nu er zoveel onderzoek wordt gedaan naar Richard III. Door historici, een tijdschrift als The Lancet
enz.

 

Caliban
Caliban, de ‘slak’ en slaaf, is de zoon van een heks – zoals in Jan van Akens roman De valse dageraad de dienster, ‘het bocheltje Teckla’, de dochter van een heks is. Caliban is de tegenspeler van de voorname, vergeestelijkte Prospero. In een tv-film van Jack Bender (1998) werden beiden als respectievelijk een plantage-eigenaar (Gatorman) en een ongeciviliseerde wilde opgevoerd. Caliban is niet alleen opgevoerd als symbool voor een primitieve wereld, maar zelfs, in een regie van Reinhold Knick (Berlin, 1936) als voorbode van de duistere wereld die aan het doorbreken was. Wellicht omdat Caliban aanzet tot moord, doodslag en boekverbranding (derde bedrijf, tweede toneel).
Maar Caliban is óók de meest muzikale figuur uit Shakespeares toneelstukken, vol van wel duizend ‘tinkelende instrumenten’ die ‘ruisen, soms rondom mijn oor’ (vertaling Gerrit Komrij). Dit kan zowel in het verlengde van Calibans slechtheid worden gezien (geen muzikaler mens dan de nazi, zoals George Steiner in diverse essays heeft aangetoond), maar evenzeer als uiting van een iconologische traditie rond de school van Jeroen Bosch.

Richard III
Richard III had – zoals Kester Freriks in een recensie naar aanleiding van de voorstelling van dit stuk door ZT Hollandia in NRC Handelsblad schreef –, ‘in werkelijkheid geen bochel, horrelvoet of verdorde arm. Die duivelse kenmerken heeft Shakespeare hem gegeven om van deze historische titelheld de incarnatie van het kwaad te maken, een monster, een kille moordenaar van verwanten en trawanten.’
Ook Freriks bespreekt enkele saillante opvoeringen van Richard III: die uit 1983 met Gijs de Lange ‘als een decadente, gevallen engel’ en die van elf jaar later door Pierre Bokma, één van onze grootste Shakespeare-vertolkers ‘als listige verleider en virtuoos redenaar.’ Maar dan komt wat mij betreft de aap uit de mouw: het is de bedoeling van Shakespeare dat ‘de toeschouwer van hem gaat houden.’

Monsters?
Zoals elke auteur wil dat zijn publiek zich gaandeweg een toneelstuk, een roman of een goede detective, gaat inleven in (ook) zijn slechte personages. Het is zoals de fotograaf Leo Regan in een interview met Angela van der Elst in de VPRO Gids van juni 2004 zei: ‘Het is makkelijk om te denken: zij [Caliban, Richard III, vS] zijn monsters, en ik niet, maar hun onprettige kanten zitten op een bepaalde manier ook in mij, alleen in andere gradaties.’
Het is mijns inziens de bedoeling dat Shakespeare, door het ten tonele voeren van slechte, met metaforische handicaps behepte personages als Caliban en Richard III in de eerste plaats wil inspelen op het inlevingsvermogen van zijn toeschouwers. In de tweede plaats wil hij op z’n minst aan het beeld van het puur kwaadaardige van deze figuren wrikken (‘houden van’, zoals Freriks schrijft, gaat mij te ver). Want wie mankeert nu echt helemaal niets en wie valt nu door en door goed te noemen?

Eerder in een wat uitgebreidere vorm verschenen in: Wervelingen, herfst 2004 en hier met toestemming herplaatst.

Het nieuwe liedboek (VIII)

George SteinerPeter Tomson, emeritus-hoogleraar in Brussel, werd eens gevraagd hoe hij als wetenschapper zijn geloof kon behouden. Hij antwoordde: ‘Door zondags in de kerk te zingen’. Want waar gesproken woorden ontoereikend zijn om lijden en vreugde, eenzaamheid en verlangen, hoop en vertwijfeling uit te drukken, daar reiken we naar het zingen. Langs die weg krijgt het geloof misschien pas echt stem. Geloof in de betekenis van ‘pistis’, fiducie, vertrouwen.

 

In dit verband noemde Tomson de naam van de joodse geleerde George Steiner (zie afb.). Volgens hem zijn wiskunde en muziek na de Tweede Wereldoorlog een zuiverder, moreler betekeniscode dan taal en stilzwijgen. Met dit laatste refereert hij aan de bekende uitspraak van Ludwig Wittgenstein: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’. Steiner antwoordt Wittgenstein, dat er altijd een joods alternatief is geweest: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zingen’.

Hij staat met deze opvatting in de traditie van het chassidisme, de joodse mystiek die aan muziek (met maar vooral ook zonder worden, als Lieder ohne Worte) altijd een grote rol heeft toegekend. Zingen en spreken hebben sinds oudsher een verbond met elkaar:

Toen zong Mozes met de Israëlieten dit lied en zij zeiden(Ex. 15:1).

Michel Schohet heeft in een artikel in Levend Joods Geloof (nr. 3, 1996) gezegd dat een chazzan bij pastorale bezoeken altijd begint met een lied. Pas daarna kwam de pastorale hulpverlening en was er ruimte om over emotionele en spirituele behoeften te praten. Het bezoek eindigde ook weer met een lied, soms een nugun (woordloze melodie), die iedereen op een hoger spiritueel niveau bracht.

Volgens Emmanuel Levinas zou een dergelijke muzikale ervaring ons weghouden van de dialogische werkelijkheid. Muziek is geen transcendentie. Maar het kan zeker een weg naar het gesprek zijn, zoals Schohet verwoordde. En is het niet opvallend dat het slotlied in een dienst, alvorens we gezegend weer de week ingaan, vaak bevindelijke trekken heeft? Het nieuwe liedboek biedt gelukkig veel keus in deze richting.

Gebaseerd op een gedeelte uit de lezing ‘Pastoraat en muziek’, op 7 oktober 1997 gehouden in het kader van het Centrum voor leren en vieren (Thomaskerk, Amsterdam). Wordt hier herplaatst n.a.v. de studieochtend over het Amerikaanse document ‘Sing to the Lord’, 17 mei 2014 in Utrecht (http://www.luce-crc.nl). Hierin zal Mieke Hettinga spreken over pastorale criteria van (rooms-katholieke) kerkliederen.