Jan Dismas Zelenka

Op dinsdagavond 30 oktober, op de vooravond van Allerheiligen en Allerzielen, organiseert de Amsterdamse Sint Nicolaasbasiliek in samenwerking met De Nieuwe Philharmonie Utrecht (NPU) het Nationaal Allerzielen Concert. Allerzielen (‘de herdenking van alle zielen’) is de dag waarop in de katholieke kerk alle overledenen worden herdacht. Gedichten en muziek roepen herinneringen en beelden op van geliefden die er niet meer zijn en bieden troost voor de achterblijvers. Klanken die elk geloof of elke levensovertuiging overstijgen en die mensen verbindt. Dit jaar met werken van Bach, Vivaldi en Zelenka. 
Zijn Lamentaties of klaagzangen behoren tot de meest aangrijpende meesterwerken uit de Barok. Vivaldi’s ‘Stabat Mater’ verbeeldt het verdriet van Maria, die rouwt om het verlies van haar zoon Jezus. Bachs cantate ‘Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust’ geldt als een van zijn mooiste en meest aangrijpende cantates. Het programma wordt aangevuld met gedichten van de veelvuldig bekroonde dichteres Joke van Leeuwen.
Op 14 september 2017 hield ik een inleiding over de componist Jan Dismas Zelenka, die ik hier ter inleiding op het concert in de Sint Nicolaasbasiliek publiceer.

Inleiding
Het is opvallend, dat over leven en werk van de Boheemse componist Jan Dismas Zelenka, die lang heeft gewerkt aan het hof van Dresden (in het vroegere Oost-Duitsland), tot nu toe slechts één volwaardige biografie bestaat, geschreven door Janice B. Stockigt, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Melbourne. Ook dát is opvallend, want het betreft hier dus geen Tsjechische auteur of Duitse schrijver. In recensies wordt dit wel verklaard vanuit het gegeven dat dergelijke componisten, zoals ook Händel die in Duitsland werd geboren maar het grootste deel van zijn leven in Engeland heeft gewoond en gewerkt, in beide landen worden genegeerd. Waarom, is deels van praktische aard en deels cultureel bepaald. In de eerste plaats kan het moeilijk zijn om het bronnenmateriaal in verschillende vreemde talen te raadplegen, in de tweede plaats is het de vraag tot welke muzikale traditie de componist nu kan worden gerekend: de Boheemse of de Duitse, de Duitse of de Engelse? Daarbij komt ook nog dat wetenschappers primair in hun eigen land en taal publiceren en dat – in het geval van Zelenka – er sprake is van relatief jonge landen: Tsjechië en (herenigd) Duitsland. Ook speelt een rol dat Zelenka, in tegenstelling tot Händel, een rooms-katholiek componist was.
Stockigt heeft het voordeel dat ze zowel Tsjechisch als Duits beheerst en dus in staat is bronnenmateriaal in de originele talen te raadplegen. Bovendien schroomde ze niet om de rooms-katholieke context uitvoerig te belichten, door het Jezuïetenarchief in Dresden te raadplegen. Op die manier wordt voor het eerst dieper ingegaan op Zelenka als componist van kerkmuziek, waarbij ze in staat is diens grote originaliteit te belichten.
Bij het voorbereiden van deze inleiding heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het boek van Stockigt (2000).

Leven en werk
Jan Dismas Zelenka werd op 16 oktober 1679 in Launovice, ten zuid-oosten van Praag als zoon van een getalenteerd geslacht van Boheemse musici. De eerste lessen kreeg hij van zijn vader, die cantor-organist in Launovice was.
Op zijn 20ste schreef hij muziek voor een schoolopvoering, die helaas verloren is gegaan. Om zich muzikaal verder te bekwamen, werd hij naar Praag gestuurd, naar het Collegium Clementinum van de Jezuïeten (1704). Hier componeerde hij zijn eerste werken die wel bewaard zijn gebleven, zoals drie cantates.
In 1710 of 1711 was zijn opleiding voltooid en kreeg Zelenka een aanstelling als violonebespeler (vijfsnarige contrabas) aan het hof van Friedrich August I (August de Sterke) van Saksen en Polen te Dresden, een rooms-katholiek hof te midden van de Lutherse bevolking van Saksen. Voor de gezongen mis componeerde hij missen en andere geestelijke werken, maar hij was niet de eigenlijke kapelmeester, dat was Johann David Heinichen.
In Dresden heeft hij Bach en diens zoon Wilhelm Friedemann leren kennen. Bach beschouwde hem als een van de belangrijkste componisten van zijn tijd.
In 1715-1716 vertoefde Zelenka in het buitenland, onder meer voor het eerst in Wenen. Hij deed dit op kosten van het hof met de bedoeling zich nog verder te bekwamen. Zijn leermeester was Johann Joseph Fux, die hem vervolgens naar Italië stuurde om zich nog breder te bekwamen.
In Wenen componeerde Zelenka Sonates voor twee hobo’s en fagot met basso continuo. U zult versteld staan wanneer u ze hoort: extreem expressief, extreem moeilijk uit te voeren, briljant van karakter in de snelle delen, melancholisch in de langzame.

In 1719 ging Zelenka uit Italië, over Wenen (waar hij les gaf aan de beroemde fluitist/componist Johann Joachim Quantz), weer terug naar Dresden, waar een nieuwe hofkapel was gebouwd. Hij zou de stad nog een keer verlaten: in 1723 voor de kroning van Karel VI in Praag, speelde violone in een opera van Fuchs en dirigeerde eigen orkestmuziek.
Zelenka componeerde voor deze kerk onder meer 27 Responsoria voor de Stille Week (een responsorium is een wisselzang) voor 4 solisten, gemengd koor en basso continuo.

In de laatste jaren van de regering van Friedrich August I nam Zelenka veel het werk van de ziekelijke Heinichen over (hij leed aan tbc), zonder daar een cent extra voor te krijgen; hij werd gewoon betaald als violonebespeler.
In deze tijd veranderde ook de muzikale smaak aan het hof, onder meer door toedoen van de komst van een groep Italiaanse zangers en de componist Johann Adolf Hasse (1731). Uit deze tijd dateert ook een Te Deum (1731), dat waarschijnlijk is uitgevoerd op de dag na de geboorte van prinses Maria Josepha.

Zelenka bleef tot de dood van Friedrich August I (in 1733) aan de hofkapel verbonden. Hij had gehoopt dat hij na de dood van Johann David Heinichen (in 1729) deze zou opvolgen. Dat gebeurde echter niet, maar Zelenka nam wel al diens taken over. Als kapelmeester werd de 20 jaar jongere Hasse benoemd, die vooral als operacomponist bekend was. Wel werd Zelenka in 1735 ‘Kirchen-Compositeur’ en kreeg hij salarisverhoging.
Vanaf 1733 heeft Zelenka niet veel meer gecomponeerd, waarschijnlijk omdat zijn gezondheid achteruit ging. Hij stierf op 23 december 1745, toen de Pruisische troepen van Frederik II aan de poort van Dresden stonden.

Vraag
Ik brei nog een staartje aan dit verhaal, wat u misschien net zo zal verbazen als de muziek van Zelenka.
Behalve de muziek van Zelenka, kwam vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw ook die van Heinichen weer op muzieklessenaars te staan. Tot de herontdekkers van zijn werk behoort de violist/dirigent Reinhard Goebel. Ik heb een cd met de z.g. Dresden Concerti van Heinichen, uitgevoerd door Musica Antiqua Köln onder leiding van die Goebel. Opvallend is hoe Goebel zich in het begeleidende boekje over Heinichen versus Zelenka uitlaat. Ik citeer:

Het is misschien de uitkomst van persoonlijke voorkeuren waardoor de Tsjech Jan Dismas Zelenka sinds de jaren 70 van de vorige eeuw wordt gezien als een gewichtige tegenhanger van Bach. Zijn instrumentale werken zijn zonder twijfel imposant, maar nauwelijks representatief voor de zuivere stijl uit Dresden: hun broeiende, schijnbaar altijd gekunstelde stijl lijkt de uitdrukking te zijn van een diepe persoonlijke crisis. Het is nauwelijks verrassend dat August de Sterke er ook maar aan dacht om de door de Jezuïeten opgeleide Zelenka voor promotie in aanmerking te laten komen.
De protestant Heinichen is, aan de andere kant, de ideale knecht van de rooms-katholieke vorst (…). Waar Zelenka dwaalt in al zijn rationaliteit, gaan Heinichens emoties misschien met hem op de loop. Toch is het verbazingwekkend dat het nog steeds mogelijk is om in de versleten incrowd wereld Bach-Telemann-Händel een andere Duitse componist te vinden met originele, opmerkelijk persoonlijke eigenschappen. Heinichens composities zijn meesterwerken volgens opvattingen die vandaag de dag nog steeds gelden.

Zo kan ‘ie wel weer, zou ik zeggen. De vraag is nu: had August de Sterke gelijk of had Joh. Seb. Bach gelijk en waarom dan wel – of niet.

 

EEN BIJZONDERE UITVOERING OP EEN UNIEKE LOCATIE.
Voor meer informatie en kaartverkoop (tarieven: € 30 – € 35), zie: https://www.klassiekemuziek.nl/e/12174/nieuwe-philharmonie-utrecht-nationaal-allerzielen-concert-2018-amsterdam
 
NB: Met uw kaartaankoop draagt u bij aan de restauratie van de Amsterdamse Nicolaasbasiliek.

Bovenaardse werkelijkheid

Op de een of andere manier heb ik altijd moeite gehad met kunsthistorici en filosofen die het immanente en transcendente, het wereldse en het goddelijke tegenover elkaar plaatsen. Ik heb het idee dat beide, transcendentie en immanentie, ’’ uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering’ aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[1] ‘De kracht van het transcendenteren bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het om’ volgens Rüdiger Safranski.[2] Een personage in de roman Weg uit de USSR van Dato Turashvili antwoordt op de vraag “Wat zegt Kant?”: “’De sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij’”.[3]

Ik voelde de waarheid die in die woorden van Bentz van den Berg, Safranski en Turashvili schuilt weer eens duidelijk toen ik afgelopen zondag voor het triptiek Pietà und Auferstehung van Thomas Lange (1957) in de St. Paulus Dom in Münster stond (zie foto Udo Grote).
In de kathedraal was een kleurenflyer over dit kunstwerk te koop, waarvan de tekst ook op die van de Dom valt te downloaden (zie link hieronder). Daaraan ontleen ik enkele mooie gedachten.

Neem om te beginnen het feit dat het lichaam van Jezus van Nazareth zweeft; iets wat in de beeldende kunst geen ongewone afbeelding is. Hij zweeft als het ware de toeschouwer tegemoet, boven de blauwe kleurvlakken onder Hem die de dood verbeelden uitstijgend. Boven Hem is een beige-rood, ook met blauwe vlakken doorsneden vlakverdeling zichtbaar dat lijkt op een landschap in de verte zoals we ook uit de oude schilderkunst uit Italië en Vlaanderen kennen. Lange kent het al helemaal, want hij woont een groot gedeelte van het jaar in Orvieto.

Achter de Pietà is een scène afgebeeld waarop de opgestane Christus opdoemt. Maria probeert Hem vast te houden, maar het is zoals volgens het Johannesevangelie tegen Maria Magdalena wordt gezegd: ‘Noli me tangere’, houd me niet vast, raak me niet aan. De benen van Christus verkeren nog in de zwartblauwe zone onderaan het doek, de rest van Zijn lichaam verkeert al in een andere dimensie, in de helderblauwe en witte zone bovenaan.

Er is dus met andere woorden sprake van een combinatie van figuratieve elementen (de lichamen van Christus en Maria) en abstracte kleuren (de vlakverdeling onder- en bovenaan), van een aardse gebondenheid en een die daarbovenuit stijgt, van immanentie en transcendentie. Allemaal op een drieluik. Of, in de woorden van Udo Grote: ‘In seiner grossartigen Transzendenz und seiner gleichzeitigen irdischen Verwurzelung ist das Triptychon sicher eine der grossartigsten Schöpfungen im Werk des Künstlers Thomas Lange. In künstlerisch philosophischer Weise hat sich Thomas Lange – wie in vielen Arbeiten seines Oeuvres – dem Heilsgeschichte genähert. Er stelt die irdische Verhaftetheit und die gelöste Transzendenz gleichermassen dar und strebt zugliech einen den Menschen unmittelbar betreffenden aktualisierenden Rückbezug zum eigenen Leben ein. So lässt er die überirdische Wirklichkeit intensiver erfahrbar werden.’

http://www.paulusdom.de/kunst/kunstwerke/das-triptychon-in-der-suedlichen-turmkapelle/

[1] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.

[2] Een mooi voorbeeld is Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

[3] Dato Turashvili, Weg uit de UUSR. Roman (Amsterdam 2008) 51.

Monteverdi’s Mariavespers in Holland Festival

Tijdens het komende Holland Festival zullen in de Amsterdamse Gashouder van de Westergasfabriek de Mariavespers van Claudio Monteverdi (1567-1643) worden uitgevoerd in de vorm van een ‘mise-en-espace.’ Pierre Audi zal een nieuwe visuele en ruimtelijke interpretatie laten zien. Hij werkt hiervoor samen met de Belgische beeldend kunstenares Berlinde De Bruyckere. De muzikale leiding is in handen van dirigent Raphaël Pichon en de zangers en instrumentalisten (op historische instrumenten) van zijn barokensemble Pygmalion.

Ik schreef eerder over de Mariavespers in mijn boekje Dialoog in muziek (1997). Een gedeelte van het hoofdstuk over hem, en over Benedetto Marcello, herneem ik in het kader van de uitvoering in het aanstaande Holland Festival hieronder.

Het is nog altijd een onderwerp van discussie of de Mariaverspers moeten worden gezongen met of zonder de Gregoriaanse antifonen – in dit verband een vers voor de psalmen. Musici die ze weglaten doen dit omdat zij vinden dat de sobere antifonen contrasteren, om niet te zeggen strijdig zijn met de weelderige meerstemmigheid van de psalmen. Toch hoeft dat niet zo te zijn. Beide elementen kunnen elkaar goed aanvullen als er voor een andere uitvoeringspraktijk van het Gregoriaans wordt gekozen, bijvoorbeeld zoals die hoorbaar wordt in de interpretatie van Boston Camerata. Of in de interpretatie van het Parijse ensemble Gilles Binchois. Zij gaan ervan uit dat het Gregoriaans oorspronkelijk werd versierd, een praktijk die pas verviel met de Medicaea-uitgave.
Dit uitgangspunt ligt in het verlengde van de visie van de Oostenrijkse musicoloog en componist Egon Wellesz (1885-1974). Hij zei tijdens een lezing eens het volgende: ‘Zolang men aannam dat het Gregoriaanse gezang in Rome is ontstaan, kon de these worden geaccepteerd, dat de eenvoudigste vormen hiervan ook de oudste en oorspronkelijkste waren. Wij weten nu echter, dat van verschillende kanten en in verschillende versies oosters gezang uit Palestina, Syrië, Alexandrië en later ook uit Byzantium in Italië is doorgedrongen. Daarmee vervalt de hypothese, dat het Gregoriaanse gezang oorspronkelijk eenvoudig was en dat de rijkere vormen tot een latere tijd behoren.’

Ook in de psalmen uit de Mariavespers zou de oosterse invloed hoorbaar kunnen worden gemaakt. Het is bekend dat de tenor Nigel Rogers zich niet alleen baseert op de bekende informatie over het zingen in de 16de en 18de eeuw, maar evenzeer op oosterse zangtechnieken. De oosterse versieringen op de wijze van Nigel Rogers, gecombineerd met het origineel versierde Gregoriaans, zouden een uitvoering van de Mariaverspers (met antifonen, die trouwens van elke psalm de cantus firmus zijn) een treffend voorbeeld maken van de joodse invloed op de westerse muziek.

Dat geldt trouwens niet alleen voor de versieringen. Marcel Pérès, leider van het ensemble Organum, wordt bijvoorbeeld niet moe erop te wijzen dat het oosterse element ook in de klank zit waarmee het Gregoriaans van de Mariavespers door zijn ensemble wordt gezongen. Daarbij gaat Pérès net als Nigel Rogers te rade bij entnologische bronnen en levende tradities die de oosterse oorsprong hebben bewaard.

Ik ben benieuwd wat er straks, tijdens het Holland Festival, onder de handen van Raphaël Pichon tot klinken komt! En natuurlijk hoe Audi’s ‘mise-en-espace’ en de installatie van De Bruyckere eruit komen te zien. Ik verheug me er nu al op.

De wereld anders

VluchtelingenbabyDeze foto, van het driejarige Syrische jongetje Aylan dat was verdronken en aangespoeld op de kust, schokte de wereld de afgelopen week. De foto heeft het denken en doen ten aanzien van vluchtelingen versneld veranderd.
Ola Mafalaani beroerde het thema an sich in de openingslezing van het Nederlands Theaterfestival 2015:
De staat van het theater (3 september) in de Stadsschouwburg Amsterdam, in samenwerking met de Eef van Breengroup en Bright Richards. En in het interview dat Jacobine Geel had met de theoloog Rikko Voorberg, in Schepper & Co (5 september), werd aan de foto gerefereerd.
Het ‘duet’ dat Mafaalani uitvoerde met Eef van Breen inspireerde mij tot deze column, waarin uitspraken van Mafaalani (blauw) als samenspraak met antwoorden van Rikko Voorberg (paars) worden neergezet.

Onze partijen praten na wat ‘de kiezer wil’. Peilingen. Eerst peilen en dán spreken.

Mensen die zeggen: ‘Maar dit kan niet’. Merkel neemt echt een standpunt in. Veel meer dan politici in Nederland. De politici hier lijken meer hun oren te laten hangen naar de stemmen op rechts. Het kan anders. Wij gaan iets doen.

Ik begreep dat een vluchteling op een boot stapte omdat hij van de Tweede Wereldoorlog hoorde. Hij zei: Ik kom jullie helpen bouwen, daarom ben ik hier. Jullie hebben iets verschrikkelijks meegemaakt.

Riace. Een leeg dorpje in Italië, waar heel weinig gebeurt, maar waar nu allerlei ambachten worden opgepakt. In Duitsland profiteert de economie van mensen die werk doen waarvan de gemiddelde Duitser zegt: ‘Ik weet niet of ik daar zin in heb’. Daar moet ons gesprek over gaan. Kunnen wij ze helpen? Dat ze opgeleid worden, dat ze kunnen gaan werken, dat ze iets kunnen toevoegen hier.

Als wij kunstenaars niet meer luid of zacht, zingend of fluisterend, schilderend, dansend en vooral glashelder opkomen voor de fundamentele rechten van de mens, houden wij ons niet aan Artikel 1 van het wetboek van een kunstenaar.
(tegen publiek) Jij wilt je welkom voelen, gezien voelen.
(kijkt naar vluchteling) Hij ook.

Wij moeten een welkom land zijn. Ik heb het in Nederland van de politiek nog niet gehoord. Wel van de burgers die ondertussen beginnen te roepen.

Zie ook: http://www.cultureelpersbureau.nl/2015/09/ola-mafaalani-zet-opening-theaterfestival-op-kop/?utm_campaign=twitter&utm_medium=twitter&utm_source=twitter

Oude meester uit Oudewater

David_Maagd onder de MaagdenWie als dagjesmens, of tijdens vakantie Oudewater bezoekt, zal vreemd opkijken: op zesentwintig verschillende plaatsen hangen grote trespa-platen met afbeeldingen van schilderijen van Oudewaters oude meester Gerard David (ca. 1455-1523, zie afb. links achteraan op Maagd onder de maagden). In het kader van het 750-jarig bestaan van Oudewater, midden in het Groene Hart van Holland, hangen ze er als een openluchtexpositie.

Gerard David werd in Oudewater geboren, leerde het vak in Haarlem, en vervolgens Gent of Leuven – daarover bestaat geen duidelijkheid – en vestigde zich als meester-schilder in Brugge. Een paar jaar verbleef hij in Italië, waar de stijl van dat land uit die tijd duidelijk vat op zijn werk kreeg.
Zijn naam is onder kenners en liefhebbers vooral bekend omdat hij het landschap niet meer als een decor voor religieus werk weergaf, maar als een zelfstandig onderwerp.

Zijn werk is over heel de wereld verspreid, en je zou om het te zien moeten reizen naar – uiteraard – Brugge, maar ook naar Wenen, Boedapest, Madrid, München, Berlijn, Parijs, Rouen, Antwerpen en Brussel, en verder weg: naar Philadelphia, New York, Pasadena en Cleveland. In Nederland valt werk van hem te bewonderen in Boijmans van Beuningen (Maagd en kind zittend in een landschap) en het Mauritshuis (Boslandschap) – toevallig wel twee werken die het landschap belichten.

Wat we in Oudewater op ware grootte te zien valt, is met zorg over de verschillende muren in de stad verdeeld. Wie de rondleiding aan de hand van een bij het Toeristisch Informatie Punt (Leeuweringerstraat 10) verkrijgbare boekje loopt, zal opvallen dat de schilderijen niet chronologisch zijn opgehangen, maar dat eerder is geprobeerd ze thematisch bij het pand aan te laten sluiten. Het Altaarstuk van St. Michaël – waarmee de openluchtexpositie begint – hangt bijvoorbeeld aan de buitenmuur van de Oudkatholieke kerk, die is gewijd aan St. Michaël. Het is ook de kerk waar David werd gedoopt.
Een ander voorbeeld is het Oordeel van Cambyses, een tweeluik dat hangt aan de muur van het Stadhuis. Toepasselijk, omdat schepenkamers van 15de eeuwse stadhuizen vaak werden voorzien van schilderijen met als thema de rechtspraak.

Een ander gegeven waardoor deze openluchtexpositie interessant is, is het feit dat verschillende panelen die over de hele wereld verspreid zijn geraakt, hier weer bij elkaar zijn gebracht. Een voorbeeld in dit verband is het Cervana altaarstuk, waarvan onderdelen in Genua en Parijs terecht kwamen. Het bestaat uit zeven panelen, waarvan er uiteindelijk nog twee ontbreken. Dit is overigens een werk waarop de Italiaanse invloed zichtbaar is in onder meer de licht-donkerwerking en een heftiger dramatiek dan op de Vlaamse stukken.

Tot en met 19 september zijn er, naast deze expositie, nog andere evenementen die een bezoekje aan Oudewater de moeite waard maken. Zie: http://www.oudewater750jaar.nl

Viva la libertà

Viva la libertàDe film Viva la libertá wordt in de pers een beetje weggezet als komedie zonder diepgang. Het is de vraag of dit helemaal waar is, en of de kwesties die worden opgeroepen niet gewoon onbeantwoord blijven.
Zo lopen er toch wel opvallend veel lijntjes naar Julius Caesar van Shakespeare.

Julius Caesar wil niet meer naar het Capitool. Hij heeft het, net als Enrico Oliveri die in de film die bij een panel moet verschijnen, helemaal gehad. En zoals politiek assistent Bottini zich afvraagt of hij niet iets moet doen, anders dan Oliveri voor ziek verklaren, zo doen ook de senatoren dat in Julius Caesar. Dat het verhaal daar anders afloopt, is bekend. De achterliggende vraag – is het wel goed dat de macht in handen ligt van een – ziek – persoon -, is dezelfde. De uitwerking is natuurlijk anders.

In de film van Roberto Andò verschijnt een dubbelganger, Enrico’s tweelingbroer Giovanni ten tonele. Hij wordt, in tegenstelling tot Enrico, enorm populair bij de linkse achterban. Zowel Viva la libertà als Julius Caesar gaan onder meer over de macht van het woord. Enrico verbastert tal van filosofische, diepgaande teksten. Zoals een populist betaamt.

Het volk, dat dit allemaal slikt, wordt getoond als een al even anonieme massa als in het drama van Shakespeare. Bij een recente opvoering van Julius Caesar werd ‘het volk’ gesymboliseerd door zes slagwerkers en een drumband. Aan het eind speelden ze, monddood gemaakt, luchtmuziek.
In de film vormt de ouverture La forza del destino (De macht van het noodlot) het Leitmotif. Een opera van Verdi die speelt in het Spanje en Italië (!) van rond 1750. De identiteit van de hoofdpersonen is in de opera onbekend, net zoals niemand weet (of hooguit vermoedt) dat Giovanni in de film niet de echte oppositieleider is.

Dat de release van zowel de film als een opvoering van Shakespeares drama door Het Zuidelijk Toneel juist nu plaatsvinden, lijkt geen toeval. Jammer alleen dat de film niet volhardt in de samensmelting tussen komedie en tragikomedie waarmee het begint. Een samenspel dat Shakespeares werk nu juist zo groot maakt. Maar ja, dan noem je ook wat …