Het fortissimo van Bach en Luther

Tentoonstelling: Luther, icoon van 500 jaar reformatie

Naar aanleiding van deze tentoonstelling in Utrecht, waarin ook aandacht zal worden geschonken aan de Lutherse kerkmuziek, plaats ik hier gedeelten uit een lezing die ik in 2006 in de Amsterdamse Thomaskerk hield voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie.

In Nico Bakkers vertaling De Koninklijke Mens van Karl Barth komt een passage voor over Bachs Matthäuspassion: 

Op haar zuiver muzikaal gehalte wil ik niets afdingen. De Matthäuspassion wil echter een uitleg zijn van de hoofdstukken 26 en 27 van het Matthëusevangelie. In die hoedanigheid kan ze haar hoorders alleen maar op een dwaalspoor brengen. Zij is één enkele, –  in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden: een treurode, die in een regelrecht grafgezang (“Ruhe sanft”) uitmondt, een ode, die niet door de Paasboodschap is bepaald en er zelfs niet door wordt begrensd en waarin het motief “Jezus de Overwinnaar” volledig stom blijft. Wanneer zal het aan de kerk en aan de vele duizenden en duizenden, die de lijdensgeschiedenis van het evangelie enkel in uitgerekend deze versie kennen, duidelijk worden gemaakt dat het hier om aan abstractie gaat en dat dit beslist niet het lijden van Jezus Christus is? (p. 103).

In het boek De beproeving – over de nieuwe bijbelvertaling, onder redactie van onder anderen Ad van Nieuwpoort, staat een interessante bijdrage van Nico Bakker en een reactie daarop door Alex van Ligten, predikant in Sneek. Naar mijn idee geeft Nico Bakker hierin een nadere uitleg van wat Karl Barth volgens hem wil zeggen. De titel van Bakkers bijdrage is al duidelijk genoeg: ‘Opstanding als vertaalmotief’.

De opstanding vormt het afsluitend grondmotief van heel de bijbelse verkondiging. Het staat in 1 Korinte opgetekend in zijn onophefbare vreemdheid en andersheid. De opstanding van Jezus vormt het fortissimo van de bijbelse theologie. De bijbelse theologie vindt haar oorsprong en einde in de verkondiging van de dood en de opstanding van Jezus Christus, de Messias van Israël (…). Bijbelse theologie heeft als zwaartepunt de absurde boodschap van de opstanding van de doden. Zonder de boodschap van de opstanding is het christendom zinloos (…). Opstanding is de kern van de Christusverkondiging (…).
Aldus Nico Bakker in de voetsporen van Karl Barth (p. 65 e.v.).

Alex van Ligten reageert hier aldus op:
Bakker noemt de opstanding van Jezus het fortissimo van de bijbelse theologie. Mijn vraag is: hoe forte is dit fortissimo precies? Kun je niet met evenveel recht en reden de bevrijding uit de slavernij zo aanduiden? En de tocht naar het beloofde land? En de terugkeer uit de ballingschap? Oftewel: is het complete muziekstuk van de ganse heilige Schrift niet te groot en te lang voor slechts één fortissimo? Kunnen er niet meerdere fortissimi zijn? (p. 73).
Ik wil proberen aan te tonen dat het motief van Bachs Matthäuspassion inderdaad een heel ander fortissimo is dan Barth er graag in had willen horen.

Een kleinood in het midden
In de Matthäuspassion staat een kleinood in het midden. Een kleinood die het middelpunt vormt én ook hier het eigenlijke verhaal vertelt: het fortissimo in bijbels-theologische zin. Elke goede uitvoering van de Matthäuspassion zet de schijnwerpers op dit midden – telkens opnieuw word je zo vermaant dít centrum, deze verkondiging op je in te laten werken alsof het hier en nu opnieuw gebeurt, opnieuw geschiedt.
Om tot de symmetrie te komen, ging Bach in het tweede deel van de passion uit van de enige zin in het evangelie van Matteüs die letterlijk wordt herhaald: ‘Laat Hem gekruisigd worden’ (Math. 27:22 en 23). In de Statenvertaling:

Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!

Het architectonische middelpunt in de eerste opzet van de Matthäuspassion bevindt zich precies daartussenin:

  • het koraal ‘Wie wunderbarlich ist doch diese Straffe’
  • een recitatief (‘Der Landpfleger sagte’)
  • het arioso voor sopraan ‘Er hat uns allen wohl getan’
  • en de sopraanaria waar alles om draait: ‘Aus Liebe will mein Heiland sterben’.

(Een arioso is een tussenvorm tussen een recitatief, waarin het evangelieverhaal wordt verteld en een aria, een zangstuk met meer zeggingskracht).

Een kathedraal
Opmerkelijk is dat Karl Barth op het eind van zijn Kirchliche Dogmatik ook een architectonische ruimte ten tonele voert. En al noemt hij het woord kerk, laat staan ‘centraalbouw’ niet, toch licht er iets in op wat ook Bach voor ogen moet hebben gestaan. Maarten den Dulk heeft het in zijn boekje Heren van de praxis, over Karl Barth en de praktische theologie als volgt omschreven:

[Barth] roept onweerstaanbaar de herinnering op aan het interieur van een kathedraal, waar slanke zuilen en een netwerk van ribben het gewelf dragen alsof het zweeft. Hij [Barth] gewaagt met lust van een ‘volkommen Bauwerk.’ De pointe van de metafoor ligt daarin dat – om bewust deel te kunnen nemen aan de ontmoeting met God – er werkelijk een ruimte geconstrueerd moet worden (…). Het beeld wordt als volgt uitgewerkt: de dragende elementen zijn de noties ‘rechtvaardiging’ (als zaak van God) en ‘geloof’ (als reactie van de mens); en het zwevende gewelf is de christologie die wel nagestreefd maar nooit echt bereikt wordt. Het beeld wordt ook weer gecorrigeerd: in deze constructie is het Jezus Christus zelf die vanaf de fundamenten werkzaam is (p. 129).

Voor ons is het jammer dat Barth deze metafoor niet toepast op Bachs Matthäuspassion. Maar dat valt hem natuurlijk niet kwalijk te nemen. Wat hem wél valt aan te rekenen, is een zekere ongenuanceerdheid die uit een opmerking als zou de Matthäuspassion ‘één enkele, – in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden’ zijn. Het gaat te ver om dit in zijn totaliteit te ontkrachten – maar enkele voorbeelden wil ik u tot slot niet onthouden.
Het begint al met het openingskoor: ‘Kommt, ihr Töchter helft mir klagen’, die door Bach in e kl.t. is gezet. Maar … daarbovenuit klinkt het hemelse blauw als van een glassculptuur: ‘O Lamm Gottes, unschuldig’, door Bach gezet in G gr.t.

Deze dualiteit tussen grote en kleine terts wordt door de grote Bachkenner Christoph Wolff in het boekje bij de CD-opname o.l.v. Ton Koopman als zeer wezenlijk beschreven. Het slotkoor lost deze dualiteit dan ook slechts gedeeltelijk op, al staat het in C gr.t. (e-G-C is een drieklank – let op de symboliek!). De echte oplossing komt, aldus Wolff, met de fanfares van de trompetten, twee dagen later in de cantate van Paaszondag. En trompetten zult u in de Matthäuspassion niet tegenkomen.

Een ander fortissimo
Nog een voorbeeld. Dat is het koraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ van Paul Gerhardt op een melodie van Hans Leo Hassler (in het Liedboek voor de Kerken opgenomen als Lied 183). Het komt vijf keer voor. En van die vijf keer slechts één keer in een moll toonsoort – of, in goed Nederlands: kleine terts. Het is zoals Casper Höweler in zijn boekje over Bach’s Matthäuspassion als belijdend geestelijk drama schrijft: ‘Gerhardt en Bach bedoelden geen klacht of ontroering om de dood van Jezus, maar troost en belijdenis, wat veel dirigenten door uitersten van pianissimo en adagio niet tot zijn recht laten komen’ (p. 67).

Vijf keer een strofe van dit koraal – slechts één keer, deze laatste maal, in mineur (a kl.t.). Het doet mij denken aan een schitterende overweging die Marius van Leeuwen, hoogleraar van het Remonstrants Seminarium schreef in het januarinummer 2006 van het tijdschrift Adrem.
Hij neemt daarin het beeld Stadsplan II uit 1948-’49 van Giacometti in het Museum Berggruen in Berlijn tot uitgangspunt (zie afb. hierboven): ‘Je ziet’, schrijft hij, ‘vier lopende mannen. Hun armen bewegen mee met hun loop. De vijfde figuur is een vrouw. Ze staat roerloos, de armen langs het lijf.’  Deze vrouw doet Van Leeuwen denken aan Jezus, van wie wordt gezegd dat Hij ‘gekomen is (…) en mensen liefhad met een enkel woord en soms ook met zijn blik, zijn zwijgen, de vanzelfsprekendheid doorbrak waarmee de mensen hun eigen gang gingen.’  In bijbels-theologische zin is en blijft dit een fortissimo – al is het een ander dan Karl Barth had gehoopt te horen.

 

Licht en leven

Dank zij de Poëzieweek 2017, en alle publiciteit daaromheen, kwam ik op het spoor van de indrukwekkende debuutbundel Leger van Mieke van Zonneveld. Eerder had zij al de Turingprijs in de wacht gesleept met haar gedicht ‘Nee’, dat ook in de bundel is opgenomen.
Het is een bundel die heen-en-weer beweegt tussen leven en dood, ziekte en gezondheid, hemel en aarde, met mooie Bijbelse beelden en tal van verwijzingen naar literatuur en muziek.

 

 

Het langste gedicht heet ‘Exodus’. Op internet valt het al te vinden: https://books.google.nl/books?id=mRrgDQAAQBAJ&pg=PT27&lpg=PT27&dq=de+bomen+hangen+over+ons+met+ogen+van+Zonneveld&source=bl&ots=5EIMfizc7X&sig=5oHpeUQWEvxddR7RzN7ZsdeA3nI&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjYvePrqo_SAhXDLcAKHXgwBgAQ6AEIHDAA#v=onepage&q=de%20bomen%20hangen%20over%20ons%20met%20ogen%20van%20Zonneveld&f=false

Ik volg het gedicht op de voet en probeer eruit te halen wat er misschien in zit.
De titel moge duidelijk zijn: de uittocht, uit Egypte naar het beloofde land, uit het rijk van de dood naar het levende water. Het eerste beeld gaat over mee treurende bomen, ‘met ogen / in hun takken.’ De bomen waaraan de Israëlieten tijdens de ballingschap in Babylonië hun lieren hingen (Psalm 139:2). De ik-figuur in het gedicht ‘ging onder hun blik / gebogen, slofte in de sporen van jouw / zingen zonder woorden.’ Een nigun, een lied zonder woorden, als geneuried en gefloten door de Rattenvanger van Hamelen, die eerst ratten en toen kinderen de dood in lokte.

In het tweede couplet droomt de dode ik-figuur dat zij hangt ‘aan de klanken / die de bosgeest ons verbood.’ Die bosgeest zou kunnen verwijzen naar de Silene Marsyas, een fluit spelende collega van de Rattenvanger.

In het derde couplet is sprake van een doodstraf, en wederom van ogen, die nu overlopen van het beeld ‘van de velden in de verte / engelen in het lentelicht!’ Je ziet een beeld van Elyzeese velden voor je en je hoort in de verte weer een andere fluit: die uit Glucks opera ‘Orfeo ed Euridice.’ Maar de toegang is gesloten, het beloofde land kan wel worden gezien, maar niet betreden.

Het volgende couplet herneemt het beeld uit de Psalmen van de lier die aan de wilgen wordt gehangen, en loopt over in dat van de lier van Orpheus die ‘zucht / om lang geleden liefde / die werd uitgeblust.’ Er zijn kosmische klanken die ‘boven mensenzang verheven / licht en leven is ons woordeloos / gegeven’, zoals eerder de nigun als associatie opkwam, het Lied ohne Worte.

Het laatste couplet gaat over ‘willen liefhebben in alle talen en dat / duizendmaal herhalen.’ In woorden, in muziek. De stem van de hij-persoon in het gedicht wordt herkend als een god, ‘maar menselijk wordt nu zijn stem.’ Het is Hymeneus, de god van het huwelijk. En van de hymnen. ‘O Hymneus hoor / zijn lied.’

Op een razend knappe manier neemt het kosmische besef uit dit lange gedicht een wereldlijke wending. Wat een ontdekking: Mieke van Zonneveld! Een naam om in de gaten te houden, wis en waarachtig.

Een boek als herinnering

Gestolde pijn_DuvekotBij een tentamen Letterkunde dat ik eens deed, was één van de vragen of door veel invulling van een personage (= informatie en emotie) de mogelijkheid tot inleving door een lezer wordt vergroot of juist kleiner wordt. Ik had als antwoord de laatste optie gekozen, terwijl de eerste de juiste keuze heette te zijn. Deze vraagstelling kwam weer boven toen ik het in 2000 verschenen boek Gestolde pijn (zie afb.) van Willem S. Duvekot las. Ik schreef erover in Quadraatschrift (dec. 2001) en herplaats deze bespreking hier in enigszins herziene versie als een In memoriam, omdat Duvekot op 24 februari jl. is overleden. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

 

Eerste deel
Ook, of juist, wanneer het níet om literatuur gaat, wil ik eigenlijk niets weten over ‘het felle licht van de zon op deze dag in de lente’ wanneer de auteur uit de duisternis van het Monument van de kinderen in Jad wasjem in Jeruzalem komt, al snap ik wat hij ermee wil zeggen en staat de ervaring mij ook nog helder voor ogen. Ik wil helemaal niet weten dat je ‘goed moet uitkijken bij het oversteken’ van de Stawkistraat in Warschau, al weet ik dat er in het verkeer ook veel doden vallen. Toch is het een onvergelijkbare grootheid. Ik zou met andere woorden willen dat de pijn van de Sjoah ook in overdrachtelijke zin onder Duvekots pen was gestold, seizoenen en dagelijkse verkeersproblemen voorbij. Ik wil zélf verbanden kunnen leggen die mij alleen maar tussen de regels door worden aangereikt.

Tweede deel
Het ingehouden beschrijven van plaatsen van de Sjoah, meer nog dan de monumenten in de zin van beelden, zoals Duvekot dat met name in het tweede deel van zijn boek heeft gedaan, zegt eigenlijk al genoeg. Hij beschrijft in het tweede deel plaatsen ‘van de pijn – maar zeker ook van de hoop – uitgedrukt in beelden en plaatsen ter nagedachtenis’ in Jeruzalem, Warschau, Treblinka, Krakau en Auschwitz. Beschrijvingen die rijkelijk zijn voorzien van zelf gemaakte zwart-wit foto’s.
Citaten uit boeken van ooggetuigen, zoals in het eerste deel van het boek voorkomen (Herzberg, Kolitz, Wiesel) ontbreken hier nagenoeg geheel. Met uitzondering van indrukwekkende gedichten van Ida Vos. Dit maakt de doorgaande beschrijvingen des te indrukwekkender. Mede door een soms onderkoeld taalgebruik: ‘Binnen een half uur was dit onderdeel van de ontvangst [in het kamp, EvS] afgelopen.’

Epiloog
Een eenheid vormen, omdat ze soms in andere bewoordingen worden hernomen, de theologische explicaties waarmee het hele boek wordt doorspekt. Zoals: ‘Welke verdwazing dan alleen de hoogmoed kan de kerk ertoe brengen dat zij de boodschap van Jezus, die ze beweert te volgen, in haar tegendeel heeft verkeerd!’ Hier is de theoloog aan het woord die onder andere bekend is geworden als redactiesecretaris van het tijdschrift Ter Herkenning. Dit zijn onontbeerlijke momenten van bezinning die – zoals op de achterflap wordt omschreven – bijdragen aan wat het boek uiteindelijk wil zijn: ‘Een goede voorbereiding van een bezoek aan deze monumenten.’ Of, voor wie niet in de gelegenheid is de plaatsen te bezoeken, een poging de be-teken-is ervan duidelijk te maken. En – zou ik eraan willen toevoegen – een boek als herinnering voor hen die al dan niet alle monumenten al hebben bezocht. Want ‘vergetelheid veroorzaakt ballingschap, maar de gedachtenis is de weg naar de verlossing’ (Baäl Shem Tov).

Twee Vlaamse vrouwen

Lieve JorisIk heb een haat-liefdeverhouding tot oorlogsverslaggeving. Die begon op de middelbare school. Voor het eindexamen Engels las ik A farewell to arms van Ernest Hemingway. Een boek van de grote, baardige macho die het er mij eerder om te doen leek de held te willen uitgangen dan dat hij woorden vond voor wat niet te beschrijven valt.

Had ik als overmoedig oordelende puber er weet van dat oorlogsverslaggeving nauw samenhangt met de dood willen tarten? Wist ik veel dat Hemingway later de hand aan zichzelf had geslagen? Misschien had ik dan genuanceerder geoordeeld. Wie zal het zeggen. Een held is Hemingway in ieder geval voor mij niet geworden. Een antiheld overigens evenmin.

Mijn idee van wat een held en wat een antiheld is, veranderde in één klap toen ik op de televisie een interview zag met eerst Els De Temmerman en later Lieve Joris (zie foto) – allebeide geboren na de dood van Hemingway.
Voor mij zijn het helden omdat zij beantwoorden aan de definitie die Susan Neiman aan het begrip gaf: ‘Een persoon die de dood trotseert en datgene doet wat hij juist acht.’

Els De Temmerman begon bij Artsen zonder grenzen, in Soedan. Daarna ging ze aan de slag als correspondent in Afrika. Zo was zij in Rwanda tijdens de genocide, in Oeganda toen er kinderen werden ontvoerd.
Lieve Joris heeft niet alleen Afrika maar ook het Midden-Oosten en later Azië als werkterrein; afgelopen seizoen vertelde ze erover tijdens een inleiding op één van de concerten in de AAA-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest. Volgens Wikipedia heeft ‘Joris veel gereisd door landen waar de situatie vaak niet ongevaarlijk was en heeft haar belevenissen beschreven, waarbij ze een link legt tussen de gebeurtenissen in de levens van de mensen die ze heeft ontmoet en de politiek-sociale en culturele context.’

Lieve Joris geeft geen neo-kolonialistische waardeoordelen, maar probeert te achterhalen hoe volken zelf hierin staan zonder zelf overigens buiten schot te blijven. Dit geeft haar werk, samen met de context die ze biedt, in mijn ogen uiteindelijk een meerwaarde boven dat van De Temmerman.

Blog n.a.v. de 80ste verjaardag van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV) en een literaire avond met Lieve Joris en de Congolese schrijver Fiston Mwanza.  Over schrijven, ballingschap, reizen, passie, armoede en Congo naar aanleiding van de vertaling van Mujila’s debuutroman Tram 83. Aflevering 1 in een nieuwe reeks onder leiding van literatuurcriticus Margot Dijkgraaf. Openbare Bibliotheek Amsterdam, 8 december 2015, 20.00 uur.