‘Muziek als mimiek van God’

Ik wist al dat de filosoof Jos Kessels (1948) van muziek hield en die ook praktiseerde; in de tijd dat ik secretaris was van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB), bezochten de toenmalige voorzitter en ik hem thuis om hem over te halen een deel van een studiedag te verzorgen. Als ik het me goed herinner, deed hij zijn kralenspel met ons. Wat ik niet wist, was dat dit is gebaseerd op de tien sefirot van de Boom des Levens uit de Kabbala. Dat las ik in zijn dit jaar bij Boom verschenen Het welgetemperde gemoed (p. 83).

Jo Van Cauter
Volgens de achterflap vraagt Kessels zich in dit boek af, of je Bachs Das Wohltemperierte Klavier kunt zien ‘als een verzameling essays, zoals die van Montaigne? Als woordloze bespiegelingen over de tempering van het gemoed?’ Die zinnen vind je haast letterlijk terug in het boek (p. 64). Toen ik ze las, moest ik echter eerder aan Spinoza denken met diens ‘kennis van de passies als medicijn voor gemoedsrust’, om de titel van een essay van Jo Van Cauter aan te halen (in: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12 nr. 4, p. 17-32). Een essay dat ik hier naast het boek van Kessels leg.

Kennisleer van Spinoza
Om te beginnen moet worden aangetekend, dat Kessels Spinoza nergens noemt en als uitgangspunt dan ook niet diens kennisleer neemt met de drie soorten kennis (verbeelding, ratio, intuïtie), maar een drieslag uit het Griekse denken: het ware, goede en schone (p. 127). In deze volgorde. Toch doet waar hij gaandeweg op uitkomt mij wel degelijk aan Spinoza denken. Niet alleen aan de soorten kennis zoals hij die in zijn Ethica beschrijft, maar ook aan de Ethica als geheel.

Das Wohltemperierte Klavier
Eerst de gang die Kessels door Das Wohltemperierte Klavier maakt. Hij ervaart ‘muziek primair als communicatie, een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’ (p. 63) en de bundel van Bach als ‘de ontwikkeling van een getemperd gemoed’ (p. 64), ‘enerzijds puur zintuiglijk, anderzijds diepzinnig en van een wiskundige schoonheid’ (p. 84) als beschreef hij de Ethica. Raak is een omschrijving als: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van een componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 124-125).

Zo gaat het van prelude en fuga naar prelude en fuga, vierentwintig keer opnieuw, steeds verder en dieper. Of, zoals Kessels het op een gegeven moment benoemt: ‘In eerste instantie overstelpt door sensaties (…). Daarna (…) ontstond er een beeld van de structuur’ en tenslotte werd in de kern ‘het enige volledige leven blootgelegd’ (p. 193). Ik herken er de drie hiervoor genoemde kennissoorten van Spinoza in: verbeelding, ratio en intuïtie.

Zelfkennis
Zowel bij Spinoza als Kessels (en volgens hem ook Bach) draait het om zelfkennis, om een mensbeeld waarin wordt gezocht naar vrijheid en gemoedsrust (p. 20). Wanneer je, zoals Kessels, muziek als een vorm van communicatie ziet, als ‘een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’, dan heb je de scheidslijn tussen passieve affecten of passies en actieve affecten zoals Spinoza die onderscheidt al overschreden.

De ‘actieve affecten – ook wel handelingen van de geest genoemd – spelen bij Spinoza een belangrijke rol in het streven van de mens naar zoveel mogelijk autonomie, vrijheid en geluk’ (Van Cauter, p. 25). Via de adequate ideeën komt Spinoza bij ‘ware voorstellingen van onszelf en de wereld rondom ons’ (p. 26).

Het mysterie van overgave
Op het eind van het boek komt de auteur, die het rooms-katholieke geloof vaarwel zei, niet uit bij ‘de God van de filosofen en geleerden, maar op (…) het mysterie van overgave aan de bron’ (p. 232). Hij vraagt zich af, of dit ‘zoiets onpersoonlijks als de natuur is of eerder de hand van Iemand wiens beeld en gelijkenis ik draag?’ (p. 233). Hij, en wij zien in, dat dit ‘een fundamenteel verschil is’. De God of Natuur van Spinoza is niet een persoon, niet een Iemand. Toch blijkt waar Kessels uitkomt op waar Spinoza in zijn vijfde deel van de Ethica op uitkomt: geestkracht (stelling 1 t/m 13), God (stelling 14 t/m 20), de Geest (stelling 21 t/m 23) en tenslotte De Gelukzaligheid als Deugd zelf (stelling 42).

Conclusie
Ik ben dan ook benieuwd of Kessels hier ook zou zijn uitgekomen als hij de weg van Spinoza was afgelopen in plaats van die van het ware, goede en schone. Misschien bij wat emeritus-hoogleraar Akke van der Kooi in haar essay ‘Uit de nacht’ in een feestbundel voor collega Rinse Reeling Brouwer, die immers ook over Spinoza publiceerde, omschrijft als voorbij het onderscheid tussen Spinoza’s ‘God-substantie en de God van Abraham’ (Messiaanse exegese, uitg. KokBoekencentrum, 2019, p. 34). Wie zal het zeggen.

Rebekka de Wit – Afhankelijkheidsverklaring

Afhankelijkheidsverklaring / Rebekka de Wit. – Amsterdam : Uitgeverij Atlas Contact, [2019]. – 135
pagina’s : portret ; 20 cm ISBN 978-90-254-5407-4

De bron van deze essaybundel is te vinden in De Wits debuutroman We komen nog één wonder tekort (2015). Hierin zegt de ik-figuur op een gegeven moment: ‘Ik zou een Declaration of Dependence willen schrijven, omdat dat veel minder bezijden de waarheid klinkt en troostender dan de gebalde vuist en de independence‘. Rebekka De Wit (1985) is behalve romanschrijfster en essayiste ook werkzaam als theatermaakster. Het boek bestaat uit drie delen: anekdotes, essays en de bespiegeling ‘En de zee’. Sommige essays verschenen eerder op de Correspondent of in De Gids. Een steeds terugkerend credo is de zin ‘hoe het allemaal in elkaar steekt’. Een zin die vaak door betweters wordt gebruikt om uit te leggen dat iemand naïef is (en daarmee monddood wordt gemaakt) of dat veel te verklaren valt uit het individualisme (een mythe), terwijl het volgens De Wit vooral om samenwerken gaat. De auteur zet aan tot net even anders denken en kijken naar de wereld. Dit boek is een klinkend voorbeeld van essayistiek van dit moment: persoonlijk en vrij. Een boek van een talentvolle en grensoverschrijdend denkende Vlaamse schrijfster dat past binnen de essayistiek van de eenentwintigste eeuw.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik bij de zevende kruiswegstatie

Jezus valt voor de tweede maal

1.
Afgelopen week liep ik op een avond van metrostation Vijzelgracht richting Leidseplein, met als doel onderweg in The Small Museum – twee mededelingenkastjes van de voormalige Vrije Gemeente (thans Paradiso) – pen- en inkttekeningen van Paul van Dongen die deel uitmaken van Troubled Waters, Art Stations of the Cross te bekijken.

De linker verbeeldt het Oordeel (2012), de rechter het Verrijzen (2013, zie afb. links, ontleend aan de website van de kunstenaar). De eerste toont ons volgens de catalogus ‘mensen die vallen, misschien doordat hun een te zware last werd opgelegd’. Het is een choreografie ‘met naakte manfiguren die samen de val, het bestaan zonder vaste grond, de reddeloosheid uitdrukken’. Aan de rechterkant van de deur, in het andere kastje (waarin op het moment dat ik er langs liep het tl-licht overigens kapot was, wat overigens niet deerde), worden mensen getoond die ‘weer opkrabbelen, zoals ook Jezus opstond na zijn val’.

2.
In de loop van de week lees ik in Preludium, het muziekmagazine van Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO, april 2019) een dubbelinterview dat Thea Derks had met dirigent David Robertson en componist Nico Muhly, die allebei meewerken aan een nieuwe theaterproductie van Dood in Venetië naar de novelle van Thomas Mann (4, 5, 7, 8, 10, 11 en 13 april a.s. in Koninklijk Theater Carré). Robertson dirigeert het KCO, Muhly componeerde verbindende muziek.
Muhly heeft het in het interview over Charon (de veerman van de onderwereld), die ‘staat voor de dood en het afdalen naar een steeds diepere duisternis. Het is een cyclus van vierenveertig akkoorden, die steeds in een andere variatie terugkeren (…). Het is alsof je eindeloos naar beneden valt’, net als op het Oordeel van Van Dongen.

3.
Weer enkele dagen later valt mij een recensie-exemplaar toe van de essaybundel Pijnlijk mooi. Lijden en schoonheid in de christelijke kunst (uitg. Skandalon) die ik voor de website 8weekly.nl zal bespreken. Anne-Marie Bos, verbonden aan het Titus Brandsma Instituut, schreef er een bijdrage in over een kruiswegstatie van Titus Brandsma (1942). Bij de zevende statie benadrukt hij volgens haar ‘niet het “weer opstaan”, maar het “weer vallen”.’ De herhaling van de val is, als in de vierenveertig akkoorden van Muhly, de vernedering in de vernedering. Het gaat Brandsma niet, zoals bij Van Dongen, om het Verrijzen, maar over bidden, het ‘ons steeds weer bemoedigen in ogenblikken van zwakte en vlucht van het lijden’.

Toegift
Aan het eind van de week hoor ik een mooie uitleg van het slot van het Bijbelboek Genesis (Gen. 50:22-26). De rouw om de dood van in dit geval Jozef, die blijft staan, terwijl er toch de zekerheid is dat God naar Zijn volk zal omzien en het uit de ballingschap zal voeren. Zoals Van Dongen beide naast elkaar laat staan: het Oordeel en het Verrijzen, de val en de opstanding, terwijl Muhly en Brandsma het bij het vallen houden. In de wetenschap dat er nog meer komt, dat er nog meer staties volgen. Zo vervolg ook ik mijn route langs de staties die deze veertigdagentijd in Amsterdam zijn te zien.

www.thesmallmuseum.nl
http://paulvandongen.com/
www.artstations.org
www.skandalon.nl

Sleutelroman of niet?

Wormen en engelen van Maarten van der Graaff (1987) behoort tot de vijf genomineerde boeken voor de Anton Wachterprijs 2018. De uitreiking vindt op 10 november a.s. plaats in de Grote Kerk te Harlingen. Ik las het boek begin van dit jaar voor een leesclub. De bijeenkomst zelf kon ik helaas vanwege een bronchitis niet bijwonen. Onderstaand een uitwerking van de aantekeningen die ik al lezend maakte – dus niet een voldragen recensie, maar een opwarmertje die naar ik hoop de lezers van deze blog er toe aanzet dit geweldige boek te gaan lezen. Met aanvullend een vergelijking tussen het boek en The Garden, een compositie van Richard Ayres (1965) die 14 september jl. door het Asko|Schönberg werd uitgevoerd in het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ.

Maarten van der Graaff
De achterflap vermeldt dat de auteur opgroeide ‘in een gereformeerd gezin op Goeree-Overflakkee’ en voor zijn dichtbundels Vluchtautogedichten de C. Buddingh’-prijs won en voor Dood werk de J.C. Bloem-poëzieprijs. Wormen en engelen is zijn romandebuut. Het is – aldus nog steeds de achterflap – ‘een eigentijdse zoektocht naar de betekenis van geloof, geschreven in het kraakheldere proza van een van de meest getalenteerde auteurs van nu’.

Wormen en engelen
Het boek vertelt over de gereformeerde Bram Korteweg die in Utrecht studeert, ver weg van zijn Zeeuwse ouderlijk huis. Op het moment dat zijn vader zich laat dopen en zijn vriend dominee wordt, komen er vragen boven. Wat kunnen zij in het geloof vinden dat hij zelf er niet meer in vindt?
Het boek is geen afrekening met het geloof, zoals dat van schrijvers van een eerdere generatie als Maarten ’t Hart en Jan Wolkers, maar eerder – net als bij generatiegenoot Franca Treur (ook uit Zeeland trouwens) – een zoektocht om er op een of andere manier dichterbij te komen.

De auteur beschrijft deze zoektocht door het eiland in Zeeland centraal te stellen, door de overkant op te voeren en het strand – dit geeft symbolisch een weg aan: los staand, reikend en vaste grond (wat heet) onder de voeten hebbend. Alle drie gebeurt door middel van citaten. Het eiland wordt verwoord door Broeder Dieleman in ‘Omer Gielliet’ (Uut de bron), de overkant door Bruce Boone (uit Century of Clouds) en het strand door Pier Paolo Pasolini.

Ze zijn alle drie tekenend, net zoals het kenmerkend is voor de stijlkaart waaruit het boek bestaat. Het is een roman die bestaat uit e-mails, dialogen, beschrijvingen, essays (over Franciscus van Assisi en Simone Weil), verwijzingen naar andere boeken (Chris Kraus, Valeria Luiselli) en dus citaten. Achterin het boek zijn twee pagina’s verantwoording opgenomen.

Ik vermoedde er zelfs een sleutelroman in. Wilfried, een oudere man die in een woongemeenschap leeft en de gemoederen van Bram ook nog eens bezighoudt, heeft al dan niet toevallig de trekken van Gerard Peter Freeman, die ook in Utrecht studeerde en zijn aandacht in het bijzonder richtte op Clara van Assisi. Of dit zo is, ben ik door afwezigheid bij de boekenclub (waar Maarten van der Graaff ook zelf bij was) niet te weten gekomen. Het is aan de lezers van het boek om op zoek te gaan. En dat heeft ook wel  wat, dingen open laten.

The Garden van Richard Ayres
Op de een of andere manier doet dit weer bezig zijn met het boek van Maarten van der Graaff denken aan No. 50 (The Garden) van Richard Ayres. De compositie is om te beginnen formeel net als het boek van Van der Graaff een staalkaart. Inhoudelijk is het net als de roman een innerlijke reis die symbolisch wordt vormgegeven. Een man springt in een gat in zijn achtertuin en gaat op weg naar de hemel. Dante komt uiteraard voorbij, maar ook Jeroen Bosch en Shakespeare. En – jawel! – een worm. De worm werd getoond in de visualisatie van videokunstenaar Martha Colburn. Joshua Bloom was tijdens de uitvoering de zanger, Bram Korteweg zeg maar, die de bezoekers meenam op zijn tocht. Het kan geen toeval zijn – maar iets dat je toevalt. Boek en muziek.

Maarten van der Graaff, Wormen en engelen. Uitg. Atlas Contact. ISBN 9789025449704. € 19,99

Joden en het huis van Oranje

Joden en het Huis van Oranje : vier eeuwen geschiedenis, kunst en cultuur / onder redactie van Julie-Marthe Cohen en Bart Wallet ; auteurs Vivian B. Mann, Wim Klooster, Tirsah Levie Bernfeld, Adri Offenberg, Paulien Post
; vertaling Caroline Godfried ; fotografie Peter Lange. – Zutphen : WalburgPers, [2018]. – 208 pagina’s : illustraties ; 29 cm. – Uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Joden en het Huis van Oranje : 400 bewogen jaren’ in het Joods Historisch Museum van 18 april tot en met 30 september 2018.

Terecht luidt de titel van deze catalogus bij een tentoonstelling in het Joods Historisch
Museum (JHM) in Amsterdam niet ‘De joden en het Huis van Oranje’, want ‘de’ joden
bestaan niet. Joden vormen een diverse groep in de Nederlandse samenleving. De
Oranjes hebben zich meer dan vierhonderd jaar ingezet om de relatie met de joodse
gemeenschap zo goed mogelijk te laten zijn. Onder redactie van Julie-Marthe Cohen,
conservator bij het JHM en Bart Wallet, historicus, laten verschillende auteurs zien dat
dit soms lukte en soms niet. Kantelpunten waren in negatieve zin de houding van
koningin Wilhelmina tijdens de Tweede Wereldoorlog, die haar in joodse kring nog
steeds kwalijk wordt genomen, en van Prins Claus in positieve zin. Van het eerste
getuigt ook het recente boek Wilhelmina van Gerard Aalders. Naast de essays is veel
plaats ingeruimd voor ruim driehonderd afbeeldingen van uitingen in kunst en cultuur,
met toelichtingen onder de titel ‘Inkijkjes’. Met tijdlijn, verklarende woordenlijst,
aanbevolen literatuur en oranje leeslint.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Onszelf voorbij

Onszelf voorbij : kijken naar wat we liever niet zien / Lisa Doeland, Naomi Jacobs en Elize de Mul. – Amsterdam : Uitgeverij De Arbeiderspers, [2018]. – 203 pagina’s ; 20 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-295-0677-9

Drie jonge vrouwelijke promovendi filosofie ‘onderzoeken of het mogelijk is om een
intiemere relatie op te bouwen met de ambiguïteit, monsterlijkheid en chaos in de wereld – en in onszelf.’ De eerste, Naomi Jacobs, zoekt het in het toelaten van
onzekerheid die ruimte laat voor zowel hoop als handelen, voor het onbekende als alternatief voor de schijnzekerheden van optimisme en pessimisme. De tweede auteur, Elize de Mul, gaat na wat de effecten zijn van bijvoorbeeld selfies op sociale media. Zijn die een uiting van narcisme of toch van iets anders? Bijvoorbeeld van het tegenovergestelde van de onzekerheid die Jacobs bepleit: ‘een vorm van troost en zekerheid dat we onszelf zullen overleven.’ De derde en laatste schrijfster, Lisa Doeland, vestigt de aandacht op tragedies die nu plaatsvinden, zoals de vervuiling van de Aarde en de oceanen en – ook hier – onze ‘steeds hardnekkiger zoektocht naar […] zekerheid’, die paradoxale vormen aanneemt. Voor lezers die inzicht en een perspectief willen krijgen op hedendaagse problematiek. Drie helder geschreven,
relevante essays over hedendaagse problematiek die een welkome aanvulling vormen
op meer historisch georiënteerde literatuur.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De onzichtbare stem

In de laatste aflevering van de televisieserie Made in Europe (afgelopen zondag) waren beelden te zien van Dimitri Verhulst die in Boedapest sprak met de schrijver György Konrád. Naar aanleiding hiervan herplaats ik hier een boekbespreking van één van Konráds boeken, De onzichtbare stem, zoals die eerder in Quadraatschrft verscheen (juni 2001).

Nooit zal ik een studiedag over Tolerantie en ontmoeting in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk (1992) vergeten. Rabbijn Awraham Soetendorp wijdde, ondanks het feestelijke thema, lang en breed uit over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. De toenmalige directeur van het Joods Historisch Museum, Judith Belinfante, merkte op dat hij nooit mocht vergeten wat er bijvoorbeeld in het Spanje van Alfonso el Sabio mogelijk was gebleken: het vredig samenleven, of op z’n minst naast elkaar leven, van joden, christenen en moslims. Twee meningen na(as) elkaar.

Het is György Konrád (zie foto) die in zijn essaybundel De onzichtbare stem eerst ook de kant van Soetendorp op lijkt te gaan: ‘De joodse geschiedenis’, schrijft hij, ‘bestaat louter uit herinneringen aan regelmatig terugkerende epidemieën van jodenvernietiging.’ Maar uiteindelijk vermag hij beide visies, van Soetendorp en Belinfante, te verbinden: ‘Een Duitser kan niet uitsluitend Goethe en Beethoven uit het Duitse verleden pikken (…). Een erfgoed aanvaarden betekent ook de bereidheid hebben om te lijden onder de herinnering.’ In die volgorde, wil je jood én als Hongaar (‘dubbele rampspoed’) kunnen leven – en omgekeerd: lijden onder de herinnering én vreugdevol zijn, wil het geweten van een zondaar brandend blijven. Enkele voorbeelden mogen verduidelijken hoe deze dubbelslag in het boek als totaliteit en in enkele van de twaalf essays in het bijzonder doorwerkt.

Spinoza
Konrád uit bijvoorbeeld eerst zijn bewondering voor Spinoza die hij – in tegenstelling tot Nederlandse Spinozakenners als Klever en Krop – als seculiere jood beschouwt. Dan werkt hij als in een dialoog met Spinoza een visie uit. En zelfs daarin zit een dubbelslag, van in dit geval lot en keuzevrijheid: ‘De mens is door zijn lot bestemd om te beslissen, om elke dag van zijn leven te beslissen over wat goed en slecht is.’ Uiteindelijk komt Konrád, net als Spinoza, uit bij de staat; Konrád houdt niet op te betogen dat de liberale democratie volgens hem de enige voor joden en Hongaren veilige staatsvorm is.

Koning David
Het tweede voorbeeld, van een geweten van een zondaar dat brandend blijft, treffen we aan in een essay onder de titel ‘Nader tot David.’ Daarin stelt Konrád dat het ‘niet mogelijk is om alles wat gebeurd is uit te wissen, we dragen het met ons mee al vieren we feest.’ David ‘is degeen die aan verzoekingen weerstand moet bieden en in zonde vervalt, hij is ook degeen die het boetekleed aantrekt en straf ondergaat, hij is verliefd en doet aan veelwijverij, hij is barmhartig en genadeloos.’

Auschwitz
In het essay over koning David gaat ook Konrád, net als Awraham Soetendorp, niet aan Auschwitz voorbij. ‘De mens draagt God met zich mee, maar kan zich er niet mee vereenzelvigen. Hij duwt Hem ver genoeg van zich af om een vurige intimiteit met Hem te vermijden. Maar Hij blijft in de buurt zodat men zich nergens zal kunnen verschuilen. Dit dubbele verstoppertje spelen duurt tot in eeuwigheid – soms is het Adam die zich voor de Heer verbergt, soms is het de Heer die zich verstopt, wellicht achter de rooksluiers die opstijgen uit het crematorium.’ Konrád schreef dit in 1997 en het klinkt meer overwogen dan wat hij bijna tien jaar eerder schreef over ‘de God die zelfs de zuigelingen in de gaskamers niet te hulp kwam.’

Europees
Konrád staat met deze mening niet in de traditie van een Elie Wiesel maar laat een eigen Midden-Europees geluid horen met – kenmerkend voor meer denkers uit Midden-Europa – een opvallend positieve houding ten aanzien van het Europese gedachtegoed. Ja, Konrád schrijft zelfs dat ‘het bijvoeglijk naamwoord “Europees” een sympathieke en reële betekenis begint te krijgen.’
Iedereen die zich hiermee en met de dialoog jodendom-christendom verbonden weet zou, zonder dat hij/zij uiteraard met alles hoeft in te stemmen, van zijn indrukwekkende essays kennis moeten nemen.

 

György Konrád – De onzichtbare stem. Essays. Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2001 (ISBN 90 5515 257 9).

 

Alicja Gescinska – Allmensch

Allmensch : van middelmaat tot meesterschap / Alicja Gescinska. – Gent : Academia Press, [2016]. – 39 pagina’s ; 18 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-382-2636-1

Als eerste in een nieuwe Vlaamse reeks boekjes over literatuur en filosofie in zakformaat, verschijnt een essay van de jonge filosofe Alicja Gescinska, die ook bekend werd door haar roman Een soort van liefde (2016). Het begrip ‘Allmensch’ is afkomstig
uit het denken van de Duitse filosoof Max Scheler en verdient volgens Gescinska een nieuw leven. Bedoeld wordt ‘een mens die zijn essentiële vermogens om goed te doen maximaliseert en dus de spanning tussen wat is en wat zou moeten zijn minimaliseert’. Voor zichzelf en voor de wereld. De Allmensch kijkt niet voldaan terug, maar vooruit onder het mom van wat blueslegende B.B. King omschreef als ‘You can always do better’, het adagium ‘plus est en vous’ van de jezuïeten en het Hebreeuwse begrip timshel (vrijheid, verantwoordelijkheid, bestemming van de mens). Een in heldere taal geschreven, betekenisvol pleidooi dat ieder weldenkend mens zou moeten aanspreken en aansporen het beste uit zichzelf te halen ten gunste van de samenleving.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De wilde jaren

van-aken_de-wilde-jarenIn ‘mijn’ bibliotheekfiliaal staat een zogenaamde Weggeefkast. Af en toe neem ik er wel eens een boek uit mee, en een enkele keer zet ik er ook wel eens wat in terug.
Onlangs viel mijn oog op een oude ABC-pocket: De wilde jaren van de Vlaamse schrijver Piet Van Aken. Nu ben ik sinds een verregende vakantie, jaren geleden in Brugge waarin ik wat boeken van Vlaamse auteurs kocht, verslingerd geraakt aan Vlaamse literatuur. Dus ik keek niet verder dan de achterflap en dacht: ‘Pak, ik heb je!’
Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, maar hier ligt het toch een beetje anders: moet ik degene die het boekje hier achterliet nu dankbaar zijn of juist niet? That ’s the question.

De eerste zin van het boek gaf me meteen al een klap in het gezicht: ‘De Jood hoorde de woorden maar scheen ze niet te begrijpen.’ Het gaat om een juwelier (zou het boek in Antwerpen spelen?) die wordt beroofd. Het ene sjabloon buitelt over het andere: de man gebaart druk, is vast gekoppeld aan zijn vrouw (‘zij koppelen als konijnen’, wat me overigens een contaminatie lijkt), joden zijn lijdzaam, ‘het is geen zonde een mozes koud te maken, niet voor een goed gelovige’ en ga zo maar door.

Af en toe schemert er ook een ander wereldbeeld door: bij de ik-figuur hadden twee joodse kinderen, Yudi en Rebecca, ondergedoken gezeten, die echter door de oorlog (!) werden weggehaald. ‘Nadien werd nooit meer over hen gesproken.’ Ook de moeder van de hoofdpersoon, Bennie, ‘was door de Duitsers weggevoerd.’

Ik ga zo twijfelen aan de bedoelingen van Van Akens personages en aan die van de schrijver zelf, die ik alleen van naam kende en van wie ik zover als ik me herinner nooit eerder iets las, al hoort hij volgens de achterflap van deze uit 1963 daterende pocket (zie foto) al dan niet terecht thuis in het rijtje ‘van de werkelijk belangrijke Vlaamse romanschrijvers als Elsschot, Walschap, Gijsen, Boon en Claus.’

Een raadgeving van Arjen Fortuin, één van de docenten tijdens een Masterclass Recenseren afgelopen herfst in Utrecht indachtig, ga ik nog niet op zoek naar informatie over de schrijver en/of deze titel.
Eerst nog maar even verder lezen. Over een ‘enggeestig dorp’, sigaretten van eigen bodem en de vader van Bennie die in zijn leven slechts één boek had gekocht: ‘Over de gruwelen in concentratiekampen.’ Maar dat was volgens zijn zoon loutere een uiting van ‘perverse wellust van de masochist.’

Hier is een schrijver aan het werk geweest die zijn personages aan de ene kant anti-joodse ideeën in de mond legt, en aan de andere kant ze daar ook weer aan laat twijfelen.
Op internet is niet al teveel over Van Aken te vinden. Ik lees dat hij gedurende de Tweede Wereldoorlog publiceerde in Westland, ‘een tijdschrift opgericht door de bezetter, dat ook antisemitische teksten publiceerde naast relazen van het Oostfront.’[1]
In het boek over Nederlandstalige letterkunde dat wij op de middelbare school gebruikten, Schets van de Nederlandse letterkunde van De Vooys en Stuiveling, valt daar niets over te vinden. Wel over het feit dat in Van Akens werk ‘landschap en volksaard belangrijke factoren zijn’ en er sprake is van ‘moeilijkheden van nieuwe aanpassing in het na-oorlogse België.’

Een andere docent bij de Masterclass Recenseren, Jaap Goedegebuure indachtig, sluit ik deze blog af met een essayistisch stukje; volgens hem moet een recensie een klein essay zijn. Daarbij is de context van het moment waarop ik deze pocket las onontbeerlijk. Op hetzelfde moment is namelijk in de pers commotie over het oorlogsverleden van de Duitse filosoof Martin Heidegger. In zijn geval is misschien het ergste dat hij zijn lovende woorden over Hitler en zijn kwade woorden over joden nooit heeft teruggenomen.
Over Van Aken, wiens personages overkomen als twijfelaars die misschien ooit hun wilde jaren achter zich laten, zal ik geen oordeel vellen. Wel ben ik degene die het boekje van hem in de Weggeefkast van mijn bibliotheek zette uiteindelijk, na ook wat getwijfel, dankbaar; het zette aan het denken. En dat is wat literatuur kan doen.

[1] De levensschets van Van Aken zelf die Ed Popelier citeerde (in de reeks literaire monografieën onder de titel Ontmoetingen, 1972) springt van de middelbare school direct over naar de tijd na de Tweede Wereldoorlog. In de beschrijving van de roman gaat Popelier ook geenszins in op de anti-joodse elementen erin. Hij gaat wel in op de al dan niet vermeende fascistische tendensen in Van Akens De verraders.

Ontroerend mooi

ad-dekkers_vierkant-met-sektorHet was me een weekje wel. Vol ‘zwelgen in eigen zaligheid’, ‘zelffeliciterend opschrijven’ en ‘zelfgenoegzaamheid.’ De Groene Amsterdammer van vandaag lijkt het in verschillende artikelen allemaal op een rijtje te zetten. En toch is dat niet het hele verhaal. Want de week begon met een concert met werken van Bach, waarover vrienden van mij verslag deden. Met een tegenovergestelde ervaring.

Maar eerst dat rijtje arrogantie dat terugkomt in verschillende artikelen in het weekblad. Om te beginnen natuurlijk dinsdag – met de Troonrede als ‘een onverkwikkelijk partijtje zwelgen in eigen zaligheid’, zoals Ewald Engelen het al voorspelde. Vervolgens heeft recensent Joost de Vries het in zijn recensie over John Le Carré’s De duiventunnel: Verhalen uit mijn leven over ‘net iets te zelffeliciterend’ opgeschreven verhalen. Ook Jan Postma heeft het in zijn bespreking van de bundel essays Vertrouwde en vreemde dingen over het boek van Teju Cole dat ‘een vervelende nasmaak van zelfgenoegzaamheid’ achterlaat. En dan hebben we ’t nog niet eens gehad over de rubriek ‘Kijken’ waarin Rudi Fuchs het tot vervelends toe over ‘mijn tentoonstelling’ heeft, terwijl het toch echt om de overzichtstentoonstelling met werk van Ellsworth Kelly in Museum Voorlinden (Wassenaar) gaat. Ja, hij was de curator hiervan. Niet meer maar ook niet minder.

Gelukkig zijn er nog andere verhalen. Ook in het boek van Cole, die het heeft over ‘Bach, die zo door en door menselijk is.’ Ton Koopman zou het zo in zijn mond hebben kunnen nemen. De dirigent die afgelopen zondag werk van hem dirigeerde in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ. Vrienden berichtten: ‘We zaten buiten de zaal te wachten, de zaal was nog dicht, TK kwam aanlopen, had waarschijnlijk de artiesteningang niet gevonden en vroeg aan de suppoost nadat hij ons goedemiddag had gezegd, mag ik even door deze deur naar binnen, allemaal heel low-key, niet de entree van een beroemdheid.’ Om te concluderen: ‘Je krijgt echt het gevoel dat Koopman zonder zelf nog van alles te willen gewoon die muziek tot leven wil brengen. Echt heel geweldig.’

Bach maakt bescheiden. En misschien is het de Carré’s, Coles en Fuchsen op een ander moment ook gegeven om achter zichzelf te verdwijnen, al schrijft Postma iets over ‘de omvang en complexiteit van Cole’s gaven – alsook zijn grootste zwakte, de manier waarop hijzelf zijn grootste vijand lijkt te zijn.’
Ik kijk naar een afbeelding bij het artikel van Fuchs over ‘zijn’ Kelly-tentoonstelling: Vierkant met sektor (zie afb.) van Ad Dekkers. Op een vierkant zien we een reliëflaag. Een ingewikkelde constructie, die Fuchs omschrijft als ‘een zacht gebogen lijn van een schaduw.’ Ontroerend mooi. Zo moet ook Bach in het Muziekgebouw hebben geklonken.