De draad van Ariadne – De Parijzenaar van Isabella Hammad

Afgelopen tijd las ik, net als de andere volgers van de NRC Twitterleesclub van Bas Heijne, de debuutroman De Parijzenaar, of, Al-Barisi van Isabella Hammad in een vertaling van Gerda Baardman en Jan de Nijs (uitg. Ambo|Anthos).

Omdat ik het niet chic vind, om daar een recensie over te schrijven – niet voor Literair Nederland en niet op mijn blog –, had ik eerst het idee om een paar draadjes uit deze roman los te trekken en beschrijven, maar die draad wordt eigenlijk al in de titel gegeven en is niet origineel. Daarom kies ik ervoor, om achter elkaar enkele citaten weer te geven die me om verschillende redenen hebben geraakt; de lezer kan er dan zelf, als Ariadne, een draad uit trekken en wordt misschien aangespoord om het boek óók te gaan lezen.

Deel een
‘De voorspellingen van Tèta behoedden niemand ergens voor, want ze wist op het moment zelf nooit wat ze betekenden en werd louter geplaagd door de gave van de terugblik’ (p. 27).

‘Ik luisterde heel aandachtig naar hun argumenten en naar hun discussies na college. Ze leunden op een bepaalde filosoof en regen de zinnen aan elkaar, en ik begreep dat het alleen maar taal was en niets met het leven te maken had. Van het leven wisten ze niets’ (p. 109).

‘Volgens mij zijn wij ervan overtuigd dat het leven zin heeft en worden we voortgedreven door de wil om erachter te komen wat die zin is. Hetzelfde geldt voor zaken uit het verleden als ze belangrijk voor ons zijn’ (p. 113).

‘De zomer stond in volle bloei’ (p. 139).

Deel twee
‘Elk kledingstuk werd aangepast aan de wensen van de klant en die veranderingen werden dan bij de volgende bestelling vaak ook weer toegepast. In Midhats ogen zagen die stilistische compromissen eruit als fouten’ (p. 259).

‘Antoine kende de klokkentoren goed. Hij stond bij de Jaffapoort, een overblijfsel uit de tijd van de oude sultan (…). Naar verluidt was hij gebouwd toen men de westerse tijdrekening overnam, ten teken van de moderniteit van de sultan’ (p. 331).

‘In de trein wisselde Tèta het gebruikelijke ritueel van afstandelijk gebed af met een heel nabij soort agitatie die te zien was aan haar handen, die ze met gestrekte vingers heen en weer bewoog alsof ze op de tamboerijn speelde’ (p. 361).

Deel drie
‘Hij herinnerde zich zijn jonge jaren als student, geheel in beslag genomen door het drama van zijn “ballingschap” in Parijs (…), bezeten van het idee dat het belangrijk was om te discussiëren met het doel verder te komen (…). En nu, door de arak nauwelijks tot spreken in staat, glimlachte hij mompelend naar zijn neef en landgenoten. Dat was zijn leven niet’ (p. 419).

‘De fellahien [boeren] hebben een voorliefde voor plaatselijke heiligen, `awliyè en leiders die niet halal zijn. Maar zo rekkelijk en veranderlijk zijn de wetten nu juist aan de randen van de islamitische wereld’ (p. 454).

‘Die premisse had eruit bestaan dat Nablus, afgeschermd van de wereld door Ebal en de Gerizim, bepaalde eigenschappen van barnsteen bezat: aanvankelijk vloeibaar, maar uitgehard tot een conserveermiddel waarin voor het nieuwsgierige oog een gestolde kern viel waar te nemen’ (p. 471).

‘Hij was twee mensen: de ene hier, de andere daar, die andere, jong, slank, argeloos, niet toegerust voor de strijd’ (p. 491).

‘Hij zou zich gemakkelijk van “de Parijzenaar” kunnen distantiëren, want dat was hij zelf niet, het was een personage dat hij graag speelde’ (p. 529).

‘”God”, zei hij en hij hief de hand ten afscheid. Hij maakte de zin niet af’ (p. 574).

Zo achter elkaar, zie ik niet alleen dat Isabella Hammad een prachtige boog, een schitterende opbouw in haar eersteling aanbracht, maar óók dat het onderliggende thema van de roman (een historische roman over het Midden-Oosten) een Oecumenisch Leerhuis verving, dat door de maatregelen ten gevolge van de coronacrisis geen doorgang kon vinden. Drie leerhuismiddagen over ‘Joden en Israël, Palestijnen en Palestina’ met  Anton Wessels, Janneke Stegeman en Wilken Veen. Jammer – maar literatuur kan zoveel méér zeggen dan inleidingen en discussie na de pauze.
Dat leerhuis wordt vast wel weer opnieuw aangeboden, maar dan draag ik de inhoud van de roman vast als geestelijke bagage met me mee. En helaas de verdrietige wetenschap dat één van de organisatoren van het leerhuis, Piet Alberts, gisteren aan het coronavirus is overleden. We zullen hem dan gedenken alvorens we ons in de in deze roman al aangesneden thematiek verdiepen.

Maarten van Buuren – Spinoza : zijn filosofie in 50 sleutelwoorden

Spinoza : zijn filosofie in 50 sleutelwoorden / Maarten van Buuren ; met een voorwoord van Steven Nadler ;
vertaling voorwoord [uit het Engels] Maarten van Buuren.  – Amsterdam : Ambo|Anthos, [2019]. – 385
pagina’s : illustraties ; 22 cm. – Met index. ISBN 978-90-263-3763-5

De titel van dit boek doet denken aan Robert Misrahi’s 100 woorden over de Ethica van Spinoza (2007), waarop Van Buuren zich overigens niet beroept. Zijn scope is zowel breder (het gehele werk van de filosoof) als smaller (vijftig sleutelwoorden). Van Buuren schreef al eerder over Spinoza en vertaalde tevens diens Ethica (2017), waarop dit
boek als een toelichting kan gelden. Zijn boeken heten bedoeld te zijn voor zowel beginnelingen als kenners van Spinoza’s werk. Voor beginnelingen beperkt Van Buuren zich echter te weinig tot de essentie en zijn de lemma’s daardoor soms onnodig moeilijk. Voor kenners is een vergelijking tussen Van Buuren en Misrahi interessant; beiden komen maar al te vaak ergens anders uit, zodat het soms lijkt of ze een verschillende Spinoza lezen. Dit is overigens kenmerkend voor de gehele Spinozawetenschap. Het onderhavige boek zal – net als dat van Misrahi – vooral dienst kunnen bewijzen als naslagwerk bij het zelf lezen van Spinoza’s niet gemakkelijke werk. Het boek Spinoza in 107 vragen & antwoorden (2015) van Jan Knol zal een breder publiek
van dienst kunnen zijn.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De dood is een filosoof

Hürter_Dood is een filosoofDe dood is een filosoof : hoe een val van een berg mij de zin van het leven liet inzien / Tobias Hürter ; vertaald uit het Duits door Marten de Vries. – Amsterdam : Ambo/Anthos, [2014]. – 166 pagina’s ; 20 cm. – Vertaling van: Der Tod ist ein Philosoph. – München : Piper Verlag GmbH, © 2013. ISBN 978-90-263-2791-9

De Duitse filosoof en wiskundige Thomas Hürter gaat in dit boek in op wat hij noemt ‘een andere manier van voortleven’ na een val van 37 meter in de bergen. Hij doet dit vanuit een cultureel-filosofisch, fysiologisch en metafysisch perspectief. Hij begint bij Homerus’ Ilias en het verhaal van Gilgamesj, dat hem leerde deemoedig te zijn. En hij eindigt bij hedendaagse filosofen als John Leslie en Mark Johnston die in Nederland bij het grote publiek niet echt bekend zijn. Het is geen al dan niet modieus spiritueel verhaal dat de auteur vertelt, maar voornamelijk beschrijvend. Vaak in een poëtische taal, en soms van de lezer ook doorzettingsvermogen vergend. Hürter geeft een correctie op het huidige hersenonderzoek dat stelt dat ik mijn brein ben (Dick Swaab en anderen). Het ik is méér, onder andere een in het geval van Hürter deels verlamde rechterhand.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen. Geplaatst in week 32 (2014).