Mystiek, mystiek en nog eens mystiek?

Ik ben het type dat veel voor- én veel napret kent. Zo verheug(de) ik mij op het Human Café met dichter/filosoof Henk van der Waal (‘Van verwondering naar mystiek’) op 18 november jl., op een Muziekdag precies een week later in de Keizersgrachtkerk met de componist Christiaan Verbeek, die zich liet inspireren door het gedicht ‘Aan het grensland’ van Rutger Kopland, en tenslotte op een  avond van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) op 11 december a.s. met emeritus hoogleraar Martien Brinkman over de aardse mystiek van diezelfde dichter, die hij ook besprak in zijn boek Dicht bij het onuitsprekelijke.

Spinoza als leidraad
In de aankondiging van het Human Café stond, ‘dat iemand als Spinoza laat zien hoe (…) we via waarneming (onderstreping van mij) en kritische reflectie intuïtieve kennis kunnen verwerven’. Een omschrijving die doet denken aan de drie kennissoorten die Spinoza in zijn Ethica beschrijft: verbeelding, ratio en intuïtie.

En als ik in zo’n stadium van voorpret verkeer, dan valt me opeens meer toe dat daaraan doet denken. Bijvoorbeeld de uitleg die ds. Trinus Hibma op St. Maarten in de Nieuwendammerkerk gaf van Marcus 12: 28-34: ‘En Jezus, ziende, dat hij [d.i. een schriftgeleerde, EvS] verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods’ (vers 34). Het gaat mij in dit verband om het ‘verstandig geantwoord had’ – de ratio bij Spinoza, een richting waarin Hibma ook leek te denken, al zal hij het nooit zo omschrijven; het moet voor iedereen begrijpelijk blijven en de goede verstaander heeft aan een woord genoeg. Mooi als je dat kan. Het ‘ziende’ zou je als de imaginatio bij Spinoza kunnen zien, maar dat zei of zover ging Hibma niet; hij duidde het meer op de manier van Levinas: de a/Ander aanzien en zo ten diepste (h)erkennen. Dat Levinas niet veel met Spinoza op had, is bekend … Tot zover.

Voorpret Kopland
Ter voorbereiding op het leerhuis van LATE trok ik vervolgens wat dichtbundels van Kopland uit de kast. Bijvoorbeeld Dit uitzicht (1982), dat vooraf gaat door een motto van Alberto Caeiro, een van de pseudoniemen van Pessoa:

God zij dank dat stenen slechts stenen zijn,
Een bloemen alleen maar bloemen.
Ik ben tevreden,
Omdat ik weet dat ik de Natuur begrijp aan de buitenkant,
En haar niet begrijp van binnen,
Want de Natuur heeft geen binnen;
Anders was zij geen Natuur.

Die stenen en die Natuur doen natuurlijk ook – ik ga nog even in dit spoor door – aan Spinoza denken; stenen zijn bij hem immers, net als bomen (bloemen bij Caeiro) modificaties van de ene substantie God/Natuur (Deus sive Natura).

Brinkman gaat in zijn boek nog op een ander gedicht van Kopland in waarin Caerio’s idee van ‘buiten’ voorkomt:

de lijnen van de bergen, eindelijk stilgelegd,
zoals het daar was, het moment dat ik
uit het zicht verdween, iets
dat er is buiten mij.

Brinkman concludeert dan dat het ‘buiten mij’ niets met transcendentie heeft te maken.
Er is een blogger tenslotte die stelt dat Koplands gedichten – meer dan het motto van Caeiro – Spinozistische trekjes vertonen (Leon, 13 januari 2007). Hij doet dit onder verwijzing naar de volgende dichtregels (uit Verzamelde gedichten):

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is …

Herinneringen kunnen echter ook tot verdriet leiden en je kunt je tevens afvragen, of herinneren bij Spinoza niet eerder behoort tot de eerste kennisvorm die ik eerder noemde (imaginatio), maar dit voert hier te ver.

Voorpret Muziekdag
Terug naar Kopland. In september jl. interviewde ik Christiaan Verbeek, die het volgende zei over zijn compositie naar aanleiding van het gedicht ‘Aan het grensland’ van Kopland: ‘Aan het grensland staat voor mij tussen het aardse en het religieuze in. Een gebied waar Pärt, Kopland en ik elkaar ontmoeten.’ Waar buiten en binnen elkaar ontmoeten, zou je wellicht ook kunnen zeggen. Het gedicht eindigt niet voor niets aldus:

je denkt aan je jeugd aan 1 Korintiërs 13
nu kijken we nog in een wazige Spiegel
maar straks staan we oog in oog.

Belet de ‘wazige Spiegel’ het van buiten naar binnen kijken? Of was dat alleen een herinnering uit je jeugd?

Voorpret Human Café
Terug naar Henk van der Waal en mijn rode draad, Spinoza. Ook van Van der Waal herlas ik afgelopen week wat bundels. In een ervan, Door alle honderd harten wit te kalken (2018), gaat het over

… iets wat van buiten
komt, maar gek genoeg
diep van binnen in je brandt.

Is dat Spinozistisch? Of bewandelt Van der Waal misschien een tussenweg waarin beide elementen die ik noemde, transcendentie en immanentie, een plaats hebben, zoals wanneer Herman De Dijn over Spinoza schrijft (Spinoza, de doornen en de roos)? Stan Verdult eindigde een mooie blog over De Dijn (5 oktober 2010) met: ‘God of de Natuur bevindt zich in mijn intiemste innerlijk en is tegelijk wat mij het hoogste overstijgt. Ja, tegelijk – en dan is het een kwestie van binnen/buiten-perspectief – zowel transcendent als immanent.’ Iets waar ik me overigens, tot wanhoop van mijn scriptiebegeleider van mijn Masterscriptie, helemaal in kan vinden.
Met deze vraag in mijn achterhoofd toog ik naar The College Hotel in Amsterdam, waar Van der Waal zijn lezing ging geven.

Henk van der Waal en Spinoza
Een lezing die in het verlengde lag van zijn boek Mystiek voor goddelozen (2017), wat iets anders is dan zijn gedichten. In dat boek koppelt hij verwondering aan mystiek.
Om te beginnen gaf Van der Waal een definitie van het begrip ‘verwondering’ (onder meer verbazing over het geheel) en niet van ‘mystiek’, maar dat had ik al uit genoemd boek gevist: ‘het koesterende open’. Heel dichterlijk gezegd, betekent dit het openstaan voor het geheel, van het wonder waarin alles verschijnt. Het is een definitie die is ontleend aan Rilke, die het over ‘het opene’ had, datgene dat je niet helemaal kunt doorgronden, wat een mysterie is.

Van der Waal vroeg zich af hoe we dit opene weer terugkrijgen, ‘zonder het transcendentale’, wat wil zeggen: ervaringen die het kennen mogelijk maakt (derde soort kennis bij Spinoza). En toen viel Spinoza’s Deus sive Natura, door Van der Waal uitgelegd als: het wonder wordt door de Natuur geproduceerd, vanaf de Big Bang. Van het begin van ruimte en tijd. Meer nog: van het ontstaan van de materie (uitgebreidheid bij Spinoza, denk je er dan bij). De Big Bang gaf het opene van ruimte en tijd, waar later nog het ‘taalcontinuum’ aan toevoegde.

Het was – om een lang verhaal kort te maken – de enige keer dat Van der Waal Spinoza noemde, al scheerde hij wel een paar keer langs diens denken (met name het conatus-begrip), zonder het verder als zodanig te benoemen of bewoog zich er juist vanaf.
Ik was niet de enige die hierdoor teleurgesteld was. De vragen op het eind van zijn lezing legden de zwaktes ervan bloot:

1.      Waar bleef Spinoza, die ons in de aankondiging was beloofd? Antwoord: Een andere keer.
2.      Wat is mystiek? Antwoord: zie hierboven.

Los van zijn tekst volgden uit de losse pols nog wat sneren naar de christelijke eredienst (‘een beetje ritueel, een beetje zingen’). Weinig Spinozistisch, want laten we wel wezen: hij had geen problemen met de kerkgang van zijn hospita, maar met bijgeloof.
Trouwens: Van der Waal omschreef de stap van verwondering naar mystiek uiteindelijk als kwam hij vanuit een crypte in een rijk versierde kathedraal. Eh?

En hoe het met mijn napret zit? Die was er niet, in tegendeel, maar laat ik positief eindigen  en de nasmaak ombuigen naar voorpret voor de komende lezingen van Verbeek en Brinkman. Wordt vervolgd.

Tijd en ruimte

Een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar en een recente cd van de Mark Haanstra en Oene van Geel deden mij weer een keer grijpen naar het schitterende boekje De sabbat. Zijn betekenis voor de moderne mens van Abraham Joshua Heschel.

Dat zit zo. In Alkmaar vallen schilderijen van onder meer Salomon van Ruysdael van de Grote of St. Laurenskerk te zien (zie afb.). Onder meer, want er vallen ook al even mooie foto’s en een film van die kerk van Hans van der Meer te bewonderen.
Van der Meer heeft het er over dat de kerk in de tijd van Ruysdael in de ruimte was gezet, terwijl we de kerk nu meer in de tijd plaatsen. Dat wil zeggen: de kerk was in de tijd van Ruysdael (ca. 1664) een landmark, terwijl het gebouw nu kan worden getoond, zoals in de film, met verstrijkend licht – door de dag en de seizoenen heen verschietend van licht naar donker en van intensiteit.

‘Het grote probleem [voor rabbijn Shimeon, ca. 130, EvS] was’, schrijft Heschel, ‘tijd en niet ruimte; de opdracht was hoe tijd in eeuwigheid te veranderen en niet hoe de ruimte te vullen met gebouwen, bruggen en wegen; en de oplossing van het probleem ligt eerder in studie en gebed dan in meetkunde en techniek’ (p. 42).

En daar komt de nieuwe cd Shapes of Time van Haanstra & Van Geel (Zennes Records) om de hoek kijken. Muziek van grote klasse. Jazz of geïmproviseerde modern-klassieke muziek, dat is mij om het even. Als je de cd opzet, klinkt de muziek in het hier-en-nu. Terwijl je ernaar luistert verstrijkt de tijd, als bij een film van Van der Meer. En ook weer niet: er gebeurt iets met je, en het lijkt of tijdloosheid je overvalt. Of er sprake is van een eeuwigheid in de zin van Heschel.
Bassist Haanstra (die ik nog niet kende) en altviolist Van Geel (wiens werk ik al geruime tijd bewonder) lieten zich inspireren door een andere fotograaf: Udo Prinsen. Op de omslagfoto van het boekje bij de cd verschijnt niet zozeer een landschap zoals dat bij een Ruysdael op de voorgrond van zijn schilderij prijkt, maar de verstrijkende tijd. Dat hoor je terug in de muziek, met kleine verschillen in ritmiek; Haanstra met zijn ‘lopende bas’ (bij barokmuziek spreken we van een basso continuo) en Van Geel die er, de jazzmuziek eigen, net even een fractie daarna komt. Prachtig – die muziek, die schilderijen in Alkmaar. En nog steeds dat boekje van Heschel dat ik eens in de zoveel tijd móet herlezen.

Peter Singer – Effectief altruïsme

Effectief altruïsme : 1. Ontdek hoe je het meeste goed kunt doen in de wereld. 2. Doe het! / Peter Singer ; vertaald [uit het Engels] door Marjolijn Stoltenkamp. – Rotterdam : Lemniscaat, [2017]. – 224 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: The most good you can do : how effective altruism is changing ideas about living ethically. – Yale University, © 2015. – Met literatuuropgave, register. ISBN 978-90-477-0944-2

Effectief altruïsme is kort gezegd het door middel van geld, werk, keuzes en tijd zoveel mogelijk goeds in de wereld tot stand brengen. Logisch redeneren en eenvoudig leven moeten dit mogelijk maken. Peter Singer, de Australische utilitaristisch filosoof en docent aan onder meer Princeton University, is een van de vaders van deze beweging in opkomst. Hij verwoordde het ethisch ideaal voor het eerst in Famine, Affluence and Morality (1972). Deze thematiek komt in dit boek terug. Aan de hand van voorbeelden en onderzoeken wordt duidelijk gemaakt hoe iedereen effectief altruïst kan worden. Niet altijd even genuanceerd in zijn opvattingen, bijvoorbeeld over kunst en soms te rationeel, bijvoorbeeld wanneer hij stelt dat het beter is grote bedragen aan een of twee organisaties te schenken die hebben bewezen de wereld te verbeteren en daarmee het gevoelsmatige ‘penningske van de weduwe’ veronachtzaamt. Dit boek wordt ondersteund door de website www.effectiefaltruisme.nl. Met enkele grafieken, eindnoten met literatuurverwijzingen en een register. Hoewel hier en daar controversieel te noemen een belangrijk en wellicht invloedrijk boek.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘Een echte Thomas Verbogt’

Thomas Verbogt kan sneller schrijven dan ik kan lezen. Of liever: in de week dat zijn nieuwste roman verschijnt, Hoe alles moest beginnen, kom ik er eindelijk toe zijn vorige roman, Als de winter voorbij is te lezen. Als liefhebber van zijn werk, had ik enkele recensies van beide boeken bewaard. En van de inhoud schrok ik nogal. Maar niet getreurd: op de een of andere manier lijkt het alsof Verbogt zelf in zijn vorige boek zijn critici al voor was! Lees maar.

Op 17 september 2015 verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van Verbogts Als de winter voorbij is door Kees ’t Hart. ‘Bij Verbogt weet je wat je krijgt’, schrijft hij. Verderop heet het: ‘precieze en ingehouden stijl’ die ‘iets gekunstelds heeft.’ Verbogt weet, lijkt het, zelf ook dat dit zo is: ‘Ze is tot het einde toe helder gebleven. Ze heeft zelf de dood laten komen’ wordt bij wijze van spreken van commentaar voorzien: ‘Zo heb ik het nog nooit gehoord: de dood laten komen (…). Het zijn alleen maar woorden.’

Iets soortgelijks gebeurt met ’t Harts opvatting dat Verbogt toegaf ‘aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te overstijgen.’ Zelf heeft de auteur het op een gegeven moment over ‘dronken pathetiek.’
Blijft – concludeert ’t Hart gelukkig – ‘een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk.’

Daarom was de recensie van zijn nieuweling, door Sebastiaan Kort (in NRC Handelsblad, 8 september 2017) dan weer even schrikken. Maar gelukkig kan hetzelfde procédé worden toegepast: Verbogt geeft als het ware commentaar of antwoorden op ook deze recensent (‘recensist’ hoorde ik afgelopen week een vrijwilliger in een museum zeggen).

Verbogt schrijft aldus Kort ‘lege, weekmakende levenslessen’ waarin ‘zijig wordt gerefereerd aan zaken als “het leven”, “geluk” of “momenten van”.’ Verbogt lijkt ermee te spelen, wanneer hij schrift: ‘”Zullen we iets drinken”, stelde ik voor. “Hier in je oude buurt of de nieuwe?” Die keuze! “In de nieuwe”, zeg ik. En ik wil eraan toevoegen: “in de nieuwe tijd”, maar Aimee vindt dat soort uitspraken meestal “van die uitspraken”.’

‘Je krijgt met deze Verbogt’ schrijft Kort à la ’t Hart ‘de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde (…). Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer (…), dan zit je bij Verbogt geramd.’ Of zoals hij zelf schrijft: ‘Zij wil het licht houden. Ik ook.’

Gelukkig is er ook nog een andere recensie van Hoe alles moest beginnen, van Rob Schouten (in Trouw, 9 september 2017). Enkele citaten hieruit: ‘Thomas Verbogt is de meester van herinneringen en weemoed (…). Het zijn warme, liefdevolle teksten (…). Niets in Verbogts verhaal (…) is spectaculair, bedoeld om aandacht te trekken (…). Met zijn eenvoudige, oprechte stijl zonder versieringen en relativeringen, richt hij zich direct tot het hart van de lezer (…). Geen sublimering, geen hoge woorden, maar mensentaal voor mensengevoelens (…). Het is een gevoelige wereld die hij schetst, die van de pure aanvechtingen: je kunt er makkelijk cynisch over doen, het wegzetten als sentimentalistische kitsch maar de waarheid is dat Verbogt je met zijn zoektocht naar de kern van gevoelens werkelijk weet te ontroeren (…). Met zo nu en dan een golf van pure extase.’

Ik ben weer thuis. En zie een documentaire over Verbogt in Het uur van de wolf (21 september 2017). Of eigenlijk: een poëtisch filmportret, waarin de schrijver de voice over is en slechts een enkele keer zelf in beeld komt. ‘Het is niet om aan te zien, het is potsierlijk’ meent hij op een gegeven moment. ‘Al dat gedroom, zo is het leven niet. Zo is het leven wél, ik leef toch.’

Opnieuw uit-gevonden muziek

Vanessa Lann_CDIn de Gemäldegalerie in Berlijn hangt een onbekend schilderij van Rembrandt dat veel mensen echter toch zullen kennen. Op de voorgrond zit een oude man met in zijn ene hand een munt en in zijn andere een kaars. Het licht valt niet alleen op zijn gezicht, maar ook op een stapel boeken en papier op de achtergrond. We herkennen de man met knijpbrilletje uit schilderijen van Caravaggio, Honthorst en Ter Brugghen. Terwijl we de stapels boeken op schilderijen die Rembrandt in dezelfde tijd als De woekeraar (1627) maakte opnieuw tegenkomen – zo citeerde Rembrandt anderen én zichzelf.

Wat we hier zien, is wat we beluisteren in de muziek van componiste/pianiste Vanessa Lann, van wie recent een cd is uitgekomen (zie afb.). Het is muziek met een duidelijke voorgrond, met citaten uit eigen en andermans werk. En met op het eerste gehoor een minder prominente achtergrond, vol statische akkoorden of eenvoudige motieven. Waarbij niet in de laatste plaats een grote ruimte voor theatrale aspecten is weggelegd.

Voorgrond
Op de voorgrond hoor je in haar orkestwerken solotrekjes die als in de gloed van een kaars oplichten. Het duet tussen fluit en althobo in het middendeel van Resurrecting Persephone (1999) voor fluit en orkest, dat op de onlangs uitgebrachte cd staat, doet bijvoorbeeld denken aan het langzame deel uit Ravels Pianoconcert in G.
Ook de soli in The Flames of Quietude (2006), een concert voor orkest zullen de luisteraars die al eerder werk van Vanessa Lann hebben gehoord, bekend voor komen: het zijn haar eigen solostukken voor viool, cello en piano die ze heeft ‘hergebruikt’, opnieuw heeft uit-gevonden en in een andere context geplaatst. Net als fragmenten uit bekende werken van onder anderen Bach en Beethoven.

Achtergrond
Op de achtergrond van The Flames of Quietude klinken zachte pianissimo akkoorden, zoals in Illuminating Aleph (2005) voor chazan (voorzanger), koor en instrumentaal ensemble een herhaald, eenvoudig patroon in de pianopartij klinkt. Telkens weer, als een mantra, tot je denkt het wel gehoord te hebben. Maar dan valt opeens licht erop; het motiefje is hetzelfde gebleven, maar de luisteraar is Ver-licht. De achtergrond is als de zang van de kosmos en de voorgrond een ‘aards’ gegeven, herkenbaar maar toch telkens anders.
Zo blijkt op het eind van een stuk wat op de achtergrond speelde belangrijker te zijn dan wat zich op de voorgrond drong. Maar om dát te ervaren, moet je eerst door het hele stuk heen zijn gegaan, als een gang door de tijd, als een tot het eind toe beleefde droom.
In die zin doet haar werkwijze denken aan het schilderij De schreeuw van Edvard Munch: het is immers niet de man op de voorgrond die schreeuwt (hij is verstomd) maar de natuur op de achtergrond die het uitschreeuwt. Net als Munch speelt Vanessa Lann een in haar geval haast ritueel en vaak humoristisch spel met het verwachtingspatroon van de luisteraar.

Theatrale aspecten
Omdat haar werk erg is gericht op beleving in de concertzaal, spelen ook visuele en theatrale aspecten daarbij een groter rol. Het licht dat in Towards the Center of Indigo (1996) voor saxofoonkwartet wordt gebruikt, ís indigo. In In the Moment (1998) voor vier renaissance blokfluiten lopen de musici van de voor- naar de achtergrond van het podium. En in The Flames of Quietude tenslotte staat een orkestgroep als in een big band opeens op.
Maar ook dát blijkt aan het eind niet het belangrijkste te zijn. Het belangrijkste zijn de vragen die de componiste oproept, als de schrijvers van de boeken op de achtergrond van Rembrandts schilderij. Het antwoord laat ze aan de luisteraar over. Ieder voor zich.

http://www.attaccaproductions.com

Groeien in de tijd

Nieuwe Kerk_orgelIn Quadraatschrift van oktober 2002 schreef ik een column waarin ik een orgelconcert in de Nieuwe Kerk van Amsterdam verbond met een leerhuis over de joodse filosoof Abraham Joshua Heschel.
Op dit moment wordt het orgel (zie afb.) elke dag, met uitzondering van dinsdag, tussen de middag gedurende een half uur bespeeld (12.00-12.30 uur): http://nieuwekerk.nl/nl/#/nl/orgelconcerten/?m=99?m=150905
En maken wij ons op voor het nieuwe seizoen, waarin Pardes een leerhuis over
De profeten van Heschel aanbiedt: http://www.stichtingpardes.nl/algemeen/67/sub/98/3-september-De-profeten-van-Heschel.html  Reden genoeg om de column hier te herplaatsen.

Volgens onderzoekers, las ik in een artikel van Pieter van Os in De Groene Amsterdammer (24 augustus 2002), heeft het laten van een traan bij het luisteren naar muziek te maken met het verloop van tijd.
Een dag later kon ik dit onbedoeld beamen; het na elkaar programmeren van het koraal Ach Gott, vom Himmel sieh’ darein van Nikolaus Hanff (1665-1712) en de ‘grote’ Preludium in e van Nikolaus Bruhns (1665-1697) tijdens een orgelconcert door Bernard Winsemius in de Amsterdamse Nieuwe Kerk deed mij een traan wegpinken. Wat er, al luisterend naar het orgelkoraal van Hanff gebeurde, was wat onderzoeker Michel Poizat volgens Van Os omschreef als het ‘loskomen van de taal.’ Maar dan een beetje anders als in de opera’s die hij op het oog had. De tekst van een koraal staat nooit in het programmaboekje van een orgelconcert afgedrukt, maar ook zonder dat wist ik haarfijn waar Hanff zo grandioos in een voor hem kenmerkende en uit duizenden te herkennen stijl heeft getoonzet, op de tekst van Luther naar Psalm 12:

Ach Gott, vom Himmel sieh’ darein
Und lass dich’s doch erbarmen!
Wie wenig sind der Heilgen dein,
Verlassen sind wir Armen;
Dein Wort man nicht lässt haben wahr;
Der Glaub ist auch verloschen gar
Bei allen Menschenkindern.

Of liever – de tekst werd opeens zonneklaar doordat ik de Preludium in e van Nikolaus Bruhns in het licht van deze tekst ging beluisteren. Volkomen volgens de regels van de retorica die Bruhns volgde, hoorde ik achtereenvolgens in een dalende figuur ‘het zuchten der armen’ (Ps. 12:6), in een stralend gedeelte dat erop volgde de ‘zuiverende woorden, gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig gelouterd’ (vs. 7) en in een ostinato-bas de versregel ‘Gij, Here, zult ze gestand doen’ (vs. 8).

Abraham Heschel
HeschelHet kon niet anders dan dat ik door het lezen over het aspect tijd en het luisteren naar deze twee schitterende stukken ná elkaar, onwillekeurig moest denken aan een indrukwekkend, in poëtische taal geschreven boek van Abraham Joshua Heschel (zie afb.): zijn kleinood De sabbat, dat in 1987 in een Nederlandse vertaling verscheen bij De Haan.
Hierin gaat Heschel in op het verschil tussen ruimte en tijd. En zoals Van Os stelt, dat een esthetische ervaring in de ruimte (bijvoorbeeld een schilderij) minder emoties oproept dan een esthetische ervaring in de tijd (bijvoorbeeld een muziekstuk) – hoewel ik liever zou zeggen: andere emoties oproept -, zo stelt Heschel dat dit allemaal wel mooi en aardig is, maar dat een esthetische ervaring in de tijd toch moet worden onderscheiden van waar het vaak mee wordt verward, namelijk een godsdienstige ervaring. Hierbij is sprake van ‘een ogenblik van inzicht [dat] een geluk is, dat ons uitheft boven de grenzen van de beperkte [vet van mij, EvS] tijd’ (p. 12).
Heschel schrijft over die andere, de geheiligde tijd waarbij je in, en voor één ogenblik de eeuwigheid, de Eeuwige kunt ervaren. De tijd waarbij alle zintuigen zijn betrokken als een voorsmaak op wat gaat komen. Een tijd die alle categorieën te boven gaat: de sabbat. Over wat Guillaume van der Graft op soortgelijke wijze verwoordde:

Wij spreken woorden van brood
Wij gieten liederen wijn uit
Wij luisteren met onze handen
En met onze lippen horen wij
Woorden van brood worden vlees
Terwijl de wijn zich tot bloed zingt
Dan groeien wij in de tijd
Terug tot de dag van de schepping
Vooruit tot het einde der wereld.

Een visioen?

Taturo Atzu_Oude KerkDe Citykerkpionier van de Oude Kerk in Amsterdam, Jan-Jaap Stegeman, nodigde gemeenteleden uit met hem mee te gaan naar de lezing ‘The Anatheistic Wager: Interreligious Violence or Hospitality?’ door de Amerikaanse theoloog/godsdienstfilosoof van Ierse, rooms-katholieke afkomst Richard Kearney (VU Amsterdam).

Kearney is voor Stegeman één van de inspiratiebronnen in zijn denken over Citykerk-zijn. Die uitnodiging nam ik met beide handen aan, geïnteresseerd als ik ben in zowel de Citykerk-ontwikkelingen als aan de vooravond staand van een godsdienstfilosofische Master-scriptie.

Op hetzelfde moment als die uitnodiging verscheen, staat op het dak van diezelfde Oude Kerk het kunstwerk The Garden which is the Nearest to God (zie afb.) van de Japanner Taturo Atzu (27 juni-6 september 2015). Het werk bestaat uit een tijdelijk plateau, dat ons volgens een persbericht ‘nieuwe inzichten en vergezichten te bieden’ heeft.

Een samenvallen van twee dingen die een uitgelezen gelegenheid biedt om te proberen het denken van Kearney toe te passen op genoemd kunstwerk. Immers: Kearney heeft het in zijn werk, onder andere in zijn lezing, ook over kunst. Al is dat met name poëzie en schilderkunst.

Kearneys uitgangspunt is, zoals ik ter voorbereiding las in onder meer een door Stegeman toegespeeld artikel, de ‘filosofische mogelijkheid om terug te keren tot de notie van God na de dood van God.’ Hij noemt deze mogelijkheid ana-theïsme, een derde weg suggererend tussen dogmatisch theïsme en atheïsme. De dubbele ‘a’ slaat enerzijds op voorwaarts gaan in tijd en ruimte, en op ‘opnieuw’, door de verborgenheid, de afwezigheid van God heen. Het slaat niet op een dialectische synthese die theïsme en atheïsme te boven gaat.
Voor Kearney is anatheïsme een poging om het seculiere te sacraliseren en het sacrale te seculariseren. Of, zoals hij Bonhoeffer citeert, zijn met God en leven zonder God.

Atzu verwijst in zijn werk ‘niet alleen naar het klassieke beeld van de kerk als ontmoetingsplek. In dit project’, stelt de website van de Stichting Oude Kerk, ‘is ook de geleidelijke bijsturing van religieuze naar culturele locatie vervat’, van theïsme naar atheïsme, van sacraal naar seculier.

Daarbij moet ik denken aan de indrukwekkende bijdrage van Albert van den Heuvel aan de middag ‘Te denken geven’ in de Amsterdamse Thomaskerk (24 april 2015), waar ik ook een bijdrage aan mocht leveren die elders op deze website valt terug te lezen. Van den Heuvel betreurt het dat de ‘vervlechting en onderscheid van geloof en seculier leven’, ons voorgehouden door onder anderen Bonhoeffer en Kearneys leermeester Charles Taylor, ‘tot op heden geen wortel heeft geschoten in onze kerken.’ Ook Van den Heuvel zoekt in gedichten ‘het wezenlijke, de kern.’ Die ligt zijns inziens niet in meer (meer oecumene) maar in minder. In wat hij ‘gastvriendschap’ noemt (hospitality).

Ik ga tenslotte wat dat laatste betreft ook te rade bij de literatuur, bij wat de Kroaat Dura in Aminatta Forna’s schitterende roman Het huis met de schaduw over dit begrip zegt: de naam van de Kroatische stad Gost ‘klinkt in het Engels als een kruising tussen guest en host’ (p. 116). ‘”Of ghost“, zei Grace. “In het Kroatisch is dat duh.” Grace herhaalt het woord een paar keer. “Goed zo. Of prikaza, maar dat is eigenlijk meer een soort visioen”.’

Zo moge het zijn. En wie daar het dichtst bij komt (nearest to God), is voor mij nog een open vraag. Laten we in gezamenlijkheid, in ontmoeting en gastvrijheid, zoeken naar een mogelijk antwoord. Eén van de vele wellicht, zoals de Talmoed ons leert.

Uit de tijd vallen

Kapel OLVG1.
Tijdens een rondleiding door de neo-romaanse kapel van het OLVG in Amsterdam (zie afb.) vertelt geestelijk verzorger Dirk van den Berg één en ander over de keuze voor juist deze kale stijl die zieken rust zou schenken.
Het kan geen toeval zijn, dat ik weer thuis lees in een roman van Maartje Wortel, Half mens over een jonge vrouw die na een ongeluk een been verliest, over haar ervaring in het ziekenhuis: ‘Alsof ik werd teruggeworpen in de tijd met het enige verschil dat ik nu op een bepaalde manier sterker was.’ Teruggeworpen in de tijd – dat is het.

Het doet denken aan wat Peter Verhelst, die in 2013 ook een ongeluk kreeg, omschrijft in een interview in NRC Handelsblad (20 februari 2015) naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek De kunst van het crashen: ‘Vanaf dat moment wisselt de tijd van gedaante.’

2.
NRC Handelsblad was toch rijk aan bespiegelingen over tijd. Sebastiaan Kort recenseerde in dezelfde bijlage het nieuwe boek van Jan Vantoortelboom: De man die haast had. Een man die ‘los van de tijd’ staat, wat hem een ‘onoverwinnelijk gevoel’ geeft. Maar ook een idee van vervreemding. Als hij voor een oud pandje staat, zegt een vriend: ‘Je staat voor geschiedenis.’

3.
Tijdens een kerkdienst in de Amsterdamse Oude Kerk klinkt het motet Tempus fugit van Christiaan Winter op een vers uit Marcus 1:

De tijd is aangebroken,
het koninkrijk van God is nabij.

Achter elkaar ‘vluchtende’ stemmen in de vorm van sjablonen uit een vergane tijd, die uitkomen op: De tijd is nabij.

Het is de veertigdagentijd die ervoor zorgt dat ik gevoeliger ben voor deze muziek, voor een neo-romaanse kapel, voor bespiegelingen over tijd in literatuur van Wortel, Verhelst en Vantoortelboom dan anders ongetwijfeld het geval zou zijn. De brokken rijgen zich aaneen, zoals Maartje Wortel een halve mens weer tot een heel mens wil maken, zoals Verhelst de brokstukken van de auto weer tot een geheel maakt. Dat vermag kunst te doen. In deze (veertigdagen)tijd, met brokstukken uit het verleden en het oog op de toekomst.

Wat van je leven maken

Verbogt_Kleur van gelukTijdens een braderie doet mijn bibliotheekfiliaal zowat het hele oeuvre van schrijver Thomas Verbogt van de hand, maar op de tafel met nieuwe aanwinsten binnen ligt zowaar Verbogts laatste roman: Kleur van geluk.

Een boek over twee vrienden en nog veel meer. De één houdt van Kafka, de ander van Nabokov. ‘De vriendschap bleef zo jong als wij toen waren’, zegt de alwetende ik-verteller die het nog steeds fijn vindt als zijn bijna 90-jarige moeder ‘jongen’ tegen hem zegt. De tijd is op z’n best als hij stil blijft staan. Maar dat doet hij niet.

De hoofdpersoon, Daniël Timmer, vraagt zich af hoe je daarmee om moet gaan. Neem je gaandeweg afscheid, geef je herinneringen door met de dingen die je aan je kinderen schenkt, vertel je verhalen of zwijg je juist om ze bij je te houden?

Hij gaat er niet goed voor zitten, de hoofdpersoon. Zoals de meesten van ons dat niet doen. Hij is wel met zijn gedachten ergens anders, maar niet bij wat er misschien werkelijk toe doet. Hoewel het de vraag is of je afscheid nemen wel kunt oefenen. Net als het antwoord op de kwestie die een medeleerlinge aanroert: ‘Wat ga je van je leven máken?’
Het was de vader van Daniël die het leven maakte, hij niet. Hij maakte het mee, en bedacht zijn leven als in een andere wereld, in een droom. Hij dacht teveel, volgens zijn omgeving. En sloeg daarom, volgens zichzelf, te weinig in zijn geheugen op, en leefde over of om de dingen heen.

Misschien omdat hij levensbang is. ‘Ik vind levensbang een beter woord dan doodsbang’. Iets dat Verbogt op een poëtische, melancholieke manier invoelbaar weet te maken. Het begrip groeit met het verhaal mee, net als de karakters, die raak zijn neergezet.

Dóór de affaire met Carla, de moeder van een medeleerlinge op de middelbare school heen, halverwege het boek. Een korte periode waarin Daniël niet alleen meer denkt, maar ook beelden gaat oproepen, beelden die hij de kleur van gelukt geeft. Van vogels, witte vogels bijvoorbeeld. Terwijl hij ondertussen nog steeds hoopt dat de tijd stil blijft staan. Dat doet hij tot op zekere hoogte ook: zowel in het hoofd van zijn moeder als dat van Carla is het vaag geworden. ‘Er hangt veel mist in de tijd.’

Uiteraard is dat, zoals zoveel in dit boek, symbolisch. En niet alleen in dit boek, het is kenmerkend voor de stijl van Verbogt. Daarom lees ik zijn werk denk ik ook zo graag. De symboliek geeft diepte aan een verder haast lichtvoetige manier van schrijven over zaken die ertoe doen.
Dat wil zeggen: over gebeurtenissen die ertoe doen: ‘de eenmalige gebeurtenissen.’ Daar is Daniël, inmiddels bijna 60 jaar, wel achter gekomen.

De moraal van het verhaal wordt eigenlijk schitterend verwoord door de Russische componiste Marina Poleukhina in het programmaoverzicht van de Gaudeamus Muziekweek 2014. Niet dat zij Verbogt gelezen zal hebben, maar het valt me zomaar toe: ‘De veelheid van dingen rondom ons, maakt je soms verschrikkelijk eenzaam. Dan raak je het zicht kwijt op wat nou belangrijk voor je is. Maar dát gevoel, het gevoel alle grond onder je voeten te verliezen, wekt bij mij juist de neiging er tot aan de rand van het ravijn in mee te gaan. En dan blijkt telkens weer dat je het toch niet kunt!’

Om zulke gevoelens gaat het. En om een schrijver die ze onder woorden weet te brengen. Dat een bibliotheekfiliaal zowat zijn hele oeuvre verkoopt, heeft dan ook meer met decentraal afschrijvingsbeleid te maken. En dat de centrale weer een nieuwe Verbogt koopt, is een geluk bij een ongeluk.

Thomas Verbogt: Kleur van geluk. Roman (Uitgeverij De Kring), 224 pagina’s, € 12.50