Overdonderende onderdompeling

Vierde Adventszondag. De Dorpskerk in Bloemendaal. Een Festival of Lessons and Carols. De kerk is afgeladen vol. Er worden stoelen bijgezet, mensen wijken uit naar de galerij. Het Kleinkoor zingt onder leiding van Peter Folstar en met een zelfstandige orgelpartij, gespeeld door Agnes van Bekkum, een kort stuk van de Duitse organist en componist André Heberling (1975):

Das Volk das noch im Finstern wandelt, bald sieht es Licht, ein grosses Licht!
Und über denen die da wohnen im Finstern Lande scheint es hell!

Het is een tekst uit Jesaja 9:1-2. Het begint in de donkere diepte van de stemmen en culmineert met een uitbarsting op ‘Licht!’.
Agnes van Bekkum speelt verderop in de dienst het orgelkoraal Nun komm der Heiden Heiland van Joh. Seb. Bach. Ook nu begint het in de donkere diepten. Niet dat het daarbij bleef, want het koor had even tevoren als laatste bijdrage aan deze dienst het O magnum mysterium van de Zwitserse componist Ivo Antognini (1963) gezongen – bedoeld als een opmaat naar kerst, zoals het laatste, schrijnende akkoord in Bachs Matthäus Passion oplost met de blik richting Pasen.

Ik moet eraan terugdenken, terwijl ik – nog net in de Adventstijd – in de Amsterdamse Oude Kerk loop door de installatie Poems for Earthlings van de Argentijn Adrián Villar Rojas (1980). Niet dat daar op de acht uur durende soundscape iets van Heberling, Bach of Antognini klinkt. Nee, het is de sfeer die de installatie oproept: donker, vooral donker, onder meer door de geblindeerde ramen. Hoe zou je dat als kerkganger ervaren op kerstmorgen? En de rest van het kerkelijk jaar, tot en met 21 april 2020?

Wat je ziet zijn vooral houten schotten en zandzakken. Sommige zakken zijn overigens gevuld met piepschuim om het niet al te zwaar te maken. Zij moeten herinneren aan de zandzakken die in de Tweede Wereldoorlog de schatten in kerken, zoals de kathedraal van Reims, beschermden tegen het oorlogsgeweld. Ds. Marcel Barnard refereerde in zijn preek op derde Adventszondag (na te lezen op de website https://oudekerk.amsterdam) ook aan een andere bedoeling ervan: het buiten sluiten van het ‘economische en toeristische en wellustige geweld van deze buurt’.
De kerk als een naar binnen gekeerde schuilplaats en niet openstaand naar buiten, open voor bijvoorbeeld asielzoekers. Dat laatste is eerder indrukwekkend verbeeld door Sarah van Sonsbeeck (2017, zie: https://8weekly.nl/recensie/gelaagde-mylar-dekens-havenkerk/). Daar ging het om beschermende dekentjes voor bootvluchtelingen.
Een verwijzing naar de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog, die wel wordt gelegd, heb ik zelf niet; de looppaden zijn daarvoor te breed.

Wat je ziet zijn vervolgens kroonluchters die, op staketsels leunend, laag bij de grond hangen. Ze verlichten de donkere kerk spaarzaam. Wat je hoort is geen kerkmuziek, maar – in de tijd dat ik er rond liep – het geschrei van een baby (toch een beetje kerst!) en het gegrom van een aap.
In die zin is het toch niet helemaal een site specifiek werk, zoals de Stichting Oude Kerk aankondigt, maar een conceptueel kunstwerk waartoe je je als bezoeker moet verhouden.

Dat gebeurt alom. Aan de heftige meningsverschillen die dit helaas oplevert, ga ik hier voorbij; het valt allemaal na te lezen op een webpagina waarop de kerkelijke gemeente tal van reacties bij elkaar heeft gezet: https://oudekerk.amsterdam/nieuws/het-kunstwerk-in-de-oude-kerk-discussie/ Waaraan trouwens (nog?) het mooie stuk ‘Collectief’ van Niña Weijers (in: de Groene Amsterdammer, 12 december jl.) ontbreekt; zij heeft het over ‘een kunstervaring die (…) overdonderend was’. Over een ‘onderdompeling’ waarvan ze hoopt dat iedereen hem zo zou kunnen beleven. Over de inhoud van de installatie heeft ze het niet. Sterker nog: wil ze het niet hebben. En dat ligt in het verlengde van de abstractie die Villar Rojas voorop stelt.

Ik moest wat dit laatste betreft tenslotte denken aan wat iemand mij vertelde over een Artist talk waar ik zelf niet bij ben geweest. Volgens haar kwam er niet helemaal uit naar voren wat Adrián Villar Rojas nu precies met het kunstwerk bedoelde. Zij weet dat aan zijn gebrekkige Engels, maar misschien wilde hij, net als Weijers, het gewoon open laten en niet, zoals nu een beetje gebeurt, dicht timmeren met woorden; het kunstwerk vraagt om er stil doorheen te slenteren. Dan kun je niet anders dan Weijers beamen, alle nuanceringen die je er ook bij kunt bedenken ten spijt.

Foto (Jörg Baumann) bovenaan deze blog is ontleend aan een Nieuwsbrief van de Oude Kerkgemeente in Amsterdam.

https://oudekerk.nl 

Judas Maccabaeus van Händel in NTR Zaterdagmatinee

Het was een rake keuze voor het tweede concert in de serie Groot Omroepkoor & Friends van de NTR Zaterdagmatinee: Judas Maccabaeus (1746) van Georg Friedrich Händel. Immers: het oratorium eindigt met het lichtfeest, de verovering en reiniging van de Tempel (164 voor de gewone jaartelling), Chanoeka, dat dit jaar valt op 22 tot en met 29 december. Op de christelijke kalender is dat vierde Advent en Kerstmis.

Het begon ook (zo) mooi: de uitvoering ervan door Capella Cracoviensis onder leiding van Jan Tomasz Adamus. Een mooi ingetogen gespeelde ouverture met de voor de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk karakteristieke ‘buikjes’ (zwellinkjes), gevolgd door een prachtige koorinzet: ‘Mourn’. Omfloerst gezongen haast.

Maar Adamus kon dit verwachtingsvolle begin, zeker voor de pauze, niet helemaal volhouden en waarmaken. Als het al zijn bedoeling was het geheel op te bouwen, dan werd hij in ieder geval na de pauze geholpen door Händels muziek zelf.

Eerst het eerste bedrijf, waarin overigens genoeg viel te genieten. Bijvoorbeeld van de uitgebreide continuo-bezetting die met veel fantasie werd ingevuld: theorbe, klavecimbel, kistorgel en cello. Neem de gebroken akkoorden op het moment dat er sprake is van het uitblazen van de laatste adem, of de afwisseling tussen vrijheid (verklankt door orgel) en vrede (klavecimbel).

Dan valt op, dat op momenten dat je ’t wel zou verwachten, er – met uitzondering van de krachtige tenor Joshua Ellicott – toch wel erg weinig pit in zat en dat de dirigent weinig communiceerde met de solisten, waarvan er één nota bene, de bas Sebastian Szumski, een al even krachtige invaller was voor de ziek geworden Peter Harvey, er in zijn aria ‘With pious hearts’ duidelijk en tevergeefs op aanstuurde. Adamus gaf geen thuis.

Met deze aria zijn we al in het tweede bedrijf beland, waarin opviel dat de over de gehele linie puike solisten rijker werden in de wijze waarop ze overigens spaarzame, stijlvolle versieringen aanbrachten. Het betrof naast de al genoemde tenor en bas de sopraan Rebecca Bottone en de mezzosopraan Marta Wryk.
Ook de instrumentatie was in het tweede en derde bedrijf rijker: traverso’s, hoorns, trompetten en pauken. Het koor (‘Ah! Wretched Israel’) leek ook (nog) meer op dreef en ingezongen, zonder de paar vreemde uithalen die soms in het eerste bedrijf uit de toon vielen.

Al met al een wat wisselvallige uitvoering met prachtige momenten die ik niet licht zal vergeten.

El Niño in ZaterdagMatinee

Al jaren heb ik de gewoonte om in de passietijd een stuk passiemuziek te beluisteren dat ik nog niet kende. Die gewoonte zou zich wel eens kunnen gaan uitbreiden richting Advent. In ieder geval was vandaag de ‘aftrap’ met El Niño van de Amerikaanse componist John Adams (zie foto). Het werd als oratoriumversie (zonder filmbeelden) uitgevoerd in de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was er al eens eerder te horen geweest, onder leiding van de componist, maar die uitvoering heb ik gemist. Die schade heb ik nu ingehaald.

De magistrale uitvoering was vandaag in handen van het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor (ingestudeerd door Peter Dijkstra) en het Nationaal Kinderkoor (ingestudeerd door Wilma ten Wolde) onder leiding van Markus Stenz. De zonder uitzondering sterke solistenbezetting bestond uit: Joélle Harvey (sopraan), Jennifer Cano (mezzosopraan), Aubrey Allock (bariton), Daniel Brubeck, Nathan Medley en Brian Cummings (countertenoren).

Adams vertelt het verhaal van het kindje (El Niño), en zijdelings ook de storm die naar die naam luistert, vanuit het perspectief van moeder Maria. Hij gebruikte hiervoor niet alleen de klassieke Bijbelteksten uit het Nieuwe Testament, aangevuld met enkele Oudtestamentische teksten, zoals die in één geval ook door Händel werd getoonzet in diens Messiah (‘For thus saith the Lord’), maar ook teksten uit apocriefe Bijbelverhalen en enkele hedendaagse Spaanstalige gedichten.
Daarmee tilt hij het verhaal van de geboorte van het kind Jezus naar een niveau van de geboorte van ‘een’ kind in het algemeen, dat hij als telkens weer een wonder omschrijft.

In de opbouw van het tweedelige werk, dat in 2000 in Parijs in première is gegaan, vielen mij om te beginnen de orkestrale inleidingen op de verschillende, in totaal veertien onderdelen op. Vaak gaat het om toonschilderingen, zoals wanneer sprake is van aartsengel Gabriel, die wordt aangekondigd door een soort nerveus vleugelgefladder in de strijkers. Of de revolutionaire Lofzang van Maria, die wordt ingeleid met wat wel een serie hamerslagen lijkt.

Maar hoe verder het werk vorderde, hoe meer viel mij op dat er, als een diepere laag, sprake is van een dialectische werking. Niet alleen qua instrumentatie, die ronduit geraffineerd is, en waarin zenuwachtigheid binnen een mum van tijd wordt afgewisseld door een lyrische lijn, maar door de tegenstellingen die ook in de tekst voor komen en worden uitgebuit. Heden en verleden staan zo tegenover elkaar (ook in de remiscenties aan bijvoorbeeld de koebellen bij Mahler), maar worden opgeheven met het oog op de toekomst. Bijvoorbeeld in het door vijfenveertig bloedmooi zingende meisjesstemmen gezongen slotkoor, zoals ik het maar zal noemen: het beroemde gedicht Een palmboom van Rosario Castellanos, de Mexicaanse dichteres en ambassadeur in Israël. Hierin buigt een palmboom door de wind en knielt zo om het kind te aanbidden, als in een gebaar van gebed voor de (komende) Messias. Prachtig!

Tussen Advent en Nieuwjaar van de bomen

Aleph“Er bestaat een boom”, schreef Andreas Burnier in haar roman De wereld is van glas, “waarvan de wortels onzichtbaar zijn verborgen in de onpeilbare diepten van de hemel en waarvan de takken en de kruin zijn gericht op de aarde” (p. 111). Het is dezelfde vergelijking waarover rabbijn Yehuda Aschkenasy schreef: “Zoals de Tora vanuit de hemel zijn takken naar de aarde strekt, zo zoekt de mens [adam, vS] vanuit de aarde [adama, vS] zijn wortels in de hemel” (in: Tenachon, Over de joodse feesten, p. 162).

Het is als de kleine installatie Verstärker (1993) van Walter Dahn (geb. 1954) die ik eens in het Stedelijk Museum in Amsterdam zag: een mini-hoorn van een 78-toeren platenspeler waarop een klein boompje was gemonteerd, dat het uit leek te schreeuwen, de nagenoeg kale takken als armen naar de hemel gericht. Zo is het beeld van de boom klank geworden, zoals de mensen op het doopvont van Beukelman in de Laurenskerk in Rotterdam (1960).

Misschien geeft de letter ‘alef’, de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet (zie afb.) de verbinding tussen die boom van Burnier en Aschkenasy en die van Dahn: één been stevig op de grond en één arm naar de hemel gericht, de kruin in de aarde en de wortel in de hemel? Hoopvol de Messias tegemoet, zonder te verzaken dat je het – zoals op het doopvont in Rotterdam? – moet uitschreeuwen vanwege de nood van de wereld. Zoals Jacob Lekkerkerker op tweede adventszondag in de Oude Kerk van Amsterdam de dienst besloot met het orgelkoraal Nun komm’ der Heiden Heiland van Buxtehude, en Jos van der Kooy het Braambosgebed aan de vooravond ervan met Bachs orgelkoraal Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ BWV 629.

Het nieuwe Liedboek (VII)

Johannes TaulerEr is heel wat vertimmerd aan het Liedboek uit 1973 (LvdK 1973), alvorens sommige liederen in het nieuwe Liedboek (LB 2013) zijn overgenomen. Zie de tabellen in de Wegwijzer voor het Liedboek 2013 van Ellen van der Sar (uitg. Stichting Kerkmuziek Netwerk).

Soms is de melodie anders (bijvoorbeeld nr. 234 uit LvdK/nr. 663 in LB 2013) of helemaal nieuw (bijvoorbeeld nr. 27 LvdK/nr. 762 LB 2013). Dan weer werd de tekst ingrijpend herzien (bijvoorbeeld nr. 203 LvdK/nr. 618 LB 2013, nr. 158 LvdK/nr. 517 LB 2013 of nr. 26 LvdK/nr.482 LB 2013). Of werd een lied ingekort en vervielen coupletten (bijvoorbeeld nr. 427 LvdK/nr.904 LB 2013, nr. 211 LvdK/nr. 51 LB 2013 of nr. 41 LvdK/nr. 762 LB 2013 minus vierde couplet). Een interessante puzzel voor kerkmusici en theologen!

Wat helemaal naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen, is dat – om het nog ingewikkelder te maken – veel liederen uit het Liedboek 1973 al uit de Psalmen en Gezangen van 1938 kwamen. Soms ook vertimmerd en wel. Een kolommetje 1938 erbij in het boek van Van der Sar, zou het niet alleen bruikbaar maar ook interessanter hebben gemaakt. Zo zou je makkelijk kunnen achterhalen hoe een tekst en/of melodie ooit was en in de loop van de tijd al dan niet is gewijzigd, ingekort of wat dan ook. Want terugbrengen naar het origineel, wat een ander uitgangspunt geweest zou kunnen zijn, blijkt er niet in te hebben gezeten. Ook dit is voer voor kerkmusici en theologen!

Een voorbeeld is Gezang 434 uit het Liedboek 2013, dat is nr. 116 uit het Liedboek 1973 en Gezang 2 uit de bundel 1938. Het komt uit de mystieke traditie van Johannes Tauler (zie afbeelding) en omgeving: ‘Daar komt een schip, geladen’. Een Adventslied. In de bundel van 1973 (overgenomen in die van 2013) is het bevindelijke eruit geretoucheerd. In plaats van de zinsnede

en daarna met Hem sterven
om geest’lijk op te staan

staat er nu:

en daarna met Hem sterven
om met Hem op te staan.

Het zou mooi geweest zijn als er nu, anno 2013, had gestaan:

om in Hem op te staan.

Je mag het erin lezen, maar het staat er niet.