Denkers en dwalers


In juli 2019 volgde ik met vijf andere cursisten de week ‘Filosofie in de Lage Landen’ bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De docent was dr. Erno Eskens, die vertelde dat hij werkte aan een boek over de ‘geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen’. Dat boek is er inmiddels. Reden te meer om het te vergelijken met mijn (uitgebreide) aantekeningen uit 2019 en aan te vullen met recente bevindingen na lezing van het mooi uitgegeven boek, waarvan ik onder dank een recensie-exemplaar ontving.

 

Inleiding
Om te beginnen is de inleiding tot de uitgave uitgebreider dan die tot de cursus. Ik zou zeggen: uiteraard wordt hier de methodologie diepgaander uit de doeken gedaan. Eskens legt de nadruk op denkers die ‘naar de marges’ zijn geduwd: uit de voormalige koloniën, vrouwen, autodidacten en literaire denkers. Een loffelijk streven, al heeft hij uit de ene categorie meer namen op kunnen duikelen dan uit de andere. De nadruk ligt ‘op ideeën over het goede leven, over de ideale samenleving, schoonheid, zin, zelfontplooiing, rechtvaardigheid’. Het gaat Eskens niet alleen om de hoofdlijnen, maar ook om de breuklijnen, want die zijn vaak op zijn minst zo interessant. Met als beperking overleden denkers, op enkele uitzonderingen na.
Ik ga na wat hij vertelde en schreef over enkele van mijn geliefde filosofen/denkers: Jan van Ruusbroec, Coornhert en Spinoza. En nog enkele zaken meer.

Jan van Ruusbroec
Het boek lijkt me nog zorgvuldiger qua formuleringen dan de colleges in Leusden; zo verliet Jan van Ruusbroec (1293-1381) niet de kerk, zoals ik het althans noteerde, maar de St.-Goedelekathedraal in Brussel ‘(niet de Kerk’ voegt Eskens er tussen haakjes voor de duidelijkheid nog aan toe).
Opvallend is, dat de auteur Ruusbroec niet – in weerwil van een van zijn uitgangspunten – en in tegenstelling tot Frits van Oostrom (Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400) binnen de literatuur trekt, maar wel net als Van Oostrom het emancipatoire karakter van diens werk (als aankondiger van de latere Reformatie) benadrukt.

Coornhert en Spinoza
En dan zijn we al op weg naar het humanisme en de Renaissance, onder meer met Coornhert (1522-1590, afb. rechts). Zoals Eskens diens werk tijdens de cursus in Leusden uitlegde, moest ik vaak aan Spinoza (1632-1677) denken. Volgens hem is Spinoza echter niet zozeer het startsein voor de Verlichting, want dat was eerder Francis Bacon (1561-1626). Al toont Eskens zich geen groot kenner en liefhebber van het werk van Spinoza, toch werd hij onlangs benoemd tot voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, vooral om zijn grote netwerk.[1]
Spinoza draaide zich volgens Eskens ‘in de soep’ met zijn idee van God of de Natuur: een in plaats van twee substanties. Het overdenken waard, maar we gaan verder en maken een sprong in de tijd.

ISVW
Met een opmerking die eigenlijk in het verlengde van het voorgaande ligt en waar ik in mijn dictaat een streep bij heb gezet: de controverse tussen de oprichters van de ISVW (1916, zie foto EvS links). Het is volgens Eskens mede aan deze dialectiek te denken, dat de ISVW nog steeds bestaat. In het boek komt deze episode in dat licht bezien wat minder uit de verf dan tijdens de cursus. Een van de cursisten én docenten van het eerste uur aan de ISVW was Clara Wichmann (1885-1922), een interessante vrouw die denk ik terecht vond dat een sociaal contract een fictie is.

De moderne tijd in
Hoewel Eskens in haar ook een mede-dierenactivist zal herkennen, is hij niet eenkennig. Zo behandelt hij ook het denken van Herman Dooyeweerd (1894-1977), een rechtsfilosoof van gereformeerde snit, en J.H. van den Berg (1914-2012) van de omstreden metabletica.

In de cursus te Leusden ging Eskens iets verder de moderne tijd in dan in het boek; hij beperkt zich in het laatste geval immers ‘zoveel mogelijk tot overleden denkers’. Dat dit heel veel oplevert, maar dat veel ook nog onbesproken blijft, moge duidelijk zijn. Het wachten is ongetwijfeld op een aangevulde herdruk, waarin dan misschien meteen ook een wat ordentelijker personenregister kan worden opgenomen, waarin achternamen niet langer op ‘de’ en ‘van’ zijn gerubriceerd. Maar dat is een kleinigheid bij een tour de force die de samenstelling en het schrijven van dit boek moet zijn geweest. Dat het een work in progress is, blijkt al uit de aankondiging van de nieuwe opzet van de hiervoor genoemde, eerder door mij gevolgde Summerschool bij de ISVW. Nu van 15 t/m 19 augustus 2022.[2]


Erno Eskens: Denkers en dwalers. Een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen

Uitgever: ISVW Uitgevers, 2022
ISBN 978-90-831215-9-8
Prijs: € 29,95

Link naar de podcast van Erno Eskens over zijn boek: https://isvw.nl/podcast/

[1] Zie ook een eerdere blog: https://elsvanswol.nl/ietsje-meer/
[2] Zie: https://isvw.nl/activiteit/denkers-dwalers-summerschool/

De l/Ladder

De beelden, en enkele gebeurtenissen, vloeien ineen. Voor een Zoomcursus over de Hebreeënbrief schaf ik het boek Een betoog van Nicodemus? van Bart Gijsbertsen aan (Uitgeverij Van Warven, 2021). Bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden boek ik twee praktisch op elkaar aaneensluitende Summerschools, en voor het weekend ertussen overnachtingen bij een hotel tegenover Kamp Amersfoort. Ondertussen denk ik na over een lezing die ik voor Helikon in Utrecht ga geven. Over engelen in beeldende kunst en muziek.

Bart Gijsbertsen heeft het in zijn boek ook over engelen. Oorspronkelijk zijn het boden, mal’ak. ‘Elke bode-engel krijgt eigen opdrachten van God; en keert na de uitvoering daarvan terug naar de hemelse werkelijkheid om nieuwe opdrachten te ontvangen. Over het algemeen zijn de engelen onzichtbaar om ons heen. Een enkele keer maken ze zich zichtbaar voor onze ogen; denk bijvoorbeeld aan de verschijningen aan Manoah en Maria. En nog meer bijzonder is het als je ze daadwerkelijk allemaal kunt zien. Het laatste horen we bijvoorbeeld over Jakob. Hij ziet de engelen met hun opdrachten heen en weer gaan naar en vanuit de hemelpoort’ (p. 84).[1]

Ik moest toen ik dit las onwillekeurig denken aan het beeld van Armando bij Kamp Amersfoort (foto EvS). In mijn geheugen heet het de Jakobsladder, maar niets is minder waar. Het heet gewoon De Ladder. Als er al engelen omhoog klimmen en neerdalen, dan zijn ze niet te zien zoals in Genesis 28. Het is een veertien meter hoge ladder die symbool staat voor vluchten, troost en vrije gedachten. Die ladder ontstond volgens Armando tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar is pas nu zichtbaar voor onze ogen, om Gijsbertsen te parafraseren.

Leden van het voormalig verzet hadden kritiek op De Ladder; het zou het beeld zijn ‘van de passieve toeschouwer’. Als dit terecht zou zijn, dan is er – doorgeredeneerd – sprake van beeld en tegenbeeld: Ladder en Jakobsladder. Zoals Egbert Rooze het heeft over Evangelie en tegenevangelie, i.c. Augustus (of hier: Hitler). En dan is en blijft het een l/Ladder die ons nog steeds veel te zeggen heeft. Als een opdracht (mitswa) om nogmaals Bart Gijsbertsen te citeren.

Ik hoop De Ladder later dit seizoen weer te zien. In de overweging dat de samenhang tussen deze Ladder en de Jakobsladder niet toevallig is. Armando moet er iets van hebben geweten. Als een groot kunstenaar, die dingen verbeeldt waaraan hij zelf misschien niet direct heeft gedacht, maar waarmee hij ons aan het denken zet. En als het even kan tot daden aanzet. Een beetje engelachtig.

[1] Genesis 28: 12 vv.