Othello met allure

Shakespeares Othello in de vertaling en bewerking van Esther Duysker zou je evengoed Jago kunnen noemen. Het is de trouwe rechterhand van Othello die in de opvoering door Het Nationale Theater in regie van Daria Bukvić de eigenlijke hoofdrol heeft. Een met wat Pim Fortuyn quotes strooiende en met de gebleekte haren van Wilders getooide valserik, sterk gespeeld door Rick Paul van Mulligen.

Dat zegt veel over wat Bukvić wil benadrukken: de witte wereld, hier in de personage van Jago, gunt de zwarte wereld, bij Shakespeare Othello, niet het succes waar het gewoon zonder meer recht op heeft. Of, zoals in de flyer bij het tournee te lezen valt: ‘Denk aan discriminatie op de arbeidsmarkt, het feit dat Zwarte Piet voor velen geen onschuldige kindervriend is of hoe minimaal het onderwijs aandacht besteedt aan de uitwassen van het koloniale verleden.’

Othello wordt gespeeld door de zwarte acteur Werner Kolf, en als hij tegen het eind vraagt: ‘Ben je bang voor me?’ dan komt dat binnen, al is dat niet rechtstreeks tot de zaal gericht, zoals hij op een bepaald moment wel de vierde wand doorbreekt en de zaal rechtstreeks toespreekt, frontaal.
Nu is het echt niet de eerste keer dat Othello door een zwarte acteur wordt gespeeld; Daan Schneider heeft dat voor de VPRO Gids (27 januari t/m 2 februari) uitgezocht. En ook de constatering die Bukvić in Het Parool schijnt te hebben gedaan dat ‘Othello in de grote zalen in Nederland nog nooit is gespeeld met een zwarte acteur in de hoofdrol’ behoeft enige nuancering; in Amsterdam wordt de productie bijvoorbeeld om wat voor reden dan ook niet gespeeld in de Stadsschouwburg maar in Frascati, waar je meestal de meer experimentele opvoeringen van Shakespeare voorbij ziet komen. Vreemd eigenlijk, een gezelschap met de allure van Het Nationale Theater in Frascati, hoezeer ik ze een reeks uitverkochte voorstellingen ook gun.

Ook het geweldige decor van Marloes en Wikke (Marloes van der Hoek en Wikke van Houwelingen) zou in de Schouwburg niet hebben misstaan of zijn weggevallen. En laat het duidelijk zijn: deze productie als geheel niet!
Want behalve de reeds genoemde sterk spelende Rick Paul van Mulligen en Werner Kolf, is ook met name de rol van Emilia (Lotte Driessen) er een om extra op te letten als u de kans krijgt; de meeste voorstellingen zijn inmiddels uitverkocht. Wat haar rol zo sterk maakt, is de lichaamstaal waarmee ze over het podium beweegt en haar twijfel een extra accent geeft. Zoals binnen de gehele productie al dan niet ongemakkelijke stiltes niet worden geschuwd. Die maken dat het geheel nóg sterker binnenkomt.

Ik had bijna geschreven: de boodschap nog sterker binnenkomt, maar daarmee zou ik de productie geen recht hebben gedaan. Want al valt de nadruk in de pers vaak op de insteek van Bukvić en het feit dat de hoofdrol door een zwarte acteur wordt gespeeld, het is gewoon een geweldige opvoering met een prachtige ritmiek die nog tot en met zaterdag 31 maart a.s. door het hele land valt te zien. Inderdaad: ook in enkele grote zalen.

Foto: Sanne Peper (van de website https://www.hnt.nl).

De spiegel als bespiegeling

Memling_St. JorisOla Mafalaani

Hij is terug van nooit weggeweest: Shylock, het personage uit De koopman van Venetië van Shakespeare. In twee boeken die ik onlangs las, figureert hij: Shylock is mijn naam van Howard Jacobson, in de Nederlandse vertaling van Lidwien Biekman, en in Antisemitisme. Geschiedenis en actualiteit, een boek van Jaap Tanja.

Staat Shylock nu echt synoniem voor antisemitisme? Naar aanleiding van het verschijnen van bovenstaande twee boeken denk ik terug aan een opvoering van het stuk van Shakespeare in een regie van Ola Mafaalani (zie afb. rechts), in 2002. Ik zag het in Utrecht en schreef erover in Quadraatschrift (september 2002). Die column neem ik hier enigszins gewijzigd over.

In de Alte Pinakothek in München hangt een schilderij van Hans Memling, dat op het moment vanwege een verbouwing niet valt te zien (zie afb. links). Op de rechterkant, in het schild van St. Joris, wordt de linkerkant weerspiegeld als de echo in een Fantasie van componist Jan Pietersz. Sweelinck. Even kwam ik in de verleiding iets soortgelijks op te maken uit de regie van de Syrische regisseur Ola Mafaalani van Shakespeare’s De koopman van Venetië: het gedrag van de jood Shylock wordt weerspiegeld in dat van de Venetianen. Elk antisemitisme – wat deze rol al dan niet terecht aankleeft –, wordt zo de grond ingeboord. De zaal wordt, als altijd in een regie van Mafaalani, op die manier ‘meervoudig gericht betrokken’, zoals Douwe van der Sluis goede partijdigheid bij in dit geval joden en Palestijnen eens noemde.

Maar de regie gaat dieper. Net zoals Anton Wessels een artikel in Overcome weliswaar ook begon met spiegelingen tussen geweld van de kant van het ‘christelijke westen’ en het ‘islamitische oosten’, hij deze te boven komt door ervoor te pleiten wederzijdse vertekeningen af te bouwen. Net zoals Mafaalani deed; de spiegel is een bespiegeling geworden. Over verveling en onverschilligheid (het spelletje poker dat al voor de voorstelling is begonnen), geldzucht en consumptiedwang, machtswellust en vreemdelingenhaat, innerlijke rijkdom en uiterlijke schijn gesproken. Kortom over wat Wessels de grote djihâd (eigen verkeerde begeerten, de verzoeking) noemt.

Ola Mafalaani ging nóg een stap verder. Zij staat er niet alleen bekend om dat zij toeschouwers letterlijk bij een toneelstuk betrekt, maar ook de manier waarop zij de emoties van Shylock door middel van diens lichaamstaal voor en na de monoloog over genade door Portia in het vierde bedrijf over het voetlicht brengt, is kenmerkend. Eerst is Shylock zelfverzekerd. Want, zoals Lancelot tegen Bassanio, de vriend van de koopman zegt: ‘U hebt Gods genade, meneer en hij [Shylock] heeft genoeg’ (tweede bedrijf).

Aan het eind van de opvoering zat Shylock als een uitgestotene aan tafel, maar na (of door) de monoloog over genade wordt hij weer bij en op de anderen betrokken. Want genade

… daalt als zachte regen uit de hemel neer op de korst der aarde. Dubbel is haar zegen: wie haar schenkt en wie haar krijgt. Die zegent zij.

De monoloog over de dubbele zegen verbeeldt voor mij de meervoudig gerichte betrokkenheid waar Douwe van der Sluis het over had. Het is een bespiegeling op hetzelfde niveau als de vader in Michel Quints indrukwekkende roman, of liever novelle De tuinen van de herinnering, die na de oorlog als clown geen spiegel was van zijn bewaker (en clown) Bernhard Wicki, maar een bespiegeling van de mens (Mensch) wilde uithangen. Een bespiegeling die elke discussie over het feit of De koopman van Venetië nu antisemitisch geladen is (volgens Martin van Amerongen, zijn nagedachtenis zij tot zegen, in: Heeft een jood geen ogen …) of juist niet (volgens Henk E.S. Woldring) te boven gaat, omdat geen enkele scheiding los gezien kan worden van de selectie in de kampen door de nazi’s. ‘Want zolang dat nog bestaat, gaat het niet goed met de mensen’, zoals een overlevende van Auschwitz en Dachau, Herman Zilverberg, in een televisie-uitzending van Omrop Fryslân zei. Shakespeare heeft zich er mijns inziens in ieder geval niet schuldig aan gemaakt.